rijk/verdrag/verdrag-tussen-het-koninkrijk-der-nederlanden-en-de-bondsrepubliek-duitsland-inz/BWBV0004815
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de regeling van financiële vraagstukken en inzake uitkeringen ten gunste van Nederlandse slachtoffers van de nationaal-socialistische vervolging (Financieel Verdrag) BWBV0004815 verdrag geldend 1963-08-01 https://wetten.overheid.nl/BWBV0004815 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de regeling van financiële vraagstukken en inzake uitkeringen ten gunste van Nederlandse slachtoffers van de nationaal-socialistische vervolging (Financieel Verdrag)

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland inzake de regeling van financiële vraagstukken en inzake uitkeringen ten gunste van Nederlandse slachtoffers van de nationaal-socialistische vervolging (Financieel Verdrag)

Artikel 1

1. De Bondsrepubliek Duitsland betaalt het Koninkrijk der Nederlanden een bedrag van 280 miljoen DM.

2. Van het in lid 1 genoemde bedrag dient 100 miljoen DM op de dag na de inwerkingtreding van dit Verdrag, 90 miljoen DM een jaar, en 90 miljoen DM twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag te worden betaald.

Artikel 2

De in artikel 1 genoemde betaling vindt plaats met het oog op:

      a)
      de nog resterende Nederlandse vorderingen uit hoofde van de bij notawisseling van 19 mei 1952 te 's-Gravenhage tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland gesloten overeenkomst inzake de restitutie van Duitse in Rijksmark luidende effecten;
    
    
      b)
      de uitgaven welke Nederlandse publiekrechtelijke lichamen en de N.V. Nederlandsche Spoorwegen tot en met 31 maart 1960 hebben gedaan in de in artikel 4 van het heden ondertekende Grensverdrag aangegeven gebieden;
    
    
      c)
      de bijdrage van de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten van de voorgenomen normalisering van de Westerwoldsche Aa (§ 47 van Bijlage A bij het Grensverdrag);

a) a) de nog resterende Nederlandse vorderingen uit hoofde van de bij notawisseling van 19 mei 1952 te 's-Gravenhage tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland gesloten overeenkomst inzake de restitutie van Duitse in Rijksmark luidende effecten; b) b) de uitgaven welke Nederlandse publiekrechtelijke lichamen en de N.V. Nederlandsche Spoorwegen tot en met 31 maart 1960 hebben gedaan in de in artikel 4 van het heden ondertekende Grensverdrag aangegeven gebieden; c) c) de bijdrage van de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten van de voorgenomen normalisering van de Westerwoldsche Aa (§ 47 van Bijlage A bij het Grensverdrag); 2. 2. de vorderingen, naar voren gebracht ten behoeve van Nederlanders die om redenen van ras, geloof of wereldbeschouwing getroffen zijn door nationaal-socialistische vervolgingsmaatregelen; 3. 3. alle tijdens de heden afgesloten onderhandelingen door de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden geldend gemaakte aanspraken inzake:

      a)
      alle door Duitse instellingen uitgegeven effecten (met inbegrip van hiervoor uitgegeven certificaten) die tijdens de tweede wereldoorlog uit Nederland zijn weggevoerd en ten aanzien waarvan niet reeds een regeling is getroffen bij de Nederlands-Duitse notawisseling van 19 mei 1952, voor zover de uitgevende instellingen gevestigd zijn in het gebied van de Bondsrepubliek Duitsland met inbegrip van het „Land” Berlijn, of voor zover deze effecten onderworpen zijn aan de in dit gebied voorgeschreven „Wertpapierbereinigung”.
    
    
      b)
      kredieten welke verband houden met het op 11 mei 1920 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag tussen de Nederlandse en de Duitse Regering inzake krediet en steenkolen (Tredefina-Verdrag);
    
    
      c)
      tegoeden welke op 8 mei 1945 bij Duitse kredietinstellingen werden aangehouden ten name van voormalige nationaalsocialistische organisaties in Nederland;
    
    
      d)
      de kredieten aan ondernemingen van de Duitse celwolindustrie, waarvoor de Reichskreditgesellschaft zich als borg heeft verbonden;
    
    
      e)
      tegoeden en gelden welke tijdens de tweede wereldoorlog door in Nederland aangestelde „Verwalter” naar Duitsland zijn overgemaakt of weggevoerd;
    
    
      f)
      de op 14 december 1950 te Niederbreisig ondertekende Nederlands-Duitse overeenkomst tot regeling van de met de restitutie van binnenschepen verband houdende vraagstukken.

