rijk/verdrag/versterkte-partnerschaps-en-samenwerkingsovereenkomst-tussen-de-europese-unie-en/BWBV0007080
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Versterkte Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Kirgizische Republiek, anderzijds BWBV0007080 verdrag geldend null https://wetten.overheid.nl/BWBV0007080 Versterkte Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Kirgizische Republiek, anderzijds

Versterkte Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Kirgizische Republiek, anderzijds

Titel I. DOELSTELLINGEN EN ALGEMENE BEGINSELEN

Artikel 1

1. Bij deze Overeenkomst wordt een versterkt partnerschap en nauwere samenwerking tussen de Partijen tot stand gebracht op basis van gedeelde waarden, gemeenschappelijke belangen en de ambitie om hun betrekkingen op alle toepassingsgebieden te versterken, tot wederzijds voordeel.

2. Deze samenwerking is een proces tussen de Partijen dat bijdraagt aan duurzame ontwikkeling, vrede, stabiliteit en veiligheid, door middel van meer convergentie op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid, doeltreffende politieke en economische samenwerking en multilateralisme.

Artikel 2

1. De eerbiediging van de democratische beginselen, de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zoals met name vastgelegd in het Handvest van de VN, de UVRM, de Slotakte van Helsinki van de OVSE en andere internationale mensenrechteninstrumenten ter zake waarbij zij partij zijn, en van het beginsel van de rechtsstaat, ligt ten grondslag aan het binnenlandse en het buitenlandse beleid van de Partijen en is een essentieel element van deze Overeenkomst.

2. De Partijen bevestigen opnieuw hun eerbiediging van de beginselen van goed bestuur, met inbegrip van de bestrijding van corruptie op alle niveaus.

3. De Partijen bevestigen hun gehechtheid aan de beginselen van een vrijemarkteconomie, het bevorderen van duurzame ontwikkeling en de strijd tegen de klimaatverandering.

4. De Partijen verbinden zich tot de bestrijding van de verschillende vormen van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en terrorisme en de verspreiding van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, en tot effectief multilateralisme.

5. De Partijen voeren deze Overeenkomst uit op basis van gedeelde waarden, de beginselen van dialoog, wederzijds vertrouwen en respect, regionale samenwerking, effectief multilateralisme en eerbiediging van hun internationale verplichtingen die met name voortvloeien uit hun lidmaatschap van de VN en de OVSE.

Titel II. POLITIEKE DIALOOG EN HERVORMING; SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN HET BUITENLANDS EN VEILIGHEIDSBELEID

Artikel 3

De Partijen ontwikkelen een doeltreffende politieke dialoog op alle gebieden van wederzijds belang, met inbegrip van het buitenlands en veiligheidsbeleid en interne hervormingen. De doelstellingen van de politieke dialoog zijn:

a. a. de doeltreffendheid van de politieke samenwerking en convergentie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid te vergroten en vrede en regionale en internationale stabiliteit en veiligheid op basis van effectief multilateralisme te bevorderen, in stand te houden en te versterken; b. b. de democratie en de politieke, duurzame sociaal-economische en institutionele ontwikkeling in de Kirgizische Republiek te versterken; c. c. de eerbiediging van de democratische beginselen, de rechtsstaat en goed bestuur, de rechten van de mens, de fundamentele vrijheden en het non-discriminatiebeginsel te versterken en de samenwerking op deze gebieden te intensiveren; d. d. de dialoog te ontwikkelen en de samenwerking te verdiepen op het gebied van veiligheid en defensie; e. e. de vreedzame oplossing van conflicten alsook de beginselen van territoriale integriteit, onschendbaarheid van grenzen, soevereiniteit en onafhankelijkheid te bevorderen; f. f. de voorwaarden voor regionale samenwerking te verbeteren.

Artikel 4

De Partijen versterken de dialoog en samenwerking met als doel:

a. a. de toepassing van de democratische beginselen en de rechtsstaat te waarborgen; b. b. de stabiliteit, doeltreffendheid en verantwoordingsplicht van de democratische instellingen te ontwikkelen, te consolideren en te verbeteren; c. c. de hervorming van de wetgeving en de rechterlijke macht voort te zetten en een doeltreffende werking van de instellingen op het gebied van rechtshandhaving en rechtsbedeling na te streven zodat gelijke toegang tot de rechtsgang en het recht op een eerlijk proces (met inbegrip van de procedurele rechten van verdachten, beklaagden en slachtoffers) worden gewaarborgd en de onafhankelijkheid, verantwoordingsplicht, kwaliteit en efficiëntie van de rechterlijke macht en de instanties voor strafvervolging en rechtshandhaving worden verzekerd; d. d. e-governance te bevorderen en vorderingen te maken bij de hervorming van het openbaar bestuur met het oog op de totstandbrenging van een verantwoordingsplichtig, efficiënt en transparant bestuur op nationaal, regionaal en lokaal niveau; e. e. de verkiezingsprocessen en de capaciteit van kiescommissies te versterken; f. f. te zorgen voor doeltreffendheid in de strijd tegen corruptie op alle niveaus.

Artikel 5

De Partijen werken samen bij de bevordering en bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en versterken de dialoog en de samenwerking met als doel:

a. a. de eerbiediging van de rechten van de mens, het beginsel van non-discriminatie en de rechten van personen die tot minderheden en kwetsbare groepen behoren, te waarborgen; b. b. de bescherming van de fundamentele vrijheden, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vergadering en de vrijheid van vereniging; vrijheid van de media en vrijheid van godsdienst te waarborgen; c. c. economische, sociale en culturele rechten te bevorderen; d. d. gendergelijkheid te bevorderen en de rechten van meisjes en vrouwen te bevorderen, te beschermen en te verwezenlijken, onder meer door te zorgen voor hun actieve deelname zowel in het particuliere als het publieke domein; e. e. de nationale instellingen voor de rechten van de mens te versterken, onder meer door middel van hun deelname aan de besluitvormingsprocessen; f. f. de samenwerking te versterken binnen de mensenrechtenorganen van de Verenigde Naties en de speciale procedures van de Mensenrechtenraad, met inbegrip van een passende opvolging van hun aanbevelingen overeenkomstig de nationale wetgeving van de Partijen.

Artikel 6

De Partijen werken samen om het maatschappelijk middenveld en zijn rol in de economische, sociale en politieke ontwikkeling van een open democratische samenleving te versterken, met name door:

a. a. de capaciteit, onafhankelijkheid en transparantie van maatschappelijke organisaties te versterken; b. b. de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij wetgevings- en beleidsvormingsprocessen te bevorderen door een open, transparante en regelmatige dialoog tot stand te brengen tussen overheidsinstellingen enerzijds en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld anderzijds; c. c. nauwere contacten en de uitwisseling van informatie en ervaringen te bevorderen, onder meer door middel van seminars en overleg tussen alle sectoren van het maatschappelijk middenveld van de Europese Unie en de Kirgizische Republiek, en via de uitvoering van deze Overeenkomst.

Artikel 7

1. De Partijen bevestigen opnieuw hun gehechtheid aan de beginselen en normen van het internationale recht, zoals onder meer neergelegd in het Handvest van de VN en de Slotakte van Helsinki van de OVSE, en verbinden zich ertoe deze beginselen en normen te bevorderen in hun bilaterale en multilaterale betrekkingen.

2. De Partijen intensiveren hun dialoog en samenwerking op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van diverse aspecten van het veiligheids- en defensiebeleid, en behandelen met name kwesties als conflictpreventie en crisisbeheersing, risicobeperking, cyberbeveiliging, de efficiënte werking van de veiligheidssector, regionale stabiliteit, ontwapening, non-proliferatie, wapenbeheersing en uitvoercontrole.

Artikel 8

1. De Partijen verklaren opnieuw dat de ernstigste misdrijven die de internationale gemeenschap in haar geheel aangaan, niet ongestraft mogen blijven en dat op de doeltreffende vervolging ervan moet worden toegezien door middel van maatregelen op nationaal en internationaal niveau.

2. De Partijen zijn van oordeel dat de oprichting en doeltreffende werking van het Internationaal Strafhof een belangrijke ontwikkeling is voor de internationale vrede en gerechtigheid. De Partijen versterken de samenwerking ter bevordering van vrede en internationale gerechtigheid. De Partijen propageren de universaliteit van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof en bespreken de kwestie van bekrachtiging en uitvoering daarvan, rekening houdend met hun wettelijke en constitutionele kaders.

3. De Partijen komen overeen nauw samen te werken om volkerenmoord, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden te voorkomen, door gebruik te maken van de passende bilaterale en multilaterale kaders.

Artikel 9

De Partijen werken samen op het gebied van conflictpreventie en crisisbeheer en werken aan de bestrijding van conflicten in de regio om een klimaat van vrede en stabiliteit tot stand te brengen.

Artikel 10

1. De Partijen intensiveren hun gezamenlijke inspanningen om de voorwaarden te verbeteren voor verdere regionale samenwerking op belangrijke gebieden zoals water, energie, milieu en de klimaatverandering, het geïntegreerde beheer van water en van waterkrachtbronnen, grensbeheer dat de grensoverschrijdende stroom van personen en goederen vergemakkelijkt, en democratische en duurzame ontwikkeling, en aldus bij te dragen tot goede nabuurschapsbetrekkingen, stabiliteit en veiligheid in Centraal-Azië. De Partijen streven ernaar conflicten vreedzaam op te lossen.

2. De in lid 1 bedoelde inspanningen stroken met de doelstelling van handhaving van de internationale vrede en veiligheid, zoals vastgelegd in het Handvest van de VN, de Slotakte van Helsinki van de OVSE en andere multilaterale instrumenten ter zake die de Partijen onderschrijven.

Artikel 11

1. De Partijen zijn van mening dat de proliferatie van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, onder zowel overheids- als niet-overheidsactoren, een van de ernstigste bedreigingen van de internationale stabiliteit en veiligheid vormt. De Partijen komen daarom overeen samen te werken en bij te dragen aan de bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, door volledige naleving en nationale uitvoering van hun bestaande verplichtingen op grond van de internationale ontwapenings- en non-proliferatieverdragen en -overeenkomsten en andere internationale verplichtingen op dit gebied. De Partijen komen overeen dat deze bepaling een essentieel element van deze Overeenkomst vormt.

2.

De Partijen komen bovendien overeen samen te werken en bij te dragen aan de bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor, door:

a. a. maatregelen te nemen die zijn gericht op de ondertekening of de ratificatie van de internationale instrumenten ter zake of, al naargelang het geval, op aansluiting daarbij en op de volledige uitvoering daarvan; b. b. een doeltreffend nationaal uitvoercontrolesysteem in te stellen, gericht op zowel de uitvoer als de doorvoer van goederen die verband houden met massavernietigingswapens, waaronder controle op het eindgebruik van technologieën voor tweeërlei gebruik in het kader van massavernietigingswapens, en door doeltreffende sancties op te leggen in het geval van overtreding van de uitvoercontroles.

3. De Partijen komen overeen een regelmatige politieke dialoog in te stellen ter begeleiding en consolidatie van deze elementen.

Artikel 12

1. De Partijen erkennen dat de illegale productie en overdracht van en de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens en munitie daarvoor, alsook de buitensporige accumulatie, slecht beheer, inadequaat beveiligde voorraden en ongecontroleerde verspreiding ervan een ernstige bedreiging voor de vrede en de internationale veiligheid blijven vormen.

2. De Partijen komen overeen dat zij hun verplichtingen met betrekking tot de aanpak van alle aspecten van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens zullen nakomen en volledig uitvoeren, overeenkomstig de bestaande internationale verdragen en de resoluties van de VN Veiligheidsraad, evenals hun verbintenissen in het kader van andere internationale instrumenten op dit gebied, zoals het VN-actieprogramma ter voorkoming, bestrijding en uitbanning van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens in al zijn aspecten dat op 20 juli 2001 is aangenomen.

3. De Partijen onderkennen het belang van interne controlesystemen voor de overdracht van conventionele wapens in overeenstemming met de geldende internationale normen. De Partijen onderkennen dat het van belang is die controles op verantwoordelijke wijze toe te passen en aldus bij te dragen tot de internationale en regionale vrede, veiligheid en stabiliteit, en tot het verminderen van menselijk leed, en te helpen voorkomen dat conventionele wapens op de illegale markt belanden.

4. De Partijen verplichten zich er daarom toe met elkaar samen te werken en te zorgen voor coördinatie, complementariteit en synergie bij het opstellen of verbeteren van de regelgeving voor de internationale handel in conventionele wapens, en bij het voorkomen, bestrijden en uitroeien van de illegale wapenhandel. Zij komen overeen een regelmatige politieke dialoog in te stellen ter begeleiding en consolidatie van deze verbintenis.

Titel III. JUSTITIE, VRIJHEID EN VEILIGHEID

Artikel 13

1. De Partijen erkennen het belang van het bevorderen en waarborgen van het grondrecht op eerbiediging van het privéleven en op de bescherming van persoonsgegevens, als een centrale factor ten behoeve van het vertrouwen van de burgers in de digitale economie en voor de verdere ontwikkeling van commerciële uitwisselingen en samenwerking op het gebied van rechtshandhaving.

2. De Partijen werken samen om de doeltreffende bescherming en handhaving van deze rechten te waarborgen, ook in het kader van de voorkoming en bestrijding van terrorisme en andere grensoverschrijdende misdrijven. De samenwerking kan capaciteitsopbouw, technische bijstand en de uitwisseling van informatie en deskundigheid omvatten, alsook andere vormen van samenwerking.

3. De Partijen werken samen om een hoog niveau van bescherming van persoonsgegevens te waarborgen, door beste praktijken en ervaringen uit te wisselen, rekening houdend met de Europese en internationale rechtsinstrumenten en -normen. Om de samenwerking te vergemakkelijken, zal de Kirgizische Republiek streven naar toetreding tot en uitvoering van het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en het Aanvullend Protocol van 8 november 2001 bij het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens betreffende toezichthoudende autoriteiten en grensoverschrijdende gegevensstromen.

Artikel 14

1. De Partijen bevestigen opnieuw het belang van de totstandbrenging van een brede dialoog over alle migratiegerelateerde kwesties, waaronder in voorkomend geval legale migratie, internationale bescherming en de bestrijding van irreguliere migratie, mensensmokkel en mensenhandel.

2.

Op basis van een specifieke analyse van de behoeften, die plaatsvindt via onderling overleg tussen de Partijen, werken de Partijen samen overeenkomstig hun desbetreffende geldende wetgeving. De samenwerking richt zich met name op het volgende:

a. a. de aanpak van de belangrijkste oorzaken van migratie; b. b. de ontwikkeling en uitvoering van nationale wetgeving en praktijken op het gebied van internationale bescherming, teneinde te voldoen aan de bepalingen van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951 en het Protocol betreffende de status van vluchtelingen van 31 januari 1967; c. c. het in herinnering brengen van de Verklaring van New York voor vluchtelingen en migranten, die op 19 september 2016 is aangenomen bij Resolutie A/RES/71/1 van de Algemene Vergadering van de VN; d. d. de toelatingscriteria, alsmede de rechten en de status van toegelaten personen, de eerlijke behandeling en integratie van legale buitenlandse ingezetenen, onderwijs en opleiding en maatregelen tegen racisme en vreemdelingenhaat; e. e. de opzet van een doeltreffende en preventieve aanpak van irreguliere migratie, migrantensmokkel en mensenhandel, onder meer door netwerken en criminele organisaties van handelaren en smokkelaars te bestrijden en de slachtoffers van dergelijke praktijken te beschermen, in het kader van de desbetreffende internationale instrumenten; f. f. kwesties als de organisatie, opleiding, beste praktijken en andere operationele maatregelen op het gebied van migratiebeheer, met name irreguliere migratie, de beveiliging van documenten, visumbeleid, grensbeheer en informatiesystemen over migratie.

Artikel 15

1.

In het kader van hun samenwerking ter voorkoming en bestrijding van irreguliere migratie komen de Partijen het volgende overeen:

a. a. de Kirgizische Republiek neemt al haar onderdanen die niet of niet langer aan de geldende voorwaarden voor binnenkomst, aanwezigheid of verblijf op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie voldoen, op verzoek van die lidstaat zonder verdere formaliteiten over; b. b. elke lidstaat van de Europese Unie neemt al zijn onderdanen die niet of niet langer aan de geldende voorwaarden voor binnenkomst, aanwezigheid of verblijf op het grondgebied van de Kirgizische Republiek voldoen, op verzoek van laatstgenoemde zonder verdere formaliteiten over; c. c. de lidstaten van de Europese Unie en de Kirgizische Republiek verstrekken hun onderdanen daartoe passende reisdocumenten of aanvaarden het gebruik van het overeenkomstig Verordening (EU) 2016/1953 van het Europees Parlement en de Raad1)Verordening (EU) 2016/1953 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende de vaststelling van een Europees reisdocument voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen en tot intrekking van de aanbeveling van de Raad van 30 november 1994 (PB EU L 311 van 17.11.2016, blz. 13). vastgestelde Europees reisdocument voor terugkeerdoeleinden. Indien een over te nemen persoon geen documenten of andere bewijzen van zijn of haar nationaliteit bezit, biedt de bevoegde diplomatieke en consulaire vertegenwoordiging van de betrokken lidstaat of van de Kirgizische Republiek op verzoek van de Kirgizische Republiek of van de betrokken lidstaat volledige samenwerking om de nationaliteit van de over te nemen persoon vast te stellen.

2. De Partijen komen overeen dat op verzoek een overeenkomst zal worden gesloten tussen de Europese Unie en de Kirgizische Republiek waarbij de specifieke verplichtingen voor de lidstaten van de Europese Unie en de Kirgizische Republiek worden geregeld wat betreft overname, met inbegrip van nadere bepalingen inzake de overname van onderdanen van andere landen en staatlozen. De Partijen kunnen ook, indien de omstandigheden dit toelaten, overwegen onderhandelingen te voeren over een overeenkomst tussen de Europese Unie en de Kirgizische Republiek inzake versoepeling van de visumplicht voor burgers van de Europese Unie en de Kirgizische Republiek.

Artikel 16

1. De Partijen werken samen ter voorkoming en met het oog op de doeltreffende bestrijding van het gebruik van hun financiële instellingen en aangewezen niet-financiële ondernemingen en beroepen voor het witwassen van opbrengsten van criminele activiteiten en de financiering van terrorisme.

2. Daartoe wisselen zij informatie uit in het kader van hun respectieve wetgeving en werken zij samen om te zorgen voor de doeltreffende en volledige uitvoering van de aanbevelingen van de Financiële-actiegroep (FATF) en andere normen die zijn vastgesteld door de desbetreffende internationale organen die op dit gebied actief zijn. Dergelijke samenwerking kan zich onder meer uitstrekken tot de identificatie, opsporing, inbeslagname, confiscatie en terugvordering van vermogensbestanddelen of gelden die uit criminele activiteiten zijn verkregen.

Artikel 17

1. De Partijen werken samen om te zorgen voor een evenwichtige, empirisch onderbouwde en geïntegreerde aanpak van illegale drugs en van nieuwe psychoactieve stoffen.

2. Het beleid en de maatregelen met betrekking tot drugs zijn gericht op het versterken van de structuren om illegale drugs te voorkomen en aan te pakken, het aanbod van, de handel in en de vraag naar illegale drugs te beperken en de gevolgen voor de gezondheid alsook de maatschappelijke consequenties van het gebruik van illegale drugs aan te pakken met het oog op beperking van schade. De Partijen werken samen om misbruik van chemische precursoren voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope en nieuwe psychoactieve stoffen te voorkomen.

3. De Partijen bepalen in onderling overleg welke samenwerkingsmethoden nodig zijn om de in lid 1 genoemde doelstellingen te bereiken. Het optreden wordt gebaseerd op gezamenlijk overeengekomen beginselen die zijn opgenomen in de desbetreffende VN-verdragen inzake drugsbestrijding, en op de aanbevelingen in het slotdocument dat op 19 april 2016 is aangenomen bij Resolutie A/RES/S-30/1 van de Algemene Vergadering van de VN, met de titel „Our joint commitment to effectively addressing and countering the world drug problem”, zijnde de meest recente internationale consensus over het internationale drugsbeleid, waarin zij uiting geeft aan de gezamenlijke verbintenis dit probleem op doeltreffende wijze aan te pakken en tegen te gaan, teneinde de balans op te maken van de uitvoering van de verbintenissen die zijn aangegaan om het mondiale drugsprobleem gezamenlijk aan te pakken en te bestrijden.

Artikel 18

1.

