rijk/verdrag/verdrag-inzake-sociale-zekerheid-tussen-het-koninkrijk-der-nederlanden-en-het-ko/BWBV0002928
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden BWBV0002928 verdrag geldend 1983-03-01 https://wetten.overheid.nl/BWBV0002928 Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden

Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Zweden

Titel I. Algemene bepalingen

Artikel 1

1.

Voor de toepassing van dit Verdrag:

    1. wordt onder „Nederland” verstaan het Koninkrijk der Nederlanden en onder „Zweden” het Koninkrijk Zweden;
    1. wordt onder „grondgebied” verstaan wat Nederland betreft: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa, wat Zweden betreft: het grondgebied van Zweden;
    1. wordt onder „wetgeving” verstaan de wetten, regelingen en administratieve bepalingen die betrekking hebben op de in artikel 2 bedoelde stelsels en takken van sociale zekerheid;
    1. wordt onder „bevoegde autoriteit” verstaan wat Nederland betreft: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, of aangaande verstrekkingen ingevolge de wetgeving inzake de ziekteverzekering: de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne; wat Zweden betreft: de Regering dan wel de door de Regering aangewezen autoriteit;
    1. wordt onder „verzekeringsorgaan” verstaan het lichaam dat of de autoriteit die belast is met de uitvoering van de in artikel 2 genoemde wetgevingen (of een deel daarvan);
    1. wordt onder „bevoegd verzekeringsorgaan” verstaan het krachtens de toe te passen wetgeving bevoegde verzekeringsorgaan;
    1. wordt onder „bevoegde Staat” verstaan de Staat op het grondgebied waarvan het bevoegde verzekeringsorgaan is gevestigd;
    1. wordt onder „tijdvakken van verzekering” verstaan tijdvakken van premie- of bijdragebetaling, van dienstbetrekking, van beroepswerkzaamheden of van wonen, welke als tijdvakken van verzekering worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving krachtens welke zij zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voor zover zij als zodanig door deze wetgeving zijn erkend;
    1. wordt onder „uitkering” of „pensioen” verstaan een uitkering of een pensioen krachtens de toe te passen wetgeving, met inbegrip van alle bedragen ten laste van de openbare middelen, alsmede alle verhogingen en aanvullende uitkeringen.

2. In dit Verdrag hebben andere termen de betekenis welke daaraan wordt gegeven in de wetgeving welke wordt toegepast.

Artikel 2

1.

Dit Verdrag is van toepassing

A. A. in Nederland op de wetgeving betreffende:

        a)
        de ziekteverzekering (uitkeringen en verstrekkingen bij ziekte en moederschap);
      
      
        b)
        de invaliditeitsverzekering (arbeidsongeschiktheid, arbeidsongevallen en beroepsziekten);
      
      
        c)
        de ouderdomsverzekering;
      
      
        d)
        de weduwen- en wezenverzekering;
      
      
        e)
        de werkloosheidsuitkeringen;
      
      
        f)
        de kinderbijslagen;

a) a) de ziekteverzekering (uitkeringen en verstrekkingen bij ziekte en moederschap); b) b) de invaliditeitsverzekering (arbeidsongeschiktheid, arbeidsongevallen en beroepsziekten); c) c) de ouderdomsverzekering; d) d) de weduwen- en wezenverzekering; e) e) de werkloosheidsuitkeringen; f) f) de kinderbijslagen; B. B. in Zweden op de wetgeving betreffende:

        a)
        de ziekteverzekering en ouderschapsverzekering;
      
      
        b)
        het basispensioen;
      
      
        c)
        het aanvullend pensioen;
      
      
        d)
        de werkloosheidsverzekering en werkloosheidsondersteuning;
      
      
        e)
        de kinderbijslagen;
      
      
        f)
        de arbeidsongevallen- en beroepsziektenverzekering.

a) a) de ziekteverzekering en ouderschapsverzekering; b) b) het basispensioen; c) c) het aanvullend pensioen; d) d) de werkloosheidsverzekering en werkloosheidsondersteuning; e) e) de kinderbijslagen; f) f) de arbeidsongevallen- en beroepsziektenverzekering.

2. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, is dit Verdrag eveneens van toepassing op de wetgeving waarbij de in het eerste lid van dit artikel genoemde wetgevingen worden samengevoegd, gewijzigd of aangevuld.

3. Dit Verdrag is slechts van toepassing op een andere wetgeving dan de in het eerste lid van dit artikel genoemde wetgevingen, betreffende een nieuw stelsel of een nieuwe tak van sociale zekerheid, indien de Verdragsluitende Partijen zulks overeenkomen.

4. Dit Verdrag is niet van toepassing op wetgevingen die de toepassing van de in het eerste lid van dit artikel genoemde wetgevingen uitbreiden tot nieuwe groepen van rechthebbenden, indien de bevoegde autoriteit van de betrokken Staat binnen drie maanden na de officiële bekendmaking van de nieuwe wetgeving de bevoegde autoriteit van de andere Staat ervan in kennis stelt dat zij een zodanige uitbreiding van het Verdrag niet wenst.

5. Dit Verdrag is niet van toepassing op regelingen inzake de sociale of medische bijstand, noch op bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden.

Artikel 3

Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, is dit Verdrag van toepassing op onderdanen van de Verdragsluitende Partijen, op personen op wie de wetgeving van een van de Verdragsluitende Partijen van toepassing is dan wel is geweest, alsmede op personen die hun rechten van dergelijke personen afleiden.

Artikel 4

Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, worden voor de toepassing van de wetgeving van een Verdragsluitende Partij de volgende personen met onderdanen van deze Verdragsluitende Partij gelijkgesteld:

a) a) onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij; b) b) vluchtelingen en staatlozen als bedoeld in het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 bij genoemd Verdrag, alsmede in het Verdrag betreffende de status van staatlozen van 28 september 1954; c) c) andere personen met betrekking tot rechten welke zij van een onderdaan van een Verdragsluitende Partij of van een in dit artikel bedoelde vluchteling of staatloze afleiden.

Artikel 5

Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, kunnen pensioenen en andere uitkeringen, met uitzondering van werkloosheidsuitkeringen, niet worden verminderd, gewijzigd, geschorst of ingetrokken op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij woont.

Artikel 6

De bepalingen van een wetgeving van een Verdragsluitende Partij inzake vermindering, schorsing of intrekking van uitkeringen van een tak van sociale zekerheid ingeval van samenloop met uitkeringen van een andere tak of met andere inkomsten, of wegens het verrichten van beroepswerkzaamheden, zijn eveneens op een rechthebbende van toepassing met betrekking tot uitkeringen welke krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij zijn verkregen of met betrekking tot inkomsten welke zijn verworven of werkzaamheden welke zijn verricht op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij.

Titel II. Bepalingen inzake de toe te passen wetgeving

Artikel 7

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 8 en 9 is op werknemers uitsluitend de wetgeving van de Verdragsluitende Partij van toepassing op het grondgebied waarvan zij hun arbeid verrichten. Deze bepaling geldt ook indien de woonplaats van de werknemer of van de werkgever zich op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij bevindt.

Artikel 8

1. Indien een persoon die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij tewerkgesteld is, door zijn werkgever uitgezonden wordt naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij ten einde aldaar voor dezelfde werkgever arbeid te verrichten, blijft de wetgeving van eerstbedoelde Partij op hem van toepassing tot en met de vierentwintigste kalendermaand na die van zijn uitzending alsof hij nog op het grondgebied van deze Partij werkzaam was.

2. Op ambulant personeel dat in dienst van spoorwegen, wegtransportondernemingen of luchtvaartmaatschappijen op het grondgebied van beide Verdragsluitende Partijen werkzaam is, is de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de onderneming haar zetel heeft, van toepassing. Indien het personeel evenwel in dienst is van een filiaal of vaste vertegenwoordiging welke bedoelde onderneming heeft op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, is de wetgeving van deze Verdragsluitende Partij van toepassing.

