rijk/verdrag/verdrag-inzake-luchtvervoer-tussen-het-koninkrijk-der-nederlanden-ten-behoeve-va/BWBV0006828
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Verdrag inzake luchtvervoer tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, en de Dominicaanse Republiek inzake luchtvervoer tussen en via hun onderscheiden grondgebieden BWBV0006828 verdrag geldend 2025-02-01 https://wetten.overheid.nl/BWBV0006828 Verdrag inzake luchtvervoer tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, en de Dominicaanse Republiek inzake luchtvervoer tussen en via hun onderscheiden grondgebieden

Verdrag inzake luchtvervoer tussen het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, en de Dominicaanse Republiek inzake luchtvervoer tussen en via hun onderscheiden grondgebieden

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Verdrag, tenzij anders is bepaald:

    1. wordt onder „luchtvaartautoriteiten” verstaan, wat het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, betreft, de minister van Toerisme, Economische Zaken, Verkeer en Telecommunicatie, verantwoordelijk voor de luchtvaart; en, wat de Dominicaanse Republiek betreft, de Burgerluchtvaartautoriteit; of, in beide gevallen, elke persoon of instantie die bevoegd is de functies te vervullen die thans door de genoemde autoriteiten worden vervuld;
    1. wordt onder „Verdrag” verstaan dit Verdrag, de Bijlagen erbij en alle wijzigingen daarvan;
    1. wordt onder „luchtvervoer” verstaan het openbaar vervoer per luchtvaartuig van passagiers, bagage, vracht en post, afzonderlijk of gecombineerd, per lijn- of chartervlucht, tegen vergoeding of beloning;
    1. wordt onder „overeengekomen diensten” verstaan het luchtvervoer op de omschreven routes voor het vervoer van passagiers, vracht en post, afzonderlijk of gecombineerd;
    1. wordt onder „aangewezen luchtvaartmaatschappij” verstaan een luchtvaartmaatschappij die is aangewezen en gemachtigd overeenkomstig artikel 3 van dit Verdrag;
    1. wordt onder „het Verdrag van Chicago” verstaan het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, gedaan te Chicago op 7 december 1944, met inbegrip van:

      a.
      alle overeenkomstig artikel 94, onderdeel a, van het Verdrag van Chicago in werking getreden wijzigingen die door beide partijen zijn bekrachtigd; en
      
      
      b.
      alle overeenkomstig artikel 90 van het Verdrag van Chicago aangenomen Bijlagen of alle wijzigingen daarvan, voor zover die Bijlagen of wijzigingen op enig moment van kracht zijn voor beide partijen;
      

a. a. alle overeenkomstig artikel 94, onderdeel a, van het Verdrag van Chicago in werking getreden wijzigingen die door beide partijen zijn bekrachtigd; en b. b. alle overeenkomstig artikel 90 van het Verdrag van Chicago aangenomen Bijlagen of alle wijzigingen daarvan, voor zover die Bijlagen of wijzigingen op enig moment van kracht zijn voor beide partijen; 7. 7. wordt onder „volledige kosten” verstaan de kosten van het leveren van een dienst plus een redelijke heffing voor administratiekosten; 8. 8. wordt onder „internationaal luchtvervoer” verstaan luchtvervoer door het luchtruim boven het grondgebied van meer dan een staat; 9. 9. wordt onder „onderdanen” verstaan, wat het Koninkrijk der Nederlanden, ten behoeve van Sint Maarten, betreft, onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden die officieel bij de burgerlijke stand van Sint Maarten als lokale inwoner met de Nederlandse nationaliteit zijn ingeschreven en, wat de Dominicaanse Republiek betreft, onderdanen van de Dominicaanse Republiek; 10. 10. wordt onder „tarief” verstaan alle prijzen, kosten of heffingen die luchtvaartmaatschappijen, agentschappen inbegrepen, in rekening brengen voor vervoer door de lucht van passagiers, bagage en/of vracht (post niet meegerekend), met inbegrip van vervoer over land en/of water in verband daarmee, en de voor de beschikbaarheid van deze prijzen, kosten of heffingen geldende voorwaarden; 11. 11. wordt onder „landing anders dan voor verkeersdoeleinden” verstaan een landing gemaakt anders dan voor het opnemen of afzetten van passagiers, bagage, vracht of post in het luchtvervoer; 12. 12. voor wat betreft het Koninkrijk der Nederlanden, met betrekking tot Sint Maarten, hebben de begripsomschrijvingen „soevereiniteit” en „grondgebied”, in relatie tot een partij, de betekenis die daaraan respectievelijk wordt toegekend in artikel 1 en 2 van het Verdrag van Chicago; voor wat betreft de Dominicaanse Republiek hebben de begripsomschrijvingen „soevereiniteit” en „grondgebied”, in relatie tot een Staat, de betekenis in overeenstemming met de bepalingen in artikel 1 en 2 van het Verdrag van Chicago; Soevereiniteit: De Verdragsluitende Staten erkennen dat elke Staat de volledige en uitsluitende soevereiniteit heeft over de luchtruimte boven zijn grondgebied. Grondgebied: In relatie tot een Staat wordt geacht te omvatten het grondgebied en de daaraan grenzende territoriale wateren en het luchtruim daarboven welke staan onder de soevereiniteit van die Staat; 13. 13. wordt onder „gebruikersheffing” verstaan een heffing opgelegd aan luchtvaartmaatschappijen voor de levering van luchthaven-, luchthavenmilieu-, luchtnavigatie-, of luchtvaartbeveiligingsvoorzieningen of -diensten met inbegrip van daarmee verband houdende diensten en voorzieningen; 14. 14. wordt onder „capaciteit” verstaan het aantal diensten dat uit hoofde van het Verdrag wordt geleverd, gewoonlijk gemeten als het aantal vluchten, stoelen en ton vracht die op een markt worden aangeboden, hetzij wekelijks of gedurende een andere gespecificeerde termijn; 15. 15. wordt onder „multimodaal luchtvervoer” verstaan het openbaar vervoer per luchtvaartuig in combinatie met een of meer vervoerswijzen over land en/of water van passagiers, bagage, vracht en post, afzonderlijk of gecombineerd, tegen vergoeding of beloning; 16. 16. wordt onder „ICAO” verstaan de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie.