De Partijen werken samen aan de voorkoming en bestrijding van al dan niet georganiseerde criminele en illegale activiteiten, met inbegrip van transnationale activiteiten, zoals:

a. a. migrantensmokkel en mensenhandel; b. b. smokkel van en illegale handel in vuurwapens, met inbegrip van handvuurwapens en lichte wapens; c. c. smokkel van en illegale handel in drugs; d. d. smokkel van en illegale handel in goederen; e. e. illegale economische en financiële activiteiten zoals namaak, fiscale fraude en fraude bij openbare aanbestedingen; f. f. verduistering van middelen van door internationale donoren gefinancierde projecten; g. g. actieve en passieve corruptie, zowel in de openbare als in de particuliere sector; h. h. het vervalsen van documenten en het afleggen van onjuiste verklaringen; i. i. cybercriminaliteit.

2. De Partijen versterken de bilaterale, regionale en internationale samenwerking tussen rechtshandhavingsinstanties, met inbegrip van opleiding en de uitwisseling van ervaring. De Partijen passen de internationale normen ter zake doeltreffend toe, met name die welke zijn neergelegd in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, dat is aangenomen bij Resolutie A/RES/55/25 van de Algemene Vergadering van de VN van 8 januari 2001 en de bijbehorende protocollen.

3. De Partijen werken samen bij het voorkomen en bestrijden van corruptie in overeenstemming met de internationale normen ter zake, met name die welke zijn neergelegd in het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie, aangenomen bij Resolutie A/RES/58/4 van de Algemene Vergadering van de VN van 31 oktober 2003 en de aanbevelingen die voortvloeien uit beoordelingen van dit verdrag.

Artikel 19

1. De Partijen bevestigen opnieuw het belang van de strijd tegen en het voorkomen van terrorisme en komen overeen samen te werken op bilateraal, regionaal en internationaal niveau om terrorisme in al zijn vormen en uitingen te voorkomen en te bestrijden.

2. De Partijen zijn het erover eens dat het essentieel is dat terrorisme wordt bestreden met volledige eerbiediging van de rechtsstaat en in volledige overeenstemming met het internationale recht, met inbegrip van het internationale recht inzake de rechten van de mens, het internationale vluchtelingenrecht en het internationale humanitair recht en de beginselen van het Handvest van de VN, en alle toepasselijke internationale instrumenten die verband houden met terrorismebestrijding.

3. De Partijen benadrukken het belang van de universele ratificatie en uitvoering van alle VN-verdragen en protocollen die verband houden met terrorismebestrijding. De Partijen komen overeen de dialoog over het ontwerp van een algemeen verdrag inzake internationaal terrorisme te bevorderen en samen te werken bij de uitvoering van de mondiale strategie voor terrorismebestrijding van de Verenigde Naties, die is aangenomen bij Resolutie A/RES/60/288 van de Algemene Vergadering van de VN van 8 september 2006, alsmede van alle relevante resoluties van de VN-Veiligheidsraad.

4.

De Partijen bevestigen opnieuw het belang van een aanpak van de strijd tegen terrorisme op basis van rechtshandhaving en rechtspraak, en komen overeen samen te werken bij de voorkoming en bestrijding van terrorisme, met name door:

a. a. informatie uit te wisselen over terroristische groeperingen en personen en de hen ondersteunende netwerken, overeenkomstig het internationale en nationale recht, in het bijzonder ten aanzien van gegevensbescherming en bescherming van de persoonlijke levenssfeer; b. b. ervaringen uit te wisselen inzake de voorkoming en bestrijding van terrorisme, inzake middelen en methoden en de technische aspecten ervan, en inzake opleiding, overeenkomstig de toepasselijke regelgeving; c. c. standpunten uit te wisselen inzake radicalisering en rekrutering en manieren om radicalisering tegen te gaan en deradicalisering en rehabilitatie te bevorderen; d. d. standpunten en ervaringen uit te wisselen inzake het grensoverschrijdend verkeer en reizen van terrorismeverdachten en inzake terroristische dreigingen; e. e. beste praktijken te delen met betrekking tot de bescherming van de rechten van de mens bij de strijd tegen terrorisme, in het bijzonder met betrekking tot strafrechtelijke procedures; f. f. ervoor te zorgen dat terroristische misdrijven strafbaar worden gesteld en maatregelen te nemen om de financiering van terrorisme tegen te gaan; g. g. maatregelen te nemen tegen de dreiging van chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair terrorisme en de nodige maatregelen te treffen om te voorkomen dat chemische, biologische, radiologische en nucleaire materialen worden verworven, overgedragen en gebruikt voor terroristische doeleinden en dat illegale handelingen worden verricht tegen risicovolle chemische, biologische, radiologische en nucleaire faciliteiten.

5. De samenwerking is gebaseerd op de beschikbare beoordelingen ter zake en wordt gevoerd in wederzijds overleg tussen de Partijen.

Artikel 20

1. De Partijen versterken de bestaande samenwerking op het gebied van wederzijdse rechtshulp en uitlevering op basis van de toepasselijke internationale overeenkomsten. De Partijen versterken de bestaande mechanismen en overwegen in voorkomend geval de ontwikkeling van nieuwe mechanismen om de internationale samenwerking op dit gebied te vergemakkelijken. Dergelijke samenwerking omvat de toetreding tot en uitvoering van de desbetreffende internationale instrumenten, naargelang het geval, en nauwere samenwerking met Eurojust.

2. De Partijen ontwikkelen justitiële en juridische samenwerking in burgerlijke en handelszaken, met name wat betreft de onderhandelingen over en de ratificatie en uitvoering van de multilaterale verdragen inzake justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, waaronder de verdragen van de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht.

Artikel 21

De diplomatieke en consulaire autoriteiten van alle vertegenwoordigde lidstaten van de Europese Unie bieden bescherming aan alle onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die niet over een permanente vertegenwoordiging in de Kirgizische Republiek beschikt die in staat is om in een concreet geval doeltreffend consulaire bescherming te bieden, op dezelfde voorwaarden als aan de onderdanen van de betrokken lidstaat.

Met het oog op de vaststelling van een gecoördineerde procedure waardoor onderdanen van de Kirgizische Republiek consulaire bescherming kunnen genieten in lidstaten van de Europese Unie waar de Kirgizische Republiek niet over een permanente vertegenwoordiging beschikt die in staat is om in een concreet geval doeltreffend consulaire bescherming te bieden, wordt afgezien van de verplichting voor in een lidstaat van de Europese Unie gevestigde consulaire posten van de Kirgizische Republiek om kennisgeving te doen uit hoofde van artikel 7 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 24 april 1963.

Titel IV. HANDEL EN DAARMEE VERBAND HOUDENDE AANGELEGENHEDEN

Hoofdstuk 1. HORIZONTALE BEPALINGEN

Artikel 22

De doelstellingen van deze titel zijn de volgende:

a. a. de uitbreiding, diversificatie en facilitatie van de handel tussen de Partijen, met name door middel van bepalingen inzake douane en handelsfacilitatie, technische handelsbelemmeringen en sanitaire en fytosanitaire maatregelen, met behoud van het recht van elke Partij om wetgeving vast te stellen teneinde doelstellingen van overheidsbeleid te verwezenlijken; b. b. de facilitatie van de handel in diensten en investeringen tussen de Partijen, onder meer door middel van de vrije overdracht van lopende betalingen en kapitaalverkeer; c. c. de doeltreffende wederzijdse openstelling van de markten voor overheidsopdrachten van de Partijen; d. d. de bevordering van innovatie en creativiteit door te zorgen voor een toereikende en doeltreffende bescherming van alle intellectuele-eigendomsrechten; e. e. de bevordering van voorwaarden die onvervalste mededinging bij de economische activiteiten van de Partijen bevorderen, met name wat betreft de onderlinge handel en investeringen; f. f. de ontwikkeling van de internationale handel op een wijze die bijdraagt aan duurzame ontwikkeling op economisch, sociaal en milieugebied; g. g. de instelling van een doeltreffende, eerlijke en voorspelbare geschillenbeslechtingsregeling om geschillen over de uitlegging en toepassing van deze titel op te lossen.

Artikel 23

Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:

a. a. „Overeenkomst inzake de landbouw”: de Overeenkomst inzake de landbouw, die is opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst; b. b. „Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen”: de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen, die is opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst; c. c. „Antidumpingovereenkomst”: de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de GATT 1994, die is opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst; d. d. „dagen”: kalenderdagen, met inbegrip van weekend- en feestdagen; e. e. „Verdrag inzake het Energiehandvest”: het Verdrag inzake het Energiehandvest, ondertekend te Lissabon op 17 december 1994; f. f. „bestaand”: geldend op de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst; g. g. „GATT 1994”: de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994, die is opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst; h. h. „GATS”: de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten, die is opgenomen in bijlage 1B bij de WTO-Overeenkomst; i. i. „maatregel”: elke maatregel van een Partij, in de vorm van een wet, regeling, voorschrift, procedure, besluit of administratieve handeling, of in enige andere vorm2)Ter verduidelijking: de term „maatregel” omvat ook niet-handelen.; j. j. „maatregelen van een Partij”: maatregelen die zijn vastgesteld of worden gehandhaafd door3)Ter verduidelijking: „maatregelen van een Partij” omvatten ook maatregelen van in punt j), i) en ii), vermelde entiteiten die zijn vastgesteld of worden gehandhaafd doordat zij direct of indirect instructies hebben gegeven aan, leiding hebben gegeven aan of zeggenschap hebben uitgeoefend over het gedrag van andere entiteiten met betrekking tot die maatregelen.:

      i.
      centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten; en
    
    
      ii.
      niet-gouvernementele organen bij de uitoefening van door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten gedelegeerde bevoegdheden;

i. i. centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten; en ii. ii. niet-gouvernementele organen bij de uitoefening van door centrale, regionale of lokale overheden of autoriteiten gedelegeerde bevoegdheden; k. k. „persoon”: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon; l. l. „Herziene Overeenkomst van Kyoto”: de te Kyoto op 18 mei 1973 tot stand gekomen Internationale Overeenkomst inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures, zoals gewijzigd; m. m. „Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen”: de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, die is opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst; n. n. „Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen”: de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, die is opgenomen in bijlage 1A bij de WTO Overeenkomst; o. o. „SPS-Overeenkomst”: de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen, die is opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst; p. p. „TBT-Overeenkomst”: de Overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen, die is opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst; q. q. „derde land”: een land of grondgebied gelegen buiten het geografische toepassingsgebied van de onderhavige Overeenkomst; r. r. „Overeenkomst inzake handelsfacilitatie”: de Overeenkomst inzake handelsfacilitatie, die is opgenomen in bijlage 1A bij de WTO-Overeenkomst; s. s. „Trips-Overeenkomst”: de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, die is opgenomen in bijlage 1C bij de WTO-Overeenkomst; t. t. „Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht”: het te Wenen op 23 mei 1969 tot stand gekomen Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht; u. u. „Verklaring van Arusha van de Werelddouaneorganisatie”: de verklaring van de Internationale Douaneraad betreffende goed bestuur en integriteit van de douanedienst, als laatstelijk herzien in 2003; v. v. „WTO”: de Wereldhandelsorganisatie; w. w. „WTO-Overeenkomst”: de op 15 april 1994 tot stand gekomen Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie.

Artikel 24

1. De Partijen bevestigen hun wederzijdse rechten en verplichtingen uit hoofde van de WTO Overeenkomst en alle andere overeenkomsten waarbij zij allebei partij zijn.

2. Geen van de bepalingen van deze Overeenkomst kan zo worden uitgelegd dat zij een van de Partijen ertoe verplicht te handelen op een wijze die in strijd is met haar verplichtingen uit hoofde van de WTO-Overeenkomst.

Artikel 25

1. Elke verwijzing in deze titel naar wet- en regelgeving, hetzij in het algemeen, hetzij door verwijzing naar specifieke wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of richtlijnen, wordt uitgelegd als een verwijzing naar de wet- en regelgeving met inbegrip van de wijzigingen ervan, tenzij anders is aangegeven.

2.

Elke verwijzing of opneming door middel van een verwijzing in deze titel naar andere overeenkomsten of rechtsinstrumenten, geheel of gedeeltelijk, wordt, tenzij anders aangegeven, zodanig uitgelegd dat zij het volgende omvat:

a. a. de bijbehorende bijlagen, protocollen, voetnoten, aantekeningen en toelichtingen; en b. b. de vervolgovereenkomsten waarbij de Partijen partij zijn, of de wijzigingen die bindend zijn voor de Partijen, tenzij de verwijzing bestaande rechten bevestigt.

Artikel 26

Een Partij voorziet in haar interne recht niet in een recht om tegen de andere Partij in rechte op te treden op grond van het feit dat een maatregel van de andere Partij onverenigbaar is met deze Overeenkomst.

Artikel 27

1. Wanneer de Samenwerkingsraad taken uitvoert die hem op grond van deze titel zijn toegekend, bestaat hij uit vertegenwoordigers van de Partijen met verantwoordelijkheid voor handelsgerelateerde aangelegenheden, overeenkomstig de respectieve rechtskaders van de Partijen, of uit de door hen aangewezen personen.

2.

De Samenwerkingsraad in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken:

a. a. heeft de bevoegdheid om besluiten vast te stellen tot actualisering of wijziging van het volgende op basis van wederzijdse instemming, met inachtneming van de voltooiing van de respectieve interne procedures van de Partijen waarin hun wetgeving voorziet:

        i.
        bijlage 2;
      
      
        ii.
        de bijlagen 8-A, 8-B en 8-C;
      
      
        iii.
        bijlage 9;
      
      
        iv.
        de bijlagen 14-A en 14-B;
      
      
        v.
        het protocol;
      
    
    dergelijke actualiseringen en wijzigingen worden bevestigd door en treden in werking bij de uitwisseling van diplomatieke notas tussen de Partijen, tenzij de Partijen anders overeenkomen;

i. i. bijlage 2; ii. ii. de bijlagen 8-A, 8-B en 8-C; iii. iii. bijlage 9; iv. iv. de bijlagen 14-A en 14-B; v. v. het protocol; b. b. kan besluiten vaststellen tot uitlegging van de bepalingen van deze titel; c. c. kan besluiten vaststellen om, in aanvulling op de subcomités die zijn ingesteld op grond van deze titel, subcomités in te stellen die zijn samengesteld uit vertegenwoordigers van de Partijen, en deze binnen zijn bevoegdheid taken toe te kennen; de Samenwerkingsraad kan tevens besluiten de aan de door hem ingestelde subcomités toegekende taken te wijzigen, en de subcomités op te heffen.

3. De Samenwerkingsraad in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken stelt besluiten vast en doet passende aanbevelingen na voltooiing van de respectieve interne procedures van de Partijen, zoals bepaald in hun wetgeving.

4. Wanneer geen vergaderingen van de Samenwerkingsraad beschikbaar zijn, kunnen de in lid 2 bedoelde besluiten via de schriftelijke procedure worden vastgesteld.

Artikel 28

1. Wanneer het Samenwerkingscomité taken uitvoert die hem bij deze titel zijn toegekend, bestaat hij uit vertegenwoordigers van de Partijen met verantwoordelijkheid voor handelsgerelateerde aangelegenheden of uit de door hen aangewezen personen.

2.

Het Samenwerkingscomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken heeft met name de volgende taken:

a. a. de Samenwerkingsraad bijstand verlenen bij de uitvoering van zijn taken met betrekking tot handelsgerelateerde aangelegenheden; b. b. verantwoordelijk zijn voor de correcte uitvoering en toepassing van deze titel; in dit verband, en onverminderd de in hoofdstuk 14 vastgestelde rechten, kan elke Partij kwesties in verband met de toepassing of de uitlegging van deze titel ter bespreking naar het Samenwerkingscomité verwijzen; c. c. toezien, waar nodig, op de verdere uitwerking van de bepalingen van deze titel en de bij de toepassing ervan behaalde resultaten evalueren; d. d. zoeken naar passende manieren om problemen te voorkomen en op te lossen, die overigens kunnen ontstaan op gebieden die onder deze titel vallen; en e. e. toezien op de werkzaamheden van alle krachtens deze titel ingestelde subcomités.

3. Bij de uitvoering van zijn taken uit hoofde van lid 2 van dit artikel kan het Samenwerkingscomité voorstellen indienen over de noodzaak om besluiten vast te stellen tot actualisering of wijziging als bedoeld in artikel 27, lid 2, punt a), of tot uitlegging als bedoeld in artikel 27, lid 2, punt b), wanneer geen vergaderingen van de Samenwerkingsraad beschikbaar zijn.

4. Het Samenwerkingscomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken neemt besluiten en doet passende aanbevelingen na voltooiing van de respectieve interne procedures van de Partijen, zoals bepaald in hun wetgeving.

Artikel 29

1. Binnen 60 dagen na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst benoemen de Europese Unie en de Kirgizische Republiek elk een coördinator voor deze titel en stellen elkaar in kennis van de contactgegevens van de coördinatoren.

2. De coördinatoren stellen gezamenlijk de agenda op en treffen alle overige nodige voorbereidingen voor de vergaderingen van de Samenwerkingsraad en het Samenwerkingscomité overeenkomstig dit hoofdstuk, en geven, voor zover van toepassing, vervolg aan de besluiten van deze organen.

Artikel 30

1. De subcomités bestaan uit vertegenwoordigers van de Europese Unie, enerzijds, en vertegenwoordigers van de Kirgizische Republiek, anderzijds.

2. De subcomités komen binnen een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst bijeen, en vervolgens eenmaal per jaar of op verzoek van een van de Partijen of van het Samenwerkingscomité, op een passend niveau. Vergaderingen in persoon worden beurtelings in Brussel en in Bisjkek gehouden. Vergaderingen kunnen ook worden gehouden via elk voor de Partijen beschikbaar technologisch hulpmiddel.

3. De subcomités worden gezamenlijk voorgezeten door de vertegenwoordigers van de Partijen.

Hoofdstuk 2. HANDEL IN GOEDEREN

Artikel 31

Tenzij anders is bepaald, is dit hoofdstuk van toepassing op de handel in goederen van een Partij.

Artikel 32

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a. „consulaire formaliteiten”: de procedure om van een consul van de Partij van invoer op het grondgebied van de Partij van uitvoer, of op het grondgebied van een derde, een consulaire factuur of een consulair visum voor een handelsfactuur, oorsprongscertificaat, manifest, aangifte ten uitvoer door de verlader, of enig ander douanedocument in verband met de invoer van een goed te verkrijgen; b. b. „douanerechten”: alle soorten rechten of heffingen die worden opgelegd ter zake van of in verband met de invoer van goederen, met uitzondering van:

      i.
      heffingen van gelijke werking als interne belastingen die overeenkomstig artikel 34 worden opgelegd;
    
    
      ii.
      antidumping-, bijzondere vrijwarings-, compenserende of vrijwaringsrechten die worden toegepast overeenkomstig de GATT 1994, de Antidumpingovereenkomst, de Overeenkomst inzake de landbouw, de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen of de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, indien van toepassing;
    
    
      iii.
      retributies of andere heffingen die bij invoer of in verband met invoer worden opgelegd en die beperkt zijn tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten;

i. i. heffingen van gelijke werking als interne belastingen die overeenkomstig artikel 34 worden opgelegd; ii. ii. antidumping-, bijzondere vrijwarings-, compenserende of vrijwaringsrechten die worden toegepast overeenkomstig de GATT 1994, de Antidumpingovereenkomst, de Overeenkomst inzake de landbouw, de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen of de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen, indien van toepassing; iii. iii. retributies of andere heffingen die bij invoer of in verband met invoer worden opgelegd en die beperkt zijn tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten; c. c. „uitvoervergunningsprocedure”: administratieve procedure in het kader waarvan als eerste voorwaarde voor de uitvoer uit het grondgebied van de Partij van uitvoer wordt gesteld dat aan de bevoegde administratieve instantie een aanvraag of andere documenten dan die welke in het algemeen voor douaneafhandeling zijn vereist, worden overgelegd; d. d. „goed van een Partij”: een binnenlands goed in de zin van GATT 1994; e. e. „geharmoniseerd systeem” of „GS”: het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen, met inbegrip van alle aantekeningen daarbij en amendementen daarop zoals ontwikkeld door de Werelddouaneorganisatie; f. f. „invoervergunningsprocedure”: administratieve procedure in het kader waarvan als eerste voorwaarde voor de invoer in het grondgebied van de Partij van invoer wordt gesteld dat aan de bevoegde administratieve instantie een aanvraag of andere documenten dan die welke in het algemeen voor douaneafhandeling zijn vereist, worden overgelegd; g. g. „gereviseerd goed”: een goed dat is ingedeeld onder de hoofstukken 84, 85, 87, 90 of rubriek 9402 van het geharmoniseerd systeem en dat:

      i.
      geheel of gedeeltelijk bestaat uit onderdelen die zijn verkregen uit reeds gebruikte goederen;
    
    
      ii.
      met het originele nieuwe goed vergelijkbare prestaties en werkingsvoorwaarden vertoont, en
    
    
      iii.
      waarvoor dezelfde garantie als voor het originele nieuwe goed wordt gegeven.

i. i. geheel of gedeeltelijk bestaat uit onderdelen die zijn verkregen uit reeds gebruikte goederen; ii. ii. met het originele nieuwe goed vergelijkbare prestaties en werkingsvoorwaarden vertoont, en iii. iii. waarvoor dezelfde garantie als voor het originele nieuwe goed wordt gegeven.

