40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Tijdelijke economische partnerschapsovereenkomst tussen Ivoorkust, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds | BWBV0003177 | verdrag | geldend | null | https://wetten.overheid.nl/BWBV0003177 | Tijdelijke economische partnerschapsovereenkomst tussen Ivoorkust, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds |
Tijdelijke economische partnerschapsovereenkomst tussen Ivoorkust, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds
Deel I. DOELSTELLINGEN
Artikel 1
Bij deze overeenkomst wordt een initieel kader voor een economische partnerschapsovereenkomst, hierna „EPO” genoemd, vastgesteld.
Artikel 2
De doelstellingen van deze overeenkomst zijn:
a. a. Ivoorkust in staat stellen profijt te trekken van de betere markttoegang die de EG Ivoorkust in het kader van de EPO-onderhandelingen heeft geboden en daardoor vermijden dat de handel tussen Ivoorkust en de Europese Gemeenschap wordt verstoord wanneer de overgangsregeling van de overeenkomst van Cotonou op 31 december 2007 afloopt zonder dat er een volledige EPO is gesloten; b. b. de grondslagen leggen voor onderhandelingen over een EPO die tot een vermindering van de armoede bijdraagt, die de regionale integratie, de economische samenwerking en een goed bestuur in West-Afrika bevordert en die de capaciteiten van West-Afrika inzake handelsbeleid en handelsgerelateerde vraagstukken verbetert; c. c. de geleidelijke, harmonieuze integratie van West-Afrika in de wereldeconomie, in overeenstemming met zijn politieke keuzes en ontwikkelingsprioriteiten, bevorderen; d. d. de bestaande relaties tussen de partijen op basis van solidariteit en wederzijds belang versterken; e. e. een met artikel XXIV van de GATT 1994 compatibele overeenkomst tot stand brengen.
Deel II. PARTNERSCHAP VOOR ONTWIKKELING
Artikel 3
De partijen verbinden zich ertoe samen te werken om deze overeenkomst ten uitvoer te leggen en ertoe bij te dragen Ivoorkust bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de EPO te begeleiden. Deze samenwerking neemt financiële en niet-financiële vormen aan.
Artikel 4
1. De bepalingen van de Overeenkomst van Cotonou betreffende regionale economische samenwerking en integratie worden zodanig ten uitvoer gelegd dat de voordelen van deze overeenkomst zo groot mogelijk zijn.
2. De financiering door de Europese Gemeenschap1)Exclusief de lidstaten. van de ontwikkelingssamenwerking tussen Ivoorkust en de Europese Gemeenschap ter ondersteuning van de uitvoering van deze overeenkomst vindt plaats in het kader van de voorschriften en passende procedures die zijn neergelegd in de Overeenkomst van Cotonou, met name de programmeringsprocedures van het Europees Ontwikkelingsfonds, en in het kader van de desbetreffende instrumenten die uit de algemene begroting van de Europese Unie worden gefinancierd. Steun bij de uitvoering van deze overeenkomst is een van de prioriteiten in dit verband.
3. De lidstaten van de Europese Gemeenschap verbinden zich er gezamenlijk toe ontwikkelingsacties die gericht zijn op regionale economische samenwerking en de uitvoering van deze overeenkomst, zowel op nationaal als op regionaal niveau, door middel van hun respectieve ontwikkelingsbeleid en -instrumenten en in overeenstemming met de beginselen van doeltreffendheid en complementariteit van de hulp te steunen.
4. De partijen werken samen om hulp te bevorderen van andere donoren die bereid zijn de inspanningen van Ivoorkust tot verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst te ondersteunen.
5. De partijen erkennen het nut van regionale financieringsmechanismen zoals een regionaal EPO-fonds dat door en voor de regio is opgericht om de financiering op regionaal en nationaal niveau te kanaliseren, en geven op doeltreffende wijze uitvoering aan begeleidende maatregelen bij deze overeenkomst. De Europese Gemeenschap verbindt zich ertoe haar steun te verlenen via de financieringsmechanismen van de regio zelf of via die welke door de overeenkomstsluitende staten in overeenstemming met de voorschriften en procedures van de Overeenkomst van Cotonou en met het in de Verklaring van Parijs neergelegde beginsel van doeltreffendheid van de hulp zijn overeengekomen om een eenvoudige, doeltreffende en snelle tenuitvoerlegging te waarborgen.
6. Wat de uitvoering van de leden 1 tot en met 5 betreft, verbinden de partijen zich tot financiële en niet-financiële samenwerking op de in de artikelen 5 tot en met 8 bedoelde gebieden.
Artikel 5
De partijen zijn van oordeel dat het ondernemingsklimaat een essentieel instrument voor economische ontwikkeling is en dat deze overeenkomst derhalve tot dit gemeenschappelijke doel moet bijdragen. Ivoorkust, dat het verdrag tot oprichting van de Organisatie voor de harmonisatie van het bedrijfsrecht in Afrika (OHADA) heeft ondertekend, bevestigt opnieuw zijn verbintenis dit verdrag toe te passen.
In overeenstemming met artikel 4 verbinden de partijen zich ertoe voortdurend naar verbetering van het ondernemingsklimaat te streven.
Artikel 6
De partijen komen overeen dat de invoering van handelsgerelateerde voorschriften, waarvoor de samenwerkingsgebieden in de desbetreffende hoofdstukken van deze overeenkomst zijn gepreciseerd, van essentieel belang is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst. De samenwerking op dit gebied geschiedt in overeenstemming met de uitvoeringsbepalingen van artikel 4.
Artikel 7
In het kader van de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst bevestigen de partijen hun voornemen de modernisering van de onder deze overeenkomst vallende productiesectoren in Ivoorkust te bevorderen.
De partijen komen overeen door middel van de daartoe bestemde instrumenten en in overeenstemming met artikel 4 samen te werken en steun te geven aan:
– – de herpositionering van de particuliere sector ten aanzien van nieuwe economische kansen die uit deze overeenkomst voortvloeien; – – de vaststelling en uitvoering van moderniseringsstrategieën; – – de verbetering van de randvoorwaarden voor de particuliere sector en van het ondernemingsklimaat als bedoeld in de artikelen 5 en 6; – – de bevordering van het partnerschap tussen de particuliere sectoren van de partijen.
Artikel 8
1. De partijen zijn zich bewust van de uitdagingen waarvoor Ivoorkust zich gesteld kan zien bij de afschaffing of forse verlaging van de douanerechten als gevolg van deze overeenkomst; zij komen overeen hierover overleg te voeren en op dit gebied samen te werken.
2. Gelet op het door de partijen in deze overeenkomst overeengekomen liberaliseringsschema komen de partijen overeen uitgebreid overleg te voeren over de fiscale aanpassingsmaatregelen die nodig zijn om het begrotingsevenwicht van Ivoorkust op termijn te waarborgen.
3.
De partijen komen overeen in het kader van artikel 4 samen te werken, met name door op de volgende gebieden steunmaatregelen te bevorderen:
a. a. aanzienlijke hulp bij het opvangen van de netto fiscale impact in volledige complementariteit met de belastinghervormingen; b. b. steun bij de belastinghervorming in samenhang met het overleg hierover.
Artikel 9
De partijen streven naar samenwerking in alle internationale fora waar voor dit partnerschap belangrijke aangelegenheden worden besproken.
Deel III. HANDELSREGELING VOOR GOEDEREN
Hoofdstuk 1. DOUANERECHTEN EN NIET-TARIFAIRE MAATREGELEN
Artikel 10
1.
Onder douanerechten worden verstaan alle rechten en heffingen die overeenkomstig de WTO-voorschriften worden opgelegd op of in verband met de invoer of de uitvoer van goederen.
Deze bepaling mag niet zodanig worden geïnterpreteerd dat zij van toepassing is op nationale heffingen of heffingen van gelijke werking die worden geïnd bij het verlaten van het grondgebied.
2. Het basisrecht waarop de opeenvolgende verlagingen worden toegepast, is het recht dat voor het betrokken product is vermeld in het tijdschema voor de afschaffing van rechten door elk van beide partijen.
Artikel 11
De partijen bevestigen hun verbintenis artikel VIII van de GATT 1994 na te leven.
Artikel 12
Producten van oorsprong uit Ivoorkust worden vrij van rechten in de EG ingevoerd; dit geldt niet voor de in bijlage 1 opgenomen producten onder de daar genoemde voorwaarden.
Artikel 13
Douanerechten op producten van oorsprong uit de EG die in Ivoorkust worden ingevoerd, worden in overeenstemming met het in bijlage 2 opgenomen tijdschema voor de afschaffing van rechten verlaagd of afgeschaft.
Artikel 14
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden als „van oorsprong” beschouwd de goederen die voldoen aan de oorsprongsregels die op 1 januari 2008 op het gebied van de partijen van toepassing zijn.
2. De partijen stellen uiterlijk op 31 juli 2008 op basis van de uit de Overeenkomst van Cotonou voortvloeiende oorsprongsregels een wederkerige gemeenschappelijke regeling inzake de oorsprongsregels vast, die beoogt deze regels in het licht van de ontwikkelingsdoelstellingen van Ivoorkust te vereenvoudigen. Deze nieuwe regeling wordt bij besluit van het EPO-comité aan deze overeenkomst gehecht. Indien de partijen geen overeenstemming bereiken, is van de door de EG toegepaste regeling en de verbeterde regels van de Overeenkomst van Cotonou die regeling van toepassing die voor Ivoorkust het voordeligst is.
3. Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst herzien de partijen de geldende bepalingen betreffende de oorsprongsregels om de voor de vaststelling van de oorsprong gebruikte begrippen en methoden in het licht van de ontwikkelingsdoelstellingen van Ivoorkust in samenhang met die van West-Afrika te vereenvoudigen. Bij deze herziening houden de partijen rekening met de technologische ontwikkeling, de productieprocessen en alle andere factoren, met inbegrip van de lopende hervormingen van de oorsprongsregels, die een wijziging van de overeengekomen wederkerige regeling nodig kunnen maken. Het EPO-comité besluit over wijziging of vervanging van de oorsprongsregels.