a) a) alle door Duitse instellingen uitgegeven effecten (met inbegrip van hiervoor uitgegeven certificaten) die tijdens de tweede wereldoorlog uit Nederland zijn weggevoerd en ten aanzien waarvan niet reeds een regeling is getroffen bij de Nederlands-Duitse notawisseling van 19 mei 1952, voor zover de uitgevende instellingen gevestigd zijn in het gebied van de Bondsrepubliek Duitsland met inbegrip van het „Land” Berlijn, of voor zover deze effecten onderworpen zijn aan de in dit gebied voorgeschreven „Wertpapierbereinigung”. b) b) kredieten welke verband houden met het op 11 mei 1920 te 's-Gravenhage ondertekende Verdrag tussen de Nederlandse en de Duitse Regering inzake krediet en steenkolen (Tredefina-Verdrag); c) c) tegoeden welke op 8 mei 1945 bij Duitse kredietinstellingen werden aangehouden ten name van voormalige nationaalsocialistische organisaties in Nederland; d) d) de kredieten aan ondernemingen van de Duitse celwolindustrie, waarvoor de Reichskreditgesellschaft zich als borg heeft verbonden; e) e) tegoeden en gelden welke tijdens de tweede wereldoorlog door in Nederland aangestelde „Verwalter” naar Duitsland zijn overgemaakt of weggevoerd; f) f) de op 14 december 1950 te Niederbreisig ondertekende Nederlands-Duitse overeenkomst tot regeling van de met de restitutie van binnenschepen verband houdende vraagstukken.

Artikel 3

De Bondsrepubliek Duitsland zal het Koninkrijk der Nederlanden de uitgaven vergoeden voor lopende investeringen welke Nederlandse publiekrechtelijke lichamen en de N.V. Nederlandsche Spoorwegen in de periode van 1 april 1960 tot de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag hebben verricht in de in artikel 4 van het Grensverdrag aangegeven gebieden. De beide Regeringen zullen zich verstaan over de grootte van deze uitgaven.

Artikel 4

Het Koninkrijk der Nederlanden draagt op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag het vroegere Duitse gezantschapsgebouw te 's-Gravenhage, Lange Vijverberg 8 (Gemeente 's-Gravenhage, sectie E nr. 812 en 2430) in eigendom over aan de Bondsrepubliek Duitsland, zonder beheerskosten en rechten in rekening te brengen.

Artikel 5

1. Vermogensbestanddelen die als Duits vermogen krachtens het Nederlandse Besluit Vijandelijk Vermogen in de beschikkingsmacht van het Koninkrijk der Nederlanden zijn overgegaan, ten aanzien waarvan echter tot de dag van ondertekening van dit Verdrag het Nederlandse Beheersinstituut nog geen stappen tot inbezitneming heeft genomen en ten aanzien waarvan geen andere behandeling lopende is, worden zonder beheerskosten en rechten in rekening te brengen ter beschikking gesteld van de vroegere Duitse rechthebbenden of hun rechtsopvolgers, voor zover zich hiertegen geen gewichtige redenen verzetten.

2. Het Koninkrijk der Nederlanden behoudt zich voor, vermogensbestanddelen die tussen 1 april 1941 en 5 mei 1945 zijn verworven door middel van overmakingen van Rijksmarken in de zin van de Nederlandse Wet herstel vermogensovergang Rijksmarkengebied, slechts in zoverre ter beschikking te stellen dat de bepalingen van genoemde wet op deze vermogensbestanddelen overeenkomstig worden toegepast.

Artikel 6

1. De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden zal in bijzondere gevallen verzoeken tot teruggave van Duitse vermogens die krachtens het Besluit Vijandelijk Vermogen in de beschikkingsmacht van het Koninkrijk der Nederlanden zijn overgegaan, of van de netto-opbrengsten daarvan, welwillend onderzoeken, voor zover de verzoeken binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag door de Duitse betrokkenen of hun rechtsopvolgers bij de Ministers van Justitie en van Financiën van het Koninkrijk der Nederlanden worden ingediend.

2. De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden kan van dit onderzoek gevallen uitsluiten, waarin reeds een beslissing is genomen en waarbij geen nieuwe gronden voor de teruggave worden aangevoerd.