Artikel 33

1. Elke Partij past op de goederen van de andere Partij de meestbegunstigingsbehandeling toe overeenkomstig artikel I van GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij, die mutatis mutandis in deze Overeenkomst zijn opgenomen en hiervan integrerend deel uitmaken.

2. Lid 1 is niet van toepassing op goederen van een derde land waaraan een Partij preferentiële behandeling heeft toegekend overeenkomstig de WTO-Overeenkomst.

Artikel 34

Elke Partij behandelt goederen van de andere Partij als nationale goederen, overeenkomstig artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij. Hiertoe worden artikel III van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij mutatis mutandis in de onderhavige Overeenkomst opgenomen en maken zij hiervan integrerend deel uit.

Artikel 35

Geen van de Partijen mag verboden of beperkingen, andere dan rechten, belastingen en andere heffingen, invoeren of handhaven, in de vorm van contingenten, invoer- of uitvoervergunningen of andere maatregelen, ter zake van de invoer van een goed van de andere Partij of de uitvoer of verkoop ten uitvoer van een goed dat voor het grondgebied van de andere Partij is bestemd, overeenkomstig artikel XI van GATT 1994, met inbegrip van de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij. Daartoe worden artikel XI van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij mutatis mutandis in deze Overeenkomst opgenomen en maken zij hiervan integrerend deel uit.

Artikel 36

1. Geen van beide Partijen mag rechten, belastingen of andere heffingen van welke aard ook ter zake van of in verband met de uitvoer van een goed naar de andere Partij vaststellen of handhaven, of andere maatregelen van gelijke werking, andere dan voor goederen overeenkomstig de lijst in bijlage 2 bij deze overeenkomst. Deze bepaling is niet van toepassing op goederen in doorvoer over het grondgebied van een Partij in de zin van artikel V van de GATT 1994, noch op goederen die, overeenkomstig een internationale overeenkomst tussen de Kirgizische Republiek en een derde partij, in de Kirgizische Republiek zijn ingevoerd zonder dat uitvoerrechten worden opgelegd die die derde partij anders had kunnen opleggen bij uitvoer naar de Europese Unie overeenkomstig, in voorkomend geval, de aan de GATT 1994 gehechte lijst van concessies van die derde partij of bilaterale verbintenissen met de Europese Unie.

2. Niets in dit artikel belet een Partij om bij de uitvoer van een goed naar de andere Partij een retributie of heffing op te leggen die uit hoofde van artikel 38 is toegestaan.

Artikel 37

De Partijen wisselen informatie en goede praktijken uit over controles op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik met het oog op de bevordering van de convergentie van de uitvoercontroles van de Europese Unie en de Kirgizische Republiek.

Artikel 38

1. Artikel VIII van de GATT 1994 en de aantekeningen voor de interpretatie daarbij, alsmede alle uitzonderingen op en vrijstellingen van de verplichtingen en ontheffingen daarvan als bedoeld in artikel VIII van de GATT 1994 die uit hoofde van de WTO-Overeenkomst van toepassing zijn, worden mutatis mutandis in deze Overeenkomst opgenomen en maken hiervan integrerend deel uit.

2. Elke Partij maakt onverwijld alle retributies en heffingen die zij in verband met de invoer of de uitvoer aanrekent, bekend op zodanige wijze dat overheden, handelaren en andere belanghebbenden daarvan kennis kunnen nemen.

3. Elke Partij herziet, waar uitvoerbaar, op gezette tijden de retributies en heffingen die zij oplegt, met het doel om het aantal en de diversiteit ervan te beperken.

4. Geen van de Partijen legt in verband met de invoer van goederen van de andere Partij consulaire formaliteiten, waaronder retributies en heffingen, op.

Artikel 39

1. Een Partij streeft ernaar aan gereviseerde goederen van de andere Partij geen minder gunstige behandeling toe te kennen dan die welke zij aan soortgelijke nieuwe goederen toekent.

2. Indien een Partij invoer- en uitvoerverboden of invoer- en uitvoerbeperkingen instelt of handhaaft met betrekking tot gebruikte goederen, streeft zij ernaar die maatregelen niet toe te passen op gereviseerde goederen.

3. Een Partij kan eisen dat gereviseerde goederen als zodanig worden geïdentificeerd voor distributie of verkoop op haar grondgebied en dat zij voldoen aan alle toepasselijke technische voorschriften die van toepassing zijn op gelijkwaardige nieuwe goederen.

Artikel 40

De Partijen verlenen elkaar ontheffing van invoerheffingen en -rechten op tijdelijk ingevoerde goederen, in de gevallen en overeenkomstig de procedures die zijn vastgesteld in voor hen bindende internationale overeenkomsten op dit gebied. Die ontheffing wordt verleend overeenkomstig de wettelijke bepalingen van elke Partij.

Artikel 41

Artikel V van de GATT 1994 wordt in deze Overeenkomst opgenomen en maakt hiervan integrerend deel uit. De Partijen nemen alle maatregelen die nodig zijn om de doorvoer van energiegoederen te vergemakkelijken, overeenkomstig het beginsel van vrije doorvoer en artikel 7, leden 1 en 3, van het Energiehandvestverdrag.

Artikel 42

Geen van beide Partijen mag een aangewezen invoer- of uitvoermonopolie aanwijzen of handhaven. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder invoer- of uitvoermonopolie verstaan: het exclusieve recht of de exclusieve verlening van een machtiging door een Partij aan een entiteit om een goed uit de andere Partij in te voeren of naar de andere Partij uit te voeren4)Ter verduidelijking: dit artikel laat de toepassing van hoofdstuk 6 onverlet en heeft geen betrekking op een recht als gevolg van de verlening van een intellectuele-eigendomsrecht..

Artikel 43

1. Wanneer de Kirgizische Republiek bij de invoer van goederen uit de Europese Unie een oorsprongsaanduiding verlangt, aanvaardt zij de oorsprongsaanduiding „Made in EU” of het equivalent daarvan in een taal overeenkomstig de vereisten inzake oorsprongsaanduiding van de Kirgizische Republiek, onder voorwaarden die niet minder gunstig zijn dan die welke gelden voor oorsprongsaanduidingen van de lidstaten van de Europese Unie.

2. Voor de toepassing van de oorsprongsaanduiding „Made in EU” behandelt de Kirgizische Republiek de Europese Unie als één grondgebied.

Artikel 44

Elke Partij stelt invoervergunningsprocedures vast en beheert deze overeenkomstig de artikelen 1, 2 en 3 van de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen. Daartoe worden de artikelen 1, 2 en 3 van de Overeenkomst inzake procedures op het gebied van invoervergunningen mutatis mutandis in deze Overeenkomst opgenomen en maken zij hiervan integrerend deel uit.

Artikel 45

1. Elke Partij zorgt, op grond van haar bevoegdheden6)Wat de Kirgizische Republiek betreft, is dit artikel slechts van toepassing ten aanzien van de maatregelen die de Kirgizische Republiek unilateraal toepast, overeenkomstig de wet- en regelgeving die van toepassing is op haar grondgebied., voor transparantie met betrekking tot uitvoervergunningsprocedures en maakt nieuwe uitvoervergunningsprocedures of enige wijziging van een bestaande uitvoervergunningsprocedure op zodanige wijze bekend dat overheden, handelaren en andere belanghebbenden daarvan kennis kunnen nemen. Deze bekendmaking vindt, voor zover uitvoerbaar, plaats uiterlijk 30 dagen voordat een nieuwe uitvoervergunningsprocedure of een wijziging van een bestaande procedure voor uitvoervergunningen van kracht wordt, en in elk geval uiterlijk op de datum waarop een dergelijke procedure of wijziging van kracht wordt.

2.

De bekendmaking van uitvoervergunningsprocedures omvat de volgende informatie:

a. a. de tekst van de uitvoervergunningsprocedures of van de daaraan aangebrachte wijzigingen; b. b. de goederen die het voorwerp zijn van elke uitvoervergunningsprocedure; c. c. voor elke procedure, een beschrijving van de procedure voor het aanvragen van een uitvoervergunning en alle criteria waaraan een aanvrager moet voldoen om een uitvoervergunning te kunnen aanvragen, zoals het bezitten van een activiteitenvergunning, het opzetten of handhaven van een investering of het actief zijn via een bepaalde vorm van vestiging op het grondgebied van een Partij; d. d. een contactpunt of contactpunten waar belanghebbenden nadere inlichtingen kunnen verkrijgen over de voorwaarden voor het verkrijgen van een uitvoervergunning; e. e. het administratieve orgaan of de administratieve organen waarbij een aanvraag of andere relevante documenten moeten worden ingediend; f. f. een beschrijving van alle maatregelen waaraan de uitvoervergunningsprocedure uitvoering beoogt te geven; g. g. de periode waarin elke uitvoervergunningsprocedure van kracht zal zijn, tenzij de procedure van kracht blijft tot de intrekking of herziening ervan in een nieuwe bekendmaking; h. h. als de Partij voornemens is van een uitvoervergunningsprocedure gebruik te maken voor het beheer van een uitvoercontingent, de totale omvang, en indien van toepassing, de waarde van het contingent alsmede de openings- en sluitingsdata van het contingent; en i. i. alle vrijstellingen van of uitzonderingen op het vereiste een uitvoervergunning te verkrijgen, hoe die vrijstellingen of uitzonderingen kunnen worden aangevraagd of gebruikt, en de criteria voor het verlenen of toekennen ervan.

3. Binnen 45 dagen na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst stelt elke Partij de andere Partij in kennis van haar bestaande uitvoervergunningsprocedures. Een Partij die een nieuwe uitvoervergunningsprocedure vaststelt of een bestaande uitvoervergunningsprocedure wijzigt, stelt de andere Partij daarvan binnen 60 dagen na de bekendmaking van de procedure of de wijziging in kennis. De kennisgeving omvat een verwijzing naar de bron of bronnen waar de op grond van lid 2 vereiste informatie wordt bekendgemaakt en, indien van toepassing, het adres van de desbetreffende officiële website.

Artikel 46

De Partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen uit hoofde van:

a. a. artikel XIX van de GATT 1994; b. b. de Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen; c. c. artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw; d. d. artikel VI van de GATT 1994; e. e. de Antidumpingovereenkomst; en f. f. de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen.

Artikel 47

1. De Partijen komen overeen dat de toepassing van handelsbeschermingsinstrumenten (antidumping-, antisubsidie- en mondiale vrijwaringsmaatregelen) moet gebeuren met volledige inachtneming van de desbetreffende WTO-voorschriften en op basis van een eerlijk en transparant systeem.

2. Voordat definitieve conclusies over antidumping- of compenserende maatregelen worden getrokken, zorgen de Partijen ervoor dat de belangrijkste feiten die aan de beslissing tot toepassing van maatregelen ten grondslag liggen, worden meegedeeld, onverminderd artikel 6, lid 5, van de Antidumpingovereenkomst en artikel 12, lid 4, van de Overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen. Er moet belanghebbenden voldoende tijd worden gelaten om hun opmerkingen in te dienen.

3. Elke belanghebbende wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken tijdens antidumping- en antisubsidieonderzoeken, mits dit het verloop van de onderzoeken niet onnodig vertraagt.

4. Hoofdstuk 14 van deze titel is niet van toepassing op dit artikel.

Hoofdstuk 3. DOUANE

Artikel 48

1. De Partijen intensiveren hun samenwerking op douanegebied met het oog op de waarborging van een transparant handelsklimaat, handelsfacilitering, bevordering van de continuïteit van de toeleveringsketen en van de consumentenveiligheid, het tegenhouden van goederen waarmee inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht wordt gemaakt en bestrijding van smokkel en fraude.

2.

Om de in lid 1 genoemde doelstellingen uit te voeren, en binnen de grenzen van de beschikbare middelen, werken de Partijen samen met als doel, onder meer:

a. a. de douanewetgeving te verbeteren en de douaneprocedures te harmoniseren en te vereenvoudigen, overeenkomstig de internationale verdragen en normen die van toepassing zijn op douanegebied en op het gebied van handelsfacilitatie, met inbegrip van die welke zijn ontwikkeld door de WTO (de Overeenkomst inzake handelsfacilitatie daaronder begrepen) en de Werelddouaneorganisatie (met name de herziene Overeenkomst van Kyoto), en rekening houdend met de instrumenten en beste praktijken van de Europese Unie, zoals douaneblauwdrukken; b. b. moderne douanesystemen op te zetten, waaronder moderne technologieën voor de afhandeling van douaneformaliteiten; regelingen voor geautoriseerde marktdeelnemers; geautomatiseerde op risico gebaseerde analyses en controles; vereenvoudigde procedures voor de vrijgave van goederen; controles na vrijgave; transparante vaststelling van de douanewaarde en regelingen voor partnerschappen tussen de douane en ondernemingen; c. c. te zorgen voor de facilitatie en doeltreffende controle van de overlading en doorvoer over hun respectieve grondgebied; te zorgen voor samenwerking en coördinatie tussen alle betrokken autoriteiten en agentschappen op hun respectieve grondgebied om het douanevervoer te vergemakkelijken, en, waar nodig en passend, mogelijkheden te benutten om de respectieve douanestelsels voor doorvoer compatibel te maken; d. d. strenge normen inzake beroepsethiek aan te moedigen, met name aan de grens, door middel van de toepassing van maatregelen die de beginselen van de Verklaring van Arusha van de Werelddouaneorganisatie weerspiegelen; e. e. beste praktijken uit te wisselen en opleiding en technische ondersteuning te verlenen voor planning en voor het waarborgen van strenge normen op het gebied van beroepsethiek; f. f. waar passend informatie en gegevens uit te wisselen, met inachtneming van elkaars regels inzake de vertrouwelijkheid van gevoelige gegevens en de bescherming van persoonsgegevens; g. g. waar nodig en passend, deel te nemen aan gecoördineerde douaneacties tussen hun douaneautoriteiten.

Artikel 49

Onverminderd andere vormen van samenwerking waarin deze Overeenkomst voorziet, in het bijzonder in artikel 48, verlenen de Partijen elkaar wederzijdse administratieve bijstand in douaneaangelegenheden, overeenkomstig het protocol.

Artikel 50

1. Bij de handel tussen de Partijen zijn de artikelen 1 tot en met 17 van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de GATT 1994, opgenomen in bijlage 1A van de WTO-Overeenkomst, van toepassing op de vaststelling van de douanewaarde van goederen. Deze bepalingen worden mutatis mutandis in deze Overeenkomst opgenomen en maken hiervan integrerend deel uit.

2. De Partijen werken samen aan een gemeenschappelijke aanpak van kwesties met betrekking tot de douanewaarde.

Hoofdstuk 4. TECHNISCHE HANDELSBELEMMERINGEN

Artikel 51

Dit hoofdstuk heeft tot doel de handel in goederen tussen de Partijen te bevorderen door onnodige technische handelsbelemmeringen te voorkomen, op te sporen en weg te nemen.

Artikel 52

1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de opstelling, aanneming en toepassing van alle normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures zoals omschreven in de TBT-Overeenkomst, die de handel in goederen tussen de Partijen kunnen beïnvloeden.

2.

Onverminderd lid 1 is dit hoofdstuk niet van toepassing op:

a. a. aankoopspecificaties die door overheidsorganen zijn opgesteld om te voorzien in de productie- of verbruiksbehoeften van die organen; of b. b. sanitaire en fytosanitaire maatregelen zoals omschreven in bijlage A bij de SPS-Overeenkomst, die vallen onder hoofdstuk 5 van deze Overeenkomst.

Artikel 53

De Partijen bevestigen hun bestaande wederzijdse rechten en verplichtingen ingevolge de TBT-Overeenkomst, die hierbij mutatis mutandis in deze Overeenkomst wordt opgenomen en hiervan integrerend deel uitmaakt.

Artikel 54

1. Elke Partij voert, overeenkomstig de voor die Partij geldende regels en procedures, effectbeoordelingen van voorgenomen technische voorschriften uit, rekening houdend met de beschikbare regelgevings- en niet-regelgevingsalternatieven voor het voorgestelde technische voorschrift waarmee de legitieme doelstellingen van de Partij kunnen worden bereikt, overeenkomstig artikel 2.2 van de TBT-Overeenkomst.

2. Elke Partij gebruikt de terzake geldende internationale normen als basis voor haar technische voorschriften, tenzij zij kan aantonen dat die internationale normen ondoelmatig of ongeschikt zijn voor de verwezenlijking van de beoogde legitieme doelstellingen.

3. Wanneer een Partij geen internationale normen als grondslag voor haar technische voorschriften heeft gebruikt, neemt zij op verzoek van de andere Partij maatregelen om ervoor te zorgen dat wordt aangegeven op welke punten zij aanzienlijk is afgeweken van de toepasselijke internationale norm en licht zij de redenen toe waarom die normen ongeschikt of ondoelmatig voor de nagestreefde doelstelling zijn geacht.

4. Elke Partij evalueert haar technische voorschriften met het oog op grotere convergentie ervan met de terzake geldende internationale normen, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met nieuwe ontwikkelingen in de desbetreffende internationale normen of veranderingen in de omstandigheden die tot afwijking van die internationale norm hebben geleid.

5. Bij de ontwikkeling van belangrijke technische voorschriften die een aanzienlijk effect op het handelsverkeer kunnen hebben, neemt elke Partij maatregelen om er overeenkomstig haar respectieve regels en procedures voor te zorgen dat er procedures bestaan die personen in staat stellen via een publiek debat input te leveren, behalve wanneer zich dringende problemen op het gebied van veiligheid, gezondheid, milieubescherming of nationale veiligheid voordoen of dreigen voor te doen, en dat de resultaten van die besprekingen openbaar worden gemaakt.

Artikel 55

1.

Teneinde normen op een zo breed mogelijke grondslag te harmoniseren, moedigt elke Partij de op haar grondgebied gevestigde normalisatie-instellingen, alsmede de regionale normalisatie-instellingen waarvan zij of de op haar grondgebied gevestigde normalisatie-instellingen lid zijn, aan:

a. a. binnen hun mogelijkheden mee te werken aan de opstelling van internationale normen door de bevoegde internationale normalisatie-instellingen; b. b. de toepasselijke internationale normen te gebruiken als grondslag voor de normen die zij formuleren, behalve wanneer dergelijke internationale normen ondoeltreffend of ongeschikt zouden zijn, bijvoorbeeld omdat zij onvoldoende bescherming bieden of wegens fundamentele klimatologische of geografische omstandigheden of fundamentele technologische problemen; c. c. doublures of overlappingen met de werkzaamheden van de internationale normalisatie-instellingen te voorkomen; d. d. niet op de toepasselijke internationale normen gebaseerde nationale en regionale normen regelmatig te evalueren, teneinde de convergentie ervan met dergelijke internationale normen te verbeteren; e. e. bij internationale normalisatieactiviteiten samen te werken met de betrokken normalisatie-instellingen van de andere Partij; die samenwerking kan plaatsvinden binnen de internationale normalisatie-instellingen of op regionaal niveau; en f. f. de bilaterale samenwerking tussen hen en de normalisatie-instellingen van de andere Partij te bevorderen.

2. De Partijen moeten informatie uitwisselen over hun respectieve normalisatieprocessen, en de mate waarin zij internationale, regionale of sub-regionale normen als basis voor hun nationale normen hanteren.

3. Wanneer vereisten voor normen door middel van een ontwerp van een technisch voorschrift of conformiteitsbeoordelingsprocedure verplicht worden gesteld, moet worden voldaan aan de transparantieverplichtingen van artikel 58 van deze Overeenkomst en artikel 2 of 5 van de TBT-Overeenkomst.

4. Internationale normen die door de Internationale Organisatie voor normalisatie, de Internationale Elektrotechnische Commissie, de Internationale Telecommunicatie-unie en de door de Voedsel- en Landbouworganisatie opgerichte Codex Alimentarius-Commissie zijn vastgesteld, worden beschouwd als de terzake geldende internationale normen in de zin van de artikelen 2 en 5 van en bijlage 3 bij de TBT-Overeenkomst, waarbij het gebruik van andere internationale normen niet wordt uitgesloten.