Artikel 15
1. In de handel tussen de partijen worden vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst geen nieuwe invoerrechten ingevoerd, noch al bestaande invoerrechten verhoogd.
2. In afwijking van lid 1 mag Ivoorkust in het kader van de laatste fase van de instelling van het gemeenschappelijk buitentarief van de ECOWAS tot 31 december 2011 zijn basisdouanerechten voor goederen van oorsprong uit de Europese Gemeenschap herzien voor zover het algemeen effect van deze rechten niet groter is dan dat van de in bijlage 2 vermelde rechten. Het EPO-comité wijzigt bijlage 2 dienovereenkomstig.
Artikel 16
1. In de handel tussen de partijen worden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst geen nieuwe uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking ingevoerd, noch al bestaande uitvoerrechten verhoogd.
2. In uitzonderlijke omstandigheden, indien Ivoorkust specifieke behoeften inzake ontvangsten, bescherming van een opkomende industrie of bescherming van het milieu kan aantonen, kan het tijdelijk na overleg met de EG op een beperkt aantal extra goederen uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking invoeren of bestaande rechten verhogen.
3. De partijen komen overeen dit artikel in het kader van het EPO-comité binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze overeenkomst te herzien en daarbij ten volle rekening te houden met het effect ervan op de ontwikkeling en diversificatie van de economie van Ivoorkust.
Artikel 17
1. Wat de onder dit hoofdstuk vallende gebieden betreft, kent de EG Ivoorkust in voorkomend geval een gunstiger behandeling toe wanneer die toepasselijk wordt doordat de Europese Gemeenschap na de ondertekening van deze overeenkomst partij wordt bij een vrijhandelsovereenkomst met derde partijen.
2. Wat de onder dit hoofdstuk vallende gebieden betreft, kent Ivoorkust de EG in voorkomend geval een gunstiger behandeling toe wanneer die toepasselijk wordt doordat Ivoorkust na de ondertekening van deze overeenkomst partij wordt bij een vrijhandelsovereenkomst met een belangrijke handelspartner.
3. Indien Ivoorkust van een belangrijke handelspartner een aanzienlijk gunstiger behandeling verkrijgt dan die welke door de EG wordt aangeboden, besluiten de partijen in onderling overleg over de toepassing van lid 2.
4. De bepalingen van dit hoofdstuk worden niet zo uitgelegd dat de partijen verplicht zijn elkaar een preferentiële behandeling toe te kennen omdat een van hen op de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst partij is bij een vrijhandelsovereenkomst met een derde partij.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „vrijhandelsovereenkomst” verstaan een overeenkomst tot wezenlijke liberalisering van de handel en tot wezenlijke afschaffing van discriminerende situaties tussen de partijen door middel van de opheffing van bestaande discriminerende maatregelen en/of een verbod op nieuwe discriminerende maatregelen of op de aanscherping van bestaande discriminerende maatregelen, bij de inwerkingtreding van die overeenkomst of volgens een redelijk tijdschema.
6. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „belangrijke handelspartner” verstaan elk ontwikkeld land of elk land dat in het jaar vóór de inwerkingtreding van de in lid 2 bedoelde vrijhandelsovereenkomst een aandeel van meer dan 1% in de wereldhandel had, of elke groep landen die individueel, collectief of via een vrijhandelsovereenkomst in het jaar vóór de inwerkingtreding van de in lid 2 bedoelde vrijhandelsovereenkomst een aandeel van meer dan 1,5% in de wereldhandel had.2)Voor deze berekening wordt gebruik gemaakt van officiële WTO-gegevens over leidende exporteurs van goederen in de wereldhandel (met uitzondering van de intra-EU-handel).
Artikel 18
In afwijking van de artikelen 23 tot en met 25 worden vanaf de inwerkingtreding van deze overeenkomst alle invoer- of uitvoerverboden of -beperkingen ten aanzien van de handel tussen beide partijen, met uitzondering van douanerechten, belastingen en de in artikel 11 bedoelde vergoedingen en andere heffingen, afgeschaft, ongeacht of zij de vorm hebben van contingenten, in- of uitvoervergunningen of andere maatregelen. Er worden geen nieuwe maatregelen van dien aard ingevoerd.
Artikel 19
1. Ingevoerde producten van oorsprong uit de andere partij mogen noch direct, noch indirect aan hogere interne belastingen of andere interne heffingen van welke aard dan ook worden onderworpen dan die welke direct of indirect op soortgelijke nationale producten van toepassing zijn. Bovendien passen de partijen ook anderszins geen interne belastingen of andere interne heffingen toe om de binnenlandse productie te beschermen.
2. Ingevoerde producten van oorsprong uit de andere partij worden, wat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en vereisten met betrekking tot hun verkoop, aanbieding tot verkoop, aankoop, vervoer, distributie of gebruik op de binnenlandse markt betreft, niet minder gunstig behandeld dan soortgelijke binnenlandse producten. Het bepaalde in dit lid is geen beletsel voor de toepassing van differentiële binnenlandse vervoerstarieven die uitsluitend berusten op de economische exploitatie van het vervoermiddel en niet op de oorsprong van het product.
3. In afwijking van de bepalingen inzake de oorsprongsregels voeren de partijen geen interne regeling inzake menging, be- of verwerking of gebruik van producten in specifieke hoeveelheden of verhoudingen in, die direct of indirect vereisen dat een specifieke hoeveelheid of een specifiek percentage van een onder de regeling vallend product uit binnenlandse bron afkomstig is; evenmin handhaven zij dergelijke regelingen. Bovendien passen de partijen ook anderszins geen interne kwantitatieve regeling toe om de binnenlandse productie te beschermen.
4. Dit artikel is niet van toepassing op wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, procedures of praktijken inzake overheidsopdrachten.
5. Dit artikel doet geen afbreuk aan het hoofdstuk van deze overeenkomst over handelsbeschermingsinstrumenten.
6. Voor aangelegenheden betreffende de betaling van subsidies aan nationale producenten wenden de partijen zich tot de WTO.
Artikel 20
Wanneer blijkt dat de uitvoering van deze overeenkomst aanleiding geeft tot problemen met de beschikbaarheid van of de toegang tot voedingsmiddelen die noodzakelijk zijn voor de voedselzekerheid en wanneer deze situatie voor Ivoorkust tot grote moeilijkheden leidt of dreigt te leiden, kan Ivoorkust in overeenstemming met artikel 25 passende maatregelen nemen.
Artikel 21
1. De partijen zijn het erover eens dat administratieve samenwerking van essentieel belang is voor de tenuitvoerlegging van en de controle op de preferentiële behandeling die op grond van dit hoofdstuk wordt verleend, en benadrukken hun vastberadenheid om onregelmatigheden en fraude op het gebied van douane- en aanverwante aangelegenheden te bestrijden.
2. Wanneer een partij op basis van objectieve informatie bewijs in handen krijgt dat geen administratieve medewerking is verleend en/of dat zich onregelmatigheden of fraude hebben voorgedaan, kan de betrokken partij de preferentiële behandeling ten aanzien van het betrokken product of de betrokken producten in overeenstemming met dit artikel tijdelijk schorsen.
3.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het niet verlenen van administratieve medewerking onder meer verstaan:
a. a. het herhaaldelijk niet nakomen van de verplichting om de oorsprong van het betrokken product of de betrokken producten te controleren; b. b. het herhaaldelijk weigeren een controle achteraf van het bewijs van oorsprong uit te voeren en/of de resultaten daarvan mede te delen, of onredelijke vertraging daarbij; c. c. het herhaaldelijk weigeren van toestemming voor missies in het kader van de administratieve samenwerking ter controle van de echtheid van documenten of de juistheid van gegevens die van belang zijn voor het verlenen van een preferentiële behandeling, of onredelijke vertraging daarbij.
4.
Voor een tijdelijke schorsing moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
a. a. de partij die op grond van objectieve informatie bewijs heeft gekregen dat geen administratieve medewerking is verleend en/of dat zich onregelmatigheden of fraude hebben voorgedaan, stelt het EPO-comité onverwijld in kennis van dit bewijs en van de objectieve informatie, en treedt op basis van alle relevante informatie en objectieve bewijzen met dat comité in overleg om een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden; b. b. wanneer de partijen zoals hierboven beschreven met het EPO-comité in overleg zijn getreden en niet binnen drie maanden na de kennisgeving overeenstemming over een aanvaardbare oplossing hebben bereikt, kan de betrokken partij de preferentiële behandeling voor het betrokken product of de betrokken producten tijdelijk schorsen. Het EPO-comité wordt van deze tijdelijke schorsing onverwijld in kennis gesteld; c. c. tijdelijke schorsingen op grond van dit artikel blijven beperkt tot wat nodig is om de financiële belangen van de betrokken partij te beschermen. Zij duren niet langer dan zes maanden, waarna verlenging mogelijk is. Tijdelijke schorsingen worden onmiddellijk na goedkeuring ervan ter kennis gebracht van het EPO-comité. Binnen het EPO-comité vindt hierover periodiek overleg plaats, met name met het oog op opheffing van de schorsingen zodra de omstandigheden die aanleiding gaven tot toepassing ervan, niet meer gelden.
5. Tegelijk met de kennisgeving aan het EPO-comité overeenkomstig lid 4, onder a), van dit artikel publiceert de betrokken partij in haar officiële publicatieblad een bericht aan de importeurs. In dit bericht wordt aangegeven dat voor het betrokken product op grond van objectieve informatie bewijs is verkregen dat geen administratieve medewerking is verleend en/of dat er sprake is van onregelmatigheden of fraude.
Artikel 22
Indien de bevoegde autoriteiten bij het beheer van de preferentiële uitvoerregelingen een fout hebben gemaakt, met name bij de toepassing van de bepalingen betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en de methoden voor administratieve samenwerking, en deze fout gevolgen heeft voor de in- en uitvoer, kan de partij die met deze gevolgen wordt geconfronteerd het EPO-comité verzoeken na te gaan of passende maatregelen kunnen worden genomen om de situatie te herstellen.