3. Op de bemanning van een zeeschip en op de andere personen die op permanente basis aan boord werkzaam zijn, is de wetgeving van de Verdragsluitende Partij van toepassing, onder welks vlag het zeeschip vaart. Indien een persoon evenwel werkzaam is aan boord van een schip dat onder de vlag van een Verdragsluitende Partij vaart en voor deze werkzaamheden loon ontvangt van een onderneming of een persoon die haar zetel of zijn woonplaats op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij heeft, is op hem de wetgeving van laatstbedoelde Partij van toepassing. Wat Nederland betreft is de tweede volzin eveneens van toepassing ingeval een schip onder de vlag van een derde land vaart en de bemanning loon ontvangt van een onderneming of een persoon die haar zetel of zijn woonplaats in Nederland heeft.

4. Een werknemer op wie de wetgeving van een Verdragsluitende Partij ingevolge dit artikel van toepassing zal zijn, wordt te dien einde als ingezetene van die Verdragsluitende Partij beschouwd.

Artikel 9

Dit Verdrag laat onverlet de bepalingen van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer en het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen met betrekking tot de in artikel 2, eerste lid genoemde wetgevingen.

Artikel 10

1. De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen kunnen in het belang van bepaalde personen of bepaalde groepen personen, uitzonderingen op de artikelen 7, 8 of 9 overeenkomen.

2. Artikel 8, vierde lid is in de in dit artikel bedoelde gevallen, van overeenkomstige toepassing.

Titel III. Bijzondere bepalingen inzake de verschillende soorten prestaties.

Hoofdstuk 1. Ziekte, moederschap en geboorte

Artikel 11

Indien een persoon tijdvakken van verzekering heeft vervuld krachtens de wetgevingen van beide Verdragsluitende Partijen, worden deze tijdvakken, met het oog op het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op prestaties, samengeteld voorzover zij niet samenvallen.

Artikel 12

1. Degene die ingevolge de wetgeving van een der Verdragsluitende Partijen recht heeft op verstrekkingen, kan, evenals zijn gezinsleden, gedurende een tijdelijk verblijf op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij aanspraak maken op verstrekkingen indien hun gezondheidstoestand het onmiddellijk verlenen van verstrekkingen noodzakelijk maakt.

2. Bedoelde verstrekkingen worden door het verzekeringsorgaan van de tijdelijke verblijfplaats verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op degenen die zich naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij begeven ten einde aldaar geneeskundige hulp te ontvangen.

Artikel 13

1. Degene die ingevolge de wetgeving van een Verdragsluitende Partij recht heeft op verstrekkingen, doch op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij woont, kan eveneens aanspraak maken op verstrekkingen op het grondgebied van laatstbedoelde Partij.

2. De gezinsleden van degene die ingevolge de wetgeving van een Verdragsluitende Partij recht heeft op verstrekkingen, kunnen indien zij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij wonen, aanspraak maken op verstrekkingen.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde verstrekkingen worden door het verzekeringsorgaan van de woonplaats verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving.

4. Het tweede lid is niet van toepassing indien de gezinsleden recht hebben op verstrekkingen op grond van het verrichten van beroepsarbeid of het genot van een sociale verzekeringsuitkering van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zij wonen.

Artikel 14

De vergoeding van de kosten van de ingevolge de artikelen 12 en 13 verleende verstrekkingen wordt vastgesteld en vindt plaats overeenkomstig door de bevoegde autoriteiten vast te stellen regelen. Deze autoriteiten kunnen overeenkomen dat van vergoeding tussen de betrokken verzekeringsorganen wordt afgezien.

Artikel 15

Degene die eventueel met inachtneming van artikel 11, voldoet aan de door de wetgeving van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden voor het recht op uitkeringen, geniet deze uitkeringen, zelfs indien hij zich op het grondgebied van de andere Staat bevindt.