5.

Een door andere internationale organisaties ontwikkelde norm kan ook worden beschouwd als een terzake geldende internationale norm in de zin van de artikelen 2 en 5 van en bijlage 3 bij de TBT-Overeenkomst, mits deze norm is ontwikkeld:

a. a. door een normalisatie-instelling die consensus nastreeft tussen:

        i.
        nationale delegaties van de deelnemende WTO-leden die alle nationale normalisatie-instellingen op hun grondgebied vertegenwoordigen welke voor het voorwerp van de internationale normalisatieactiviteit normen hebben vastgesteld of voornemens zijn vast te stellen; of
      
      
        ii.
        overheidsorganen van deelnemende WTO-leden; en

i. i. nationale delegaties van de deelnemende WTO-leden die alle nationale normalisatie-instellingen op hun grondgebied vertegenwoordigen welke voor het voorwerp van de internationale normalisatieactiviteit normen hebben vastgesteld of voornemens zijn vast te stellen; of ii. ii. overheidsorganen van deelnemende WTO-leden; en b. b. overeenkomstig het besluit van de Commissie inzake de beginselen voor de ontwikkeling van internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen met betrekking tot de artikelen 2 en 5 van en bijlage 3 bij de TBT-Overeenkomst.

Artikel 56

1. De in artikel 52 vastgestelde bepalingen betreffende de opstelling, aanneming en toepassing van technische voorschriften zijn mutatis mutandis op conformiteitsbeoordelingsprocedures van toepassing.

2. Indien een Partij een conformiteitsbeoordeling verlangt als positieve garantie dat een product in overeenstemming met een technisch voorschrift is, kiest zij conformiteitsbeoordelingsprocedures7)Wat de Kirgizische Republiek betreft, zijn de conformiteitsbeoordelingsprocedures vastgesteld bij technische voorschriften. die in verhouding staan tot de betrokken risicos, zoals bepaald op basis van een risicobeoordeling, in voorkomend geval met inbegrip van het gebruik van de conformiteitsverklaring van de leverancier.

3.

Indien een Partij een conformiteitsbeoordeling door een derde verlangt als positieve garantie dat een product in overeenstemming met een technisch voorschrift is, en zij die taak niet aan een overheidsinstantie heeft voorbehouden als bepaald in lid 4, dan:

a. a. maakt zij bij voorkeur gebruik van accreditatie voor de kwalificatie van conformiteitsbeoordelingsinstanties; b. b. maakt zij optimaal gebruik van internationale normen voor accreditatie en conformiteitsbeoordeling, alsmede van internationale overeenkomsten waarbij de accreditatie-instanties van de Partijen betrokken zijn, bijvoorbeeld via de mechanismen van de International Laboratory Accreditation Cooperation (ILAC) en het International Accreditation Forum (IAF); c. c. overweegt zij zich aan te sluiten bij of, naargelang het geval, moedigt zij haar conformiteitsbeoordelingsinstanties aan zich aan te sluiten bij alle geldende desbetreffende internationale overeenkomsten of regelingen voor harmonisatie of bevordering van de aanvaarding van conformiteitsbeoordelingsresultaten; d. d. ziet zij erop toe dat marktdeelnemers een keuze hebben tussen de door de autoriteiten van een Partij voor een bepaald product aanvaarde conformiteitsbeoordelingsinstanties; e. e. ziet zij erop toe dat conformiteitsbeoordelingsinstanties onafhankelijk zijn van fabrikanten, importeurs en marktdeelnemers in het algemeen en dat er tussen accreditatie-instanties en conformiteitsbeoordelingsinstanties geen sprake is van belangenconflicten; f. f. staat zij de conformiteitsbeoordelingsinstanties toe onderaannemers in te schakelen om tests of controles met betrekking tot de conformiteitsbeoordeling uit te voeren; en g. g. maakt zij op één website een lijst bekend van de instanties die zij heeft aangewezen om dergelijke conformiteitsbeoordelingen uit te voeren alsook relevante informatie over de reikwijdte van de aanwijzing van elk van die instanties.

4. Geen van de bepalingen van lid 3, punt f), kan zo worden uitgelegd dat zij een Partij verbiedt van onderaannemers te verlangen dat zij voldoen aan dezelfde eisen als die waaraan de conformiteitsbeoordelingsinstantie waarmee zij een verbintenis is aangegaan, zou moeten voldoen om de uitbestede tests of controles zelf uit te voeren.

5.

Geen van de bepalingen van dit artikel belet een Partij te eisen dat de conformiteitsbeoordeling voor specifieke producten door haar specifieke overheidsinstanties wordt uitgevoerd. In dergelijke gevallen doet de Partij het volgende:

a. a. zij beperkt de conformiteitsbeoordelingsvergoedingen tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten en licht, op verzoek van een aanvrager van een conformiteitsbeoordeling, toe hoe eventuele vergoedingen die zij voor een dergelijke conformiteitsbeoordeling aanrekent, beperkt blijven tot, bij benadering, de kosten van de verleende diensten; en b. b. zij maakt de vergoedingen voor conformiteitsbeoordeling openbaar.

6.

Drie jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst beginnen de Partijen besprekingen over de aanvaarding van een conformiteitsverklaring van een leverancier als bewijs van overeenstemming met bestaande technische voorschriften, met name op de volgende gebieden:

a. a. veiligheidsaspecten van elektrische en elektronische apparatuur; b. b. veiligheidsaspecten van machines; c. c. elektromagnetische compatibiliteit van apparatuur; d. d. energie-efficiëntie, met inbegrip van eisen inzake ecologisch ontwerp; en e. e. beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur.

Artikel 57

1.

De Partijen versterken hun samenwerking op het gebied van normen, technische voorschriften, metrologie, markttoezicht, accreditatie en conformiteitsbeoordelingsprocedures, teneinde het wederzijdse begrip van hun respectievelijke systemen te verbeteren en de toegang tot hun respectievelijke markten te vergemakkelijken. Daartoe streven de Partijen ernaar samenwerkingsmechanismen en -initiatieven op regelgevingsgebied in kaart te brengen en te ontwikkelen die geschikt zijn voor de specifieke onderwerpen of sectoren, met inbegrip van:

a. a. de uitwisseling van informatie en ervaringen over het opstellen en de toepassing van hun respectievelijke technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures; b. b. de aanmoediging van samenwerking tussen hun respectievelijke organisaties voor metrologie, normalisatie, conformiteitsbeoordeling en accreditatie; en c. c. de uitwisseling van informatie over ontwikkelingen in de bevoegde regionale en multilaterale fora die verband houden met normen, technische voorschriften, conformiteitsbeoordelingsprocedures en accreditatie.

2.

Ter bevordering van de onderlinge handel:

a. a. trachten de Partijen de verschillen te verkleinen die tussen hen bestaan met betrekking tot technische voorschriften, metrologie, normalisatie, markttoezicht, accreditatie en conformiteitsbeoordelingsprocedures, onder andere door de toepassing van internationaal overeengekomen instrumenten op dit gebied aan te moedigen; b. b. bevorderen de Partijen het gebruik van accreditatie, overeenkomstig de internationale regelgeving, ter ondersteuning van de evaluatie van de technische competentie van de conformiteitsbeoordelingsorganen en hun activiteiten; en c. c. stimuleren de Partijen de Kirgizische Republiek en haar relevante nationale instanties deel te nemen aan en waar mogelijk lid te worden van Europese en internationale organisaties die zich bezighouden met normen, conformiteitsbeoordeling, accreditatie, metrologie en daarmee samenhangende taken.

Artikel 58

1. Wanneer een Partij een voorstel voor een technisch voorschrift of een conformiteitsbeoordelingsprocedure aan het centraal register van kennisgevingen van de WTO toezendt, laat zij de andere Partij ten minste 60 dagen de tijd om schriftelijke opmerkingen in te dienen, tenzij zich dringende problemen voordoen of dreigen voor te doen op het gebied van veiligheid, gezondheid, milieubescherming of nationale veiligheid. Een Partij neemt redelijke verzoeken tot verlenging van de termijn om opmerkingen in te dienen, in overweging.

2.

Indien een Partij van de andere Partij schriftelijke opmerkingen over haar voorstel voor een technisch voorschrift of voor een conformiteitsbeoordelingsprocedure ontvangt, dan:

a. a. bespreekt zij, op verzoek van de andere Partij, de schriftelijke opmerkingen met de medewerking van haar eigen bevoegde regelgevende instantie, op een tijdstip waarop daarmee rekening kan worden gehouden; en b. b. antwoordt zij uiterlijk op de dag van de bekendmaking van het technisch voorschrift of de conformiteitsbeoordelingsprocedure schriftelijk op de opmerkingen.

3. Elke Partij maakt haar antwoorden op de opmerkingen die zij na de in lid 1 bedoelde kennisgeving ontvangt, uiterlijk op de datum van de bekendmaking van het aangenomen technisch voorschrift of van de aangenomen conformiteitsbeoordelingsprocedure bekend op een website.

4. Elke Partij verstrekt de andere Partij desgevraagd nadere informatie over het doel van, de rechtsgrondslag en de ratio voor een technisch voorschrift dat of een conformiteitsbeoordelingsprocedure die zij heeft vastgesteld of voornemens is vast te stellen.

5. Elke Partij ziet erop toe dat de door haar aangenomen technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures kosteloos op een gratis website worden gepubliceerd.

6. Elke Partij verstrekt informatie over de aanneming en de inwerkingtreding van het technische voorschrift en de conformiteitsbeoordelingsprocedure en de aangenomen definitieve tekst door middel van een addendum bij de oorspronkelijke kennisgeving aan de WTO.

7. Er wordt voorzien in een redelijke termijn tussen de bekendmaking van technische voorschriften en de inwerkingtreding ervan, zodat de marktdeelnemers van de andere Partij zich kunnen aanpassen. Onder „redelijke termijn” wordt verstaan: een periode van ten minste zes maanden, behalve in gevallen waarin dit een ondoeltreffend middel zou zijn om de nagestreefde legitieme doelstellingen te verwezenlijken.

8. Wanneer een Partij, na de toezending van een voorgesteld technisch voorschrift aan de WTO, voordat de in lid 1 vermelde termijn voor het indienen van opmerkingen was verstreken, een redelijk verzoek van de andere Partij heeft ontvangen dat strekt tot verlenging van de termijn tussen de aanneming van het technisch voorschrift en de dag waarop het van toepassing wordt, neemt zij dit in welwillende overweging, behalve in gevallen waarin de vertraging een ondoeltreffend middel zou zijn om de nagestreefde legitieme doelstellingen te verwezenlijken.

Artikel 59

1. De Partijen komen overeen dat een technisch voorschrift geheel of ten dele kan dienen voor markerings- of etiketteringsvereisten. In dergelijke gevallen passen de Partijen de beginselen van artikel 2.2 van de TBT-Overeenkomst toe.

2.

Indien een Partij voorschrijft dat producten van een markering of etiket moeten worden voorzien, geldt het volgende:

a. a. zij verlangt uitsluitend informatie die van belang is voor de consumenten of de gebruikers van het product of die aangeeft dat het product voldoet aan de verplichte technische vereisten; b. b. zij verlangt geen voorafgaande goedkeuring, registratie of certificering van de etiketten of markeringen van producten, en evenmin betaling van een vergoeding, als voorwaarde voor het in de handel brengen van producten die anderszins voldoen aan haar vastgestelde vereisten, tenzij zulks noodzakelijk is met het oog op het risico van de producten voor het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten, het milieu of de nationale veiligheid; c. c. indien zij verlangt dat marktdeelnemers een uniek identificatienummer gebruiken, kent zij een dergelijk nummer zonder onnodige vertraging en op niet-discriminerende grondslag toe aan de marktdeelnemers van de andere Partij; d. d. tenzij de onderstaande elementen misleidend, tegenstrijdig of verwarrend zijn ten opzichte van de informatie die in de Partij van invoer van de goederen moet worden verstrekt, staat die Partij toe dat:

        i.
        informatie wordt verstrekt in meer talen dan alleen de taal die in de Partij van invoer van de goederen is voorgeschreven;
      
      
        ii.
        internationaal aanvaarde nomenclaturen, pictogrammen, symbolen of afbeeldingen worden gebruikt; en
      
      
        iii.
        meer informatie dan die welke in de Partij van invoer van de goederen is voorgeschreven, wordt verstrekt;

i. i. informatie wordt verstrekt in meer talen dan alleen de taal die in de Partij van invoer van de goederen is voorgeschreven; ii. ii. internationaal aanvaarde nomenclaturen, pictogrammen, symbolen of afbeeldingen worden gebruikt; en iii. iii. meer informatie dan die welke in de Partij van invoer van de goederen is voorgeschreven, wordt verstrekt; e. e. zij aanvaardt dat etikettering, met inbegrip van aanvullende etikettering of correcties op de etikettering, plaatsvindt in douane-entrepots of andere aangewezen zones als alternatief voor etikettering in het land van herkomst; en f. f. in voorkomend geval zal zij overwegen niet-permanente of verwijderbare etiketten dan wel markeringen of etikettering in de begeleidende documentatie te aanvaarden, in plaats van dat deze op of aan het product zelf worden aangebracht.

Artikel 60

1. Een Partij kan om overleg met de andere Partij verzoeken over elke aangelegenheid die zich in verband met dit hoofdstuk voordoet, door bij de TBT-coördinator van de andere Partij een schriftelijk verzoek hiertoe in te dienen. De Partijen stellen alles in het werk om de kwestie op een voor beide Partijen bevredigende wijze op te lossen en kunnen daartoe het Samenwerkingscomité bijeenroepen. Ter verduidelijking:

2. Ter verduidelijking: dit artikel laat de rechten en verplichtingen van de Partijen uit hoofde van hoofdstuk 14 onverlet.

Artikel 61

1. Elke Partij benoemt een TBT-coördinator en stelt de andere Partij ervan in kennis indien die verandert. De TBT-coördinatoren werken nauw samen om de uitvoering van dit hoofdstuk en de samenwerking tussen de Partijen bij alle aangelegenheden die met de TBT-Overeenkomst verband houden, te faciliteren.

2.

De taken van elke TBT-coördinator omvatten:

a. a. de uitvoering en het beheer van dit hoofdstuk opvolgen, met inbegrip van kwesties in verband met de ontwikkeling, aanneming, toepassing of handhaving van normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures; b. b. contacten onderhouden met de TBT-coördinator van de andere Partij over initiatieven van de Partijen ter versterking van de samenwerking bij de ontwikkeling en verbetering van normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures, en informatie uitwisselen over ontwikkelingen binnen niet-gouvernementele, regionale en multilaterale fora met betrekking tot normen, technische voorschriften en conformiteitsbeoordelingsprocedures.

3. De TBT-coördinatoren communiceren met elkaar via enigerlei overeengekomen methode die geschikt is voor de uitvoering van hun taken.

Hoofdstuk 5. SANITAIRE EN FYTOSANITAIRE MAATREGELEN

Artikel 62

Dit hoofdstuk heeft tot doel de beginselen vast te stellen die van toepassing zijn op sanitaire en fytosanitaire maatregelen in het handelsverkeer tussen de Partijen, alsmede samen te werken op het gebied van dierenwelzijn, de bescherming van planten en antimicrobiële resistentie. De Partijen passen de in dit hoofdstuk bepaalde beginselen toe op een wijze die de handel faciliteert en voorkomt dat ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen tussen hen ontstaan, en die tegelijkertijd het beschermingsniveau van elke Partij op het gebied van het leven of de gezondheid van mensen, dieren en planten behoudt.

Artikel 63

De Partijen bevestigen hun uit hoofde van de SPS-Overeenkomst vastgestelde rechten en verplichtingen.

Artikel 64

1. De Partijen zorgen ervoor dat sanitaire en fytosanitaire maatregelen worden ontwikkeld en toegepast op basis van de beginselen van evenredigheid, transparantie, non-discriminatie en wetenschappelijke rechtvaardiging en rekening houdend met de internationale normen (het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten, ondertekend te Rome op 6 december 1951 (hierna „IPPC” genoemd), de Wereldorganisatie voor diergezondheid (hierna „OIE” genoemd) en de Codex Alimentarius-Commissie (hierna de „Codex Alimentarius” genoemd).

2. Elke Partij ziet erop toe dat sanitaire en fytosanitaire maatregelen niet leiden tot een willekeurig of ongerechtvaardigd onderscheid tussen het eigen grondgebied en dat van de andere Partij bij gelijke of gelijkaardige omstandigheden. Sanitaire en fytosanitaire maatregelen mogen niet worden toegepast op een manier die een verkapte beperking van het handelsverkeer tussen de Partijen zou inhouden.

3. Elke Partij zorgt ervoor dat maatregelen, procedures of controles op sanitair en fytosanitair gebied onverwijld worden uitgevoerd en dat verzoeken om informatie die van een bevoegde autoriteit van de andere Partij worden ontvangen, onverwijld worden behandeld en dat ingevoerde producten daarbij even gunstig worden behandeld als binnenlandse producten.

Artikel 65

1. De invoervereisten van de Partij van invoer gelden voor het hele grondgebied van de Partij van uitvoer, met inachtneming van artikel 64.

2. De invoervereisten die zijn vastgesteld in certificaten die vereist kunnen zijn voor de handel in levensmiddelen en landbouwproducten tussen de Partijen, worden gebaseerd op de beginselen van het IPPC, de OIE en de Codex Alimentarius en de desbetreffende normen daarvan, tenzij de invoervereisten stoelen op een wetenschappelijk verantwoorde risico-evaluatie die overeenkomstig de bepalingen van de SPS-Overeenkomst is uitgevoerd.

3. De vereisten die zijn vastgesteld in door de Kirgizische Republiek afgegeven invoervergunningen, mogen niet strenger zijn dan de sanitaire en veterinaire vereisten die zijn vastgesteld in de in lid 2 bedoelde certificaten. Elke Partij moet geharmoniseerde invoercertificaten toepassen die op centraal niveau worden beheerd en die van toepassing zijn op het gehele grondgebied van de Partij van uitvoer.

Artikel 66

Overeenkomstig de SPS-Overeenkomst en de toepasselijke normen, richtsnoeren en aanbevelingen van het IPPC, de OIE en de Codex Alimentarius:

a. a. aanvaarden de Partijen de concepten ziekte- of plagenvrije gebieden en gebieden met een lage prevalentie van ziekten of plagen; b. b. baseert de Partij van invoer haar sanitaire maatregelen die van toepassing zijn op de Partij van uitvoer waarvan het grondgebied door een plaag of ziekte wordt getroffen, op het zoneringsbesluit van de Partij van uitvoer, mits het passende beschermingsniveau van de Partij van invoer wordt bereikt; c. c. houden de Partijen bij de vaststelling van ziekte- of plagenvrije gebieden en gebieden met een lage prevalentie van ziekten of plagen rekening met factoren als geografische ligging, ecosystemen, epidemiologisch toezicht en de doeltreffendheid van sanitaire of fytosanitaire controles in die gebieden.

Artikel 67

Inspecties en audits die door een Partij van invoer worden uitgevoerd op het grondgebied van de Partij van uitvoer om de inspectie- en certificatiesystemen van deze Partij te toetsen en te erkennen, vinden plaats overeenkomstig de desbetreffende normen, richtsnoeren en aanbevelingen van het IPPC, de OIE en de Codex Alimentarius. De kosten van dergelijke inspecties en audits worden gedragen door de Partij die de inspectie of de audit verricht.

Artikel 68

1. De Partijen bespreken en wisselen informatie uit over bestaande sanitaire en fytosanitaire maatregelen en maatregelen met betrekking tot dierenwelzijn en de ontwikkeling en uitvoering daarvan. Bij dergelijke besprekingen en uitwisselingen worden waar nodig de SPS-Overeenkomst en de normen, richtsnoeren en aanbevelingen van het IPPC, de OIE en de Codex Alimentarius in acht genomen.

2. De Partijen komen overeen samen te werken inzake kwesties die verband houden met voedselveiligheid, diergezondheid, dierenwelzijn, plantengezondheid en antimicrobiële resistentie, door de uitwisseling van informatie, deskundigheid en ervaringen, met als doel capaciteit op deze gebieden op te bouwen. Dergelijke samenwerking kan technische bijstand omvatten.

3. Op verzoek van een van de Partijen stellen de Partijen tijdig een dialoog in over sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden in verband met sanitaire, fytosanitaire en andere urgente kwesties die door dit hoofdstuk worden bestreken. Het Samenwerkingscomité kan regels vaststellen voor het voeren van die dialoog.