Hoofdstuk 2. HANDELSBESCHERMINGSINSTRUMENTEN
Artikel 23
1. Behoudens het bepaalde in dit artikel vormt geen enkele bepaling in deze overeenkomst voor de EG of Ivoorkust een beletsel om in overeenstemming met de desbetreffende WTO-overeenkomsten antidumpingmaatregelen of compenserende maatregelen in te stellen. Voor de toepassing van dit artikel wordt de oorsprong vastgesteld in overeenstemming met de niet-preferentiële oorsprongsregels van de partijen.
2. Alvorens definitieve antidumpingmaatregelen of compenserende maatregelen in te stellen, overwegen de partijen de mogelijkheid van constructieve oplossingen als bedoeld in de desbetreffende WTO-overeenkomsten. De partijen kunnen hiertoe overleg voeren.
3. De EG stelt Ivoorkust in kennis van de ontvangst van een naar behoren gestaafde klacht voordat zij een onderzoek opent.
4. Dit artikel is van toepassing op alle onderzoeken die na de inwerkingtreding van deze overeenkomst worden geopend.
5. De bepalingen in deze overeenkomst over geschillenbeslechting zijn niet van toepassing op dit artikel.
Artikel 24
1. Behoudens het bepaalde in dit artikel vormt geen enkele bepaling in deze overeenkomst voor Ivoorkust en de EG een beletsel om maatregelen te nemen overeenkomstig artikel XIX van de GATT 1994, de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen en artikel 5 van de WTO-Overeenkomst inzake de landbouw. Voor de toepassing van dit artikel wordt de oorsprong vastgesteld in overeenstemming met de niet-preferentiële oorsprongsregels van de partijen.
2. Behoudens het bepaalde in lid 1 en gezien de algemene ontwikkelingsdoelstellingen van deze overeenkomst en de kleine omvang van de economie van Ivoorkust, sluit de EG de invoer uit Ivoorkust uit van maatregelen die zij neemt uit hoofde van artikel XIX van de GATT 1994, de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen en artikel 5 van de WTO-Overeenkomst inzake de landbouw.
3. Lid 2 geldt voor een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst. Uiterlijk 120 dagen voor het eind van deze periode onderzoekt het EPO-comité de uitvoering van deze bepalingen in het licht van de ontwikkelingsbehoeften van Ivoorkust, teneinde vast te stellen of de toepassing ervan moet verlengd.
4. De bepalingen in deze overeenkomst over geschillenbeslechting zijn niet van toepassing op lid 1.
Artikel 25
1. Na alternatieve oplossingen te hebben onderzocht, kan een partij op de voorwaarden van en in overeenstemming met de procedures van dit artikel vrijwaringsmaatregelen van beperkte duur vaststellen die afwijken van artikel 12 en 13.
2.
De in lid 1 bedoelde vrijwaringsmaatregelen kunnen worden getroffen wanneer een product van oorsprong uit een van de partijen in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden in het gebied van de andere partij wordt ingevoerd dat deze invoer:
a. a. op het gebied van de invoerende partij ernstige schade veroorzaakt of dreigt te veroorzaken voor binnenlandse producenten van soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten, of b. b. leidt tot of dreigt te leiden tot verstoring van een economische sector, met name wanneer hierdoor grote sociale problemen of moeilijkheden ontstaan die een ernstige verslechtering van de economische situatie van de invoerende partij tot gevolg kunnen hebben, of c. c. op het gebied van de invoerende partij verstoring van de markten voor soortgelijke of rechtstreeks concurrerende landbouwproducten of van de mechanismen tot regeling van die markten veroorzaakt of dreigt te veroorzaken.3)Voor de toepassing van dit artikel zijn landbouwproducten producten die vallen onder bijlage I bij de WTO-overeenkomst inzake de landbouw.
3.
De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen gaan niet verder dan wat strikt noodzakelijk is om de in de leden 2, 4 en 5 bedoelde ernstige schade of verstoringen te verhelpen of te voorkomen. Deze vrijwaringsmaatregelen van de invoerende partij bestaan alleen uit een of meer van de volgende maatregelen:
a. a. schorsing van de verdere verlaging van het invoerrecht op het betrokken product, zoals bepaald in deze overeenkomst; b. b. verhoging van het douanerecht op het betrokken product tot een niveau dat het voor andere WTO-leden geldende recht niet overschrijdt; c. c. invoering van tariefcontingenten voor het betrokken product.
4. Onverminderd de leden 1 en 2 kan de EG, wanneer een product van oorsprong uit Ivoorkust in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden wordt ingevoerd dat hierdoor voor een of meer ultraperifere gebieden van de EG een van de in lid 2, onder a), b) of c), genoemde situaties ontstaat of dreigt te ontstaan, volgens de in de leden 6 tot en met 9 neergelegde procedures de in lid 3 bedoelde toezicht- of vrijwaringsmaatregelen nemen die beperkt zijn tot dat gebied of die gebieden.
5. a. a. Wanneer een product van oorsprong uit de EG in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden wordt ingevoerd dat hierdoor voor Ivoorkust een van de in lid 2, onder a), b) of c), genoemde situaties ontstaat of dreigt te ontstaan, kan dit land volgens de in de leden 6 tot en met 9 neergelegde procedures toezicht- of vrijwaringsmaatregelen nemen die tot zijn gebied beperkt zijn. b. b. Onverminderd de leden 1 en 2 kan Ivoorkust de in lid 3 bedoelde vrijwaringsmaatregelen nemen wanneer een product van oorsprong uit de EG in dermate toegenomen hoeveelheden en onder zodanige omstandigheden op zijn gebied wordt ingevoerd dat hierdoor voor een opkomende industrie die soortgelijke of rechtstreeks concurrerende producten vervaardigt, verstoringen ontstaan of dreigen te ontstaan. Deze bepaling geldt slechts voor een periode van tien jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst. De partijen kunnen deze termijn echter in onderling overleg verlengen wanneer dit doel ondanks het ontwikkelingspotentieel van de industrie en de daadwerkelijk verrichte inspanningen niet is bereikt als gevolg van de economische situatie in de wereld of van ernstige problemen die op Ivoorkust van invloed zijn. De maatregelen moeten in overeenstemming met de leden 6 tot en met 9 worden genomen.
6. a. a. De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen worden slechts zolang gehandhaafd als nodig is om ernstige schade of verstoringen als bedoeld in de leden 2, 4 en 5 te voorkomen of te verhelpen. b. b. De in dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen worden niet langer dan twee jaar toegepast. Wanneer de omstandigheden die de instelling van vrijwaringsmaatregelen rechtvaardigden, blijven bestaan, kunnen deze maatregelen worden verlengd voor nog eens maximaal twee jaar. Wanneer Ivoorkust een vrijwaringsmaatregel toepast, of wanneer de EG een maatregel toepast die beperkt is tot een of meer van haar ultraperifere gebieden, kan die maatregel evenwel voor een periode van niet meer dan vier jaar worden toegepast, met een mogelijke verlenging met nog eens vier jaar wanneer de omstandigheden die de instelling van vrijwaringsmaatregelen rechtvaardigden, blijven bestaan. c. c. In dit artikel bedoelde vrijwaringsmaatregelen die langer dan één jaar van kracht blijven, bevatten duidelijke elementen die geleidelijk leiden tot verwijdering van de oorzaken van de schade en verstoringen en tot beëindiging van de maatregelen, uiterlijk aan het einde van de vastgestelde periode. d. d. Behalve in uitzonderlijke omstandigheden die ter beoordeling aan het EPO-comité worden voorgelegd, mogen ten aanzien van een product waarop al eerder vrijwaringsmaatregelen van toepassing waren, gedurende een periode van ten minste één jaar na het verstrijken van die maatregelen niet opnieuw vrijwaringsmaatregelen als bedoeld in dit artikel worden genomen.
7.
Voor de tenuitvoerlegging van bovenstaande leden gelden de volgende bepalingen:
a. a. wanneer een partij van oordeel is dat een van de in de leden 2, 4 en/of 5 bedoelde omstandigheden zich voordoet, verwijst zij de aangelegenheid onmiddellijk naar het EPO-comité; b. b. het EPO-comité kan elke aanbeveling doen die nodig is om in de gerezen omstandigheden uitkomst te bieden. Indien het EPO-comité geen aanbevelingen heeft gedaan, of indien er binnen 30 dagen nadat de aangelegenheid aan het EPO-comité werd voorgelegd geen bevredigende oplossing is bereikt, kan de invoerende partij overeenkomstig dit artikel passende maatregelen vaststellen om de problemen op te lossen; c. c. alvorens een in dit artikel bedoelde maatregel te nemen, of, in de gevallen waarin lid 8 van toepassing is, zo spoedig mogelijk, verstrekt de betrokken partij het EPO-comité alle informatie die nodig is voor een grondig onderzoek van de situatie, teneinde een voor de partijen aanvaardbare oplossing te vinden; d. d. bij de keuze van vrijwaringsmaatregelen moet voorrang worden gegeven aan maatregelen die het gerezen probleem doeltreffend en snel oplossen en die tegelijk de goede werking van deze overeenkomst zo min mogelijk verstoren; e. e. alle krachtens dit artikel genomen vrijwaringsmaatregelen worden onmiddellijk ter kennis van het EPO-comité gebracht en in dat comité op gezette tijden aan een onderzoek onderworpen, in het bijzonder om een tijdschema vast te stellen voor de afschaffing van de maatregelen zodra de omstandigheden dat toelaten.
8. Wanneer wegens uitzonderlijke omstandigheden onmiddellijk maatregelen moeten worden genomen, kan de betrokken invoerende partij, of dit nu de EG of Ivoorkust is, voorlopig de in de leden 3, 4 en/of 5 bedoelde maatregelen nemen zonder aan de eisen van lid 7 te voldoen. Deze voorlopige maatregelen hebben een maximale duur van 180 dagen wanneer ze door de EG worden genomen, of van 200 dagen wanneer ze door Ivoorkust worden genomen of wanneer ze door de EG worden genomen en beperkt zijn tot een of meer van haar ultraperifere gebieden. De duur van een voorlopige maatregel wordt meegerekend als deel van de initiële periode en van eventuele verlengingen als bedoeld in lid 6. Wanneer voorlopige maatregelen worden genomen, wordt rekening gehouden met de belangen van alle betrokken partijen. De betrokken invoerende partij stelt de andere partij in kennis en verwijst de aangelegenheid onmiddellijk voor onderzoek naar het EPO-comité.