Artikel 2

1.

Elke partij verleent de andere partij de volgende rechten voor het verrichten van internationaal luchtvervoer door de luchtvaartmaatschappijen van de andere partij:

a. a. het recht zonder te landen over haar grondgebied te vliegen; b. b. het recht op haar grondgebied te landen anders dan voor verkeersdoeleinden; en c. c. de rechten die elders zijn omschreven in dit Verdrag.

2. Op elk deel of alle delen van de bovenstaande routes kan een luchtvaartmaatschappij van een partij internationaal luchtvervoer verzorgen zonder beperkingen ten aanzien van verandering van het type of aantal ingezette luchtvaartuigen op elk punt van de route, met dien verstande dat, met uitzondering van vrachtvluchten, bij uitgaande vluchten het vervoer voorbij dat punt een voortzetting is van het vervoer vanuit het thuisland van de luchtvaartmaatschappij, en bij binnenkomende vluchten het vervoer naar het thuisland van de luchtvaartmaatschappij een voortzetting is van het vervoer voorbij dat punt.

3. De rechten omschreven in de onderdelen a en b van het eerste lid van dit artikel worden tevens gewaarborgd voor de niet-aangewezen luchtvaartmaatschappijen van elke partij.

4. Geen van de bepalingen van dit artikel wordt geacht een luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van een partij het recht te geven op het grondgebied van de andere partij passagiers, bagage, vracht of post op te nemen die worden vervoerd tegen vergoeding of beloning en bestemd zijn voor een ander punt op het grondgebied van die andere partij.

5. Elke partij verleent op basis van wederkerigheid vroegtijdige goedkeuring aan het uitvoeren van charterdiensten door luchtvaartmaatschappijen die door de andere partij naar behoren zijn gemachtigd, in overeenstemming met de van toepassing zijnde wetten en voorschriften van elke partij.

6. Dit Verdrag sluit het uitoefenen van commerciële verkeersrechten door de luchtvaartmaatschappijen van de Dominicaanse Republiek uit tussen Sint Maarten en Nederland (met inbegrip van het Caribische deel van Nederland (Bonaire, Sint Eustatius en Saba)), tussen Sint Maarten en Curaçao, en tussen Sint Maarten en Aruba.

7. Het uitoefenen van vijfde vrijheid verkeersrechten geschiedt onder voorbehoud van goedkeuring door de luchtvaartautoriteiten van beide partijen.

Artikel 3

1. Elke partij heeft het recht, langs diplomatieke weg bij een schriftelijke kennisgeving, een of meer luchtvaartmaatschappijen aan te wijzen voor de exploitatie van de overeengekomen diensten op de in het Verdrag voor die partij aangewezen routes en een aanwijzing in te trekken of een eerder aangewezen luchtvaartmaatschappij te vervangen door een andere luchtvaartmaatschappij.

2.

Na ontvangst van aanvragen van een luchtvaartmaatschappij van de andere partij, in de vorm en op de wijze die is voorgeschreven voor exploitatievergunningen en technische vergunningen, verleent elke partij de desbetreffende vergunningen met een zo gering mogelijke procedurele vertraging, mits:

a. a. voor wat betreft luchtvaartmaatschappijen uit Sint Maarten, een wezenlijk deel van de eigendom van en het daadwerkelijk toezicht op die luchtvaartmaatschappij berusten bij de regering van Sint Maarten, onderdanen van Sint Maarten zoals omschreven in artikel 1, of beide; b. b. voor wat betreft luchtvaartmaatschappijen uit de Dominicaanse Republiek, de luchtvaartmaatschappij is gevestigd op het grondgebied van de Dominicaanse Republiek en de luchtvaartmaatschappij haar hoofdkantoor heeft op dat grondgebied en de Dominicaanse Republiek daadwerkelijk toezicht uitoefent op de luchtvaartmaatschappij; c. c. de luchtvaartmaatschappij in staat is te voldoen aan de in de wetten en voorschriften gestelde voorwaarden die de partij die de aanvraag of aanvragen behandelt gewoonlijk toepast op de exploitatie van internationaal luchtvervoer; en d. d. de andere partij de in artikel 6 en artikel 7 van dit Verdrag vervatte bepalingen handhaaft en toepast.