4. De Partijen wijzen contactpunten aan voor de communicatie over zaken die onder dit hoofdstuk vallen, en houden de lijst van contactpunten actueel.

Artikel 69

Elke Partij:

a. a. streeft naar transparantie met betrekking tot sanitaire en fytosanitaire maatregelen die op de handel van toepassing zijn en in het bijzonder met betrekking tot de sanitaire en fytosanitaire voorschriften die gelden voor invoer van de andere Partij; b. b. deelt op verzoek van de andere Partij, binnen twee maanden na de datum van een dergelijk verzoek, de vereisten mee die voor de invoer van specifieke producten van toepassing zijn en geeft aan of een risicobeoordeling nodig is; en c. c. stelt het contactpunt van de andere Partij onverwijld per post, fax of e-mail in kennis van ernstige of significante risicos voor de gezondheid van dieren of planten, daaronder begrepen noodsituaties in de levensmiddelensector, met betrekking tot tussen de Partijen verhandelde goederen.

Hoofdstuk 6. HANDEL IN DIENSTEN EN INVESTERINGEN

Artikel 70

1. De Partijen bevestigen hun respectieve verbintenissen in het kader van de WTO-Overeenkomst en leggen hierbij de noodzakelijke regels vast voor de verbetering van de wederzijdse voorwaarden voor de handel in diensten en investeringen.

2. Geen van de bepalingen van dit hoofdstuk kan zo worden uitgelegd dat een verplichting wordt opgelegd ten aanzien van overheidsopdrachten, die voorwerp zijn van hoofdstuk 9.

3. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op door een van de Partijen verleende subsidies.

4. De Partijen herbevestigen het recht om op hun respectieve grondgebied regelgeving vast te stellen ter verwezenlijking van legitieme beleidsdoelstellingen, zoals bescherming van de volksgezondheid, sociale diensten, het openbaar onderwijs, veiligheid, het milieu, met inbegrip van klimaatverandering, de openbare zeden, sociale of consumentenbescherming, eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en gegevensbescherming, en de bevordering en bescherming van de culturele verscheidenheid.

5. Dit hoofdstuk is noch van toepassing op maatregelen betreffende natuurlijke personen die toegang tot de arbeidsmarkt van de Partijen zoeken, noch op maatregelen inzake staatsburgerschap, verblijf of werk op permanente basis.

6. Dit hoofdstuk belet een Partij niet maatregelen toe te passen tot regeling van de toegang van natuurlijke personen tot of hun tijdelijke verblijf op haar grondgebied, daarbij inbegrepen de maatregelen die nodig zijn voor het beschermen van de integriteit van haar grenzen of voor het verzekeren van het ordentelijke verkeer van natuurlijke personen over haar grenzen, mits die maatregelen niet zodanig worden toegepast dat de voordelen die de andere Partij op grond van dit hoofdstuk toekomen, worden tenietgedaan of uitgehold. Het feit alleen dat voor natuurlijke personen afkomstig uit bepaalde landen wel en voor die uit andere landen geen visum vereist is, wordt niet geacht voordelen die zijn verworven uit hoofde van dit hoofdstuk teniet te doen of uit te hollen.

7.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt geen rekening gehouden met de behandeling die door een Partij wordt toegekend:

a. a. op grond van een overeenkomst tot wezenlijke liberalisering van de handel (met inbegrip van vestiging op het gebied van diensten) die voldoet aan de criteria van de artikelen V en V bis van de GATS, of een overeenkomst tot wezenlijke liberalisering van vestiging voor andere economische activiteiten die ten aanzien van die activiteiten aan dezelfde criteria voldoet; b. b. voortvloeiend uit maatregelen die voorzien in de erkenning van onder meer de normen of criteria voor machtiging, vergunningverlening of certificering van een natuurlijke persoon of onderneming om een economische activiteit uit te oefenen, of van prudentiële maatregelen.

8. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de audiovisuele sector.

Artikel 71

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a. „activiteit verricht in de uitoefening van overheidsgezag”: een activiteit die wordt verricht, met inbegrip van diensten die worden verleend, noch op commerciële basis, noch in concurrentie met een of meer marktdeelnemers; b. b. „filiaal”: een in een Partij gevestigde handelszaak zonder rechtspersoonlijkheid die kennelijk een permanent karakter bezit, zoals een verlengstuk van een moedermaatschappij die in de andere Partij gevestigd is, met een eigen management en die over de nodige materiële voorzieningen beschikt om zaken te doen met derden, zodanig dat laatstgenoemden, hoewel zij ervan op de hoogte zijn dat er indien nodig een rechtsverhouding is met de moedermaatschappij waarvan het hoofdkantoor zich in de andere Partij bevindt, geen rechtstreeks contact behoeven te hebben met deze moedermaatschappij, maar hun transacties kunnen afhandelen met de handelszaak die het verlengstuk vormt; c. c. „grensoverschrijdende dienstverlening”: het verlenen van een dienst:

      i.
      vanaf het grondgebied van een Partij naar het grondgebied van de andere Partij; of
    
    
      ii.
      op het grondgebied van een Partij ten behoeve van een gebruiker van de dienst uit de andere Partij;

i. i. vanaf het grondgebied van een Partij naar het grondgebied van de andere Partij; of ii. ii. op het grondgebied van een Partij ten behoeve van een gebruiker van de dienst uit de andere Partij; d. d. „economische activiteit”: elke dienst of activiteit van industriële, commerciële of professionele aard en elke activiteit van ambachtslieden, behalve in de uitoefening van overheidsgezag verleende diensten en verrichte activiteiten; e. e. „onderneming”: rechtspersoon, filiaal of vertegenwoordigingskantoor, opgericht of opgezet door middel van vestiging; f. f. „vestiging”: het opzetten of verwerven van een rechtspersoon, ook door middel van deelneming in het kapitaal, of het opzetten van een filiaal of vertegenwoordiging, in de Europese Unie respectievelijk de Kirgizische Republiek, met het oog op de totstandbrenging of handhaving van duurzame economische banden; g. g. „binnen de onderneming overgeplaatste persoon”: een natuurlijke persoon die ten minste gedurende het jaar dat onmiddellijk aan de datum van indiening van de aanvraag voor toegang en tijdelijk verblijf in de andere Partij voorafging, werknemer of partner van een rechtspersoon van een Partij is, en die tijdelijk wordt overgeplaatst naar een onderneming op het grondgebied van de andere Partij, welke onderneming deel uitmaakt van dezelfde groep als de eerstgenoemde rechtspersoon, met inbegrip van haar vertegenwoordiging, dochteronderneming, filiaal of moedervennootschap, op voorwaarde dat:

      i.
      de betrokken natuurlijke persoon tot een van de volgende categorieën behoort:
      
        
          a.
          leidinggevenden of kaderleden: personen die deel uitmaken van het hoger leidinggevend personeel, die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het management van de onderneming, onder het algemene toezicht of de leiding van de raad van bestuur of aandeelhouders of daarmee gelijkgestelde personen, en die ten minste:
          
            
              1.
              leiding geven aan de onderneming of een afdeling daarvan;
            
            
              2.
              toezicht houden op de werkzaamheden van andere toezichthoudende, gespecialiseerde of leidinggevende werknemers en deze werkzaamheden controleren; en
            
            
              3.
              persoonlijk bevoegd zijn werknemers in dienst te nemen en te ontslaan of de indienstneming of het ontslag van werknemers of andere maatregelen in het kader van het personeelsbeleid aan te bevelen;
            
          
        
        
          b.
          specialisten: personen die beschikken over gespecialiseerde kennis die van wezenlijk belang is voor de productie, de onderzoeksuitrusting, de technieken, de processen, de procedures of het management van de onderneming; of
        
        
          c.
          stagiair-werknemers: personen met een universitair diploma die met het oog op loopbaanontwikkeling of voor een opleiding in bedrijfstechnieken of -methoden tijdelijk worden overgeplaatst8)Van de ontvangende onderneming kan worden verlangd dat zij vooraf ter goedkeuring een opleidingsprogramma voor de volledige duur van het verblijf voorlegt, om aan te tonen dat het verblijf bedoeld is voor opleiding. AT, CZ, DE, ES, FR, HU en LT: de stage moet verband houden met de verkregen universitaire graad.;
        
      
    
    
      ii.
      voor de Europese Unie: voor de beoordeling van de in punt i), B), bedoelde kennis wordt niet alleen specifiek met de onderneming verband houdende kennis in aanmerking genomen, maar ook of de persoon hoog gekwalificeerd is voor een type werk of handel waarvoor specifieke technische kennis vereist is, daaronder begrepen het lidmaatschap van een erkende beroepsgroep;

i. i. de betrokken natuurlijke persoon tot een van de volgende categorieën behoort:

          a.
          leidinggevenden of kaderleden: personen die deel uitmaken van het hoger leidinggevend personeel, die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het management van de onderneming, onder het algemene toezicht of de leiding van de raad van bestuur of aandeelhouders of daarmee gelijkgestelde personen, en die ten minste:
          
            
              1.
              leiding geven aan de onderneming of een afdeling daarvan;
            
            
              2.
              toezicht houden op de werkzaamheden van andere toezichthoudende, gespecialiseerde of leidinggevende werknemers en deze werkzaamheden controleren; en
            
            
              3.
              persoonlijk bevoegd zijn werknemers in dienst te nemen en te ontslaan of de indienstneming of het ontslag van werknemers of andere maatregelen in het kader van het personeelsbeleid aan te bevelen;
            
          
        
        
          b.
          specialisten: personen die beschikken over gespecialiseerde kennis die van wezenlijk belang is voor de productie, de onderzoeksuitrusting, de technieken, de processen, de procedures of het management van de onderneming; of
        
        
          c.
          stagiair-werknemers: personen met een universitair diploma die met het oog op loopbaanontwikkeling of voor een opleiding in bedrijfstechnieken of -methoden tijdelijk worden overgeplaatst8)Van de ontvangende onderneming kan worden verlangd dat zij vooraf ter goedkeuring een opleidingsprogramma voor de volledige duur van het verblijf voorlegt, om aan te tonen dat het verblijf bedoeld is voor opleiding. AT, CZ, DE, ES, FR, HU en LT: de stage moet verband houden met de verkregen universitaire graad.;

a. a. leidinggevenden of kaderleden: personen die deel uitmaken van het hoger leidinggevend personeel, die in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het management van de onderneming, onder het algemene toezicht of de leiding van de raad van bestuur of aandeelhouders of daarmee gelijkgestelde personen, en die ten minste:

              1.
              leiding geven aan de onderneming of een afdeling daarvan;
            
            
              2.
              toezicht houden op de werkzaamheden van andere toezichthoudende, gespecialiseerde of leidinggevende werknemers en deze werkzaamheden controleren; en
            
            
              3.
              persoonlijk bevoegd zijn werknemers in dienst te nemen en te ontslaan of de indienstneming of het ontslag van werknemers of andere maatregelen in het kader van het personeelsbeleid aan te bevelen;
    1.         leiding geven aan de onderneming of een afdeling daarvan;
      
    1.         toezicht houden op de werkzaamheden van andere toezichthoudende, gespecialiseerde of leidinggevende werknemers en deze werkzaamheden controleren; en
      
    1.         persoonlijk bevoegd zijn werknemers in dienst te nemen en te ontslaan of de indienstneming of het ontslag van werknemers of andere maatregelen in het kader van het personeelsbeleid aan te bevelen;
      

b. b. specialisten: personen die beschikken over gespecialiseerde kennis die van wezenlijk belang is voor de productie, de onderzoeksuitrusting, de technieken, de processen, de procedures of het management van de onderneming; of c. c. stagiair-werknemers: personen met een universitair diploma die met het oog op loopbaanontwikkeling of voor een opleiding in bedrijfstechnieken of -methoden tijdelijk worden overgeplaatst8)Van de ontvangende onderneming kan worden verlangd dat zij vooraf ter goedkeuring een opleidingsprogramma voor de volledige duur van het verblijf voorlegt, om aan te tonen dat het verblijf bedoeld is voor opleiding. AT, CZ, DE, ES, FR, HU en LT: de stage moet verband houden met de verkregen universitaire graad.; ii. ii. voor de Europese Unie: voor de beoordeling van de in punt i), B), bedoelde kennis wordt niet alleen specifiek met de onderneming verband houdende kennis in aanmerking genomen, maar ook of de persoon hoog gekwalificeerd is voor een type werk of handel waarvoor specifieke technische kennis vereist is, daaronder begrepen het lidmaatschap van een erkende beroepsgroep; h. h. „investeerder van een Partij”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon van die Partij die door middel van het opzetten van een vestiging een economische activiteit tracht uit te oefenen of uitoefent in de andere Partij; i. i. „rechtspersoon”: een juridische entiteit, naar toepasselijk recht opgericht of anderszins georganiseerd, met winst- of andere oogmerken, en in eigendom van particulieren of van de overheid, met inbegrip van kapitaalvennootschappen, trusts, personenvennootschappen, joint ventures, eenmanszaken of verenigingen; j. j. „rechtspersoon van een Partij”: een rechtspersoon die overeenkomstig het recht van de Europese Unie of haar lidstaten of het recht van de Kirgizische Republiek is opgericht en die zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of zijn hoofdvestiging op het grondgebied van de Europese Unie respectievelijk de Kirgizische Republiek heeft; wanneer een rechtspersoon die overeenkomstig het recht van de Europese Unie of haar lidstaten of het recht van de Kirgizische Republiek is opgericht, alleen zijn statutaire zetel of hoofdbestuur op het grondgebied van de Europese Unie respectievelijk de Kirgizische Republiek heeft, wordt hij niet als rechtspersoon van een Partij beschouwd, tenzij hij op het grondgebied van respectievelijk de Europese Unie of de Kirgizische Republiek wezenlijke zakelijke transacties verricht; buiten de Europese Unie of de Kirgizische Republiek gevestigde scheepvaartondernemingen waarover onderdanen van respectievelijk een lidstaat van de Europese Unie of van de Kirgizische Republiek zeggenschap hebben, vallen ook onder dit hoofdstuk indien hun schepen overeenkomstig hun respectieve wetgeving in respectievelijk een lidstaat van de Europese Unie of in de Kirgizische Republiek zijn geregistreerd en zij de vlag van een lidstaat van de Europese Unie of van de Kirgizische Republiek voeren; k. k. „natuurlijke persoon van de Europese Unie” en „natuurlijke persoon van de Kirgizische Republiek”: een onderdaan van respectievelijk een van de lidstaten van de Europese Unie of van de Kirgizische Republiek overeenkomstig de nationale wet- en regelgeving van respectievelijk die lidstaat van de Europese Unie9)De definitie van „natuurlijke persoon van de Europese Unie” omvat ook een natuurlijke persoon die een permanente ingezetene van de Republiek Letland is en die geen burger van de Republiek Letland of van een andere staat is, maar die op grond van de wet- en regelgeving van de Republiek Letland recht heeft op een paspoort voor niet-staatsburgers. of de Kirgizische Republiek; l. l. „exploitatie”: de uitbating, het beheer, het aanhouden, het gebruik, het genot en het verkopen of een andere vorm van beschikken over een onderneming; m. m. „diensten”: alle diensten in enige sector behalve diensten die in de uitoefening van overheidsgezag worden verleend10)Ter verduidelijking: voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt met „een dienst” bedoeld, een dienst zoals die welke zijn vermeld in de meest recente versie van WTO-document MTN.GNS/W/120.; n. n. „dienstverlener”: een natuurlijke of rechtspersoon die een dienst aanbiedt of verleent; o. o. „dochteronderneming van een rechtspersoon van een Partij”: een rechtspersoon waarover een andere rechtspersoon uit die Partij zeggenschap heeft; p. p. „dienstverlening”: de productie, distributie, marketing, verkoop of levering van een dienst.

Artikel 72

1. Wat de vestiging en exploitatie van een onderneming met het oog op het verrichten van economische activiteiten op haar grondgebied betreft, behandelt de Europese Unie investeerders uit de Kirgizische Republiek en hun ondernemingen niet minder gunstig dan investeerders uit derde landen en hun ondernemingen.

2. Wat de vestiging en exploitatie van een onderneming met het oog op het verrichten van economische activiteiten op haar grondgebied betreft, behandelt de Kirgizische Republiek investeerders uit de Europese Unie en hun ondernemingen niet minder gunstig dan haar eigen investeerders en hun ondernemingen of dan investeerders uit een derde land en hun ondernemingen, indien deze behandeling gunstiger is. Ter verduidelijking:

3. Ter verduidelijking: de in de leden 1 en 2 genoemde behandeling heeft geen betrekking op procedures voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten waarin andere internationale overeenkomsten voorzien. Materiële bepalingen in andere internationale overeenkomsten die door een Partij met een derde zijn gesloten, vormen als zodanig geen behandeling in de zin van dit artikel. Maatregelen van een Partij op grond van dergelijke bepalingen11)Ter verduidelijking: de loutere omzetting van dergelijke bepalingen door een Partij in haar nationale recht voor zover dat nodig is om ze in de interne rechtsorde op te nemen, vormt op zich geen maatregel. kunnen een behandeling als bedoeld in de leden 1 en 2 vormen en derhalve aanleiding geven tot een inbreuk op dit artikel.

4. De leden 1, 2 en 3 van dit artikel zijn niet van toepassing op het vervoer door de lucht, over binnenwateren of over zee.

Artikel 73

1. Onverminderd andere bepalingen van dit hoofdstuk mag van een Partij niet worden verlangd dat zij met betrekking tot de sectoren of maatregelen die onder de GATS vallen, voor elke dienstensector en subsector en elke vorm van dienstverlening een gunstiger behandeling verleent dan die welke zij krachtens de GATS moet verlenen. Ter verduidelijking:

2. Ter verduidelijking: voor diensten geldt dat de GATS-lijsten van verbintenissen van de Partijen, inclusief voorbehouden en, wat de Europese Unie betreft, de bijlage daarbij betreffende vrijstellingen van de toepassing van artikel II (meestbegunstigingsvrijstellingen), in deze Overeenkomst worden opgenomen, hiervan integrerend deel uitmaken en van toepassing zijn.

Artikel 74

1. Geen van de bepalingen van deze Overeenkomst kan zo worden uitgelegd dat een Partij wordt belet prudentiële maatregelen vast te stellen of te handhaven, zoals de bescherming van investeerders, depositohouders, verzekeringnemers of personen jegens wie een financiële dienstverlener fiduciaire verplichtingen heeft of om de integriteit en de stabiliteit van het financiële systeem te waarborgen. In gevallen waarin dergelijke maatregelen niet in overeenstemming met deze Overeenkomst zijn, mogen zij niet worden gebruikt als middel om de uit deze Overeenkomst voortvloeiende verbintenissen of verplichtingen van een Partij te ontwijken.

2. Geen van de bepalingen van deze Overeenkomst kan zo worden uitgelegd dat zij een Partij ertoe verplicht informatie bekend te maken over de zaken en rekeningen van individuele klanten of vertrouwelijke of geheime informatie die in het bezit van openbare instanties is.

Artikel 75

Een Partij kan de voordelen van dit hoofdstuk weigeren aan een rechtspersoon van de andere Partij of aan een door die rechtspersoon op haar grondgebied gevestigde onderneming als de weigerende Partij maatregelen vaststelt of handhaaft in verband met de handhaving van de internationale vrede en veiligheid, met inbegrip van de bescherming van de rechten van de mens, die:

a. a. transacties met die rechtspersoon of met de onderneming van die rechtspersoon verbieden; of b. b. zouden worden geschonden of omzeild indien de uit hoofde van dit hoofdstuk toegekende voordelen aan die rechtspersoon of de onderneming van die rechtspersoon zouden worden verleend, ook wanneer de maatregelen transacties verbieden met een natuurlijke persoon die eigenaar is van of zeggenschap heeft over die rechtspersoon of de onderneming van die rechtspersoon.

Artikel 76

1. Elke Partij staat investeerders uit de andere Partij toe natuurlijke personen uit de andere Partij in hun onderneming in dienst te nemen, mits die werknemers binnen de onderneming overgeplaatste personen zijn.

2.

De toegang en het tijdelijke verblijf van de in lid 1 bedoelde natuurlijke personen gelden:

a. a. voor een periode van ten hoogste drie jaar voor leidinggevenden of kaderleden; b. b. voor een periode van ten hoogste drie jaar voor specialisten; en c. c. voor een periode van ten hoogste een jaar voor stagiair-werknemers.

3. Alle verplichtingen in de wet- en regelgeving van de Partijen aangaande binnenkomst, verblijf, arbeid en sociale zekerheid, met inbegrip van regelingen betreffende verblijfsduur, minimumloon en collectieve loonovereenkomsten, blijven van toepassing.