De uitkeringen worden door het bevoegde verzekeringsorgaan betaald overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wetgeving.

Hoofdstuk 2. Invaliditeit, ouderdom en nagelaten betrekkingen

Paragraaf . Toepassing van de Nederlandse wetgeving

Artikel 16

Wanneer op een onderdaan van een der Verdragsluitende Partijen of op een in artikel 4 letter b) bedoelde persoon op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan, de Zweedse wetgeving inzake pensioenen van toepassing is en hij voordien gedurende ten minste in totaal 12 maanden krachtens de Nederlandse wetgeving inzake invaliditeitsverzekering verzekerd is geweest, heeft hij recht op een uitkering krachtens laatstbedoelde wetgeving, welke overeenkomstig de in artikel 17 gestelde regels wordt berekend.

Artikel 17

1. Het in artikel 16 bedoelde uitkeringsbedrag wordt berekend naar verhouding van de totale duur van de tijdvakken van verzekering, door de betrokkene krachtens de Nederlandse wetgeving vervuld na het bereiken van de 15-jarige leeftijd, tot het tijdvak liggende tussen de datum waarop hij de 15-jarige leeftijd heeft bereikt en het tijdstip waarop zijn arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan.

2. Indien de betrokkene op het tijdstip waarop zijn arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit is ontstaan, werknemer was of een met hem gelijkgestelde persoon, wordt de verschuldigde uitkering vastgesteld overeenkomstig de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van 18 februari 1966 (WAO). Indien dit niet het geval is, wordt de verschuldigde uitkering vastgesteld overeenkomstig de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet van 11 december 1975 (AAW).

3.

Als tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de Nederlandse wetgeving worden aangemerkt:

a) a) tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van 18 februari 1966 (WAO); b) b) tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet van 11 december 1975 (AAW); c) c) tijdvakken van arbeid en daarmee gelijkgestelde tijdvakken, welke voor 1 juli 1967 in Nederland zijn vervuld.

4. Wanneer in het geval bedoeld in het tweede lid, eerste volzin, een verzekeringstijdvak, vervuld krachtens de W.A.O. samenvalt met een verzekeringstijdvak, vervuld krachtens de A.A.W., wordt slechts het krachtens de W.A.O. vervulde tijdvak in aanmerking genomen.

5. Wanneer in het geval, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, een verzekeringstijdvak, vervuld krachtens de A.A.W. samenvalt met een verzekeringstijdvak, vervuld krachtens de W.A.O., wordt slechts het krachtens de A.A.W. vervulde tijdvak in aanmerking genomen.

Artikel 18

1. In geval van ouderdom stelt het Nederlandse verzekeringsorgaan het pensioen rechtstreeks en uitsluitend vast op basis van de krachtens de Nederlandse wetgeving inzake ouderdomsverzekering vervulde tijdvakken van verzekering.

2. Tijdvakken, gelegen voor 1 januari 1957, gedurende welke de betrokkene na het bereiken van de 15-jarige leeftijd in Nederland heeft gewoond of gedurende welke hij, in een ander land wonende, in Nederland arbeid in loondienst heeft verricht, worden mede als verzekeringstijdvakken aangemerkt indien hij niet voldoet aan de voorwaarden van de Nederlandse wetgeving, op grond waarvan zodanige tijdvakken mogen worden gelijkgesteld met tijdvakken van verzekering.

3. Tijdvakken, gelegen voor 1 januari 1957 worden bij de berekening van het ouderdomspensioen slechts in aanmerking genomen indien de betrokkene na het bereiken van de 59-jarige leeftijd gedurende zes jaren op het grondgebied van één of van beide Verdragsluitende Partijen heeft gewoond of gedurende bedoeld tijdvak van zes jaar premies voor de Nederlandse ouderdomsverzekering heeft betaald.