3. Na ontvangst van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde exploitatievergunning, kan een aangewezen luchtvaartmaatschappij op elk moment geheel of ten dele een aanvang maken met de exploitatie van de overeengekomen diensten, mits zij de toepasselijke bepalingen van dit Verdrag en de interne regelgeving van de partijen naleeft.

Artikel 4

1.

Elke partij kan de exploitatievergunningen of technische vergunningen van een luchtvaartmaatschappij intrekken, schorsen, beperken of er voorwaarden aan verbinden wanneer:

a. a. voor wat betreft luchtvaartmaatschappijen uit Sint Maarten, een wezenlijk deel van de eigendom van en het daadwerkelijk toezicht op die luchtvaartmaatschappij niet berusten bij de regering van Sint Maarten, onderdanen van Sint Maarten zoals omschreven in artikel 1, of beide; b. b. voor wat betreft luchtvaartmaatschappijen uit de Dominicaanse Republiek, de luchtvaartmaatschappij niet gevestigd is op het grondgebied van de Dominicaanse Republiek en de luchtvaartmaatschappij haar hoofdkantoor niet heeft op dat grondgebied en de Dominicaanse Republiek niet daadwerkelijk toezicht uitoefent op de luchtvaartmaatschappij; c. c. de luchtvaartmaatschappij heeft verzuimd de in artikel 5 van dit Verdrag bedoelde wetten en voorschriften na te leven; d. d. de andere partij niet de in artikel 6 en artikel 7 van dit Verdrag vervatte bepalingen handhaaft en toepast.

2. Tenzij onmiddellijk ingrijpen van wezenlijk belang is ter voorkoming van verdere inbreuken op de voorwaarden bedoeld in de onderdelen c en d van het eerste lid van dit artikel, worden de in dit artikel vastgestelde rechten slechts uitgeoefend na overleg met de andere partij.

3. Dit artikel doet geen afbreuk aan de rechten van de partijen de exploitatievergunning of technische vergunning van een luchtvaartmaatschappij of van luchtvaartmaatschappijen van de andere partij in overeenstemming met het bepaalde in artikel 6 of in artikel 7 te weigeren, in te trekken, te schorsen, te beperken of hieraan voorwaarden te verbinden.

Artikel 5

1. De wetten en voorschriften van de ene partij met betrekking tot de toelating tot of het vertrek uit haar grondgebied van in het internationale luchtvervoer gebruikte luchtvaartuigen, of met betrekking tot de exploitatie van en het vliegen met deze luchtvaartuigen die zich op haar grondgebied bevinden, worden toegepast op luchtvaartuigen van de aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere partij.

2. Bij binnenkomst op, verblijf binnen of vertrek uit het grondgebied van de ene partij, dienen haar wetten en voorschriften inzake de toelating tot of het vertrek uit haar grondgebied van passagiers, bemanning of vracht aan boord van luchtvaartuigen (met inbegrip van voorschriften met betrekking tot binnenkomst, inklaring, beveiliging van de luchtvaart, immigratie, paspoorten, douane en quarantaine, of, in het geval van post, postale voorschriften) te worden nageleefd door of namens die passagiers, bemanning of met betrekking tot de vracht van de luchtvaartmaatschappijen van de andere partij.

Artikel 6

1. Bewijzen van luchtwaardigheid, bewijzen van bevoegdheid en vergunningen uitgereikt of geldig verklaard door de ene partij worden, ten behoeve van de exploitatie van het luchtvervoer voorzien in dit Verdrag, door de andere partij erkend als geldig en nog van kracht, mits de vereisten voor deze bewijzen of vergunningen ten minste gelijk zijn aan de minimumnormen die kunnen worden vastgesteld uit hoofde van het Verdrag van Chicago. Elke partij kan evenwel voor vluchten boven of landingen op haar eigen grondgebied weigeren de geldigheid te erkennen van bewijzen van bevoegdheid en vergunningen die ten behoeve van haar eigen onderdanen zijn afgegeven of geldig verklaard door de andere partij.