9. Indien een invoerende partij de invoer van een product onderwerpt aan een administratieve procedure die ten doel heeft snel informatie te verschaffen over de ontwikkeling van handelsstromen die tot de in dit artikel bedoelde problemen kunnen leiden, stelt zij het EPO-comité daarvan onverwijld in kennis.
10. Er kan geen beroep op de WTO-overeenkomsten worden gedaan om een partij te beletten vrijwaringsmaatregelen uit hoofde van dit artikel te nemen.
Artikel 26
1. De partijen erkennen het belang van samenwerking op het gebied van handelsbeschermingsinstrumenten.
2.
De partijen komen overeen samen te werken in overeenstemming met het bepaalde in artikel 4, onder meer door op de volgende gebieden steunmaatregelen te bevorderen:
a. a. ontwikkeling van regelgeving en instellingen ter bescherming van de handel; b. b. opbouw van capaciteit voor het gebruik van de handelsbeschermingsinstrumenten waarin deze overeenkomst voorziet.
Hoofdstuk 3. DOUANE EN HANDELSBEVORDERING
Artikel 27
1. De partijen erkennen het belang van douaneaangelegenheden en van handelsbevordering bij de ontwikkeling van het mondiale handelsstelsel. Zij komen overeen op dit gebied nauwer samen te werken om ervoor te zorgen dat de wetgeving en procedures ter zake, alsook de bestuurlijke capaciteit van de desbetreffende diensten, voldoen aan de doelstellingen van een effectieve controle en bevordering van de handel en helpen bij het stimuleren van de ontwikkeling en de regionale integratie van de overeenkomstsluitende landen.
2. De partijen komen overeen dat de legitieme doelstellingen van het overheidsbeleid, met inbegrip van die met betrekking tot de veiligheid en de fraudebestrijding, op generlei wijze in het gedrang mogen komen.
3. De partijen verbinden zich ertoe het vrije verkeer van de onder deze overeenkomst vallende goederen op hun gebied te garanderen.
Artikel 28
1.
Met het oog op de naleving van deze titel en om doeltreffend in te spelen op de in artikel 27 genoemde doelstellingen, nemen de partijen de volgende maatregelen:
a. a. zij wisselen informatie uit over douanewetgeving en -procedures; b. b. zij ontwikkelen gemeenschappelijke initiatieven op het gebied van de procedures bij invoer, uitvoer en doorvoer, alsmede initiatieven om de zakenwereld een efficiënte dienstverlening aan te bieden; c. c. zij werken samen op het gebied van de automatisering van douane- en andere handelsprocedures en, waar passend, bij de vaststelling van gemeenschappelijke normen voor de uitwisseling van gegevens; d. d. zij stellen, voor zover mogelijk, gemeenschappelijke standpunten vast in internationale organisaties op douanegebied als de WTO, de WDO, de VN en UNCTAD; e. e. zij werken samen bij de planning en verlening van technische bijstand, met name om hervormingen op douane- en handelsbevorderingsgebied overeenkomstig deze overeenkomst te bevorderen; en f. f. zij bevorderen de samenwerking tussen alle betrokken instanties, zowel in het binnenland als grensoverschrijdend.
2. Onverminderd lid 1 verlenen de diensten van de partijen elkaar administratieve bijstand in douaneaangelegenheden in overeenstemming met protocol 1.
Artikel 29
1.
De partijen komen overeen dat internationale instrumenten en normen op douane- en handelsgebied, met inbegrip van de materiële elementen van de Overeenkomst inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures van Kyoto van 18 mei 1973, herzien te Brussel op 26 juni 1999 (herziene Overeenkomst van Kyoto), het „Framework of Standards to Secure and Facilitate Global Trade” van de WDO, het gegevensmodel van de WDO en het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en codering van goederen (GS) het uitgangspunt voor hun respectieve wet- en regelgeving en procedures op handels- en douanegebied zijn.
De partijen waarborgen de vrije doorvoer van goederen over hun gebied volgens de route die daarvoor het meest geschikt is.
Eventuele beperkingen, controles of eisen moeten gebaseerd zijn op een legitiem doel van openbaar beleid en moeten niet-discriminerend en evenredig zijn en overal op dezelfde wijze worden toegepast.
Onverminderd rechtmatige douanecontroles behandelen de partijen de doorvoer van goederen naar of uit het gebied van de andere partij niet ongunstiger dan de in- en uitvoer en het verkeer van goederen uit het binnenland.
De partijen voeren regelingen in om goederen, behoudens een passende zekerheidsstelling, zonder betaling van rechten en andere heffingen onder douanecontrole te kunnen vervoeren.
De partijen bevorderen regionale regelingen voor de doorvoer en leggen deze ten uitvoer teneinde handelsbelemmeringen te verminderen.
De partijen passen de internationale normen en instrumenten betreffende doorvoer toe.
De partijen zien erop toe dat alle betrokken instanties op hun gebied gecoördineerd samenwerken om de doorvoer te vergemakkelijken en de grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen.
2.
Om hun werkmethoden te verbeteren en ervoor te zorgen dat hun optreden niet-discriminerend, transparant, doeltreffend, integer en te verantwoorden is, nemen de partijen de volgende maatregelen:
a. a. zij nemen de nodige maatregelen om de door de douanediensten en andere instanties verlangde gegevens en documentatie te verminderen, te vereenvoudigen en te standaardiseren; b. b. zij vereenvoudigen, waar mogelijk, de eisen en formaliteiten, zodat goederen snel worden vrijgegeven en ingeklaard; c. c. zij zorgen voor doeltreffende, snelle en niet-discriminerende beroepsprocedures tegen administratieve maatregelen, uitspraken en besluiten van de douane en van andere instanties betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen. De beroepsprocedures zijn gemakkelijk toegankelijk, ook voor het midden- en kleinbedrijf, en de kosten ervan zijn redelijk en evenredig met die voor de instelling van het beroep; d. d. zij zien erop toe dat ter zake van integriteit uiterst strenge normen worden nageleefd, door de toepassing van maatregelen die voldoen aan de in de desbetreffende internationale overeenkomsten en instrumenten neergelegde beginselen.
Artikel 30
De partijen komen overeen:
a. a. erop toe te zien dat alle wetgeving, procedures, vergoedingen en heffingen, samen met de motivering ervan, algemeen bekend worden gemaakt, voor zover mogelijk langs elektronische weg; b. b. dat tijdig en regelmatig met vertegenwoordigers van de handel wordt overlegd over wetsvoorstellen en procedures met betrekking tot douane- en handelsaangelegenheden. Hiertoe worden door elke partij passende mechanismen voor regelmatig overleg tussen de diensten en het bedrijfsleven opgericht; c. c. dat er voldoende tijd moet liggen tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding van nieuwe of gewijzigde wetgeving, procedures, rechten of heffingen. De partijen publiceren administratieve berichten, met name over de eisen van douane-expediteurs, procedures bij binnenkomst van de goederen, openingstijden en werkwijzen van douanekantoren in havens en bij grensposten en adressen voor het inwinnen van informatie; d. d. de samenwerking tussen de marktdeelnemers en de bevoegde diensten te stimuleren door toepassing van niet-arbitraire, openbaar toegankelijke procedures, zoals intentieverklaringen op basis van die welke door de WDO zijn uitgevaardigd; e. e. erop toe te zien dat hun respectieve eisen en procedures op douanegebied en aanverwante gebieden blijven aansluiten op de behoeften van het bedrijfsleven, dat hierbij goede praktijken worden gevolgd en dat de handel hierdoor zo min mogelijk wordt beperkt.
Artikel 31
1. Artikel VII van de GATT 1994 en de WTO-overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT 1994 zijn van toepassing op de voorschriften inzake de vaststelling van de douanewaarde in de handel tussen de partijen.
2. De partijen werken samen aan een gemeenschappelijke aanpak van problemen met betrekking tot de douanewaarde.
Artikel 32
De partijen komen overeen voort te gaan met de douanehervormingen, teneinde de handel in de West-Afrikaanse regio te bevorderen.
Artikel 33
De partijen komen overeen bij de onderhandelingen over een volledige EPO verder te onderhandelen over dit hoofdstuk om het in een regionaal kader aan te vullen.
Artikel 34
De partijen richten binnen het EPO-comité een speciaal comité voor douane en handelsbevordering op, dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de partijen. Dit comité brengt verslag uit aan het EPO-comité. Het bespreekt alle douaneaangelegenheden die de handel tussen de partijen bevorderen en houdt toezicht op de tenuitvoerlegging en het beheer van de bepalingen van dit hoofdstuk en de toepassing van de oorsprongsregels.
Artikel 35
1. De partijen erkennen het belang van samenwerking op douanegebied en van handelsbevordering voor de uitvoering van deze overeenkomst.
2.
De partijen komen overeen samen te werken in overeenstemming met het bepaalde in artikel 4, onder meer door op de volgende gebieden bijstand te vergemakkelijken:
a. a. opstelling van passende, vereenvoudigde wet- en regelgeving; b. b. voorlichting en bewustmaking van de marktdeelnemers, met inbegrip van opleiding van het betrokken personeel; c. c. capaciteitsopbouw, modernisering en interconnectie van de douanediensten.
Hoofdstuk 4. TECHNISCHE HANDELSBELEMMERINGEN EN SANITAIRE EN FYTOSANITAIRE MAATREGELEN
Artikel 36
De partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen uit hoofde van de WTO-Overeenkomst, en met name de WTO-Overeenkomst inzake de toepassing van sanitaire en fytosanitaire maatregelen, hierna „de SPS-overeenkomst” genoemd, en de WTO-Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, hierna de „TBT-overeenkomst” genoemd. De partijen bevestigen ook hun rechten en verplichtingen uit hoofde van het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten (IPCC), de Codex Alimentarius en hun lidmaatschap van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE).