4. Dit artikel is niet van toepassing in gevallen waarin het de bedoeling of het gevolg van de tijdelijke aanwezigheid van een binnen een onderneming overgeplaatste persoon is om in te grijpen in of op andere wijze invloed uit te oefenen op een arbeids- of managementgeschil of -onderhandeling.

Artikel 77

De Partijen erkennen dat het belangrijk is elkaars investeerders de nationale behandeling toe te kennen met betrekking tot de vestiging en de exploitatie van ondernemingen op hun respectievelijk grondgebied en nemen de totstandbrenging van een daartoe strekkende, voor beide Partijen aanvaardbare regeling in overweging, met inachtneming van alle door het Samenwerkingscomité gedane aanbevelingen.

Artikel 78

1. Elke Partij vermijdt voor zover mogelijk het nemen van maatregelen of het ontplooien van activiteiten die de voorwaarden voor de vestiging en de exploitatie op hun grondgebied van ondernemingen van elkaars ondernemers restrictiever maken dan op de dag voorafgaande aan de datum van ondertekening van deze Overeenkomst het geval was.

2. In een geest van partnerschap en samenwerking en in het licht van hoofdstuk 13 geeft de Kirgizische Republiek de Europese Unie kennis van voorgenomen nieuwe wet- of regelgeving die de voorwaarden voor de vestiging of de exploitatie van ondernemingen in de Kirgizische Republiek van investeerders uit de Europese Unie restrictiever maakt dan op de dag voorafgaande aan de datum van ondertekening van deze Overeenkomst het geval is.

3. De Europese Unie kan van de Kirgizische Republiek verlangen dat het land haar het ontwerp van nieuwe wet- of regelgeving als bedoeld in lid 2 doet toekomen en daaromtrent overleg pleegt.

4. Wanneer nieuwe wet- of regelgeving in de Kirgizische Republiek de voorwaarden voor de exploitatie van ondernemingen van investeerders uit de Europese Unie restrictiever zou maken dan op de datum van ondertekening van deze Overeenkomst het geval was, zijn deze wet- en regelgeving gedurende drie jaar na de inwerkingtreding ervan niet van toepassing op ondernemingen die op het tijdstip van de inwerkingtreding ervan reeds in de Kirgizische Republiek gevestigd zijn.

5. Ter verduidelijking: belastingmaatregelen die de Kirgizische Republiek op niet-discriminerende wijze toepast, worden niet als restrictiever in de zin van lid 4 beschouwd.

Artikel 79

1. De Partijen verbinden zich ertoe overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk de nodige maatregelen te nemen om geleidelijk grensoverschrijdende dienstverlening tussen de Partijen mogelijk te maken, rekening houdend met de ontwikkeling van hun respectieve dienstensectoren.

2. De Samenwerkingsraad doet aanbevelingen voor de uitvoering van dit artikel.

Artikel 80

De Partijen werken samen met het oog op de ontwikkeling van een marktgerichte dienstensector in de Kirgizische Republiek.

Artikel 81

1. De Partijen passen het beginsel van onbeperkte toegang tot de internationale markten voor zeevervoer op commerciële en niet-discriminerende grondslag toe.

2.

Bij de toepassing van het in lid 1 beschreven beginsel geldt het volgende:

a. a. de Partijen nemen in toekomstige bilaterale overeenkomsten met derde landen geen vrachtverdelingsregelingen op met betrekking tot zeevervoerdiensten, met inbegrip van het vervoer van droge en vloeibare bulkladingen en het lijnverkeer, en zij beëindigen binnen een redelijke termijn dergelijke vrachtverdelingsregelingen wanneer die in eerdere overeenkomsten voorkomen; en b. b. de Partijen heffen bij de inwerkingtreding van deze Overeenkomst alle unilaterale maatregelen en administratieve, technische en andere belemmeringen op die een verkapte beperking kunnen zijn van of een discriminatoir effect kunnen hebben op het vrij verrichten van diensten in het internationale zeevervoer, en zij zien af van invoering ervan.

Artikel 82

Met het oog op een gecoördineerde ontwikkeling van het vervoer tussen de Partijen in overeenstemming met hun commerciële behoeften, kunnen de voorwaarden voor wederzijdse markttoegang en verlening van diensten op het gebied van vervoer over de weg, per spoor en over de binnenwateren en, in voorkomend geval, het luchtvervoer, worden vastgelegd in bijzondere overeenkomsten waarover tussen de Partijen na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst wordt onderhandeld.

Hoofdstuk 7. KAPITAALVERKEER, BETALINGEN EN OVERMAKINGEN EN TIJDELIJKE VRIJWARINGSMAATREGELEN

Artikel 83

Onverminderd andere bepalingen van deze Overeenkomst staan de Partijen alle betalingen toe met betrekking tot transacties op de lopende rekening van de betalingsbalans tussen de Partijen, in vrij converteerbare valuta, overeenkomstig, waar van toepassing, de Statuten van het Internationale Monetaire Fonds die op 22 juli 1944 op de monetaire en financiële conferentie van de Verenigde Naties zijn aangenomen.

Artikel 84

1. Met betrekking tot verrichtingen op de kapitaalrekening en de financiële rekening van de betalingsbalans waarborgt elke Partij vanaf de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst het vrije verkeer van kapitaal dat verband houdt met directe investeringen die overeenkomstig het op haar grondgebied geldende recht en hoofdstuk 6 zijn gedaan, alsmede de liquidatie of repatriëring van dergelijk geïnvesteerd kapitaal en van alle opbrengsten daarvan.

2. Onverminderd hetgeen elders in deze Overeenkomst is bepaald, voert geen van de Partijen nieuwe beperkingen in op het kapitaalverkeer en op lopende betalingen tussen ingezetenen van de lidstaten van de Europese Unie en van de Kirgizische Republiek en leggen zij in de bestaande regelingen geen verdere beperkingen op.

3. De Partijen treden met elkaar in overleg teneinde hun onderlinge kapitaalverkeer te faciliteren om handel en investeringen te bevorderen.

Artikel 85

1.

De artikelen 83 en 84 mogen een Partij niet beletten toepassing te geven aan haar wet- en regelgeving betreffende:

a. a. faillissement, insolventie of crediteurenbescherming; b. b. de uitgifte van, de handel in of de verhandeling van financiële instrumenten; c. c. financiële verslaglegging of registratie van kapitaalstromen, betalingen of overmakingen waar dat nodig is ter ondersteuning van de rechtshandhavings- of financiële regelgevende autoriteiten; d. d. overtredingen of misdrijven, misleidende of frauduleuze praktijken; e. e. het waarborgen dat wordt voldaan aan beschikkingen of uitspraken van rechterlijke of soortgelijke instanties; of f. f. socialezekerheidsregelingen, wettelijke pensioenregelingen of verplichte spaarregelingen.

2. De in lid 1 bedoelde wet- en regelgeving mag niet willekeurig of discriminerend worden toegepast, noch anderszins een verkapte beperking van kapitaalstromen, betalingen of overmakingen vormen.

Artikel 86

1. In uitzonderlijke omstandigheden van ernstige moeilijkheden, of dreigende ernstige moeilijkheden, voor de werking van het monetaire beleid of het wisselkoersbeleid in geval van de Kirgizische Republiek of een lidstaat van de Europese Unie waarvan de munt niet de euro is, of voor de werking van de economische en monetaire unie in geval van de Europese Unie, kan de desbetreffende Partij voor een periode van ten hoogste zes maanden strikt noodzakelijke vrijwaringsmaatregelen treffen of handhaven ten aanzien van het kapitaalverkeer, betalingen of overdrachten.

2. De in lid 1 bedoelde maatregelen gaan niet verder dan strikt noodzakelijk is.

Artikel 87

1. Indien een Partij ernstige moeilijkheden ondervindt of dreigt te ondervinden met betrekking tot de betalingsbalans of de buitenlandse financiële positie, kan zij beperkende maatregelen nemen of handhaven ten aanzien van kapitaalstromen, betalingen of overmakingen12)In het geval van de Europese Unie kunnen dergelijke maatregelen worden genomen door een van de lidstaten van de Europese Unie in andere situaties dan de situaties als bedoeld in artikel 86, indien zij van invloed zijn op de economie van die lidstaat..

2.

De in lid 1 bedoelde maatregelen:

a. a. zijn in overeenstemming met de Statuten van het Internationaal Monetair Fonds, waar van toepassing; b. b. gaan niet verder dan nodig is om het hoofd te bieden aan ernstige of dreigende ernstige moeilijkheden op het gebied van de betalingsbalans of de buitenlandse financiële positie; c. c. zijn tijdelijk en worden geleidelijk opgeheven naarmate de in lid 1 bedoelde omstandigheden verbeteren; d. d. brengen geen onnodig nadeel toe aan de commerciële, economische en financiële belangen van de andere Partij; e. e. zijn in soortgelijke situaties niet minder gunstig voor de andere Partij dan voor een niet-Partij.

3. Ten aanzien van de handel in goederen kan elke Partij beperkende maatregelen instellen ter bescherming van haar buitenlandse financiële positie of haar betalingsbalans. Dergelijke maatregelen moeten in overeenstemming zijn met de GATT 1994 en het Memorandum van Overeenstemming betreffende de betalingsbalansbepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994.

4. Ten aanzien van de handel in diensten kan elke Partij beperkende maatregelen instellen ter bescherming van haar buitenlandse financiële positie of haar betalingsbalans. Dergelijke maatregelen moeten in overeenstemming zijn met artikel XII van de GATS.

5. Een Partij die in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen handhaaft of heeft genomen, stelt de andere Partij daarvan onverwijld in kennis.

6.

Wanneer op grond van dit artikel beperkingen worden ingesteld of gehandhaafd, wordt hierover onverwijld overleg gevoerd in het Samenwerkingscomité, tenzij in andere fora overleg plaatsvindt. Tijdens het overleg worden de moeilijkheden met betrekking tot de betalingsbalans of de buitenlandse financiële positie die tot de respectievelijke maatregelen hebben geleid, beoordeeld, rekening houdend met onder meer de volgende factoren:

a. a. de aard en omvang van de betalingsbalansmoeilijkheden of de moeilijkheden met betrekking tot de buitenlandse financiële positie; b. b. de buitenlandse economische positie en handelssituatie; en c. c. andere corrigerende maatregelen die genomen kunnen worden.

7. Het in lid 6 bedoelde overleg betreft de verenigbaarheid van de beperkende maatregelen met de leden 1 en 2. Alle eventueel beschikbare relevante bevindingen van statistische of feitelijke aard die van het Internationaal Monetair Fonds afkomstig zijn, worden aanvaard en bij de conclusies wordt rekening gehouden met het oordeel van het Internationaal Monetair Fonds over de betalingsbalans en de buitenlandse financiële positie van de betrokken Partij.

Hoofdstuk 8. INTELLECTUELE-EIGENDOMSRECHTEN

Afdeling A. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 88

Dit hoofdstuk heeft tot doel:

a. a. de productie en commercialisering van innovatieve en creatieve producten en diensten tussen de Partijen te vergemakkelijken en zo bij te dragen tot een duurzamere en meer inclusieve economie voor de Partijen; b. b. de handel tussen de Partijen te faciliteren en te regelen en verstoringen en belemmeringen van dergelijke handel te verminderen; en c. c. een toereikend en doeltreffend beschermings- en handhavingsniveau voor intellectuele-eigendomsrechten te bereiken.

Artikel 89

1. De Partijen voeren de internationale verdragen uit op het gebied van intellectuele eigendom waarbij zij partij zijn, waaronder de Trips-Overeenkomst. Dit hoofdstuk vormt een aanvulling op en specificatie van de rechten en verplichtingen van elke Partij uit hoofde van de Trips-Overeenkomst en andere internationale verdragen op het gebied van intellectuele eigendom waarbij zij partij zijn.

2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt met „intellectuele-eigendomsrechten” bedoeld: alle categorieën intellectuele eigendom als bedoeld in de artikelen 92 tot en met 136 van deze Overeenkomst en in deel II, afdelingen 1 tot en met 7, van de Trips-Overeenkomst.

3. De bescherming van intellectuele-eigendomsrechten omvat tevens de bescherming tegen oneerlijke mededinging zoals bedoeld in artikel 10 bis van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom van 20 maart 1883, zoals gewijzigd op 28 september 1979 (hierna „het Unieverdrag van Parijs” genoemd).

4. Dit hoofdstuk belet geen van de Partijen om in hun wetgeving strengere normen inzake de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten toe te passen, mits die verenigbaar zijn met dit hoofdstuk.

Artikel 90

1. Elke Partij voorziet in een regeling voor nationale of regionale uitputting van intellectuele-eigendomsrechten, overeenkomstig haar wetgeving op het gebied van auteursrechten en naburige rechten en handelsmerken.

2. Op het gebied van auteursrecht en naburige rechten geldt de uitputting van rechten alleen voor de verspreiding onder het publiek van het origineel van werken of ander beschermd materiaal of kopieën daarvan, door verkoop of anderszins.

Artikel 91

1.

Met betrekking tot de intellectuele-eigendomsrechten die onder dit hoofdstuk vallen, behandelt elke Partij de onderdanen van de andere Partij niet minder gunstig dan haar eigen onderdanen wat betreft de bescherming13)Voor de toepassing van dit lid omvat „bescherming” alle aangelegenheden die van invloed zijn op het bestaan, de verwerving, de reikwijdte, de instandhouding en de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, alsmede de specifiek in dit hoofdstuk behandelde aangelegenheden die van invloed zijn op het gebruik van deze rechten. Daarnaast omvat „bescherming” voor de toepassing van dit lid ook maatregelen om de omzeiling van doeltreffende technologische voorzieningen en maatregelen betreffende informatie over het beheer van rechten te vermijden. van intellectuele-eigendomsrechten, met inachtneming van de uitzonderingen waarin reeds is voorzien in:

a. a. het Unieverdrag van Parijs; b. b. de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, aangenomen te Bern op 9 september 1886 (hierna „de Berner Conventie” genoemd); c. c. het te Rome op 26 oktober 1961 tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerend kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties (hierna „het Verdrag van Rome” genoemd); of d. d. het Verdrag betreffende de bescherming van de intellectuele eigendom inzake geïntegreerde schakelingen, aangenomen te Washington op 26 mei 1989.

Ten aanzien van uitvoerend kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties geldt de in de eerste alinea bedoelde verplichting enkel voor de rechten waarin deze Overeenkomst voorziet.

2.

Een Partij kan gebruikmaken van de uitzonderingen waarin reeds in de in artikel 1 bedoelde internationale instrumenten is voorzien met betrekking tot haar gerechtelijke en administratieve procedures, waaronder de verplichting voor een onderdaan van de andere Partij om op haar grondgebied woonplaats te kiezen of daar een gemachtigde aan te wijzen, mits die uitzonderingen:

a. a. noodzakelijk zijn om de naleving te waarborgen van wetten of voorschriften van de Partij die niet strijdig zijn met dit hoofdstuk; en b. b. niet worden toegepast op een wijze die een verkapte beperking van de handel zou vormen.

3. Lid 1 is niet van toepassing op procedures waarin wordt voorzien in multilaterale overeenkomsten die onder auspiciën van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (hierna „WIPO” genoemd) zijn gesloten met betrekking tot de verwerving of handhaving van intellectuele-eigendomsrechten.

Afdeling B. NORMEN BETREFFENDE INTELLECTUELE-EIGENDOMSRECHTEN

Paragraaf 1. AUTEURSRECHT EN NABURIGE RECHTEN

Artikel 92

1.

Elke Partij herbevestigt haar gehechtheid aan en houdt zich aan:

a. a. de Berner Conventie; b. b. het Verdrag van Rome; c. c. het WIPO-verdrag inzake auteursrecht (WCT), aangenomen te Genève op 20 december 1996; d. d. het WIPO-verdrag inzake uitvoeringen en fonogrammen (WPPT), aangenomen te Genève op 20 december 1996; en e. e. het Verdrag van Marrakesh tot bevordering van de toegang tot gepubliceerde werken voor personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben, aangenomen te Marrakesh op 28 juni 2013.

2. Elke Partij neemt het Verdrag van Peking inzake audiovisuele uitvoeringen, dat op 24 juni 2012 te Peking is aangenomen, in acht en stelt alles in het werk wat redelijkerwijs mogelijk is om toe te treden tot het Verdrag van Peking.

Artikel 93

Elke Partij voorziet voor auteurs in het exclusieve recht het volgende toe te staan of te verbieden:

a. a. de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie van hun werken, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook; b. b. elke vorm van distributie onder het publiek van het origineel van hun werken of van kopieën daarvan, door verkoop of anderszins; c. c. het al dan niet draadloos meedelen van hun werken aan het publiek, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken aan het publiek, op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn; en d. d. de commerciële verhuur aan het publiek van originelen of kopieën van hun werken.

Artikel 94

Elke Partij voorziet voor uitvoerend kunstenaars in het exclusieve recht het volgende toe te staan of te verbieden:

a. a. de vastlegging14)Onder „vastlegging” wordt verstaan: de opname van geluid, of van de weergave daarvan, of de audiovisuele opname van bewegende beelden, al dan niet vergezeld van geluid of van de weergave van geluid, door middel waarvan deze kunnen worden waargenomen, gereproduceerd of meegedeeld door middel van een toestel. van hun uitvoeringen; b. b. de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie van vastleggingen van hun uitvoeringen, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook; c. c. de distributie onder het publiek van vastleggingen van hun uitvoeringen, door verkoop of anderszins; d. d. het al dan niet draadloos beschikbaar stellen van vastleggingen van hun uitvoeringen aan het publiek, op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn; e. e. de draadloze uitzending en de mededeling van hun uitvoeringen aan het publiek, behalve wanneer de uitvoering zelf al een uitgezonden uitvoering is of op basis van een vastlegging is gemaakt; en f. f. de commerciële verhuur aan het publiek van de vastlegging van hun uitvoeringen.

Artikel 95

Elke Partij voorziet voor producenten van fonogrammen in het exclusieve recht het volgende toe te staan of te verbieden:

a. a. de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie van hun fonogrammen, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook; b. b. de distributie onder het publiek van hun fonogrammen, met inbegrip van kopieën daarvan, door verkoop of anderszins; c. c. het al dan niet draadloos beschikbaar stellen van hun fonogrammen aan het publiek, op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn; en d. d. de commerciële verhuur van hun fonogrammen aan het publiek.

Artikel 96

Elke Partij verleent omroeporganisaties het exclusieve recht het volgende toe te staan of te verbieden:

a. a. de vastlegging van hun uitzendingen, ongeacht of deze uitzendingen al dan niet via de ether plaatsvinden, met inbegrip van uitzendingen per kabel of satelliet; b. b. de directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproductie van vastleggingen van hun uitzendingen, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook, ongeacht of die uitzendingen via de ether plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen; c. c. het al dan niet draadloos beschikbaar stellen van vastleggingen van hun uitzendingen aan het publiek, ongeacht of die uitzendingen via de ether plaatsvinden, met inbegrip van uitzendingen per kabel of satelliet, op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn; d. d. de distributie onder het publiek van vastleggingen van hun uitzendingen, met inbegrip van kopieën daarvan, door verkoop of anderszins, ongeacht of die uitzendingen via de ether plaatsvinden, met inbegrip van uitzendingen per kabel of satelliet; en e. e. de draadloze heruitzending van hun uitzendingen, alsmede de mededeling aan het publiek van hun uitzendingen indien die mededeling geschiedt op plaatsen die tegen betaling van een entreeprijs voor het publiek toegankelijk zijn.

Artikel 97

1. Elke Partij voorziet voor uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen in het recht op een billijke vergoeding voor het gebruik van voor commerciële doeleinden gepubliceerde fonogrammen of reproducties daarvan ten behoeve van uitzendingen of mededeling aan het publiek.

2. Elke Partij ziet erop toe dat de in lid 1 bedoelde vergoeding wordt verdeeld tussen de desbetreffende uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen. Wanneer hierover tussen de uitvoerend kunstenaar en de producent van een fonogram geen overeenstemming is bereikt, kan elke Partij de voorwaarden vaststellen volgens welke de vergoeding tussen hen wordt verdeeld.

Artikel 98

1. De rechten van de auteur van een werk gelden gedurende het leven van de auteur en tot 70 jaar na zijn of haar overlijden, ongeacht de datum waarop het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt.

2. De beschermingsduur voor een muziekwerk met tekst bedraagt 70 jaar na het overlijden van de langstlevende van de volgende personen, ongeacht of zij al dan niet als coauteur zijn aangewezen: de tekstschrijver en de componist van het muziekwerk, indien tekst en muziek specifiek voor het muziekwerk met tekst zijn geschreven.

