rijk/verdrag/verdrag-tussen-het-koninkrijk-der-nederlanden-en-het-vlaams-gewest-inzake-de-afv/BWBV0001232
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake de afvoer van het water van de Maas BWBV0001232 verdrag geldend 1996-07-01 https://wetten.overheid.nl/BWBV0001232 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake de afvoer van het water van de Maas

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest inzake de afvoer van het water van de Maas

Hoofdstuk I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

In dit Verdrag wordt verstaan onder:

a. a. „bevoegde overheden”: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, de minister die bevoegd is voor de Waterstaat, en wat het Vlaams Gewest betreft, de minister die bevoegd is voor de Openbare Werken; b. b. „afvoer”: gemiddelde afvoer per etmaal; c. c. „Maasafvoer”: de som van de afvoer van de Maas te Maastricht/St.-Pieter en het debiet in het Albertkanaal te Kanne; d. d. „Gemeenschappelijke Maas”: de rivier de Maas tussen Borgharen/Smeermaas (grenspaal 106) en Stevensweert/Kessenich (grenspaal 126); e. e. „Nederlands gebruik”: de voeding van de Zuid-Willemsvaart via Lozen en van het Julianakanaal; en f. f. „Vlaams gebruik”: de voeding van het gedeelte van het Albertkanaal gelegen in het Vlaams Gewest en van de Kempense kanalen.

Hoofdstuk II. DE AFVOER VAN HET WATER VAN DE MAAS

Artikel 2

1. Ten behoeve van het Vlaams Gewest leidt het Koninkrijk der Nederlanden een hoeveelheid Maaswater over zijn grondgebied naar het Vlaams Gewest. Deze hoeveelheid bedraagt ten minste 8 m^3/s. Dit water wordt door het Koninkrijk der Nederlanden te Maastricht op de Zuid-Willemsvaart gebracht en dient om de Kempense kanalen van water te voorzien.

2. Ten behoeve van het Koninkrijk der Nederlanden voert het Vlaams Gewest een hoeveelheid Maaswater over zijn grondgebied door. Deze hoeveelheid bedraagt ten hoogste 10 m^3/s. Dit water wordt door het Koninkrijk der Nederlanden te Maastricht op de Zuid-Willemsvaart gebracht en door het Vlaams Gewest door middel van duikers bij sluis 18 te Bocholt en sluis 17 te Lozen naar Nederland geleid.

3. Het gestelde in het eerste en tweede lid is van toepassing behoudens de beperkingen voortvloeiende uit artikel 3.

4. Het Vlaams Gewest zal de duikers bij sluis 18 te Bocholt en sluis 17 te Lozen in beginsel vóór 1 januari 1996, in overleg met en voor rekening van het Koninkrijk der Nederlanden, geschikt maken om de in het tweede lid bedoelde hoeveelheid te kunnen doorvoeren. Het Vlaams Gewest verbindt zich ertoe de aldus verbeterde of vernieuwde duikers voor zijn rekening te handhaven en te onderhouden.

Artikel 3

1. Partijen beperken zoveel mogelijk de waterverliezen van de hoofdstroom van de Maas, speciaal in geval van lage afvoeren. Uitgangspunt bij lage afvoeren is een gelijke verdeling tussen het Nederlandse en het Vlaamse gebruik en een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor het debiet van de Gemeenschappelijke Maas. Partijen volgen daarbij het in bijlage A opgenomen besparingsscenario.

2. Indien een Partij kan aantonen dat beheersmaatregelen of handelingen van een ander land of gewest verhinderen dat het in dit artikel bedoelde besparingsscenario wordt gevolgd, is deze Partij slechts aan haar verplichtingen gehouden voor zover zij deze kan nakomen met maatregelen op haar eigen grondgebied.

3. Ten behoeve van de afvoerregulering in tijden van lage Maasafvoeren onderhouden Partijen het in bijlage B opgenomen meetprogramma.

Artikel 4

1. Partijen werken samen bij het rivierkundig en hydrologisch onderzoek van, en bij de hoogwatervoorspelling voor, de Gemeenschappelijke Maas.

2. Partijen werken samen bij het onderzoek van ontwikkelingsmogelijkheden voor de Gemeenschappelijke Maas, daarbij vooral rekening houdend met de grote huidige en potentiële ecologische waarde van dit deel van de Maas.

3. Partijen zullen slechts met wederzijdse instemming het stroomvoerende of waterbergende bed van de Gemeenschappelijke Maas zodanig verruimen of vernauwen dat daardoor op het grondgebied van de andere Partij de waterstanden wezenlijk verhoogd of verlaagd worden. Zonodig zal het effect van deze werken in of aan de rivier door maatregelen elders worden gecompenseerd.

Artikel 5

1. Partijen stellen ten behoeve van de uitvoering van de bepalingen van de artikelen 2 en 3 een NederlandsVlaamse Werkgroep Afvoerregulering Maas in.

2. De bevoegde overheden benoemen elk binnen één maand na het in werking treden van dit Verdrag ten hoogste drie leden in de Werkgroep, onder wie een delegatieleider. De Werkgroep vergadert wanneer zij dit nodig oordeelt, of op verzoek van één van de delegatieleiders, en beslist met eenparigheid van stemmen. De delegaties kunnen zich ter vergadering laten bijstaan door deskundigen.

Hoofdstuk III. BESLECHTING VAN GESCHILLEN

Artikel 6

1. Indien er tussen de Partijen een geschil ontstaat met betrekking tot de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag, zullen de Partijen dit in de eerste plaats regelen door middel van onderhandeling.

2. Indien de Partijen er niet in slagen het geschil te regelen door middel van onderhandeling, kan het op verzoek van één der Partijen ter beslissing worden voorgelegd aan een gerecht van drie scheidsmannen. De bepalingen betreffende de samenstelling en procedure van het gerecht zijn opgenomen in bijlage C bij dit Verdrag.

3. De beslissingen van het gerecht zijn bindend voor de Partijen.

Hoofdstuk IV. SLOTBEPALINGEN

Artikel 7

Voor de geldigheidsduur van dit Verdrag wordt de werking opgeschort van de artikelen 3, 4 en 5 van het Tractaat van 12 mei 1863 tot regeling der wateraftappingen uit de Maas, alsmede van de Verklaring, gehecht aan de Overeenkomst van 11 januari 1873 tot wijziging van dit Tractaat.

Artikel 8

Voor de geldigheidsduur van dit Verdrag worden de bepalingen vervat in het tweede, derde en vierde lid van artikel 16 van het Verdrag van 13 mei 1963 betreffende de verbinding tussen de Schelde en de Rijn geacht te zijn vervangen door de in hoofdstuk II van dit Verdrag overeengekomen regelingen.

Artikel 9

De bijlagen vormen een geïntegreerd onderdeel van dit Verdrag.

Artikel 10

Door Partijen schriftelijk overeengekomen wijzigingen van dit Verdrag treden in werking op de dag waarop Partijen elkaar schriftelijk hebben meegedeeld dat aan de onderscheiden constitutionele vereisten is voldaan.

Artikel 11

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop Partijen elkaar schriftelijk hebben meegedeeld dat aan de onderscheiden constitutionele vereisten is voldaan.