40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de regeling van vermogensrechtelijke vraagstukken | BWBV0005082 | verdrag | geldend | 1960-05-18 | https://wetten.overheid.nl/BWBV0005082 | Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de regeling van vermogensrechtelijke vraagstukken |
Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de regeling van vermogensrechtelijke vraagstukken
Artikel I
1. Ten vervolge op de teruggave van Oostenrijks vermogen in Nederland krachtens de verklaring van de Nederlandse Regering van 1951, waarvan de tekst als Bijlage I hierbij wordt gevoegd, verplicht de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zich, de Oostenrijkse Bondsregering voor een definitieve regeling van de tussen beide Staten bestaande vermogensrechtelijke vraagstukken een totaalbedrag van f 1 750 000 (een miljoen zevenhonderdvijftig duizend Nederlandse guldens) ter beschikking te stellen.
2.
De Oostenrijkse Bondsregering verklaart, dat zij dit bedrag zal gebruiken ter regeling van de door haar vertegenwoordigde aanspraken en dat zij bij de Nederlandse Regering geen verdere aanspraken op teruggave van op grond van de wettelijke voorschriften inzake vijandelijk vermogen in het Koninkrijk der Nederlanden onder beheer gestelde vermogensbestanddelen, welke op het ogenblik, dat zij onder beheer werden gesteld, het eigendom waren van personen, die toentertijd de Oostenrijkse nationaliteit bezaten of deze sindsdien hebben verkregen, langs diplomatieke weg aanhangig zal maken of ondersteunen.
De onder 3 (a), (b), (c) en (d) vermelde aanspraken behoren niet tot de aanspraken ten aanzien waarvan de Oostenrijkse Regering aldus heeft verklaard niet te zullen interveniëren.
3.
Afgezien van bovengenoemde betaling verklaart de Nederlandse Regering zich tot het volgende bereid:
(a) (a) Vermogensbestanddelen van Oostenrijkse onderdanen, welke door het Nederlandse Beheersinstituut niet daadwerkelijk onder beheer konden worden gesteld, worden, zonder berekening van beheerskosten of belastingen door het Beheersinstituut, ter vrije beschikking gesteld van de belanghebbenden. (b) (b) Aanspraken van Oostenrijkse onderdanen, welke hun oorsprong ontlenen aan in Nederland uitgegeven en niet tijdig voor de Nederlandse effectenregistratie aangemelde effecten, zullen dezelfde behandeling genieten als die, welke in Nederland wordt verleend aan soortgelijke aanspraken van geallieerde onderdanen. (c) (c) Verzoeken van Oostenrijkse onderdanen om teruggave ingevolge de verklaring van de Nederlandse Regering van 1951, welke tussen het ogenblik van inwerkingtreden van deze Overeenkomst en 31 december 1959 worden ingediend, zullen zo spoedig mogelijk worden afgedaan. (d) (d) Aanvragen van de Oostenrijkse „Sammelstellen”, welke zijn ingesteld ingevolge de „Auffangorganisationengesetz” van 13 maart 1957, BGBL. No. 73, als gewijzigd bij de eerste en tweede „Auffangorganisationengesetz-Novelle”, BGBL. No. 285/58 en BGBL. No. 62/59, tot afstand van de in het Koninkrijk der Nederlanden aanwezige vermogensbestanddelen ten aanzien waarvan geen aanspraken geldend zijn gemaakt en welke aan met name te noemen Oostenrijkse onderdanen, die het slachtoffer zijn geweest van nationaal-socialistische vervolgingsmaatregelen werden onttrokken, kunnen tot 31 december 1959 worden ingediend. Deze vermogens zullen ingevolge de verklaring van de Nederlandse Regering van 1951 onder aftrek van de beheerskosten zo spoedig mogelijk door de Nederlandse autoriteiten aan bovengenoemde „Sammelstellen” worden afgestaan.
4. De Oostenrijkse Regering erkent, dat het Oostenrijkse vermogen op het grondgebied van Nederland aan generlei confiscatoire maatregelen is onderworpen.
Artikel II
1.
De vorderingen van de Unilever N.V., Rotterdam, en van de N.V. Beleggingsmaatschappij „Industriebank”, welke gebaseerd zijn op deelname van deze ondernemingen in rechtspersonen, welke hun zetel in Duitsland hebben, worden op zodanige wijze geregeld, dat de Republiek Oostenrijk het met de omvang van deze deelname overeenkomend deel der zich in Oostenrijk bevindende en krachtens artikel 22 van het verdrag inzake het herstel van een onafhankelijk en democratisch Oostenrijk van 15 mei 1955 op de Republiek overgegane vermogensbestanddelen overdraagt aan de Unilever en de Industriebank, indien de noodzakelijke bewijzen aanwezig zijn en tegen afgifte van de in deze gevallen gebruikelijke aansprakelijkheidsverklaringen.
Indien zich in de toekomst soortgelijke gevallen, waarin door Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen vorderingen worden ingesteld, mochten voordoen, zal de Oostenrijkse Bondsregering de mogelijkheid van soortgelijke regelingen in welwillende overweging nemen.
2. De Oostenrijkse Bondsregering is bereid, de aanvragen van Nederlandse onderdanen tot vergoeding van materiële oorlogs- en vervolgingsschade volgens de desbetreffende Oostenrijkse wettelijke bepalingen zo snel mogelijk te behandelen.
3.
De regeling van door de Nederlandse Regering ingediende vorderingen van Nederlandse onderdanen, welke zijn gebaseerd op in Oostenrijk uitgegeven effecten, zal geschieden volgens de desbetreffende Oostenrijkse wettelijke bepalingen.
Indien binnen twee jaar te rekenen van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst af geen wettelijke voorschriften inzake de regeling van zodanige vorderingen van kracht mochten zijn geworden, behoudt de Nederlandse Regering zich het recht voor, de Oostenrijkse Regering opnieuw te benaderen.
Artikel III
Deze Overeenkomst treedt in werking door middel van een notawisseling, zodra wederzijds aan de grondwettelijke vereisten voor de inwerkingtreding is voldaan.