rijk/verdrag/tweede-protocol-opgesteld-op-grond-van-artikel-k3-van-het-verdrag-betreffende-de/BWBV0001527
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen BWBV0001527 verdrag geldend 2009-05-19 https://wetten.overheid.nl/BWBV0001527 Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen

Tweede Protocol, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen

Artikel 1

In dit protocol wordt verstaan onder:

a. a. „overeenkomst”: de Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen van 26 juli 19951)PB nr. C 316 van 27.11.1995, blz. 49.; b. b. „fraude”: de gedragingen, bedoeld in artikel 1 van de overeenkomst; c. c. „passieve corruptie”: de gedragingen bedoeld in artikel 2 van het protocol opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen van 27 september 19962)PB nr. C 313 van 23.10.1996, blz. 2.,

  • „actieve corruptie”: de gedragingen bedoeld in artikel 3 van hetzelfde protocol; d. d. „rechtspersoon”: ieder lichaam dat deze hoedanigheid krachtens het toepasselijke nationale recht bezit, met uitzondering van de staten of andere overheidslichamen in de uitoefening van hun openbare macht en van de publiekrechtelijke internationale organisaties; e. e. „witwassen van geld”: de gedraging, als omschreven in artikel 1, derde streepje, van Richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld3)PB nr. L 166 van 28.06.1991, blz. 77., met betrekking tot de opbrengsten van fraude, ten minste in ernstige gevallen, en van actieve en passieve corruptie.

Artikel 2

Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat witwassen van geld strafbaar wordt gesteld.

Artikel 3

1.

Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld voor fraude, actieve corruptie en het witwassen van geld, te zijnen voordele gepleegd door elke persoon die individueel of als deel van een orgaan van de rechtspersoon optreedt en bij de rechtspersoon een leidende positie heeft die gebaseerd is op

de bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen, of de bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen, of de bevoegdheid tot controle bij de rechtspersoon,

en dat hij aansprakelijk kan worden gesteld voor medeplichtigheid aan of het uitlokken van fraude, actieve corruptie of het witwassen van geld of voor pogingen tot fraude.

2. Naast de in lid 1 bedoelde gevallen, neemt elke lidstaat de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld wanneer als gevolg van gebrekkig toezicht of gebrekkige controle van de kant van een in lid 1 bedoelde persoon fraude, actieve corruptie of het witwassen van geld kon worden gepleegd ten voordele van die rechtspersoon door een persoon die onder diens gezag staat.

3. De aansprakelijkheid van de rechtspersoon krachtens de leden 1 en 2 sluit strafvervolging tegen natuurlijke personen die daders of uitlokkers van, dan wel medeplichtigen aan de fraude, de actieve corruptie of het witwassen van geld zijn, niet uit.

Artikel 4

1.

Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om tegen een rechtspersoon die volgens artikel 3, lid 1, aansprakelijk is verklaard, sancties te kunnen treffen die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn; deze sancties omvatten al dan niet strafrechtelijke geldboetes en kunnen andere maatregelen omvatten, zoals:

a. a. de uitsluiting van het voordeel van een gunstige regeling van de overheid of van overheidssteun; b. b. het tijdelijk of permanent verbod op het uitoefenen van commerciële activiteiten; c. c. plaatsing onder toezicht van de rechter; d. d. een gerechtelijke maatregel tot liquidatie.

2. Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om tegen een rechtspersoon die volgens artikel 3, lid 2, aansprakelijk is verklaard, sancties of maatregelen te kunnen treffen die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Artikel 5

Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om inbeslagneming en, onverminderd de rechten van derden te goeder trouw, confiscatie of onttrekking mogelijk te maken van instrumenten en opbrengsten van fraude, actieve en passieve corruptie en het witwassen van geld, of van bezittingen waarvan de waarde overeenkomt met die opbrengsten. Inbeslaggenomen of geconfisqueerde instrumenten, opbrengsten of andere bezittingen worden door de lidstaat behandeld overeenkomstig zijn nationale wetgeving.

Artikel 6

Een lidstaat mag niet weigeren wederzijds rechtshulp met betrekking tot fraude, actieve en passieve corruptie en het witwassen van geld te verlenen louter omdat het een delict inzake heffingen of douanerechten betreft of als zodanig wordt beschouwd.

Artikel 7

1.

De lidstaten en de Commissie werken samen bij de bestrijding van fraude, actieve en passieve corruptie en het witwassen van geld.