Artikel 7

1. Vermogensbestanddelen die afkomstig zijn uit de nalatenschappen van na 8 mei 1945 overleden niet-Duitse erflaters, of de netto-opbrengsten daarvan, en die als Duits vermogen krachtens het Besluit Vijandelijk Vermogen in de beschikkingsmacht van het Koninkrijk der Nederlanden zijn overgegaan, worden aan de Duitse betrokkenen of hun rechtsopvolgers op hun verzoek ter beschikking gesteld. Het verzoek dient binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag bij het Nederlandse Beheersinstituut te worden ingediend.

2. Indien een zodanige nalatenschap bij de inwerkingtreding van dit Verdrag nog niet is verdeeld, worden aan de Duitse betrokkenen of hun rechtsopvolgers de aan hen toevallende aanspraken ter beschikking gesteld, zonder dat daartoe een verzoek behoeft te worden ingediend en zonder beheerskosten en rechten in rekening te brengen.

Artikel 8

Voor zover vroegere Duitse rechthebbenden of personen die naar Duits recht in hun plaats zijn getreden, geïnteresseerd zijn in het terugverkrijgen van hun krachtens het Besluit Vijandelijk Vermogen in de beschikkingsmacht van het Koninkrijk der Nederlanden overgegane en daarna vervreemde handelsmerken en de tegenwoordige Nederlandse rechthebbenden bereid zijn daaraan mede te werken, zal de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden in overleg met de Ambassade van de Bondsrepubliek Duitsland te 's-Gravenhage de mogelijkheid onderzoeken of en in hoeverre, met inachtneming van het ten aanzien van de overdracht van handelsmerken in het Koninkrijk der Nederlanden geldende recht, in het bijzonder artikel 20 van de Nederlandse Merkenwet, een voor alle belanghebbenden bevredigende oplossing kan worden bereikt.

Artikel 9

1. Het Koninkrijk der Nederlanden zal vorderingen van Duitse schuldeisers, die gedekt zijn door hypotheken op in de Bondsrepubliek Duitsland met inbegrip van het „Land” Berlijn gelegen onroerende goederen van Nederlandse eigenaars, niet op grond van het Besluit Vijandelijk Vermogen opeisen. Op zijn verzoek zal het Koninkrijk der Nederlanden geïnde bedragen weer ter beschikking van de schuldenaar stellen, voor zover de hypotheek nog niet is doorgehaald of een rechtsgeldige toestemming tot doorhaling nog niet is verleend.

2. In gevallen waarin processen aanhangig zijn, behoudt het Koninkrijk der Nederlanden zich voor, zijn gedragslijn overeenkomstig lid 1 ervan afhankelijk te stellen dat de procespartijen het proces beëindigen door intrekking van de eis of erkenning van de vordering onder verdeling der gerechtskosten en onder wederzijds afzien van aanspraken wegens buitengerechtelijke kosten. De procespartijen wordt aanbevolen de tussen hen aanhangige processen op deze wijze te beëindigen.

Artikel 10

1. Het Koninkrijk der Nederlanden staat ervoor in, dat Nederlandse naamloze vennootschappen waarvan het gehele geplaatste kapitaal als Duits vermogen krachtens het Besluit Vijandelijk Vermogen op het Koninkrijk der Nederlanden is overgegaan en tot op de dag van ondertekening van dit Verdrag niet aan derden is overgedragen, hun vermogensbestanddelen die zich op het ogenblik van inwerkingtreding van dit Verdrag in de Bondsrepubliek Duitsland met inbegrip van het „Land” Berlijn bevinden, ter vrije beschikking stellen van de voormalige Duitse aandeelhouders of hun rechtsopvolgers. Dit geldt niet voor zover het overige vermogen van de vennootschap niet voldoende is om haar schulden te dekken.

2. Lid 1 wordt ook dan toegepast indien enige aandelen die gezamenlijk een gering percentage van het kapitaal vormen, bij de inwerkingtreding van het Besluit Vijandelijk Vermogen toebehoorden aan niet-Duitse commissarissen, directeuren of andere leidinggevende employés van de betrokken vennootschap.

3. Lid 1 en lid 2 gelden overeenkomstig voor alle andere Nederlandse rechtspersonen in de zin van artikel 1 sub 4 van het Besluit Vijandelijk Vermogen.

4. De rechtspositie met betrekking tot het zich in de Bondsrepubliek Duitsland met inbegrip van het „Land” Berlijn bevindende vermogen van Nederlandse rechtspersonen in de zin van artikel 1 sub 4 van het Besluit Vijandelijk Vermogen wordt in de gevallen die niet door deze bepalingen worden geregeld, niet aangetast door de leden 1 tot en met 3.