4. De in het tweede lid bedoelde tijdvakken worden niet in aanmerking genomen wanneer zij samenvallen met tijdvakken welke voor de berekening van ouderdomspensioen krachtens de wetgeving van een ander land dan Nederland in aanmerking worden genomen of wanneer de betrokkene een volledig Zweeds basispensioen ontvangt.

Artikel 19

Wanneer op een onderdaan van een der Verdragsluitende Partijen of op een in artikel 4, letter b) bedoelde persoon op het tijdstip van zijn overlijden de Zweedse wetgeving inzake pensioenen van toepassing is en hij voordien gedurende ten minste in totaal 12 maanden krachtens de Nederlandse wetgeving inzake weduwen- en wezenverzekering verzekerd is geweest, heeft zijn weduwe of hebben de wezen recht op een uitkering krachtens laatstbedoelde wetgeving, welke overeenkomstig de in artikel 20 gestelde regels wordt berekend.

Artikel 20

Het in artikel 19 bedoelde uitkeringsbedrag wordt berekend naar verhouding van de totale duur van de tijdvakken van verzekering, door de overledene krachtens de Nederlandse wetgeving vervuld voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd, tot het tijdvak liggende tussen de datum waarop hij de 15-jarige leeftijd heeft bereikt en de datum van zijn overlijden, doch uiterlijk de datum waarop hij de 65-jarige leeftijd heeft bereikt.

Artikel 21

Het in artikel 4 neergelegde beginsel van gelijkheid van behandeling is niet van toepassing ten aanzien van de vrijwillig voortgezette verzekering inzake ouderdom en nagelaten betrekkingen voorzover het de betaling van verlaagde premies betreft.

Paragraaf . Toepassing van de Zweedse wetgeving

Artikel 22

1. Onderdanen van Nederland alsmede de in artikel 4, letters b) en c) bedoelde personen die al dan niet in Zweden wonen, en niet voldoen aan de voorwaarden van de Zweedse wetgeving welke met betrekking tot het recht op basispensioen op hen van toepassing zijn, hebben recht op een basispensioen overeenkomstig de regels welke gelden voor Zweedse onderdanen die in het buitenland wonen.

2. De gehandicaptenuitkeringen welke geen aanvullingen op een basispensioen vormen, de verzorgingsuitkeringen voor gehandicapte kinderen, de algemene pensioentoelagen en de bijkomende uitkeringen welke van een inkomenstoets afhankelijk zijn, zijn aan de in het vorige lid bedoelde personen verschuldigd, mits zij in Zweden wonen en onder overeenkomstige toepassing van de in dat lid gestelde regels.

Artikel 23

Indien een onderdaan van een der Verdragsluitende Partijen of een in artikel 4, letter b) of c) bedoelde persoon over onvoldoende Zweedse tijdvakken van verzekering beschikt om te voldoen aan de voorwaarden voor het recht op een basispensioen overeenkomstig de bepalingen welke gelden voor Zweedse onderdanen die buiten Zweden wonen, worden de tijdvakken van verzekering welke krachtens de Nederlandse wetgeving zijn vervuld in aanmerking genomen voor zover deze niet samenvallen met Zweedse tijdvakken van verzekering.

Artikel 24

1. Indien tijdvakken van verzekering zijn vervuld krachtens het Zweedse stelsel inzake de aanvullende pensioenverzekering en krachtens de Nederlandse wetgeving worden deze tijdvakken, voor zover zij niet samenvallen, zonodig samengeteld voor het verkrijgen van het recht op aanvullend pensioen.

2. Bij de berekening van het bedrag van het aanvullend pensioen worden slechts in aanmerking genomen tijdvakken van verzekering ingevolge de Zweedse wetgeving.

3. Degene die geen Zweeds onderdaan is, kan niet worden gecrediteerd met pensioenpunten op grond van beroepsarbeid welke hij, terwijl hij buiten Zweden woonde, verricht heeft.