De partijen bevestigen opnieuw hun verbintenis om de volksgezondheid in Ivoorkust te verbeteren, met name door opbouw van de capaciteit van Ivoorkust voor het opsporen van niet-conforme producten.
Deze verbintenissen, rechten en verplichtingen vormen het kader voor de activiteiten van de partijen uit hoofde van dit hoofdstuk.
Artikel 37
Dit hoofdstuk heeft tot doel het verkeer van goederen tussen de partijen te vergemakkelijken door verbetering van hun capaciteit onnodige handelsbelemmeringen als gevolg van door hen gehanteerde technische voorschriften, normen of conformiteitsbeoordelingsprocedures te signaleren, te voorkomen en uit de weg te ruimen, zonder afbreuk te doen aan hun capaciteit de volksgezondheid, dieren en planten te beschermen.
Artikel 38
1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op in de TBT-overeenkomst van de WTO omschreven technische voorschriften en normen en conformiteitsbeoordelingsprocedures en op de sanitaire en fytosanitaire maatregelen, hierna „SPS-normen” genoemd, voor zover zij van invloed zijn op de handel tussen de partijen.
2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en behoudens andersluidende bepalingen gelden de definities in de SPS- en de TBT-overeenkomst, in de Codex Alimentarius en in het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten alsmede de definities van de Wereldorganisatie voor diergezondheid; dat geldt ook voor alle verwijzingen naar „producten” in dit hoofdstuk.
Artikel 39
De instanties die voor de partijen bevoegd zijn de bij dit hoofdstuk bedoelde maatregelen uit te voeren, zijn vermeld in aanhangsel II.
In overeenstemming met artikel 41 stellen de partijen elkaar tijdig in kennis van alle belangrijke wijzigingen ten aanzien van de in aanhangsel II vermelde bevoegde instanties. Wijzigingen van aanhangsel II worden door het EPO-comité goedgekeurd.
Artikel 40
Bij de vaststelling van de voorwaarden voor invoer kunnen de partijen per geval en onder verwijzing naar artikel 6 van de SPS-overeenkomst gebieden met een specifieke sanitaire of fytosanitaire status voorstellen en aanwijzen.
Artikel 41
1. De partijen stellen elkaar in kennis van alle wijzigingen in hun technische voorschriften voor producten (met inbegrip van levende dieren en planten).
2. De partijen komen overeen elkaar schriftelijk in kennis te stellen van maatregelen die zijn getroffen om de invoer van goederen wegens een probleem in verband met de gezondheid (volks-, dier- of plantgezondheid), de veiligheid en het milieu te beletten; overeenkomstig de aanbevelingen in de SPS-overeenkomst doen zij dit zo spoedig mogelijk.
3. De partijen komen overeen gegevens uit te wisselen met het doel door middel van samenwerking te bewerkstelligen dat hun producten voldoen aan de technische voorschriften en normen die voor de toegang tot hun respectieve markten gelden.
4. De partijen wisselen ook rechtstreeks informatie uit over andere onderwerpen waarvan de partijen in onderling overleg hebben vastgesteld dat zij mogelijk van belang zijn voor hun handelsbetrekkingen, met inbegrip van kwesties betreffende de voedselveiligheid, uitbraken van dier- en plantenziekten, wetenschappelijke adviezen en andere belangrijke gebeurtenissen op het gebied van de productveiligheid. De partijen verbinden zich er met name toe elkaar in kennis te stellen wanneer zij het beginsel van parasiet- of ziektevrije gebieden of gebieden met een lage ziekte- of plagenprevalentie overeenkomstig artikel 6 van de SPS-overeenkomst toepassen.
5. De partijen komen overeen informatie uit te wisselen over de epidemiologische surveillance van dierziekten. Wat de fytosanitaire bescherming betreft, wisselen de partijen eveneens informatie uit over het voorkomen van schadelijke organismen waarvan bekend is dat zij een onmiddellijk risico voor de andere partij opleveren.
6. De partijen komen overeen samen te werken om elkaar snel in te lichten over nieuwe regionale voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor hun onderlinge handel.
Artikel 42
De partijen komen overeen met de internationale normalisatieinstellingen samen te werken en onder meer de deelname van vertegenwoordigers van Ivoorkust aan de vergaderingen van deze instellingen te bevorderen.
Artikel 43
1. De partijen erkennen het belang van samenwerking op het gebied van technische voorschriften, normen en conformiteitsbeoordeling om de doelstellingen van dit hoofdstuk te verwezenlijken.
2.
De partijen komen overeen in overeenstemming met artikel 4 samen te werken, teneinde de kwaliteit en het concurrentievermogen van prioritaire producten voor Ivoorkust en de toegang tot de EG-markt te verbeteren, onder meer door, met name financiële, bijstand op de volgende gebieden:
a. a. de instelling van een passend kader voor de uitwisseling van informatie en expertise tussen de partijen; b. b. de goedkeuring van technische normen en voorschriften, conformiteitsbeoordelingsprocedures en geharmoniseerde sanitaire en fytosanitaire maatregelen op regionaal niveau, op basis van internationale normen; c. c. de opbouw van de capaciteit van openbare en particuliere actoren, onder meer op het gebied van informatie en opleiding, teneinde te voldoen aan de normen, voorschriften en maatregelen van de EG en mee te werken in internationale organisaties; d. d. de ontwikkeling van nationale capaciteiten voor de conformiteitsbeoordeling van producten en toegang tot de EG-markt.
Deel IV. DIENSTEN, INVESTERINGEN EN HANDELSGERELATEERDE VOORSCHRIFTEN
Artikel 44
Op basis van de Overeenkomst van Cotonou verbinden de partijen zich ertoe alle nodige maatregelen te nemen of samen te werken om de onderhandelingen over en de spoedige sluiting van een EPO, in overeenstemming met de desbetreffende WTO-bepalingen, tussen de EG en de gehele West-Afrikaanse regio op de volgende gebieden te bevorderen:
a. a. handel in diensten en elektronische handel; b. b. investeringen; c. c. lopende betalingen en kapitaalbewegingen; d. d. mededinging; e. e. intellectuele eigendom; f. f. overheidsopdrachten; g. g. duurzame ontwikkeling; h. h. bescherming van persoonsgegevens.
De partijen treffen alle nodige maatregelen om te trachten vóór eind 2008 een EPO tussen de EG en de West-Afrikaanse regio te sluiten.
Deel V. VERMIJDEN EN BESLECHTEN VAN GESCHILLEN
Hoofdstuk 1. DOEL EN WERKINGSSFEER
Artikel 45
Het doel van deze titel is geschillen tussen de partijen te vermijden en te beslechten en zoveel mogelijk tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.
Artikel 46
1. Deze titel is van toepassing op alle geschillen over de interpretatie en toepassing van deze overeenkomst, met uitzondering van titel II en tenzij uitdrukkelijk anders bepaald.
2. In afwijking van lid 1 is de procedure van artikel 98 van de Overeenkomst van Cotonou van toepassing bij geschillen over de financiering van ontwikkelingssamenwerking, als bedoeld in de Overeenkomst van Cotonou.
Hoofdstuk 2. OVERLEG EN BEMIDDELING
Artikel 47
1. De partijen streven ernaar elk in artikel 46 bedoelde geschil op te lossen door te goeder trouw overleg te plegen om tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.
2. Een partij verzoekt de andere partij schriftelijk om overleg, met kopie aan het EPO-comité, waarbij zij aangeeft om welke maatregel het gaat en met welke bepalingen van de overeenkomst de maatregel niet in overeenstemming zou zijn.
3. Het overleg vindt plaats binnen 40 dagen na de datum van indiening van het verzoek. Het overleg wordt 60 dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten, tenzij de partijen overeenkomen het overleg voort te zetten. Alle tijdens het overleg verstrekte informatie wordt vertrouwelijk behandeld.
4. Overleg over urgente kwesties, zoals over bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, vindt plaats binnen 15 dagen na de datum van indiening van het verzoek en wordt 30 dagen na de datum van indiening van het verzoek geacht te zijn afgesloten.
5. Indien het overleg niet binnen de in lid 3 of lid 4 genoemde termijnen plaatsvindt, of indien het overleg is afgesloten zonder dat een onderling overeengekomen oplossing kon worden bereikt, kan de klagende partij overeenkomstig artikel 49 verzoeken om de instelling van een arbitragepanel.
Artikel 48
1. Indien het overleg niet tot een onderling overeengekomen oplossing leidt, kunnen de partijen overeenkomen een beroep te doen op een bemiddelaar. Tenzij de partijen anders overeenkomen, heeft het mandaat van de bemiddelaar betrekking op de in het verzoek om overleg genoemde aangelegenheid.
2. Tenzij de partijen binnen 10 dagen na de datum van indiening van het verzoek om bemiddeling overeenstemming bereiken over een bemiddelaar, wijst de voorzitter van het EPO-comité of diens vertegenwoordiger door loting een bemiddelaar aan uit de personen die op de in artikel 64 bedoelde lijst zijn opgenomen en geen onderdaan van een van de partijen zijn. De loting vindt binnen 20 dagen na de datum van indiening van het verzoek om bemiddeling plaats in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van elk van de partijen. De bemiddelaar roept de partijen uiterlijk 30 dagen na zijn aanwijzing bijeen. Hij ontvangt de stukken van elk van de partijen uiterlijk 15 dagen voor de bijeenkomst en geeft uiterlijk 45 dagen na zijn aanwijzing een advies.
3. Het advies van de bemiddelaar kan een aanbeveling omvatten over de wijze waarop het geschil in overeenstemming met de bepalingen van artikel 53 kan worden opgelost. Het advies van de bemiddelaar is niet bindend.
4. De partijen kunnen overeenkomen de in lid 2 genoemde termijnen te wijzigen. De bemiddelaar kan op verzoek van een van de partijen of op eigen initiatief eveneens besluiten deze termijnen te wijzigen wegens buitengewone moeilijkheden die de betrokken partij ondervindt of wegens de complexiteit van de aangelegenheid.
5. De bemiddelingsprocedure, en in het bijzonder alle tijdens de procedure verstrekte informatie en door de partijen ingenomen standpunten, blijven vertrouwelijk.