2. In overeenstemming met artikel 16 van het Verdrag van Chicago wordt voorts overeengekomen dat een luchtvaartuig dat door of namens een luchtvaartmaatschappij van een partij wordt gebruikt voor diensten naar of vanuit het grondgebied van de andere partij, terwijl het zich op het grondgebied van een andere partij bevindt, mag worden onderworpen aan een inspectie door bevoegde vertegenwoordigers van de andere partij, mits dit niet leidt tot onnodige vertraging bij de exploitatie van het luchtvaartuig. Onverminderd de verplichtingen bedoeld in artikel 33 van het Verdrag van Chicago wordt met deze inspectie beoogd de geldigheid van alle typen documenten van het luchtvaartuig, de vergunningen van de bemanning te controleren en te controleren of de uitrusting en de toestand van het luchtvaartuig voldoen aan de voorschriften die uit hoofde van het Verdrag van Chicago zijn vastgesteld. Elke partij behoudt zich het recht voor de exploitatievergunning of technische vergunning van een door de andere partij aangewezen luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen te weigeren, in te trekken, te schorsen, te beperken of hieraan voorwaarden te verbinden, in het geval de andere partij nalaat binnen een redelijke termijn passende corrigerende maatregelen te nemen en, voordat overleg heeft plaatsgevonden, onmiddellijk in te grijpen met betrekking tot een dergelijke luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen indien de andere partij de bovengenoemde normen niet handhaaft en toepast en onmiddellijk ingrijpen van wezenlijk belang is ter voorkoming van verdere inbreuken.

3. Een maatregel door een partij in overeenstemming met het derde lid van dit artikel wordt beëindigd zodra de aanleiding voor het nemen van die maatregel ophoudt te bestaan.

Artikel 7

1. Overeenkomstig hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale recht, bevestigen de partijen dat hun verplichting jegens elkaar tot bescherming van de veiligheid van de burgerluchtvaart tegen daden van wederrechtelijke inmenging een integrerend onderdeel uitmaakt van dit Verdrag. Zonder hun rechten en verplichtingen ingevolge het internationale recht in het algemeen te beperken handelen de partijen in het bijzonder overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingen begaan aan boord van luchtvaartuigen, gedaan te Tokio op 14 september 1963, het Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, gedaan te 's-Gravenhage op 16 december 1970, het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, gedaan te Montreal op 23 september 1971, het Aanvullend Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke daden van geweld op luchthavens voor de internationale burgerluchtvaart bij het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, gedaan te Montreal op 24 februari 1988, het Verdrag inzake het merken van kneedspringstoffen ten behoeve van de opsporing ervan, gedaan te Montreal op 1 maart 1991, alsmede elk ander verdrag of protocol inzake de veiligheid van de burgerluchtvaart die beide partijen naleven.

2. De partijen verlenen elkaar op verzoek alle nodige bijstand ter voorkoming van handelingen van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van burgerluchtvaartuigen en andere wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van deze luchtvaartuigen, de passagiers en bemanning daarvan, en van luchthavens en luchtvaartvoorzieningen, en om elke andere bedreiging voor de beveiliging van de burgerluchtvaart aan te pakken.

3. De partijen handelen, in hun onderlinge betrekkingen, in overeenstemming met de bepalingen voor de beveiliging van de luchtvaart en de passende aanbevolen werkwijzen vastgesteld door de ICAO en aangeduid als Bijlagen bij het Verdrag van Chicago. De partijen vereisen dat deze exploitanten van luchtvaartuigen die in hun land geregistreerd zijn of die op hun grondgebied hun voornaamste plaats van bedrijfsuitoefening hebben of daar zijn gevestigd en de exploitanten van luchthavens op hun grondgebied handelen in overeenstemming met deze bepalingen inzake de beveiliging van de luchtvaart.

4. Elke partij stemt ermee in dat deze exploitanten de in het derde lid van dit artikel bedoelde bepalingen inzake de beveiliging naleven die door de andere partij worden voorgeschreven voor binnenkomst in, vertrek uit en verblijf binnen het grondgebied van die andere partij en adequate maatregelen treffen ter bescherming van luchtvaartuigen en dat er voorafgaand aan en tijdens het aan boord gaan of laden controles worden uitgevoerd op passagiers, bemanning en hun bagage en handbagage, alsmede op lading en boordproviand. Elke partij neemt tevens elk verzoek van de andere partij bijzondere veiligheidsmaatregelen te nemen om een specifieke dreiging het hoofd te bieden, in welwillende overweging.

5. Wanneer een incident van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van een luchtvaartuig of andere wederrechtelijke gedragingen tegen de veiligheid van passagiers, bemanning, luchtvaartuigen, luchthavens of luchtvaartvoorzieningen plaatsvindt of dreigt plaats te vinden, verlenen de partijen elkaar bijstand door het vergemakkelijken van de communicatie en andere passende maatregelen teneinde snel en veilig een einde te maken aan een dergelijk incident of een dergelijke dreiging.