Hoofdstuk 3. Werkloosheid

Artikel 25

1. Wanneer de wetgevingen van beide Verdragsluitende Partijen op een persoon van toepassing zijn geweest, worden voor het verkrijgen van het recht op werkloosheidsuitkeringen, de tijdvakken van verzekering of van dienstbetrekking welke overeenkomstig de wetgevingen van beide Partijen in aanmerking moeten worden genomen, samengeteld, voor zover deze tijdvakken niet samenvallen.

2. Toepassing van het eerste lid vooronderstelt dat op de betrokkene laatstelijk van toepassing was de wetgeving van de Verdragsluitende Partij ingevolge welke hij aanspraak op uitkering maakt en dat hij in de laatste 12 maanden voor het indienen van de aanvraag gedurende in totaal ten minste vier weken op het grondgebied van die partij in dienstbetrekking arbeid heeft verricht. Ook wanneer zijn dienstbetrekking voor het verstrijken van vier weken is beëindigd, is het eerste lid toch van toepassing indien de dienstbetrekking buiten toedoen van de werknemer werd beëindigd en het de bedoeling was deze voor een langere periode te laten voortduren.

Artikel 26

De duur van de uitkeringen waarop ingevolge artikel 25 krachtens de Zweedse wetgeving aanspraak bestaat, wordt beperkt ten einde rekening te houden met de periode waarover in de laatste twaalf maanden onmiddellijk aan de indiening van de aanvraag voorafgaande, aan de werkloze uitkeringen werden betaald door een Nederlands verzekeringsorgaan.

Hoofdstuk 4. Kinderbijslag

Artikel 27

1. Krachtens de Zweedse wetgeving is met betrekking tot een kind dat in Zweden woont en de Nederlandse nationaliteit bezit, kinderbijslag verschuldigd onder dezelfde voorwaarden als die welke voor kinderen van Zweedse nationaliteit gelden.

2. Indien krachtens de wetgevingen van beide Verdragsluitende Partijen met betrekking tot hetzelfde kind en dezelfde periode recht op kinderbijslag bestaat, wordt kinderbijslag verleend overeenkomstig de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan het kind woont.

Titel IV. Diverse bepalingen

Artikel 28

De bevoegde autoriteiten kunnen regels vaststellen ter uitvoering van dit Verdrag. Voorts dragen zij er zorg voor dat op hun onderscheiden grondgebieden verbindingsorganen worden aangewezen om de uitvoering van dit Verdrag te vergemakkelijken.

Artikel 29

1. Bij de toepassing van dit Verdrag zijn de autoriteiten en verzekeringsorganen elkaar behulpzaam als betrof het de toepassing van hun eigen wetgeving. Dergelijke wederzijdse administratieve hulp wordt kosteloos verleend.

2. Voor de toepassing van dit Verdrag kunnen de autoriteiten en verzekeringsorganen van de Verdragsluitende Partijen zich in het Engels of het Frans rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen.

3. De autoriteiten, verzekeringsorganen en rechterlijke instanties van een Verdragsluitende Partij mogen verzoekschriften of andere documenten welke hun zijn toegezonden niet afwijzen op grond van het feit dat zij in een vreemde taal zijn gesteld, wanneer deze taal de officiële taal van de andere Partij, de Engelse of de Franse taal is.

4. De diplomatieke en consulaire vertegenwoordigers van een Verdragsluitende Partij kunnen bij de autoriteiten en verzekeringsorganen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij rechtstreeks inlichtingen inwinnen ten einde de belangen van hun eigen onderdanen te waarborgen.

Artikel 30

De bevoegde autoriteiten houden elkaar op de hoogte van de maatregelen welke voor de uitvoering van dit Verdrag binnen hun grondgebied zijn getroffen.