Hoofdstuk 3. PROCEDURES VOOR DE BESLECHTING VAN GESCHILLEN
Afdeling I. ARBITRAGEPROCEDURE
Artikel 49
1. Wanneer de partijen er niet in zijn geslaagd het geschil door middel van het in artikel 47 bedoelde overleg of de in artikel 48 bedoelde bemiddeling op te lossen, kan de klagende partij verzoeken om de instelling van een arbitragepanel.
2. Het verzoek om instelling van een arbitragepanel moet schriftelijk worden gedaan bij de partij waartegen de klacht gericht is en bij het EPO-comité. De klagende partij vermeldt in zijn verzoek de specifieke maatregelen die in het geding zijn en legt uit waarom die maatregelen een inbreuk op de bepalingen van deze overeenkomst zijn.
Artikel 50
1. Een arbitragepanel bestaat uit drie scheidsrechters.
2. De partijen voeren binnen 10 dagen na de datum van indiening van het verzoek tot instelling van een arbitragepanel bij het EPO-comité overleg over de samenstelling van het arbitragepanel.
3.
Wanneer de partijen binnen de in lid 2 genoemde termijn geen overeenstemming bereiken over de samenstelling van het arbitragepanel, kan elk van de partijen de voorzitter van het EPO-comité of diens vertegenwoordiger verzoeken alle drie panelleden door loting aan te wijzen uit de in artikel 64 bedoelde lijst, te weten één lid uit de personen die door de klagende partij zijn aangewezen, één lid uit de personen die door de partij waartegen de klacht gericht is, zijn aangewezen en één lid uit de personen die door de partijen zijn aangewezen om als voorzitter te fungeren.
Wanneer de partijen het over een of meer leden van het arbitragepanel eens zijn, worden de overige leden volgens dezelfde procedure geselecteerd.
4. De voorzitter van het EPO-comité of diens vertegenwoordiger wijst in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van elk van de partijen binnen 5 dagen nadat een van de partijen het in lid 3 bedoelde verzoek heeft gedaan, de scheidsrechters aan.
5. De datum van instelling van het arbitragepanel is de datum waarop de drie scheidsrechters worden aangewezen.
Artikel 51
Het arbitragepanel legt in de regel uiterlijk 120 dagen na de datum van instelling van het arbitragepanel een tussentijds verslag met een beschrijving van het geschil en met zijn bevindingen en conclusies aan de partijen voor. Een partij kan het arbitragepanel binnen 15 dagen na de indiening van het tussentijdse verslag schriftelijk commentaar over specifieke aspecten van dat verslag doen toekomen.
Artikel 52
1. Het arbitragepanel legt zijn uitspraak binnen 150 dagen na zijn instelling voor aan de partijen en aan het EPO-comité. Wanneer het van oordeel is dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het arbitragepanel de partijen en het EPO-comité hiervan schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel zijn werk denkt te kunnen voltooien. In geen geval mag de uitspraak later dan 180 dagen na de instelling van het arbitragepanel worden bekendgemaakt.
2. In dringende gevallen, zoals wanneer de zaak betrekking heeft op bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, stelt het arbitragepanel alles in het werk om binnen 75 dagen na de datum waarop het is ingesteld, uitspraak te doen. De uitspraak mag in geen geval later dan 90 dagen na de instelling worden gedaan. Het arbitragepanel kan binnen 10 dagen na zijn instelling een voorlopige uitspraak doen over de vraag of het een zaak dringend acht.
3. Elk van de partijen kan het arbitragepanel verzoeken een aanbeveling te doen over de wijze waarop de partij waartegen de klacht gericht is, aan de overeenkomst kan voldoen.
Afdeling II. NALEVING
Artikel 53
Elke partij neemt alle noodzakelijke maatregelen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven; de partijen streven ernaar overeenstemming te bereiken over de termijn waarbinnen zij de uitspraak zullen naleven.
Artikel 54
1. Uiterlijk 30 dagen na de kennisgeving van de uitspraak van het arbitragepanel aan de partijen stelt de partij waartegen de klacht gericht is de klagende partij en het EPO-comité in kennis van de tijd die zij nodig heeft om de uitspraak na te leven, hierna „redelijke termijn” genoemd.
2. Indien de partijen het niet eens zijn over een redelijke termijn voor naleving van de uitspraak van het arbitragepanel, verzoekt de klagende partij het arbitragepanel binnen 20 dagen na de kennisgeving door de partij waartegen de klacht gericht is, schriftelijk om een redelijke termijn vast te stellen. Dit verzoek wordt tegelijkertijd medegedeeld aan de andere partij en aan het EPO-comité. Het arbitragepanel stelt de partijen en het EPO-comité binnen 30 dagen na de indiening van het verzoek in kennis van zijn besluit terzake.
3. Het arbitragepanel houdt bij de vaststelling van de redelijke termijn rekening met de tijd die de partij waartegen de klacht gericht is normaliter nodig heeft voor de goedkeuring van wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen die vergelijkbaar zijn met die welke de klagende partij noodzakelijk acht om naleving te waarborgen. Het arbitragepanel kan ook rekening houden met beperkingen die van invloed kunnen zijn op de goedkeuring van de noodzakelijke maatregelen door de partij waartegen de klacht gericht is.
4. Indien het oorspronkelijke arbitragepanel, of een of meer van de leden ervan, niet opnieuw kan (kunnen) bijeenkomen, is de procedure van artikel 50 van toepassing. De termijn voor de kennisgeving van het besluit bedraagt 45 dagen na de datum van indiening van het in lid 2 bedoelde verzoek.
5. De partijen kunnen de redelijke termijn in onderling overleg verlengen.
Artikel 55
1. De partij waartegen de klacht gericht is, stelt de andere partij en het EPO-comité voor afloop van de redelijke termijn in kennis van de maatregelen die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven.
2. Wanneer er tussen de partijen onenigheid bestaat over de verenigbaarheid van de maatregelen waarvan overeenkomstig lid 1 is kennisgegeven met de bepalingen van deze overeenkomst, kan de klagende partij het arbitragepanel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. In dat verzoek wordt aangegeven om welke specifieke maatregelen het gaat en wordt uitgelegd waarom deze niet verenigbaar zijn met de bepalingen van deze overeenkomst. Het arbitragepanel deelt zijn uitspraak binnen 90 dagen na de datum van indiening van het verzoek mede. In dringende gevallen, zoals wanneer de zaak betrekking heeft op bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen, deelt het arbitragepanel zijn uitspraak binnen 45 dagen na de datum van indiening van het verzoek mede.
3. Indien het oorspronkelijke arbitragepanel, of een of meer van de leden ervan, niet opnieuw kan (kunnen) bijeenkomen, is de procedure van artikel 50 van toepassing. De termijn voor de kennisgeving van de uitspraak bedraagt 105 dagen na de datum van indiening van het in lid 2 bedoelde verzoek.
Artikel 56
1. Indien de partij waartegen de klacht gericht is niet voor afloop van de redelijke termijn kennisgeeft van de maatregelen die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven, of indien het arbitragepanel oordeelt dat de maatregelen waarvan overeenkomstig artikel 55, lid 1, is kennisgegeven, niet in overeenstemming zijn met de verplichtingen van die partij uit hoofde van artikel 53, biedt die partij de klagende partij, op haar verzoek, een tijdelijke compensatie aan.
2.
Indien de partijen binnen 30 dagen na het eind van de redelijke termijn of na de in artikel 55 bedoelde uitspraak van het arbitragepanel dat een maatregel die is getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven niet in overeenstemming is met artikel 53, geen overeenstemming bereiken over compensatie, is de klagende partij gerechtigd om, na de andere partij hiervan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen vast te stellen. Wanneer de klagende partij dergelijke maatregelen vaststelt, streeft zij ernaar maatregelen te kiezen die zo min mogelijk van invloed zijn op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze overeenkomst en houdt zij rekening met de gevolgen ervan voor de economie van de partij waartegen de klacht gericht is.
In geen geval zijn de krachtens dit lid vastgestelde passende maatregelen van invloed op de verlening van ontwikkelingshulp aan Ivoorkust.
3. De EG betracht de nodige terughoudendheid bij het vragen van compensatie of bij de vaststelling van passende maatregelen uit hoofde van de leden 1 en 2 en houdt er rekening mee dat Ivoorkust een ontwikkelingsland is.
4. De passende maatregelen en de compensatie zijn van tijdelijke aard en worden slechts toegepast totdat de maatregel waarvan is vastgesteld dat deze in strijd is met artikel 53, is ingetrokken of is gewijzigd en met dat artikel in overeenstemming is gebracht, of totdat de partijen zijn overeengekomen hun geschil bij te leggen.
Artikel 57
1. De partij waartegen de klacht gericht is, stelt de andere partij en het EPO-comité in kennis van de maatregelen die zij heeft getroffen om de uitspraak van het arbitragepanel na te leven en verzoekt in die kennisgeving om beëindiging van de toepassing van passende maatregelen door de klagende partij.
2. Indien de partijen niet binnen 30 dagen na de datum van kennisgeving overeenstemming bereiken over de verenigbaarheid van de maatregelen waarvan is kennisgegeven met de bepalingen van deze overeenkomst, verzoekt de klagende partij het arbitragepanel schriftelijk hierover uitspraak te doen. Dit verzoek wordt medegedeeld aan de andere partij en aan het EPO-comité. Het arbitragepanel stelt de partijen en het EPO-comité binnen 45 dagen na de indiening van het verzoek in kennis van zijn uitspraak. Indien het arbitragepanel oordeelt dat maatregelen die zijn getroffen om zijn uitspraak na te leven niet met deze overeenkomst in overeenstemming zijn, onderzoekt het of de klagende partij passende maatregelen mag blijven toepassen. Indien het arbitragepanel oordeelt dat maatregelen die zijn getroffen om de uitspraak na te leven in overeenstemming met de bepalingen van deze overeenkomst zijn, worden de passende maatregelen beëindigd.
3. Wanneer het oorspronkelijke arbitragepanel, of een of meer van de leden ervan, niet opnieuw kan (kunnen) bijeenkomen, is de procedure van artikel 50 van toepassing. De termijn voor de kennisgeving van de uitspraak bedraagt 60 dagen na de datum van indiening van het in lid 2 bedoelde verzoek.