6. Wanneer een partij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de andere partij is afgeweken van de bepalingen inzake de beveiliging van de luchtvaart in dit artikel, kunnen de luchtvaartautoriteiten van die partij verzoeken om onverwijld overleg met de luchtvaartautoriteiten van de andere partij. Indien zij er niet in slagen binnen vijftien (15) dagen na de datum van een dergelijk verzoek tot een bevredigende oplossing te komen, vormt dit een grond voor het weigeren, intrekken, schorsen, beperken of opleggen van voorwaarden ten aanzien van de exploitatievergunningen en de technische vergunningen van een luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van die partij. Indien zulks noodzakelijk is vanwege een noodgeval, kan een partij voor het verstrijken van vijftien (15) dagen tussentijdse maatregelen nemen. Een maatregel door een partij in overeenstemming met dit lid wordt beëindigd zodra de andere partij de bepalingen inzake beveiliging van dit artikel naleeft.

Artikel 8

1. De aangewezen luchtvaartmaatschappijen van elke partij hebben het recht op het grondgebied van een andere partij kantoren te vestigen ten behoeve van de bevordering en verkoop van luchtvervoer.

2. De luchtvaartmaatschappijen van elke partij hebben het recht, in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de andere partij inzake binnenkomst, verblijf en werk, leidinggevend, commercieel, technisch, operationeel alsmede ander gespecialiseerd personeel te zenden naar en te doen verblijven op het grondgebied van de andere partij voor het verzorgen van luchtvervoer.

3. Met inachtneming van de van toepassing zijnde veiligheidsbepalingen, met inbegrip van de Normen en Aanbevolen Werkwijzen („SARPs”) vervat in Bijlagen 6 en 17 bij het Verdrag van Chicago, heeft de aangewezen luchtvaartmaatschappij het recht zelf haar gronddiensten („self-handling”) te verrichten op het grondgebied van de andere partij of, indien de luchtvaartmaatschappij daar de voorkeur aan geeft, voor al deze diensten of een deel daarvan een keuze te maken uit concurrerende agenten. Deze rechten zijn uitsluitend onderworpen aan de interne regelgeving van de partijen en aan fysieke beperkingen die voortvloeien uit overwegingen op het gebied van de veiligheid van luchthavens of de beveiliging van de luchtvaart. Wanneer de wetten, voorschriften, interne regels, contractuele regels of verplichtingen van een partij self-handling uitsluiten, dienen gronddiensten op basis van gelijkheid beschikbaar te zijn voor alle luchtvaartmaatschappijen, de heffingen dienen gebaseerd te zijn op de kosten van de verleende diensten en de aard en kwaliteit van deze diensten dienen vergelijkbaar te zijn met die van diensten als self-handling wel mogelijk zou zijn.

4. Een luchtvaartmaatschappij van een partij mag zich rechtstreeks en, naar eigen goeddunken, via haar agenten bezighouden met de verkoop van luchtvervoer op het grondgebied van de andere partij. Een uitzondering hierop kunnen de specifieke bepalingen inzake charters van de luchtvaartautoriteiten vormen. Elke luchtvaartmaatschappij heeft het recht dit luchtvervoer te verkopen en het staat iedere persoon vrij deze te kopen in de valuta van dat grondgebied of in vrij omwisselbare valuta.

5. Elke luchtvaartmaatschappij heeft het recht, op verzoek, het na aftrek van plaatselijke uitgaven overblijvende bedrag in te wisselen en naar haar land over te maken en, tenzij dit onverenigbaar is met de wetten en voorschriften die algemeen van toepassing zijn, naar elk ander land van haar keuze. Inwisseling en overmaking worden onverwijld en zonder beperkingen of belastingheffing toegestaan, tegen de wisselkoers die van toepassing is op gewone transacties en overmakingen op de datum waarop de luchtvaartmaatschappij de eerste aanvraag tot overmaking indient.

6.

Bij de exploitatie of het onderhouden van de toegestane diensten uit hoofde van dit Verdrag kan elke luchtvaartmaatschappij van een partij op het gebied van marketing samenwerkingsregelingen aangaan, met inbegrip van maar niet beperkt tot vast af te nemen plaatsen, code-sharing- of lease-regelingen met:

a. a. een luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van elke partij; b. b. een luchtvaartmaatschappij of luchtvaartmaatschappijen van een derde land; en c. c. een aanbieder van vervoer over land en/of water van elk land,

op voorwaarde dat alle deelnemers aan dergelijke regelingen i. de vereiste bevoegdheden hebben; en ii. voldoen aan de eisen die gewoonlijk op dergelijke regelingen van toepassing zijn.