Artikel 31

Elke vrijstelling van zegelrechten, griffie- of registratierechten, welke op het grondgebied van een der Verdragsluitende Partijen is verleend voor bescheiden en documenten die aan de autoriteiten en verzekeringsorganen op het grondgebied van deze Partij dienen te worden overgelegd, geldt eveneens voor bescheiden en documenten, die ter uitvoering van dit Verdrag aan de autoriteiten en verzekeringsorganen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij dienen te worden overgelegd. Documenten en bescheiden die ter uitvoering van dit Verdrag dienen te worden overgelegd zijn vrijgesteld van legalisatie door diplomatieke of consulaire autoriteiten.

Artikel 32

1. Aanvragen, beroepschriften en andere documenten welke volgens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij binnen een bepaalde termijn moeten worden ingediend bij een autoriteit of verzekeringsorgaan, zijn ontvankelijk indien zij binnen dezelfde termijn bij een overeenkomstige autoriteit of orgaan van de andere Verdragsluitende Partij worden ingediend.

2. Een ingevolge de wetgeving van een Verdragsluitende Partij ingediende aanvraag om uitkering, wordt tevens beschouwd als aanvraag om een overeenkomstige in de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij voorziene uitkering. Met betrekking tot ouderdomspensioen is dit echter niet van toepassing indien de aanvrager vermeldt dat de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op pensioenuitkeringen krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij.

Artikel 33

1. Wanneer een verzekeringsorgaan van een Verdragsluitende Partij krachtens dit Verdrag uitkeringen verschuldigd is aan een gerechtigde die zich op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij bevindt, wordt het verschuldigde bedrag uitgedrukt in de munteenheid van eerstbedoelde Partij. Dit orgaan kan het verschuldigde rechtens in de munteenheid van de tweede Partij voldoen.

2. Wanneer een verzekeringsorgaan van een Verdragsluitende Partij krachtens dit Verdrag betalingen verschuldigd is aan een verzekeringsorgaan van de andere Verdragsluitende Partij, wordt het verschuldigde bedrag uitgedrukt in de munteenheid van de tweede Partij. Eerstgenoemd verzekeringsorgaan kan het verschuldigde rechtens in deze munteenheid voldoen.

3. De uit de toepassing van dit Verdrag voortvloeiende overmaking van gelden geschiedt volgens de overeenkomsten welke op het tijdstip van overmaking ter zake tussen de Verdragsluitende Partijen van kracht zijn.

Artikel 34

1. Wanneer bij de vaststelling of de herziening van invaliditeits- of ouderdomsuitkeringen of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen (pensioenen) krachtens Hoofdstuk 2 van Titel III, het verzekeringsorgaan van een Verdragsluitende Partij aan een rechthebbende een hoger bedrag heeft uitbetaald dan waarop hij recht heeft, kan dit orgaan aan het orgaan van de andere Verdragsluitende Partij dat overeenkomstige uitkeringen aan deze rechthebbende verschuldigd is, verzoeken het te veel betaalde bedrag in te houden op de aan bedoelde rechthebbende verschuldigde achterstallige termijnen. Laatstgenoemd orgaan maakt het aldus ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de vordering heeft. Indien de terugvordering niet met de achterstallige termijnen kan worden verrekend, is het volgende lid van toepassing.

2. Wanneer in andere gevallen het verzekeringsorgaan van een Verdragsluitende Partij aan een rechthebbende een hoger bedrag heeft uitbetaald dan waarop hij recht heeft, kan dit orgaan op de wijze en binnen de grenzen, als bepaald in de door dit orgaan toegepaste wetgeving, aan het verzekeringsorgaan van de andere Verdragsluitende Partij dat uitkeringen aan de rechthebbende verschuldigd is, verzoeken het teveel betaalde bedrag in te houden op de bedragen die het aan bedoelde rechthebbende betaalt. Laatstbedoeld orgaan houdt het bedrag in op de wijze en binnen de grenzen als voor een dergelijke verrekening bij de door dit orgaan toegepaste wetgeving is voorzien, alsof het door dit orgaan zelf teveel betaalde bedragen betrof en maakt het aldus ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de vordering heeft.