Afdeling III. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN
Artikel 58
In het kader van deze titel kunnen de partijen te allen tijde onderling een oplossing voor een geschil overeenkomen. Zij stellen het EPO-comité van die oplossing in kennis. Na goedkeuring van de onderling overeengekomen oplossing wordt de procedure beëindigd.
Artikel 59
1. Op de procedures voor de beslechting van geschillen in het kader van hoofdstuk 3 van deze titel is het reglement van orde van toepassing, dat het EPO-comité drie maanden na zijn instelling vaststelt.
2. De vergaderingen van het arbitragepanel zijn overeenkomstig het reglement van orde openbaar, tenzij het arbitragepanel op eigen initiatief of op verzoek van de partijen anderszins besluit.
Artikel 60
Het arbitragepanel kan op verzoek van een partij of op eigen initiatief bij alle bronnen, met inbegrip van de bij het geschil betrokken partijen, de inlichtingen inwinnen die het nuttig acht voor de arbritageprocedure. Het arbitragepanel heeft tevens het recht deskundigen om advies te vragen wanneer het dat nuttig acht. Belanghebbenden kunnen als amicus curiae overeenkomstig het reglement van orde bij het arbitragepanel opmerkingen indienen. Alle op deze manier verkregen informatie moet aan beide partijen worden medegedeeld en voor commentaar aan hen worden voorgelegd.
Artikel 61
Voor de mondelinge opmerkingen en schriftelijke stukken wordt een officiële taal van de partijen gebruikt. De partijen streven er echter zoveel mogelijk naar om als gemeenschappelijke werktaal een officiële taal te kiezen die beide partijen met elkaar gemeen hebben, en houden er, in het bijzonder met betrekking tot vertaalproblemen, met name rekening mee dat Ivoorkust een ontwikkelingsland is.
Artikel 62
Arbitragepanels verbinden zich ertoe de bepalingen van deze overeenkomst uit te leggen volgens de gebruikelijke regels voor de interpretatie van internationaal publiekrecht, met inbegrip van die in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht. Uitspraken van een arbitragepanel kunnen de rechten en verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst niet verruimen of beperken.
Artikel 63
1. Het arbitragepanel stelt alles in het werk om elk besluit bij consensus te nemen. Wanneer het evenwel niet mogelijk is bij consensus tot een besluit te komen, wordt bij meerderheid van stemmen over de aangelegenheid besloten; in geen geval worden echter afwijkende meningen van scheidsrechters gepubliceerd.
2. De uitspraak vermeldt de vastgestelde feiten, de toepasselijkheid van de relevante bepalingen van deze overeenkomst en de motivering van alle bevindingen en conclusies van het arbitragepanel. Het EPO-comité maakt de uitspraak van het arbitragepanel openbaar, maar kan besluiten dat niet te doen.
Hoofdstuk 4. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 64
1. Het EPO-comité stelt uiterlijk drie maanden na de datum van voorlopige toepassing van deze overeenkomst een lijst van 15 personen op die bereid en geschikt zijn om als scheidsrechter te fungeren. Elk van de partijen kiest vijf personen die als scheidsrechter kunnen optreden. De twee partijen wijzen in onderling overleg eveneens vijf personen aan die geen onderdaan van een van de partijen zijn en aan wie kan worden gevraagd als voorzitter van het arbitragepanel te fungeren. Het EPO-comité ziet erop toe dat de lijst te allen tijde uit dit aantal personen blijft bestaan.
2. Scheidsrechters hebben gespecialiseerde kennis of ervaring op het gebied van het recht en de internationale handel. Zij zijn onafhankelijk, treden op persoonlijke titel op, nemen geen instructies aan van enige organisatie of regering, zijn niet verbonden aan de regering van een van de partijen en houden zich aan de aan het reglement van orde gehechte gedragscode.
3. Het EPO-comité kan een aanvullende lijst van 15 personen met sectorale expertise op specifieke onder deze overeenkomst vallende gebieden vaststellen. Wanneer de selectieprocedure van artikel 50, lid 2, wordt gebruikt, kan de voorzitter van het EPO-comité met instemming van beide partijen van die lijst gebruikmaken.
Artikel 65
1. Arbitragepanels die krachtens deze overeenkomst zijn ingesteld, doen geen uitspraak in geschillen die verband houden met de rechten en verplichtingen van de partijen krachtens de WTO.
2. Een beroep op de bepalingen in deze overeenkomst over de beslechting van geschillen doet geen afbreuk aan enige rechtsvordering in het kader van de WTO, met inbegrip van die tot beslechting van een geschil. Wanneer echter een partij in verband met een specifieke maatregel een procedure voor de beslechting van een geschil heeft ingeleid, hetzij krachtens artikel 49, lid 1, hetzij krachtens de WTO-overeenkomst, kan deze in verband met dezelfde maatregel geen procedure voor geschillenbeslechting in het andere forum inleiden totdat de eerste procedure is afgesloten. Voor de toepassing van dit lid worden procedures voor geschillenbeslechting krachtens de WTO-overeenkomst geacht door een partij te zijn ingeleid wanneer deze overeenkomstig artikel 6 van het WTO-memorandum van overeenstemming inzake de beslechting van geschillen een verzoek om instelling van een arbitragepanel heeft ingediend.
3. Deze overeenkomst belet een partij niet een schorsing van verplichtingen die is toegestaan door het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO, ten uitvoer te leggen.
Artikel 66
1. De in deze titel vastgestelde termijnen, met inbegrip van die waarbinnen arbitragepanels moeten kennisgeven van hun uitspraken, worden gerekend in kalenderdagen vanaf de dag die volgt op de dag waarop het desbetreffende besluit wordt genomen of het desbetreffende feit plaatsvindt.
2. De partijen kunnen in onderling overleg alle in deze titel vermelde termijnen verlengen.
Artikel 67
Zowel het EPO-comité als elk van de partijen kan het initiatief nemen om wijziging van titel V te verzoeken. De verzoeken om wijziging worden door het EPO-comité onderzocht. De wijziging gaat pas in nadat beide partijen deze hebben goedgekeurd.
Deel VI. ALGEMENE UITZONDERINGEN
Artikel 68
Mits de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de partijen vormen wanneer gelijke voorwaarden moeten gelden, of een verkapte beperking van de handel in producten of diensten of van het recht van vestiging, wordt geen bepaling in deze overeenkomst uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of toepassen door de partijen van maatregelen:
a. a. die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de openbare veiligheid en de openbare zeden of voor de handhaving van de openbare orde; b. b. die noodzakelijk zijn voor de bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant; c. c. die noodzakelijk zijn voor de handhaving van wetten of voorschriften en die niet strijdig zijn met de bepalingen van deze overeenkomst, met inbegrip van maatregelen die betrekking hebben op:
i.
het voorkómen van misleidende of frauduleuze praktijken of op middelen om de gevolgen van de niet-nakoming van betalingsverplichtingen in verband met contracten te compenseren;
ii.
de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking en verspreiding van persoonsgegevens en op de bescherming van de vertrouwelijke aard van persoonlijke dossiers en rekeningen;
iii.
de veiligheid;
iv.
de toepassing van douanevoorschriften en -procedures; of
v.
de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten;
i. i. het voorkómen van misleidende of frauduleuze praktijken of op middelen om de gevolgen van de niet-nakoming van betalingsverplichtingen in verband met contracten te compenseren; ii. ii. de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking en verspreiding van persoonsgegevens en op de bescherming van de vertrouwelijke aard van persoonlijke dossiers en rekeningen; iii. iii. de veiligheid; iv. iv. de toepassing van douanevoorschriften en -procedures; of v. v. de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten; d. d. die verband houden met de invoer of de uitvoer van goud of zilver; e. e. die noodzakelijk zijn voor de bescherming van nationaal artistiek, historisch of archeologisch erfgoed; f. f. die betrekking hebben op de instandhouding van niet-duurzame natuurlijke hulpbronnen, indien die maatregelen gepaard gaan met beperkingen van de nationale productie of het binnenlandse verbruik van goederen, het binnenlandse aanbod of verbruik van diensten of met beperkingen voor binnenlandse investeerders; g. g. die betrekking hebben op voortbrengselen van gevangenisarbeid; of h. h. die strijdig zijn met artikel 19 inzake nationale behandeling, mits het verschil in behandeling bedoeld is om directe belastingen op doeltreffende of billijke wijze te kunnen opleggen of te kunnen innen ten aanzien van economische activiteiten van investeerders of dienstverleners van de andere partij.
Artikel 69
1.
Geen enkele bepaling in deze overeenkomst wordt zodanig uitgelegd dat zij:
a. a. de partijen verplicht gegevens te verstrekken waarvan openbaarmaking naar hun oordeel tegen hun wezenlijke veiligheidsbelangen indruist; b. b. de partijen belet maatregelen te nemen die zij ter bescherming van hun wezenlijke veiligheidsbelangen noodzakelijk achten en die:
i.
betrekking hebben op splijt- of fusiestoffen of op grondstoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd;
ii.
betrekking hebben op economische activiteiten die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting als doel hebben;
iii.
verband houden met de productie van of de handel in wapens, munitie en oorlogstuig;
iv.
betrekking hebben op overheidsopdrachten die onontbeerlijk zijn voor de nationale veiligheid of voor de nationale defensie; of
v.
in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen worden genomen;
i. i. betrekking hebben op splijt- of fusiestoffen of op grondstoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd; ii. ii. betrekking hebben op economische activiteiten die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting als doel hebben; iii. iii. verband houden met de productie van of de handel in wapens, munitie en oorlogstuig; iv. iv. betrekking hebben op overheidsopdrachten die onontbeerlijk zijn voor de nationale veiligheid of voor de nationale defensie; of v. v. in tijden van oorlog of ernstige internationale spanningen worden genomen; c. c. de partijen belet maatregelen te nemen tot uitvoering van de verplichtingen die zij op zich hebben genomen met het oog op de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.
2. Het EPO-comité wordt zo volledig mogelijk ingelicht over maatregelen die krachtens lid 1, onder b) en c), worden genomen en over de beëindiging daarvan.