7. Het is luchtvaartmaatschappijen en indirecte aanbieders van vrachtvervoer van beide partijen onverminderd toegestaan ten behoeve van internationaal luchtvervoer gebruik te maken van vervoer over land en/of water voor vracht naar of vanaf alle punten, met inbegrip van vervoer naar en vanaf alle luchthavens met douanevoorzieningen en vracht onder douanetoezicht met inachtneming van de toepasselijke wetten en voorschriften te vervoeren. Deze vracht, ongeacht of deze over land en/of water of door de lucht wordt vervoerd, wordt toegelaten tot de douaneafhandeling en douanevoorzieningen op de luchthaven. Luchtvaartmaatschappijen kunnen ervoor kiezen zelf hun vervoer over land en/of water te verrichten of door middel van regelingen met andere vervoerders over land en/of water, met inbegrip van vervoer over land en/of water geëxploiteerd door andere luchtvaartmaatschappijen en indirecte aanbieders van vrachtvervoer door de lucht. Deze intermodale vrachtdiensten kunnen worden aangeboden tegen een allesomvattende prijs voor het vervoer door de lucht en over land en/of water tezamen, mits de vervoerders niet worden misleid ten aanzien van de feiten aangaande dergelijk vervoer.

Artikel 9

1. Luchtvaartuigen die door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van beide partijen voor internationaal luchtvervoer worden gebruikt, alsmede hun normale uitrustingsstukken, voorraden, brandstof en smeermiddelen en proviand (waaronder etenswaren, dranken en snacks) aan boord van deze luchtvaartuigen, zijn vrijgesteld van alle douanerechten en andere rechten of belastingen die op het grondgebied van de andere partij invorderbaar zijn, mits deze uitrustingsstukken en voorraden aan boord van het luchtvaartuig blijven totdat zij weer worden uitgevoerd.

2.

De volgende goederen, uitgezonderd vergoedingen in verband met verleende diensten, zijn ook vrijgesteld van deze belastingen en rechten:

a. a. voorraden aan boord genomen op het grondgebied van een van de partijen, binnen de grenzen die door de autoriteiten van die partij zijn vastgesteld, en bestemd voor gebruik aan boord van luchtvaartuigen die gebruikt worden voor internationaal luchtvervoer van de andere partij; b. b. reserveonderdelen die op het grondgebied van een partij worden ingevoerd voor het onderhoud of herstel van luchtvaartuigen die door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere partij voor internationaal luchtvervoer worden gebruikt; c. c. smeermiddelen voor luchtvaartuigen die worden geëxploiteerd door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere partij en waarmee internationaal luchtvervoer wordt verricht, zelfs indien deze voorraden worden gebruikt tijdens de vlucht boven het grondgebied van de partij waarnaar zij werden verstuurd; en d. d. gedrukte tickets, luchtvrachtbrieven en drukwerk waarop het embleem van de maatschappij voorkomt en gebruikelijk reclamemateriaal dat door de aangewezen luchtvaartmaatschappijen gratis wordt verspreid.

3. Normale boorduitrustingsstukken en de materialen en voorraden aan boord van het luchtvaartuig van een partij, kunnen op het grondgebied van de andere partij zonder de toestemming van de douaneautoriteiten van dat grondgebied worden uitgeladen. In een dergelijk geval kunnen deze goederen onder toezicht van genoemde autoriteiten worden geplaatst totdat ze weer worden uitgevoerd of overeenkomstig de douanevoorschriften een andere bestemming hebben gekregen.

4. De in dit artikel voorziene vrijstellingen zijn ook van toepassing in het geval waarin de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van een van de partijen met andere luchtvaartmaatschappijen regelingen zijn aangegaan voor het op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij lenen of overdragen van de in dit artikel genoemde normale uitrustingsstukken en overige goederen, mits de andere luchtvaartmaatschappij of andere luchtvaartmaatschappijen dezelfde vrijstellingen geniet(en) als de andere partij.

5. Passagiers in doorgaand verkeer via het grondgebied van een partij en hun bagage, worden onderworpen aan de in de van toepassing zijnde douanewetgeving vastgestelde controles. Bagage en vracht in rechtstreeks doorgaand verkeer zijn vrijgesteld van douanerechten en andere belastingen en heffingen op importen.

6. De in dit artikel voorziene vrijstellingen worden verleend in overeenstemming met de in de douaneregels vastgelegd procedures.

Artikel 10

1. Voordelen uit de exploitatie van de luchtvaartuigen van een aangewezen luchtvaartmaatschappij in internationaal luchtvervoer alsmede de aan haar te leveren goederen en diensten zijn belastbaar overeenkomstig de wetgeving van elk van de partijen.

2. Bij alle heffingen dienen gebruikersheffingen die door de bevoegde belastingautoriteiten van een partij worden opgelegd te worden toegepast op basis van non-discriminatie en onder gelijke voorwaarden die van toepassing zijn op de luchtvaartmaatschappijen van de andere partij.

3. Indien er tussen de partijen een bijzonder verdrag is gesloten tot het vermijden van dubbele belasting met betrekking tot het inkomen en het vermogen, hebben de bepalingen daarvan voorrang.

Artikel 11

1. Geen van de partijen legt de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere partij gebruikersheffingen op, of staat toe dat deze worden opgelegd, die hoger zijn dan die worden opgelegd aan haar eigen luchtvaartmaatschappijen voor vergelijkbaar internationaal vervoer.