Artikel 35

1. Geschillen welke met betrekking tot de toepassing van dit Verdrag ontstaan, dienen te worden opgelost door middel van onderhandelingen tussen de bevoegde autoriteiten.

2. Indien het geschil niet is beslecht binnen zes maanden nadat het eerste verzoek is gedaan om de in het voorgaande lid van dit artikel voorgeschreven onderhandelingen te beginnen, wordt het voorgelegd aan een scheidsrechterlijke commissie, waarvan de samenstelling en de procedure door de Verdragsluitende Partijen worden vastgesteld. De scheidsrechterlijke commissie beslecht het geschil volgens de grondbeginselen en in de geest van dit Verdrag. De beslissing van de scheidsrechterlijke commissie is niet vatbaar voor beroep en is voor de Verdragsluitende Partijen bindend.

Titel V. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 36

1. Dit Verdrag geldt eveneens ten aanzien van gebeurtenissen welke voor zijn inwerkingtreding hebben plaatsgevonden. Krachtens dit Verdrag zijn echter geen prestaties verschuldigd over enig tijdvak dat aan zijn inwerkingtreding voorafgaat, hoewel tijdvakken van verzekering of van wonen welke voor bedoelde inwerkingtreding zijn vervuld voor de vaststelling van de prestaties in aanmerking worden genomen.

2. Elke uitkering welke in verband met de nationaliteit van de betrokkene of diens woonplaats op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij dan wel op grond van andere belemmeringen welke door dit Verdrag zijn weggenomen niet is toegekend dan wel is geschorst, wordt op aanvraag toegekend of hervat met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag.

3. Een uitkering welke voor de inwerkingtreding van dit Verdrag is toegekend, wordt op aanvraag herzien met inachtneming van dit Verdrag. Herziening van een dergelijke uitkering kan eveneens ambtshalve plaatsvinden. De herziening mag niet tot gevolg hebben dat de uitkering wordt verminderd.

4. Bepalingen in de wetten van de Verdragsluitende Partijen betreffende verjaring en beëindiging van het recht op uitkering gelden niet ten aanzien van aan het eerste tot en met het derde lid van dit artikel te ontlenen rechten, mits de gerechtigde zijn aanvraag om een uitkering binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag indient.

Artikel 37

1. Dit Verdrag laat onverlet de overgangsbepalingen van de Zweedse wetgeving inzake de berekening van het basispensioen voor personen, geboren in of voor 1929 en inzake de berekening van het aanvullend pensioen voor personen geboren in of voor 1923.

2. Artikel 5 van dit Verdrag laat onverlet de bepalingen in de Zweedse wetgeving inzake het recht op een basispensioen van Zweedse onderdanen die buiten Zweden wonen.

Artikel 38

1. Dit Verdrag kan door elk van de beide Verdragsluitende Partijen worden opgezegd. Kennisgeving van de opzegging dient te geschieden ten minste drie maanden voor het einde van het lopende kalenderjaar; het Verdrag houdt alsdan op van kracht te zijn aan het einde van het kalenderjaar waarin het is opgezegd.

2. Wanneer het Verdrag is opgezegd, blijven de bepalingen ervan van toepassing ten aanzien van reeds verkregen rechten op uitkering, ongeacht enige bepaling welke in de wetgevingen van de beide Verdragsluitende Partijen mocht zijn opgenomen aangaande beperking van het recht op uitkering in verband met het wonen in, of het onderdaan zijn van andere landen. Aanspraken op toekomstige uitkeringen welke op grond van het Verdrag kunnen zijn verkregen, worden bij bijzondere overeenkomst geregeld.

Artikel 39

Beide Verdragsluitende Partijen stellen elkaar er schriftelijk van in kennis dat de constitutionele procedures in hun onderscheiden landen vereist voor de inwerkingtreding van dit Verdrag, zijn vervuld. Het Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de derde maand volgende op de datum van de laatste van deze kennisgevingen.