5. De bepalingen van artikel 9, lid 2, van dit Verdrag gelden overeenkomstig.

Artikel 11

1. Het Koninkrijk der Nederlanden zal certificaten van in Rijksmarken, Goudmarken of fijn goud luidende effecten, met inbegrip van de daaruit voortvloeiende opbrengsten, die zich als Duits vermogen op grond van het Besluit Vijandelijk Vermogen in de beschikkingsmacht van het Koninkrijk bevinden en die tot de datum van ondertekening van dit Verdrag niet aan derden zijn overgedragen, ter doorgeving aan de vroegere Duitse rechthebbenden of hun rechtsopvolgers ter beschikking stellen van de Bondsrepubliek Duitsland of van een door de Bondsregering aan te wijzen instantie zonder beheerskosten en rechten in rekening te brengen.

2. Dit geldt overeenkomstig voor duplicaten welke voor zodanige certificaten zijn uitgegeven, alsmede voor de aanspraken op afgifte van duplicaten.

Artikel 12

1. Het Koninkrijk der Nederlanden stelt de bedragen welke Duitse schuldenaars van obligaties van welke aard ook, alsmede van pand- en rentebrieven, of welke rechtsvoorgangers van deze schuldenaars in Nederland hebben gedeponeerd voor tot en met 8 mei 1945 vervallen rente en voor de tot en met dat tijdstip te betalen aflossingsbedragen, kosten en rechten, ter beschikking voor de leningdienst. Dit geldt ook voor bedragen die zijn gedeponeerd voor aflossingen van leningen op grond van vóór 9 mei 1945 afgekondigde opzeggingen van de lening of op grond van vóór dat tijdstip overeengekomen aflossingen. De bedragen worden zonder enige voorwaarde en zonder beheerskosten en rechten in rekening te brengen ter beschikking gesteld.

2. Het Koninkrijk der Nederlanden sluit de door de „Gewerkschaften” Carl Alexander en Carolus Magnus, alsmede de door het „Deutsches Kalisyndikat” gedeponeerde bedragen van deze regeling uit.

Artikel 13

1.

Het Koninkrijk der Nederlanden zal pensioenen en soortgelijke uitkeringen die voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst met een Nederlandse natuurlijke of rechtspersoon en die krachtens het Besluit Vijandelijk Vermogen in de beschikkingsmacht van het Koninkrijk der Nederlanden zijn overgegaan, op zijn verzoek ter beschikking stellen aan de vroegere rechthebbende, voor zover hij naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland de Duitse nationaliteit bezit en deze pensioenen en uitkeringen niet reeds vroeger ter beschikking zijn gesteld. Dit geldt eveneens voor uitkeringen die voortvloeien uit een verzekeringsovereenkomst gesloten in verband met een zodanige arbeidsovereenkomst of in verband met de uitoefening van een beroep in het Koninkrijk der Nederlanden of in de vroegere delen van het Koninkrijk door een persoon die de Duitse nationaliteit bezit. De vorenbedoelde pensioenen en uitkeringen worden ter beschikking gesteld met inachtneming van de volgende bepalingen:

a) a) personen die op 1 februari 1946 hun gewone verblijfplaats hadden binnen het tegenwoordige gebied van het Koninkrijk der Nederlanden of van de Bondsrepubliek Duitsland met inbegrip van het „Land” Berlijn, ontvangen de sedert 1 februari 1946 vervallen en in de toekomst vervallende bedragen; b) b) personen die op 1 november 1952 hun gewone verblijfplaats hadden buiten het Duitse Rijk naar de toestand van 31 december 1937 en buiten het Koninkrijk der Nederlanden, ontvangen de sedert 1 november 1952 vervallen en in de toekomst vervallende bedragen; c) c) personen die zich na 1 februari 1946 binnen het tegenwoordige gebied van het Koninkrijk der Nederlanden of van de Bondsrepubliek Duitsland met inbegrip van het „Land” Berlijn hebben gevestigd of zullen vestigen, of zich na 1 november 1952 buiten het Duitse Rijk naar de toestand van 31 december 1937 en buiten het Koninkrijk der Nederlanden hebben gevestigd of zullen vestigen, ontvangen de sedert de datum van hun vestiging vervallen en in de toekomst vervallende bedragen; d) d) op personen die onder verschillende van de hierboven vermelde bepalingen vallen, is de voor hen gunstigste bepaling van toepassing.