2. De van toepassing zijnde heffingen en rechten voor het gebruik van luchthavens, luchthaveneigendommen en overige voorzieningen en diensten, alsmede heffingen opgelegd voor het gebruik van de luchthavennavigatievoorzieningen, -communicatie en -diensten, worden vastgesteld in overeenstemming met de wetten en voorschriften van elke partij. Gebruikersheffingen die aan de luchtvaartmaatschappijen van een partij worden opgelegd door de bevoegde lichamen van de andere partij dienen rechtvaardig, redelijk en niet discriminatoir te zijn.

3. Elke partij moedigt overleg aan tussen de bevoegde autoriteiten op haar grondgebied en de luchtvaartmaatschappijen die gebruikmaken van haar diensten en voorzieningen.

4. Geen van de partijen wordt bij procedures ter regeling van geschillen ingevolge artikel 14 van dit Verdrag geacht inbreuk te maken op een bepaling van dit artikel, tenzij a. zij nalaat de heffing of praktijk waarop de klacht van de andere partij betrekking heeft binnen een redelijke termijn te toetsen; of b. zij na deze toetsing nalaat alle maatregelen te nemen die in haar vermogen liggen om een heffing of praktijk die onverenigbaar is met dit artikel ongedaan te maken.

Artikel 12

Elke aangewezen luchtvaartmaatschappij krijgt een niet-discriminatoire behandeling en kan op gezonde en eerlijke wijze routes ingevolge dit Verdrag exploiteren, met inachtneming van de mededingingswetgeving van de partijen.

Artikel 13

1. Elke partij staat toe dat elke aangewezen luchtvaartmaatschappij van de andere partij de frequentie en capaciteit van het internationale luchtvervoer dat zij aanbiedt, bepaalt op basis van commerciële marktoverwegingen.

2. Geen van de partijen beperkt eenzijdig de omvang van het verkeer, de frequentie of regelmaat van een dienst, of de typen van door de aangewezen luchtvaartmaatschappij van een van de partijen geëxploiteerde luchtvaartuigen, tenzij dit nodig mocht zijn vanwege redenen op het gebied van douane, techniek, exploitatie of het milieu uit hoofde van uniforme voorwaarden die in overeenstemming zijn met artikel 15 van het Verdrag van Chicago.

3. De luchtvaartautoriteiten van de partijen kunnen eisen dat nieuwe of aangepaste diensten ter informatie worden geregistreerd voor aanvang van de exploitatie ervan, uiterlijk binnen tien (10) dagen of een kortere termijn. De registratie van bepaalde documenten ter informatie vereist door de luchtvaartautoriteiten van de ene partij, dienen zo eenvoudig mogelijk te zijn. Dit geldt eveneens voor de registratievereisten en -procedures die van toepassing zijn op de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de andere partij.

4. Geen van de partijen eist dat dienstregelingen, programma's voor chartervluchten of exploitatieplannen door luchtvaartmaatschappijen van de andere partij ter goedkeuring worden ingediend, tenzij dit op basis van non-discriminatie kan worden vereist ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de uniforme voorwaarden als voorzien in het tweede lid van dit artikel of wanneer dit specifiek wordt toegestaan in dit Verdrag. Wanneer een partij indiening vereist voor informatiedoeleinden, beperkt zij de administratieve belasting ten gevolge van vereisten voor en procedures inzake indiening voor tussenpersonen voor luchtvervoer en voor de luchtvaartmaatschappijen van de andere partij tot een minimum.

Artikel 14

1.

Elke partij staat toe dat luchtvaartmaatschappijen van beide partijen op basis van commerciële marktoverwegingen tarieven voor luchtvervoer vaststellen. Het ingrijpen door de partijen is beperkt tot:

a. a. het voorkomen van onredelijk discriminatoire tarieven of praktijken; b. b. het beschermen van consumenten tegen tarieven die onredelijk hoog of beperkend zijn als gevolg van misbruik van een dominante positie; en c. c. het beschermen van luchtvaartmaatschappijen tegen tarieven die kunstmatig laag zijn als gevolg van directe of indirecte overheidssubsidie of overheidssteun.

2. Tarieven voor internationaal luchtvervoer tussen de grondgebieden van de partijen hoeven niet te worden ingediend. Niettegenstaande het voorgaande blijven de luchtvaartmaatschappijen van de partijen, op verzoek, onmiddellijk toegang geven tot informatie over vroegere, huidige en voorgestelde tarieven aan de luchtvaartautoriteiten van de partijen op een wijze en in een vorm die voor deze luchtvaartautoriteiten aanvaardbaar is.