Te dien einde verleent de Commissie de technische en operationele bijstand die de bevoegde nationale autoriteiten nodig kunnen hebben om coördinatie van het door hen ingestelde onderzoek te vergemakkelijken.

2. Ten einde de constatering van de feiten te vergemakkelijken en te zorgen voor een daadwerkelijke bestrijding van fraude, actieve en passieve corruptie en het witwassen van geld kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten gegevens uitwisselen met de Commissie. De Commissie en de bevoegde nationale autoriteiten houden in elk bijzonder geval rekening met de eisen inzake geheimhouding van het onderzoek en gegevensbescherming. Te dien einde kan een lidstaat bij het verstrekken van informatie aan de Commissie bijzondere voorwaarden stellen aan het gebruik van die informatie door de Commissie dan wel door een andere lidstaat waaraan die informatie kan worden doorgegeven.

Artikel 8

De Commissie zorgt ervoor dat zij in het kader van de uitwisseling van gegevens uit hoofde van artikel 7, lid 2, bij de verwerking van persoonsgegevens een beschermingsniveau in acht neemt dat gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau in Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens.1)PB nr. L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

Artikel 9

De voorschriften die zijn vastgesteld betreffende de verplichtingen uit hoofde van artikel 8 worden gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 10

1. Onverminderd de in artikel 7, lid 2, bedoelde voorwaarden kan de Commissie persoonsgegevens die zij in de uitoefening van haar functies uit hoofde van artikel 7 van een lidstaat heeft verkregen, overdragen aan iedere andere lidstaat. De Commissie stelt de lidstaat die de informatie heeft verstrekt in kennis van haar voornemen die gegevens over te dragen.

2. De Commissie kan onder dezelfde voorwaarden persoonsgegevens die zij in de uitoefening van haar functies uit hoofde van artikel 7 van een lidstaat heeft gekregen, overdragen aan ieder derde land mits de lidstaat die de informatie heeft verstrekt, met die overdracht heeft ingestemd.

Artikel 11

Iedere instantie die wordt aangewezen of ingesteld met het oog op het uitoefenen van onafhankelijk toezicht inzake gegevensbescherming met betrekking tot persoonsgegevens die de Commissie ingevolge haar functies uit hoofde van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap in haar bezit heeft, is bevoegd tot het uitoefenen van datzelfde toezicht met betrekking tot persoonsgegevens die krachtens dit protocol in het bezit zijn van de Commissie.

Artikel 12

1. Het bepaalde in de artikelen 3, 5 en 6 van de overeenkomst is tevens van toepassing op de in artikel 2 van dit protocol bedoelde gedragingen.

2.

De volgende bepalingen van de overeenkomst zijn tevens van toepassing op dit protocol:

      Artikel 4, met dien verstande dat tenzij anders vermeld bij de in artikel 16, lid 2, van dit protocol bedoelde kennisgeving, elke verklaring in de zin van artikel 4, lid 2, van de overeenkomst, eveneens van toepassing is op dit protocol;

      Artikel 7, met dien verstande dat het „ne bis in idem”-beginsel ook van toepassing is op rechtspersonen, en dat, tenzij anders vermeld bij de in artikel 16, lid 2, van dit protocol bedoelde kennisgeving, elke verklaring in de zin van artikel 7, lid 2, van de overeenkomst eveneens van toepassing is op dit protocol;

      Artikel 9;

      Artikel 10.

Artikel 13

1. Geschillen tussen de lidstaten over de uitlegging of de toepassing van dit protocol worden, met het oog op een oplossing, in een eerste fase in de Raad besproken volgens de procedure van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

Indien binnen zes maanden geen oplossing is gevonden, kan de zaak door een bij het geschil betrokken partij aan het Hof van Justitie worden voorgelegd.

2. Ieder geschil tussen een of meer lidstaten en de Commissie betreffende de toepassing van artikel 2 in samenhang met artikel 1, onder e), en de artikelen 7, 8, 10 en 12, lid 2, vierde streepje, van dit protocol, dat niet door onderhandeling kon worden opgelost, kan aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen worden voorgelegd, na het verstrijken van een periode van zes maanden na de datum waarop een van de partijen de andere partij van het bestaan van een geschil in kennis heeft gesteld.