2. Bij kapitaalverzekeringen wordt de aanspraak of het door het Nederlandse Beheersinstituut geïnde bedrag aan de vroegere rechthebbende ter beschikking gesteld. Indien het verzekerde bedrag vervallen is vóór de volgens lid 1 beslissende peildata, wordt het uit te betalen bedrag verminderd met 4% per jaar, gerekend van de vervaldatum tot de peildatum.

3. In gevallen waarin tussen het Nederlandse Beheersinstituut en de verzekeraar een afkoopregeling is getroffen, wordt het door het Nederlandse Beheersinstituut geïnde bedrag aan de vroegere rechthebbende ter beschikking gesteld, onder aftrek van de bedragen waarop hij op de voet van de bovenstaande bepalingen geen aanspraak kan maken.

4. Bij het overlijden van rechthebbenden ontvangen de erfgenamen op hun verzoek de nog niet aan de erflater uitbetaalde bedragen waarop de erflater op grond van de bovenstaande bepalingen aanspraak zou hebben kunnen maken.

5. De bedragen en aanspraken worden zonder beheerskosten en rechten in rekening te brengen ter beschikking gesteld.

6. De aanvragen moeten binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag bij het Nederlandse Beheersinstituut worden ingediend.

Artikel 14

Het Koninkrijk der Nederlanden zal, op de voet van hoofdstuk 3 van het bij dit Verdrag behorende Slotprotocol, de personen van Duitse nationaliteit die destijds in dienst stonden van Nederlands-Indië, ex gratia pensioenen of soortgelijke uitkeringen toekennen overeenkomstig de beginselen die gelden voor andere personen die destijds in dienst stonden van Nederlands-Indië.

Artikel 15

1. Door de in artikel 1 vermelde betaling zijn alle in artikel 2 genoemde Nederlandse vorderingen en aanspraken definitief geregeld. Het Koninkrijk der Nederlanden zal, voor zover in artikel 18 van het Slotprotocol niet anders is bepaald, de Bondsrepubliek Duitsland alsmede Duitse natuurlijke en rechtspersonen vrijwaren indien deze door derden uit hoofde van deze vorderingen en aanspraken mochten worden aangesproken. Aanspraken van Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen op grond van de Duitse wetten inzake het herstel van nationaal-socialistisch onrecht blijven onaangetast, voor zover zij geen betrekking hebben op de in artikel 2 onder 1a en 3a genoemde effecten.

2. Het Koninkrijk der Nederlanden zal in de toekomst de Bondsrepubliek Duitsland niet benaderen met het verzoek tot regeling van soortgelijke vorderingen of aanspraken, alsmede van vorderingen of aanspraken die voortvloeien uit de oorlog en de bezetting van Nederland. Aanspraken van Nederlandse natuurlijke en rechtspersonen op grond van de Duitse wetten inzake de regeling van de gevolgen van de oorlog blijven onverminderd bestaan.

Artikel 16

1. De Verdragsluitende Partijen stellen vast dat de bepalingen van het zesde hoofdstuk van het op 26 mei 1952 te Bonn ondertekende Verdrag inzake de regeling van aangelegenheden voortspruitende uit de oorlog en de bezetting (zoals gewijzigd op 23 oktober 1954) ook betrekking hebben op maatregelen die het Koninkrijk der Nederlanden op grond van het Besluit Vijandelijk Vermogen heeft genomen.

2. Met het oog op de definitieve regeling die in de artikelen 4 tot en met 13 van dit Verdrag en in hoofdstuk 5 van het Grensverdrag op basis van artikel 4 van het zesde hoofdstuk van het in lid 1 genoemde verdrag is getroffen, zal de Bondsrepubliek Duitsland bij het Koninkrijk der Nederlanden geen verdere vorderingen of aanspraken ten aanzien van de toepassing van het Besluit Vijandelijk Vermogen aanhangig maken.

Artikel 17

1. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, geldt dit Verdrag voor Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen alsmede voor Nederlands Nieuw-Guinea. De toepassing op Suriname en de Nederlandse Antillen is echter afhankelijk van de goedkeuring door de Regeringen van die landen. Deze goedkeuring zal geacht worden te zijn verleend indien de Regering van het Koninkrijk niet binnen drie maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland mededeling doet van het tegendeel.

2. De verplichtingen welke krachtens de artikelen 5 tot en met 13 van dit Verdrag en krachtens hoofdstuk 2 van het Slotprotocol op het Koninkrijk der Nederlanden rusten, hebben alleen betrekking op die vermogensbestanddelen welke zich bevinden in de delen van het Koninkrijk waarop dit Verdrag van toepassing is.