3. In geval van een gemeenschappelijk auteursrecht op een zelfde werk wordt de in lid 1 vastgestelde termijn berekend vanaf de dag van overlijden van de langstlevende auteur.

4. Voor anonieme of pseudonieme werken bedraagt de beschermingstermijn 70 jaar vanaf het tijdstip waarop het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk is gemaakt. Indien evenwel het door de auteur aangenomen pseudoniem geen enkele twijfel laat bestaan over zijn of haar identiteit of indien de auteur zijn of haar identiteit tijdens de in de eerste zin van dit lid bedoelde beschermingstermijn openbaart, geldt de in lid 1 bedoelde termijn.

5.

De beschermingstermijn van een cinematografisch of audiovisueel werk bedraagt 70 jaar na de dood van de langstlevende van de volgende personen, ongeacht of zij al dan niet als coauteur zijn aangewezen:

a. a. de hoofdregisseur; b. b. de scenarioschrijver; c. c. de auteur van de dialogen; en d. d. de componist van de muziek die specifiek voor gebruik in het cinematografische of audiovisuele werk is gemaakt.

De Kirgizische Republiek kan in haar wetgeving een of meerdere personen van deze lijst uitsluiten of daaraan toevoegen.

6. De rechten van omroeporganisaties vervallen 50 jaar na de eerste uitzending van een programma, ongeacht of die uitzendingen via de ether plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen.

7.

De rechten van uitvoerend kunstenaars vervallen 50 jaar na de datum van de vastlegging van de uitvoering. Indien echter binnen die termijn een vastlegging van de uitvoering op geoorloofde wijze gepubliceerd is of aan het publiek meegedeeld, wordt de beschermingstermijn berekend vanaf de datum van die eerste publicatie of, ingeval deze eerder valt, die eerste mededeling aan het publiek.

Wat de vastlegging van de uitvoering op een fonogram betreft, bedraagt de beschermingstermijn 70 jaar na de datum van die eerste publicatie of mededeling aan het publiek.

8. De rechten van producenten van fonogrammen vervallen 50 jaar na de vastlegging. Indien het fonogram echter binnen deze termijn op geoorloofde wijze gepubliceerd is, vervallen die rechten 70 jaar na de datum van die eerste publicatie. Indien binnen de in de eerste zin bedoelde termijn geen geoorloofde publicatie heeft plaatsgevonden en het fonogram tijdens die termijn op geoorloofde wijze aan het publiek is meegedeeld, vervallen de rechten 70 jaar na de datum van de eerste geoorloofde mededeling aan het publiek. Elke Partij kan maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de winst die wordt gegenereerd in de 20 jaar van bescherming volgend op de eerste 50 jaar, eerlijk wordt verdeeld tussen de uitvoerend kunstenaars en de producenten van fonogrammen.

9. De in dit artikel bepaalde termijnen worden berekend vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het feit dat de termijn doet ingaan.

10. Elke Partij kan voorzien in langere beschermingstermijnen dan die waarin dit artikel voorziet.

11. Uiterlijk twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst voorziet de Kirgizische Republiek in de in dit artikel bedoelde beschermingstermijnen.

Artikel 99

1. Elke Partij stelt ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk werk van grafische of beeldende kunst een volgrecht in, dat wordt omschreven als een onvervreemdbaar recht waarvan geen afstand kan worden gedaan, zelfs niet op voorhand, om telkens wanneer het werk na de eerste overdracht door de auteur wordt doorverkocht, een op de verkoopprijs berekend recht te ontvangen.

2. Het in lid 1 bedoelde recht is van toepassing op elke doorverkoop waarbij actoren uit de professionele kunsthandel, zoals veilinghuizen, kunstgalerijen of andere kunsthandelaren, betrokken zijn als verkoper, koper of tussenpersoon.

3. Elke Partij kan bepalen dat het in lid 1 bedoelde recht niet van toepassing is op een doorverkoop waarbij de verkoper het werk minder dan drie jaar voorafgaand aan de doorverkoop heeft verkregen van de kunstenaar zelf en de doorverkoopprijs niet meer dan een bepaald minimumbedrag bedraagt.

4. De procedure voor de inning van de vergoeding en het bedrag ervan wordt bepaald bij binnenlands wetgeving.

Artikel 100

1. De Partijen streven ernaar de samenwerking tussen hun organisaties voor collectief beheer te bevorderen teneinde de beschikbaarheid van werken en ander beschermd materiaal op het grondgebied van de Partijen en de overdracht van inkomsten uit rechten tussen de respectieve organisaties voor collectief beheer voor het gebruik van dergelijke werken of ander beschermd materiaal te bevorderen.

2. Elke Partij bevordert de transparantie van organisaties voor collectief beheer, met name wat betreft door hen geïnde inkomsten uit rechten, inhoudingen die zij toepassen op door hen geïnde inkomsten uit rechten, het gebruik van de geïnde inkomsten uit rechten, het distributiebeleid en hun repertoire.

3. Elke Partij verbindt zich ertoe te garanderen dat waar een organisatie voor collectief beheer die is gevestigd op het grondgebied van een Partij, een andere organisatie voor collectief beheer vertegenwoordigt die is gevestigd op het grondgebied van de andere Partij, bij wijze van een vertegenwoordigingsovereenkomst, de vertegenwoordigende organisatie voor collectief beheer de houders van een recht van de vertegenwoordigde organisatie voor collectief beheer niet discrimineert.

4. Elke Partij streeft ernaar ervoor te zorgen dat waar een organisatie voor collectief beheer die is gevestigd op het grondgebied van een Partij, een andere organisatie voor collectief beheer vertegenwoordigt die is gevestigd op het grondgebied van de andere Partij, bij wijze van een vertegenwoordigingsovereenkomst, de vertegenwoordigende organisatie tijdig, regelmatig en zorgvuldig de aan de vertegenwoordigde organisaties voor collectief beheer verschuldigde bedragen betaalt en de vertegenwoordigde organisatie voor collectief beheer informatie verstrekt over het namens haar geïnde bedrag aan inkomsten uit rechten en over eventuele inhoudingen op deze inkomsten.

Artikel 101

Elke Partij beperkt de beperkingen van en de uitzonderingen op de in de artikelen 93 tot en met 96 bedoelde rechten tot bepaalde bijzondere gevallen die niet in strijd zijn met een normale exploitatie van het werk of ander materiaal en die de rechtmatige belangen van de houder van het recht niet op onredelijke wijze schaden.

Artikel 102

1. Elke Partij voorziet in rechtsbescherming tegen het omzeilen van doeltreffende technische voorzieningen door een persoon die weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij een doeltreffende technische voorziening omzeilt.

2.

Elke Partij voorziet in rechtsbescherming tegen de vervaardiging, invoer, distributie, verkoop, verhuur, reclame voor verkoop of verhuur, of het bezit voor commerciële doeleinden van toestellen, producten of onderdelen, of het verrichten van diensten die:

a. a. worden gestimuleerd, aangeprezen of in de handel gebracht om een doeltreffende technische voorziening te omzeilen; b. b. buiten de omzeiling van een doeltreffende technische voorziening een commercieel doel van slechts beperkt belang dienen; of c. c. in het bijzonder ontworpen, geproduceerd of aangepast zijn dan wel verricht worden met het doel de omzeiling van een doeltreffende technische voorziening mogelijk of gemakkelijker te maken.

3. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt onder „technische voorzieningen” verstaan: technologie, toestellen of onderdelen die in het kader van hun normale werking dienen voor het voorkomen of beperken van handelingen ten aanzien van werken of ander beschermd materiaal, die niet zijn toegestaan door de houders van een auteursrecht of naburig recht overeenkomstig de nationale wetgeving. Technische voorzieningen worden geacht „doeltreffend” te zijn indien het gebruik van een beschermd werk of ander materiaal wordt gecontroleerd door de houders van het recht door de toepassing van een controle op de toegang of een beschermingsprocedé zoals versleuteling, codering of een andere transformatie van het werk of ander materiaal of een kopieerbeveiliging die de beoogde bescherming biedt.

4. Niettegenstaande de in lid 1 van dit artikel bedoelde rechtsbescherming en bij gebreke van vrijwillige maatregelen door de houders van het recht kan elke Partij waar nodig passende maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de passende rechtsbescherming tegen het omzeilen van doeltreffende technische voorzieningen waarin dit artikel voorziet, niet belet dat begunstigden van overeenkomstig artikel 101 vastgestelde uitzonderingen of beperkingen van dergelijke uitzonderingen of beperkingen gebruik kunnen maken.

Artikel 103

1.

Elke Partij voorziet in rechtsbescherming tegen eenieder die bewust zonder toestemming een van de volgende handelingen verricht, indien die persoon weet of redelijkerwijs behoort te weten dat hij zodoende aanzet tot een inbreuk op een auteursrecht of naburig recht waarin de nationale wetgeving voorziet, dan wel een dergelijke inbreuk mogelijk maakt, faciliteert of verbergt:

a. a. de verwijdering of wijziging van elektronische informatie betreffende het beheer van rechten; en b. b. de distributie, de invoer voor distributie, de uitzending, de mededeling of beschikbaarstelling aan het publiek van werken of ander krachtens deze onderafdeling beschermd materiaal, waaruit op ongeoorloofde wijze elektronische informatie betreffende het beheer van rechten is verwijderd of waarin op ongeoorloofde wijze dergelijke informatie is gewijzigd.

2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „informatie over het beheer van rechten” verstaan: alle door de houders van een recht verstrekte informatie die dient ter identificatie van het werk of ander materiaal als bedoeld in dit artikel, dan wel van de auteur of een andere houder van het recht, of informatie betreffende de voorwaarden voor het gebruik van het werk of ander materiaal, alsook de cijfers of codes waarin dergelijke informatie vervat ligt.

3. Lid 2 is van toepassing wanneer informatie betreffende het beheer van rechten is verbonden met een kopie, of kenbaar wordt bij de mededeling aan het publiek, van een werk of ander materiaal als bedoeld in dit artikel.

Paragraaf 2. HANDELSMERKEN

Artikel 104

Elke Partij:

a. a. treedt toe tot het Protocol bij de Schikking van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken, aangenomen te Madrid op 27 juni 1989, zoals laatstelijk gewijzigd op 3 oktober 2006 en 12 november 2007; b. b. leeft het te Genève op 27 oktober 1994 tot stand gekomen Verdrag inzake handelsmerkenrecht en de Overeenkomst van Nice betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken van 15 juni 1957 na; en c. c. stelt alles in het werk wat redelijkerwijs in haar vermogen ligt om toe te treden tot het te Singapore op 27 maart 2006 tot stand gekomen Verdrag van Singapore inzake het merkenrecht.

Artikel 105

1.

Merken kunnen worden gevormd door alle tekens, in het bijzonder woorden, waaronder namen van personen, of tekeningen, letters, cijfers, kleuren, vormen van waren of verpakkingen van waren, of geluiden, mits deze:

a. a. de waren of diensten van een onderneming kunnen onderscheiden van die van andere ondernemingen; en b. b. in het respectieve merkenregister van elke Partij kunnen worden weergegeven op een wijze die de bevoegde autoriteiten en het publiek in staat stelt het voorwerp van de aan de houder ervan verleende bescherming duidelijk en nauwkeurig vast te stellen.

2. De Kirgizische Republiek streeft ernaar uiterlijk vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst mogelijk te maken dat geluid wordt ingeschreven als handelsmerk.

Artikel 106

1.

Het ingeschreven merk geeft de houder een uitsluitend recht. Dat recht verleent de merkhouder het recht iedere derde die niet zijn toestemming daartoe heeft verkregen, het gebruik van elk teken in het handelsverkeer te beletten:

a. a. wanneer dat teken identiek is met het ingeschreven handelsmerk en gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het handelsmerk is ingeschreven; b. b. wanneer, omdat het identiek is met of soortgelijk aan het ingeschreven merk en omdat de waren of diensten waarop dit merk betrekking heeft, identiek zijn met of soortgelijk aan die waarop het teken betrekking heeft, bij het publiek verwarring zou kunnen ontstaan, met inbegrip van het gevaar van associatie tussen het teken en het ingeschreven merk.

2. De houder van een ingeschreven merk heeft het recht derden te beletten om in het handelsverkeer waren binnen te brengen in de Partij waar het merk is ingeschreven zonder dat deze daar in de vrije handel worden gebracht, wanneer deze waren, met inbegrip van verpakking, uit derde landen afkomstig zijn en zonder toestemming een merk dragen dat identiek is met het voor deze waren ingeschreven merk of in zijn belangrijkste onderdelen niet van dat merk kan worden onderscheiden16)De Partijen kunnen aanvullende passende maatregelen nemen met het oog op de vlotte doorvoer van generische geneesmiddelen..

3. Het recht van de houder van een merk als bedoeld in lid 2 vervalt indien door de aangever of de houder van de waren tijdens de procedure om te bepalen of inbreuk is gemaakt op het ingeschreven merk, het bewijs wordt geleverd dat de houder van het ingeschreven merk niet gerechtigd is om het op in de handel brengen van de waren in het land van de eindbestemming te verbieden.

Artikel 107

1. Elke Partij voorziet in een systeem voor de inschrijving van merken waarbij elke definitieve negatieve beslissing van het betrokken merkenbureau, met inbegrip van gedeeltelijke weigeringen, schriftelijk aan de betrokken partij wordt meegedeeld, naar behoren wordt gemotiveerd en vatbaar is voor beroep.

2. Elke Partij voorziet in de mogelijkheid voor derden om zich tegen aanvragen voor of inschrijvingen van merken, naargelang het geval, te verzetten. Een dergelijke verzetprocedure is contradictoir.

3. Elke Partij voorziet in een openbaar toegankelijke elektronische databank voor aanvragen voor en inschrijvingen van merken. De Kirgizische Republiek voorziet uiterlijk twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst in een elektronische databank voor aanvragen voor merken als bedoeld in de eerste zin van dit lid, op voorwaarde dat de Europese Unie daartoe toereikende technische bijstand heeft verleend in overeenstemming met het recht van de Europese Unie.

Artikel 108

Om uitvoering te geven aan de bescherming van algemeen bekende handelsmerken als bedoeld in artikel 6 bis van het Verdrag van Parijs en artikel 16, leden 2 en 3, van de Trips-Overeenkomst, geeft elke Partij toepassing aan de gezamenlijke aanbeveling betreffende bepalingen inzake de bescherming van bekende handelsmerken van de vergadering van de Unie van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom en de algemene vergadering van de WIPO tijdens de 34e reeks bijeenkomsten van de vergaderingen van de WIPO-lidstaten van 20 tot en met 29 september 1999.

Artikel 109

1.

Elke Partij:

a. a. voorziet in beperkte uitzonderingen op de aan een handelsmerk verbonden rechten, zoals het eerlijk gebruik van beschrijvende termen, met inbegrip van geografische aanduidingen; en b. b. kan voorzien in beperkte uitzonderingen op de aan een handelsmerk verbonden rechten. Wanneer zij voorziet in de beperkte uitzonderingen als bedoeld in de eerste alinea, punten a) en b), houdt elke Partij rekening met de rechtmatige belangen van de houder van het merk en van derden.

2.

Een handelsmerk verleent de houder niet het recht een derde te verbieden om in het handelsverkeer de volgende elementen te gebruiken, voor zover sprake is van gebruik volgens de eerlijke gebruiken in nijverheid en handel:

a. a. de naam of het adres van die derde, indien het om een natuurlijke persoon gaat; b. b. tekens of aanduidingen inzake soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst, tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten; en c. c. het merk, wanneer dat nodig is om de bestemming van een waar of dienst, met name als accessoire of onderdeel, aan te geven.

3. Het handelsmerk verleent de houder niet het recht een derde te verbieden om in het handelsverkeer gebruik te maken van een ouder recht van slechts plaatselijke betekenis binnen de grenzen van het grondgebied waarin het erkend wordt, wanneer dat recht erkend is door de wetgeving van de betrokken Partij.

Artikel 110

1. Elke Partij zorgt ervoor dat een handelsmerk kan komen te vervallen wanneer het merk in een ononderbroken periode van ten minste drie jaar niet normaal op het desbetreffende grondgebied is gebruikt voor de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven, en er geen geldige reden is voor niet-gebruik ervan.

2. Vervallenverklaring van een handelsmerk kan niet worden gevorderd wanneer het merk in de periode tussen het verstrijken van de minimale driejarige periode en de instelling van de vordering tot vervallenverklaring, voor het eerst of opnieuw normaal is gebruikt.

3. Het begin van gebruik of hernieuwd gebruik binnen drie maanden die aan de instelling van een vordering tot vervallenverklaring voorafgaan, met dien verstande dat de periode van drie maanden ten vroegste na het verstrijken van de ononderbroken periode van vijf jaar van het niet gebruiken is ingegaan, wordt echter niet in aanmerking genomen indien de voorbereiding voor het begin van gebruik of het hernieuwde gebruik pas wordt getroffen nadat de merkhouder er kennis van heeft genomen dat de vordering tot vervallenverklaring kan worden ingesteld.

4.

Een handelsmerk kan eveneens vervallen worden verklaard wanneer het, na de datum waarop het is ingeschreven:

a. a. door toedoen of nalaten van de merkhouder tot de in de handel gebruikelijke benaming is geworden van een waar of dienst waarvoor het ingeschreven is; b. b. als gevolg van het gebruik dat ervan wordt gemaakt door de merkhouder of met zijn of haar toestemming, voor de waren of diensten waarvoor het ingeschreven is, het publiek kan misleiden, met name over de soort, de kwaliteit of plaats van herkomst van die waren of diensten.

Artikel 111

Een merk kan nietig worden verklaard wanneer de aanvraag om inschrijving van het merk te kwader trouw is ingediend. Elke Partij kan ook bepalen dat een dergelijk merk niet wordt ingeschreven.

Paragraaf 3. MODELLEN

Artikel 112

De Europese Unie herhaalt haar verbintenis uit hoofde van en de Kirgizische Republiek houdt zich aan de Akte van Genève bij de Overeenkomst van s-Gravenhage betreffende de internationale inschrijving van tekeningen of modellen van nijverheid, aangenomen op 2 juli 1999.

Artikel 113

1. Elke Partij voorziet in de bescherming van onafhankelijk gecreëerde modellen die nieuw en oorspronkelijk zijn. Die bescherming wordt verleend door inschrijving, die de eigenaar van een ingeschreven model een uitsluitend recht verleent overeenkomstig deze onderafdeling.

2. De houder van een ingeschreven model heeft het recht derden die daartoe geen toestemming van de houder hebben, ten minste te beletten het voortbrengsel dat het ingeschreven model draagt en belichaamt, te vervaardigen, te koop aan te bieden, te verkopen, in te voeren, uit te voeren, in voorraad te hebben of te gebruiken, indien die handelingen voor commerciële doeleinden worden verricht.

3.

Een model dat is toegepast op of verwerkt in een voortbrengsel dat een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel vormt, wordt slechts geacht nieuw en oorspronkelijk te zijn:

a. a. voor zover het onderdeel, wanneer het in het samengestelde voortbrengsel is verwerkt, bij normaal gebruik van dit laatste zichtbaar blijft; en b. b. voor zover die zichtbare kenmerken van het onderdeel als zodanig aan de voorwaarden inzake nieuwheid en oorspronkelijkheid voldoen.

4. Onder „normaal gebruik” in de zin van lid 3, punt a), wordt verstaan: het gebruik door de eindgebruiker, met uitzondering van handelingen in verband met onderhoud, service of reparatie.

5. Voor de toepassing van dit artikel kan een Partij een model dat een eigen karakter heeft, als een oorspronkelijk model beschouwen.

Artikel 114

Elke Partij ziet erop toe dat een model wordt beschermd voor een periode van vijf jaar vanaf de datum van indiening van de aanvraag en dat de houder van het recht het recht heeft de beschermingstermijn met een of meer perioden van vijf jaar te verlengen, tot een totale duur van ten minste 15 jaar vanaf de datum van indiening.

Artikel 115

1. Elke Partij voorziet in de wettelijke middelen om het gebruik van een niet-ingeschreven model te voorkomen, maar alleen indien het aangevochten gebruik voortvloeit uit het kopiëren van het niet-ingeschreven model op haar grondgebied. Dergelijk gebruik bestrijkt ten minste het te koop aanbieden, in de handel brengen, invoeren of uitvoeren van het product.

2. De Kirgizische Republiek biedt de bescherming die beschikbaar is voor een niet-ingeschreven model als bedoeld in lid 1 van dit artikel uiterlijk 10 jaar na de datum waarop deze titel van toepassing wordt, op voorwaarde dat de Europese Unie, op verzoek en overeenkomstig de behoeften van de Kirgizische Republiek, technische bijstand heeft verleend overeenkomstig het recht van de Europese Unie.