Artikel 70
1. Geen enkele bepaling in deze overeenkomst of in een in het kader van deze overeenkomst getroffen regeling wordt uitgelegd als beletsel voor de partijen om bij de toepassing van de desbetreffende bepalingen van hun belastingwetgeving een onderscheid te maken tussen belastingbetalers die niet in dezelfde situatie verkeren, in het bijzonder met betrekking tot hun verblijfplaats of de plaats waar hun kapitaal is geïnvesteerd.
2. Geen enkele bepaling in deze overeenkomst of in een in het kader ervan gesloten overeenkomst wordt uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of toepassen van maatregelen ter voorkoming van belastingontwijking of -ontduiking in overeenstemming met de overeenkomsten inzake voorkoming van dubbele belastingheffing, andere belastingregelingen of nationale belastingwetten.
3. Geen enkele bepaling in deze overeenkomst heeft gevolgen voor de rechten en verplichtingen van de partijen uit hoofde van enig belastingverdrag. In geval van strijdigheid tussen de bepalingen van deze overeenkomst en die van een dergelijk verdrag hebben de bepalingen van dat verdrag voorrang voor zover het de strijdige bepalingen betreft.
Deel VII. INSTITUTIONELE BEPALINGEN, ALGEMENE BEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 71
1. De partijen zetten de onderhandelingen voort overeenkomstig de bepalingen van deze overeenkomst.
2. Wanneer de onderhandelingen zijn afgesloten, worden de hieruit voortvloeiende ontwerpwijzigingen ter goedkeuring aan de desbetreffende binnenlandse autoriteiten voorgelegd.
Artikel 72
1. De overeenkomstsluitende partijen bij deze overeenkomst zijn de Republiek Ivoorkust, in deze overereenkomst „Ivoorkust” genoemd, enerzijds, en de Europese Gemeenschap of haar lidstaten of de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, in het kader van hun respectieve bevoegdheidsgebieden overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, in deze overeenkomst de „EG” genoemd, anderzijds.
2. Voor de toepassing van deze overeenkomst heeft de term „partij” naargelang van het geval betrekking op Ivoorkust of op de EG. De term „partijen” heeft betrekking op Ivoorkust en de EG.
3. De partijen treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die vereist zijn om aan hun verplichtingen krachtens deze overeenkomst te voldoen en zien toe op de verwezenlijking van de doelstellingen die in deze overeenkomst zijn neergelegd.
Artikel 73
1. Voor de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst wordt binnen drie maanden na de ondertekening van deze overeenkomst een EPO-comité opgericht.
2. De partijen komen overeen dat bij de samenstelling, organisatie en werking van het EPO-comité het gelijkheidsbeginsel in acht wordt genomen. Het EPO-comité legt zelf de regels voor zijn organisatie en werking vast.
3. Het EPO-comité is verantwoordelijk voor het beheer van alle door deze overeenkomst bestreken gebieden en voor de uitvoering van alle in deze overeenkomst genoemde taken.
4. Om de communicatie te vergemakkelijken en een doeltreffende tenuitvoerlegging van deze overeenkomst te waarborgen, wijst elke partij binnen het EPO-comité een correspondent aan.
5. De vergaderingen van het EPO-comité kunnen voor derden worden opengesteld. De WAEMU- en Ecowas-commissies kunnen worden uitgenodigd om volgens hun interne procedures aan de vergaderingen van het EPO-comité deel te nemen.
Artikel 74
1. Gezien de geografische nabijheid van de ultraperifere gebieden van de Europese Gemeenschap en Ivoorkust en ter versterking van de economische en sociale banden tussen deze gebieden en Ivoorkust, streven de partijen ernaar, tussen deze gebieden en Ivoorkust, de samenwerking op alle door deze overeenkomst bestreken gebieden te vergemakkelijken, de handel in goederen en diensten te bevorderen, investeringen aan te moedigen en het vervoer en communicatieverbindingen te stimuleren.
2. De in lid 1 genoemde doelen worden waar mogelijk ook nagestreefd door de gezamenlijke deelname van Ivoorkust en de ultraperifere gebieden in kaderprogramma’s en specifieke programma’s van de Europese Gemeenschap op door deze overeenkomst bestreken gebieden te stimuleren.
3. De EG streeft naar coördinatie tussen de verschillende financiële instrumenten van het cohesie- en ontwikkelingsbeleid van de Europese Gemeenschap, teneinde de samenwerking tussen Ivoorkust en de ultraperifere gebieden van de Europese Gemeenschap op door deze overeenkomst bestreken gebieden te stimuleren.
4. Geen enkele bepaling in deze overeenkomst belet toepassing door de EG van bestaande maatregelen uit hoofde van artikel 299, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap ter verbetering van de structurele economische en sociale situatie van haar ultraperifere gebieden.
Artikel 75
1. Deze overeenkomst wordt ondertekend, geratificeerd en goedgekeurd volgens de toepasselijke grondwettelijke voorschriften van elke partij of, voor de EG, volgens de interne voorschriften en procedures.
2. Deze overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op die waarin Ivoorkust en de EG elkaar in kennis hebben gesteld van de voltooiing van de daartoe vereiste procedures.
3. De kennisgevingen worden gericht aan de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie, die depositaris van deze overeenkomst is.
4. In afwachting van de inwerkingtreding van deze overeenkomst komen de partijen overeen deze conform hun respectieve wetgeving of door ratificatie van de overeenkomst voorlopig toe te passen.
5. Van de voorlopige toepassing wordt kennisgegeven aan de depositaris. De overeenkomst wordt 10 dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving van voorlopige toepassing van de Europese Gemeenschap of van Ivoorkust, afhankelijk van welke de laatste is, voorlopig toegepast.
6. In afwijking van lid 4 kunnen de EG en Ivoorkust de overeenkomst geheel of gedeeltelijk al voor de voorlopige toepassing toepassen, voor zover dat met het oog op hun nationale wetgeving mogelijk is.
7. Elk van beide partijen kan de andere partij schriftelijk in kennis stellen van haar voornemen deze overeenkomst op te zeggen. De opzegging wordt zes maanden na de kennisgeving van kracht.
8. Deze overeenkomst wordt door een algemene, op regionaal niveau gesloten EPO met de EG vervangen, zodra deze in werking treedt. In dat geval trachten de partijen te waarborgen dat de belangrijkste voordelen die voor Ivoorkust uit deze overeenkomst voortvloeien, in de EPO met de regio behouden blijven.
Artikel 76
Deze overeenkomst is van toepassing op, enerzijds, alle gebieden waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is, onder de in dat verdrag neergelegde voorwaarden, en, anderzijds, op Ivoorkust.
Artikel 77
1. Het EPO-comité wordt in kennis gesteld van elk verzoek van een derde staat om toe te treden tot de Europese Unie. Tijdens de onderhandelingen tussen de Europese Unie en de staat die het verzoek heeft ingediend, verstrekt de EG Ivoorkust alle relevante informatie en stelt Ivoorkust de EG in kennis van zijn problemen, zodat deze daar ten volle rekening mee kan houden. De EG stelt Ivoorkust in kennis van elke toetreding tot de Europese Unie.
2. Elke nieuwe lidstaat van de Europese Unie wordt vanaf de dag van zijn toetreding partij bij deze overeenkomst door middel van een daartoe strekkende clausule in de akte van toetreding. Indien de akte van toetreding tot de Europese Unie niet voorziet in een automatische toetreding van de nieuwe EU-lidstaat tot deze overeenkomst, treedt de betrokken EU-lidstaat toe door nederlegging van een akte van toetreding bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie, dat hiervan een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift doet toekomen aan Ivoorkust.
3. De partijen onderzoeken de gevolgen van de toetreding van nieuwe EU-lidstaten voor deze overeenkomst. Het EPO-comité kan de nodige overgangs- of wijzigingsmaatregelen vaststellen.
Artikel 78
De partijen komen overeen om op het gebied van fiscaal beleid en beheer de dialoog en transparantie te stimuleren en goede praktijken uit te wisselen.
Artikel 79
De EG en Ivoorkust zijn vastbesloten illegale activiteiten, fraude, corruptie, het witwassen van geld en de financiering van terrorisme te voorkomen en te bestrijden. Hiertoe treffen zij de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen om te voldoen aan de internationale normen, met inbegrip van die in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie, het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit en de protocollen daarbij, het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van de financiering van terrorisme, en de aanbevelingen van de Financial Action Task Force. De EG en Ivoorkust komen overeen op deze gebieden informatie uit te wisselen en samen te werken.
Artikel 80
1. Met uitzondering van de artikelen inzake ontwikkelingssamenwerking in deel 3, titel II, van de Overeenkomst van Cotonou, hebben in geval van strijdigheid tussen de bepalingen van deze overeenkomst en die van deel 3, titel II, van de Overeenkomst van Cotonou, de bepalingen van deze overeenkomst voorrang.
2. Geen enkele bepaling in deze overeenkomst wordt uitgelegd als beletsel voor de goedkeuring door de Europese Gemeenschap of door Ivoorkust van maatregelen, met inbegrip van maatregelen op handelsgebied, die passend worden geacht en waarin wordt voorzien door de artikelen 11 ter, 96 en 97 van de Overeenkomst van Cotonou.
3. De partijen komen overeen dat geen enkele bepaling in deze overeenkomst hen verplicht te handelen op een wijze die in strijd is met hun WTO-verplichtingen.
Artikel 81
Deze overeenkomst is opgesteld in tweevoud, in de volgende talen: Bulgaars, Tsjechisch, Deens, Nederlands, Engels, Ests, Fins, Frans, Duits, Grieks, Hongaars, Italiaans, Lets, Litouws, Maltees, Pools, Portugees, Roemeens, Slowaaks, Sloveens, Spaans en Zweeds, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.
Wanneer de teksten elkaar tegenspreken, geldt de taal waarin de onderhandelingen over de overeenkomst plaatsvonden, in dit geval het Frans.
Artikel 82
De bijlagen, aanhangsels en protocollen vormen een integrerend deel van deze overeenkomst.