3. Het protocol opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen van 29 november 1996 1)PB nr. C 151 van 20.05.1997, blz. 1.is van toepassing op het onderhavige protocol, met dien verstande dat een door een lidstaat ingevolge artikel 2 van dat protocol afgelegde verklaring ook geldt voor het onderhavige protocol, tenzij de betrokken lidstaat een tegengestelde verklaring aflegt bij de in artikel 16, lid 2, van het onderhavige protocol bedoelde kennisgeving. is van toepassing op het onderhavige protocol, met dien verstande dat een door een lidstaat ingevolge artikel 2 van dat protocol afgelegde verklaring ook geldt voor het onderhavige protocol, tenzij de betrokken lidstaat een tegengestelde verklaring aflegt bij de in artikel 16, lid 2, van het onderhavige protocol bedoelde kennisgeving.

Artikel 14

Voor de toepassing van dit protocol wordt de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap beheerst door artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Artikel 178 van hetzelfde Verdrag is van toepassing.

Artikel 15

1. Het Hof van Justitie is bevoegd met betrekking tot beroepen die door een natuurlijke of rechtspersoon worden ingesteld tegen een besluit van de Commissie dat tot die persoon is gericht of dat hem of haar rechtstreeks en individueel raakt, op grond van een schending van artikel 8 of enig ingevolge daarvan vastgesteld voorschrift, of van misbruik van bevoegdheden.

2. De artikelen 168 A, leden 1 en 2, 173, vijfde alinea, 174, eerste alinea, 176, eerste en tweede alinea, 185 en 186 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, alsmede het statuut van het Hof van Justitie (van de Europese Gemeenschap), zijn mutatis mutandis van toepassing.

Artikel 16

1. Dit protocol wordt de lidstaten volgens hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen ter aanneming voorgelegd.

2. De lidstaten stellen de Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Unie in kennis van de voltooiing van de overeenkomstig hun grondwettelijke bepalingen voor de aanneming van dit protocol vereiste procedures.

3. Dit protocol treedt in werking negentig dagen na de in lid 2 bedoelde kennisgeving door de staat die, op de datum van aanneming van de akte tot vaststelling van het protocol lid zijnde van de Europese Unie, als laatste daartoe overgaat. Indien de overeenkomst evenwel op die datum nog niet in werking is getreden, treedt dit protocol in werking op de datum van inwerkingtreding van de overeenkomst.

4. De toepassing van artikel 7, lid 2, wordt evenwel opgeschort indien en zolang de terzake bevoegde instelling van de Europese Gemeenschappen niet heeft voldaan aan haar verplichting de voorschriften inzake gegevensbescherming uit hoofde van artikel 9 bekend te maken, of niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 11 betreffende de toezichthoudende instantie.

Artikel 17

1. Elke staat die lid wordt van de Europese Unie, kan tot dit protocol toetreden.

2. De door de Raad van de Europese Unie vastgestelde tekst van dit protocol in de taal van de toetredende staat, is authentiek.

3. De akten van toetreding worden neergelegd bij de depositaris.

4. Dit protocol treedt ten aanzien van elke toetredende staat in werking negentig dagen nadat diens akte van toetreding is neergelegd, of op de datum van zijn inwerkingtreding indien dit protocol bij het verstrijken van de genoemde periode van negentig dagen nog niet in werking is getreden.

Artikel 18

1. Elke lidstaat kan zich het recht voorbehouden om het witwassen van geld met betrekking tot de opbrengsten van actieve en passieve corruptie alleen strafbaar te stellen in ernstige gevallen van actieve of passieve corruptie. Een lidstaat die een dergelijk voorbehoud maakt, dient de depositaris daarvan in kennis te stellen, en bij de in artikel 16, lid 2, bedoelde kennisgeving bijzonderheden te verschaffen betreffende de reikwijdte van het voorbehoud. Een dergelijk voorbehoud geldt voor een periode van vijf jaar vanaf de datum van genoemde kennisgeving, en kan eenmaal voor nogmaals vijf jaar worden verlengd.

2. De Republiek Oostenrijk kan, bij de in artikel 16, lid 2, bedoelde kennisgeving, verklaren dat zij niet gebonden is door de artikelen 3 en 4. De geldigheid van deze verklaring eindigt vijf jaar na de datum van aanneming van de akte waarbij het onderhavige protocol is vastgesteld.

3. Er kunnen geen andere voorbehouden worden gemaakt, met uitzondering van die bedoeld in artikel 12, lid 2, eerste en tweede streepje.

Artikel 19

1. De Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Unie is depositaris van dit protocol.

2. De depositaris maakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen de stand van de aannemingen en toetredingen, alsmede de verklaringen, voorbehouden en andere kennisgevingen met betrekking tot dit protocol bekend.