3. Geen van de partijen neemt eenzijdige maatregelen ter voorkoming van de invoering of handhaving van een tarief dat wordt berekend of wordt voorgesteld om te worden berekend door 1. een luchtvaartmaatschappij van een van de partijen voor internationaal luchtvervoer tussen de grondgebieden van de partijen; of 2. een luchtvaartmaatschappij van een partij voor internationaal luchtvervoer tussen het grondgebied van de andere partij en een ander land, in beide gevallen met inbegrip van vervoer dat door maatschappijen wordt gedeeld of dat binnen dezelfde maatschappij wordt uitgevoerd. Wanneer een partij van mening is dat een dergelijk tarief onverenigbaar is met de overwegingen bedoeld in het eerste lid van dit artikel, verzoekt zij om overleg en stelt zij de andere partij zo spoedig mogelijk in kennis van de redenen voor haar ongenoegen. Dit overleg wordt niet later gehouden dan dertig (30) dagen na ontvangst van het verzoek, en de partijen werken samen om de informatie te verzamelen die nodig is voor een met redenen omklede oplossing van de kwestie. Indien de partijen overeenstemming bereiken ten aanzien van een tarief waarover een kennisgeving van ongenoegen is gedaan, stelt elke partij al het mogelijke in het werk om deze regeling uit te voeren. Bij gebreke van wederzijdse overeenstemming wordt of blijft het tarief van kracht.

Artikel 15

Elke partij kan te allen tijde verzoeken om overleg over dit Verdrag. Dergelijk overleg vangt zo spoedig mogelijk aan, maar niet later dan zestig (60) dagen te rekenen vanaf de datum waarop de andere partij het verzoek ontvangt, tenzij anders wordt overeengekomen.

Artikel 16

1. Elk geschil dat tussen de partijen mocht ontstaan met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, uitgezonderd geschillen zoals bedoeld in artikel 14 (Tarieven) en geschillen ontstaan ingevolge de artikelen 6 (Veiligheid) en 7 (Beveiliging van de luchtvaart) van dit Verdrag, trachten de luchtvaartautoriteiten van beide partijen in de eerste plaats door overleg en onderhandeling op te lossen.

2. Indien de partijen er niet in slagen door middel van overleg en onderhandeling tussen de luchtvaartautoriteiten tot overeenstemming te komen, wordt het geschil langs diplomatieke weg geregeld.

3. Indien het geschil niet langs diplomatieke weg kan worden geregeld, wordt het, in overleg tussen de partijen, op verzoek van een van de partijen, ter beslissing (bemiddeling of arbitrage) voorgelegd aan een persoon of personen of een instantie. Beide partijen dienen in te stemmen met de methode en procedure van de bemiddeling of arbitrage.

Artikel 17

1. Indien een van de partijen het wenselijk acht een bepaling van dit Verdrag te wijzigen, kan zij verzoeken om overleg met de andere partij. Dit overleg vangt aan binnen een termijn van zestig (60) dagen na de datum van het verzoek, tenzij beide partijen instemmen met een verlenging van deze termijn. Elke wijziging van dit Verdrag die tijdens dergelijk overleg wordt overeengekomen, wordt tussen de partijen overeengekomen en geschiedt bij diplomatieke notawisseling. Een dergelijke wijziging treedt in werking in overeenstemming met de bepalingen van artikel 22 van dit Verdrag.

2. Onverminderd de bepalingen van het eerste lid van dit artikel, kunnen wijzigingen van de routetabel in Bijlage I bij dit Verdrag tussen de luchtvaartautoriteiten van de partijen worden overeengekomen en bij diplomatieke notawisseling worden bevestigd, en treden in werking op een in de diplomatieke notawisseling te bepalen datum. Deze uitzondering op het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing indien er verkeersrechten worden toegevoegd aan Bijlage I.

Artikel 18

Indien beide partijen partij worden bij een multilateraal verdrag ter zake van aangelegenheden die onder dit Verdrag vallen, plegen ze overleg, in overeenstemming met artikel 15 van dit Verdrag, om vast te stellen of dit Verdrag rekening houdend met het multilaterale verdrag herzien dient te worden.

Artikel 19

1. Elk van de partijen kan te allen tijde de andere partij langs diplomatieke weg schriftelijk in kennis stellen van haar besluit dit Verdrag te beëindigen. Deze kennisgeving wordt tegelijkertijd toegezonden aan de ICAO.

2. Dit Verdrag eindigt om middernacht (op de plaats van ontvangst van de kennisgeving aan de andere partij) aan het einde van het verkeersseizoen van de Internationale Luchtvervoersvereniging (IATA), een jaar na de datum van ontvangst van de schriftelijke kennisgeving van beëindiging, tenzij de kennisgeving in onderlinge overeenstemming tussen de partijen wordt ingetrokken voordat deze termijn is verstreken.

Artikel 20

Dit Verdrag en alle wijzigingen daarvan worden geregistreerd bij de ICAO.

Artikel 21

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing op Sint Maarten.

Artikel 22

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na de datum van ontvangst van de laatste nota in de diplomatieke notawisseling tussen de partijen waarin wordt bevestigd dat alle noodzakelijke procedures voor de inwerkingtreding van dit Verdrag zijn voltooid.