3. De beschermingsduur voor een niet-ingeschreven model als bedoeld in lid 1 bedraagt ten minste drie jaar vanaf de datum waarop het model in een van de Partijen ter beschikking van het publiek werd gesteld.

Artikel 116

1. Elke Partij kan voorzien in beperkte uitzonderingen op de bescherming van modellen, met inbegrip van niet-ingeschreven modellen, mits die uitzonderingen niet op onredelijke wijze strijdig zijn met de normale exploitatie van beschermde modellen en niet op onredelijke wijze de legitieme belangen van de houder van het beschermde model schaden, rekening houdend met de legitieme belangen van derden.

2. De bescherming van modellen mag zich niet uitsluitend op grond van technische of functionele overwegingen tot een model uitstrekken. Een model geldt niet voor de uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die noodzakelijkerwijs in precies dezelfde vorm en afmetingen gereproduceerd moeten worden om het voortbrengsel waarin het model verwerkt is of waarop het toegepast is, mechanisch met een ander voortbrengsel te kunnen verbinden of om het in, rond of tegen een ander voortbrengsel te kunnen plaatsen, zodat elk van beide voortbrengselen zijn functie kan vervullen.

3. Een model dat strijdig is met de openbare orde of de goede zeden, is niet vatbaar voor bescherming door een recht inzake modellen.

4. In afwijking van lid 2 van dit artikel kan een model dat tot doel heeft binnen een modulair systeem de meervoudige samenvoeging of verbinding van onderling verwisselbare voortbrengselen mogelijk te maken, onder de in artikel 113, lid 1, gestelde voorwaarden als model worden beschermd.

Artikel 117

Elke Partij zorgt ervoor dat een model, met inbegrip van niet-ingeschreven modellen, vanaf de datum waarop het model is gecreëerd of in een vorm is vastgelegd, tevens beschermd kan worden uit hoofde van haar auteursrechtwetgeving. De mate waarin en de voorwaarden waaronder een dergelijke bescherming wordt verleend, met inbegrip van het vereiste oorspronkelijkheidsgehalte, worden door elke Partij vastgesteld.

Paragraaf 4. GEOGRAFISCHE AANDUIDINGEN

Artikel 118

1. Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt onder „geografische aanduiding” verstaan: een geografische aanduiding zoals gedefinieerd in artikel 22, lid 1, van de Trips-Overeenkomst17)Ter verduidelijking: de Kirgizische Republiek herbevestigt haar verbintenissen in het kader van de Trips-Overeenkomst, en met name dat de wetgeving waarover zij beschikt voor benamingen van oorsprong van goederen met een definitie, in overeenstemming is met artikel 22, lid 1, van de Trips-Overeenkomst..

2. Deze onderafdeling is van toepassing op de erkenning en bescherming van geografische aanduidingen die hun oorsprong hebben in het grondgebied van de Partijen.

3. Geografische aanduidingen van een Partij die door de andere Partij moeten worden beschermd, vallen enkel onder deze onderafdeling indien zij binnen het toepassingsgebied van de in artikel 119 bedoelde wetgeving vallen.

Artikel 119

1. Na bestudering van de in bijlage 8-A, afdeling A, genoemde wetgeving van de Kirgizische Republiek concludeert de Europese Unie dat die wetgeving de in bijlage 8-A, afdeling B, vermelde elementen bevat voor de registratie van en de controle op geografische aanduidingen.

2. Na bestudering van de in bijlage 8-A, afdeling A, genoemde wetgeving van de Europese Unie concludeert de Kirgizische Republiek dat die wetgeving de in bijlage 8-A, afdeling B, genoemde elementen bevat voor de registratie van en de controle op geografische aanduidingen.

3. Na afloop van een bezwaarprocedure overeenkomstig de in bijlage 8-B opgenomen criteria en van een onderzoek van de in bijlage 8-C, afdeling A, genoemde geografische aanduidingen in de Kirgizische Republiek te beschermen producten uit de Europese Unie die door de Europese Unie zijn geregistreerd uit hoofde van de in lid 2 van dit artikel bedoelde wetgeving, beschermt de Kirgizische Republiek die geografische aanduidingen volgens het in deze onderafdeling vastgestelde beschermingsniveau.

4. Na afloop van een bezwaarprocedure overeenkomstig de in bijlage 8-B opgenomen criteria en van een onderzoek van de in deel B van bijlage 8-C vermelde geografische aanduidingen van in de Europese Unie te beschermen producten uit de Kirgizische Republiek die door de Kirgizische Republiek zijn geregistreerd uit hoofde van de in lid 1 van dit artikel bedoelde wetgeving, beschermt de Europese Unie die geografische aanduidingen volgens het in deze onderafdeling vastgestelde beschermingsniveau.

Artikel 120

Overeenkomstig artikel 27 kunnen de Partijen de lijst van te beschermen geografische aanduidingen in bijlage 8-C wijzigen. Nieuwe geografische aanduidingen worden toegevoegd na afloop van de bezwaarprocedure en van het onderzoek ervan als bedoeld in artikel 119, lid 3 of lid 4.

Artikel 121

1.

De in bijlage 8-C opgenomen geografische aanduidingen, met inbegrip van de geografische aanduidingen die overeenkomstig artikel 120 worden toegevoegd, worden beschermd tegen:

a. a. direct of indirect commercieel gebruik van een beschermde benaming:

        i.
        voor vergelijkbare producten die niet voldoen aan de productspecificatie van de beschermde benaming; of
      
      
        ii.
        voor zover dat gebruik neerkomt op het uitbuiten van de reputatie van een geografische aanduiding, ook wanneer dat product als ingrediënt wordt gebruikt;

i. i. voor vergelijkbare producten die niet voldoen aan de productspecificatie van de beschermde benaming; of ii. ii. voor zover dat gebruik neerkomt op het uitbuiten van de reputatie van een geografische aanduiding, ook wanneer dat product als ingrediënt wordt gebruikt; b. b. elk misbruik, elke nabootsing of elke voorstelling, zelfs indien de werkelijke oorsprong van het product is aangegeven of indien de beschermde naam is vertaald, getranscribeerd, getranslitereerd of vergezeld gaat van uitdrukkingen zoals „soort”, „type”, „methode”, „op de wijze van”, „imitatie”, „smaak”, „zoals” en dergelijke, ook wanneer die producten als ingrediënt worden gebruikt; c. c. elke andere valse of misleidende aanduiding met betrekking tot de oorsprong, de aard of de wezenlijke hoedanigheden van het product op de binnen- of buitenverpakking, reclamemateriaal of documenten voor het betrokken product, alsmede het verpakken in een recipiënt die aanleiding kan geven tot misverstanden over de oorsprong van het product, ook wanneer die producten als ingrediënt worden gebruikt; en d. d. elke andere praktijk die de consument ten aanzien van de werkelijke oorsprong van het product kan misleiden.

2. De in bijlage 8-C opgenomen geografische aanduidingen, met inbegrip van de geografische aanduidingen die overeenkomstig artikel 120 worden toegevoegd, worden geen soortnamen op de grondgebieden van de Partijen.

3. Geen van de bepalingen van deze Overeenkomst verplicht een Partij ertoe geografische aanduidingen van de andere Partij te beschermen, indien die aanduidingen in het land van oorsprong niet of niet langer beschermd zijn. De Partijen stellen elkaar ervan in kennis wanneer een geografische aanduiding op het grondgebied van die Partij van oorsprong niet langer wordt beschermd. Een dergelijke kennisgeving vindt plaats overeenkomstig artikel 154.

4. Deze Overeenkomst doet op generlei wijze afbreuk aan het recht van een persoon om in het handelsverkeer zijn of haar naam of de naam van zijn of haar voorganger in zaken te gebruiken, behalve wanneer die naam op zodanige wijze wordt gebruikt dat het publiek daardoor wordt misleid.

Artikel 122

1. Een uit hoofde van deze Overeenkomst beschermde benaming mag worden gebruikt door elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die waren in de handel brengt die aan de desbetreffende specificatie voldoen.

2. Zodra een geografische aanduiding in het kader van deze onderafdeling is beschermd, mag het gebruik van de beschermde benaming niet afhankelijk worden gesteld van registratie van de gebruikers of daaraan verbonden verplichtingen.

Artikel 123

1. Wanneer een geografische aanduiding uit hoofde van deze Overeenkomst wordt beschermd, weigeren de Partijen de inschrijving van een handelsmerk waarvan het gebruik in strijd zou zijn met artikel 121, lid 1, op voorwaarde dat een aanvraag tot inschrijving van het handelsmerk wordt ingediend na de datum van indiening van de aanvraag tot bescherming van de geografische aanduiding op het grondgebied van de betrokken Partij.

2. Voor de in artikel 119 bedoelde geografische aanduidingen is de datum van indiening van de aanvraag tot bescherming als bedoeld in lid 1 van dit artikel, de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst.

3. Handelsmerken die in strijd met lid 1 zijn ingeschreven, worden ongeldig verklaard.

4. Voor de in artikel 120 bedoelde geografische aanduidingen is de datum van indiening van de aanvraag tot bescherming als bedoeld in lid 1 van dit artikel, de datum van toezending aan de andere Partij van een aanvraag tot bescherming van een geografische aanduiding.

5. Onverminderd lid 7 van dit artikel beschermen de Partijen geografische aanduidingen ook wanneer er een ouder handelsmerk bestaat. Onder een „ouder handelsmerk” wordt verstaan: een handelsmerk waarvan het gebruik strijdig is met artikel 121, lid 1, en dat vóór de datum waarop de aanvraag voor bescherming van de geografische aanduiding door de andere Partij uit hoofde van deze Overeenkomst wordt ingediend, is aangevraagd of ingeschreven of waarvoor, mits de betrokken wetgeving in deze mogelijkheid voorziet, rechten zijn verworven door gebruik, te goeder trouw, op het grondgebied van een van de Partijen.

6. Een ouder handelsmerk mag verder worden gebruikt en vernieuwd, niettegenstaande de bescherming van de geografische aanduiding, mits er geen redenen zijn voor nietig- of vervallenverklaring op grond van de handelsmerkwetgeving van elke Partij. In dergelijke gevallen is het gebruik van de beschermde geografische aanduiding en het gebruik van de desbetreffende handelsmerken toegestaan.

7. Van een Partij wordt niet verlangd dat zij uit hoofde van deze Overeenkomst een naam beschermt als geografische aanduiding indien die naam, gezien de faam en bekendheid van een handelsmerk en de duur van de periode waarin dat merk reeds in gebruik is, de consument zou kunnen misleiden met betrekking tot de werkelijke identiteit van het product.

Artikel 124

Elke Partij handhaaft de bescherming waarin de artikelen 119 tot en met 123 voorzien, door middel van passende administratieve en rechterlijke maatregelen of op verzoek van een belanghebbende partij, om het onrechtmatige gebruik van een beschermde geografische aanduiding te voorkomen of te beëindigen.

Artikel 125

1. Deze Overeenkomst is van toepassing onverminderd de rechten en verplichtingen van de Partijen uit hoofde van de WTO-Overeenkomst.

2. Van een Partij wordt niet verlangd dat zij uit hoofde van deze Overeenkomst een naam beschermt als geografische aanduiding indien die naam in tegenstrijd is met de naam van een planten- of dierenras en de consument daardoor zou kunnen worden misleid met betrekking tot de werkelijke oorsprong van het product.

3. Een gelijkluidende benaming die bij de consument ten onrechte de indruk wekt dat de producten van oorsprong zijn uit een ander grondgebied, wordt niet beschermd, ook al is de benaming juist wat het grondgebied, de regio of de plaats betreft waaruit het betrokken product feitelijk van oorsprong is. Onverminderd artikel 23 van de Trips-Overeenkomst bepalen de Partijen onderling de praktische gebruiksvoorwaarden om geheel of gedeeltelijk gelijkluidende geografische aanduidingen van elkaar te onderscheiden, er rekening mee houdend dat de betrokken producenten een billijke behandeling moeten krijgen en de consument niet mag worden misleid.

4. Wanneer een Partij in het kader van bilaterale onderhandelingen met een derde voorstelt om een geografische aanduiding van die derde te beschermen die geheel of gedeeltelijk gelijkluidend is met een uit hoofde van deze Overeenkomst beschermde geografische aanduiding van de andere Partij, stelt zij de andere Partij van dit voornemen in kennis en biedt zij haar de gelegenheid opmerkingen te maken voordat de bescherming van de geografische benaming van de derde van kracht wordt.

5. Vragen die rijzen met betrekking tot de productspecificaties van geregistreerde geografische aanduidingen worden door het in artikel 154 bedoelde subcomité voor intellectuele-eigendomsrechten behandeld.

6. De bescherming van uit hoofde van deze Overeenkomst beschermde geografische aanduidingen kan alleen worden ingetrokken door de Partij waaruit het product van oorsprong is.

7. Voor zover in deze Overeenkomst wordt verwezen naar een productspecificatie, wordt hieronder verstaan een specificatie die door de autoriteiten van de Partij waaruit het product van oorsprong is, is goedgekeurd, met inbegrip van eveneens goedgekeurde wijzigingen.

Artikel 126

1. Geen van de bepalingen van dit hoofdstuk verplicht een Partij ertoe de bescherming van de in bijlage 8-C vermelde geografische aanduidingen waarin de artikelen 118 tot en met 125 voorzien, toe te passen gedurende een overgangsperiode van ten hoogste zeven jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst.

2. De Partijen weigeren de inschrijving van een handelsmerk in een van de in artikel 121 bedoelde situaties met betrekking tot een beschermde geografische aanduiding voor soortgelijke producten, mits voor dat handelsmerk een aanvraag tot bescherming op het desbetreffende grondgebied wordt ingediend na de inwerkingtreding van deze titel.

3. Handelsmerken die in strijd met lid 2 zijn ingeschreven, worden ongeldig verklaard.

4.

Gedurende een overgangsperiode van drie jaar volgend op de in lid 1 bepaalde overgangsperiode belet de bescherming op grond van deze Overeenkomst van de volgende geografische aanduidingen voor producten van de Europese Unie niet, dat zij als aanduiding van bepaalde vergelijkbare producten van oorsprong uit de Kirgizische Republiek worden gebruikt:

a. a. Φέτα (Feta); b. b. Calvados; c. c. Asti; d. d. České pivo.

5.

Gedurende een overgangsperiode van acht jaar volgend op de in lid 1 bepaalde overgangsperiode belet de bescherming op grond van deze Overeenkomst van de volgende geografische aanduidingen voor producten van de Europese Unie niet, dat deze als aanduiding van bepaalde vergelijkbare producten van oorsprong uit de Kirgizische Republiek worden gebruikt:

a. a. Champagne; b. b. Cognac.

6. Producten die vóór de inwerkingtreding van deze Overeenkomst in overeenstemming met de wetgeving van een Partij zijn vervaardigd en van een etiket voorzien, maar die niet aan de vereisten van deze Overeenkomst voldoen, mogen worden verkocht totdat de voorraden zijn uitgeput.

7. Producten die na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst en vóór de beëindiging van de in de leden 4 en 5 bepaalde overgangsperioden in overeenstemming met de wetgeving van een Partij met de in de leden 4 en 5 vermelde geografische aanduidingen zijn vervaardigd en van een etiket voorzien, maar die niet aan de vereisten van deze onderafdeling voldoen, mogen verder worden verkocht totdat de voorraden zijn uitgeput.

Artikel 127

Teneinde de uitvoering van deze onderafdeling in de Kirgizische Republiek te faciliteren en de industrie van de Kirgizische Republiek bij te staan, verleent de Europese Unie de Kirgizische Republiek, op haar verzoek en naar gelang haar behoeften, passende technische bijstand in overeenstemming met het recht van de Europese Unie.

Paragraaf 5. OCTROOIEN

Artikel 128

Elke Partij zorgt ervoor dat de procedures waarin het op 19 juni 1970 te Washington tot stand gekomen Verdrag tot samenwerking inzake octrooien voorziet, op haar grondgebied beschikbaar zijn en stelt alles in het werk wat redelijkerwijs in haar vermogen ligt om te voldoen aan het op 1 juni 2000 te Genève aangenomen Verdrag inzake octrooirecht.

Artikel 129

1. De Partijen erkennen het belang van de verklaring over de Trips-Overeenkomst en de volksgezondheid, die op 14 november 2001 te Doha is aangenomen door de Ministeriële Conferentie van de WTO (hierna de „Verklaring van Doha” genoemd). Bij de uitlegging en uitvoering van de rechten en verplichtingen uit hoofde van deze onderafdeling waarborgen de Partijen de consistentie met de Verklaring van Doha.

2. Elke Partij geeft uitvoering aan artikel 31 bis van de Trips-Overeenkomst, de bijlage bij de Trips-Overeenkomst en het aanhangsel van de bijlage bij de Trips-Overeenkomst, die op 23 januari 2017 in werking zijn getreden.

Artikel 130

1. De Partijen erkennen dat geneesmiddelen die op hun respectievelijk grondgebied door een octrooi worden beschermd, aan een vergunningprocedure kunnen worden onderworpen voordat zij op hun respectievelijk grondgebied in de handel worden gebracht (hierna „procedure voor het verkrijgen van een vergunning voor het in de handel brengen” genoemd). De Partijen erkennen dat de termijn tussen de indiening van de octrooiaanvraag en de eerste vergunning om het product in de handel te brengen, zoals voor dat doel door de respectievelijke wetgeving omschreven, de termijn van daadwerkelijke bescherming uit hoofde van het octrooi kan bekorten.

2. Elke Partij voorziet in een passend en doeltreffend mechanisme om de octrooihouder te compenseren voor de verkorting van de daadwerkelijke duur van het octrooi als gevolg van onredelijke vertraging19)Voor de toepassing van dit artikel omvat een „onredelijke vertraging” ten minste een vertraging van meer dan twee jaar voor het eerste antwoord aan de aanvrager na de datum van de indiening van de aanvraag voor een vergunning voor het in de handel brengen. Vertraging bij de afgifte van een vergunning voor het in de handel brengen die het gevolg is van tijdvakken die aan de aanvrager kunnen worden toegerekend of van enig tijdvak waarop de met de afgifte van de vergunning voor het in de handel brengen belaste autoriteit geen vat heeft, hoeft bij de vaststelling van die vertraging niet in aanmerking te worden genomen. bij de afgifte van de eerste vergunning voor het in de handel brengen op haar grondgebied.

3. Als alternatief voor lid 2 kan een Partij voorzien in verdere bescherming voor een geneesmiddel dat door een octrooi wordt beschermd en dat aan een procedure voor het verkrijgen van een vergunning voor het in de handel brengen onderworpen is geweest, voor een duur die gelijk is aan de periode die is verstreken tussen de datum van de aanvraag voor het octrooi en de datum van de eerste vergunning voor het in de handel brengen in de Partij, verminderd met een periode van vijf jaar. De duur van deze verdere bescherming bedraagt niet meer dan vijf jaar. Die periode kan met nog zes maanden worden verlengd voor geneesmiddelen waarvoor kindergeneeskundige studies zijn verricht, en mits de resultaten van die studies in de productinformatie tot uiting worden gebracht.

Artikel 131

1. Elke Partij stelt veiligheids- en werkzaamheidsvereisten vast voordat zij vergunning verleent voor het in de handel brengen van gewasbeschermingsmiddelen.

2. De Partijen erkennen dat gewasbeschermingsmiddelen die op hun respectievelijk grondgebied door een octrooi worden beschermd, aan een administratieve vergunningsprocedure kunnen worden onderworpen voordat zij er in de handel mogen worden gebracht. De Partijen erkennen dat de termijn tussen de indiening van de octrooiaanvraag en de eerste vergunning om het product op hun respectievelijk grondgebied in de handel te brengen, zoals voor dat doel door de desbetreffende wetgeving omschreven, de termijn van daadwerkelijke bescherming uit hoofde van het octrooi kan bekorten.

3. Elke Partij zorgt voor verdere bescherming voor gewasbeschermingsmiddelen die door een octrooi worden beschermd en die aan een administratieve vergunningsprocedure waren onderworpen, waarbij die periode gelijk moet zijn aan de in lid 2, tweede zin, bedoelde periode, verminderd met vijf jaar.

4. Onverminderd lid 3 bedraagt de duur van de verdere periode van bescherming niet meer dan vijf jaar.

Paragraaf 6. BESCHERMING VAN NIET OPENBAAR GEMAAKTE INFORMATIE

Artikel 132

1. Wanneer zij haar verplichting tot naleving van de Trips-Overeenkomst vervult, en met name artikel 39, leden 1 en 2, van die overeenkomst, voorziet elke Partij in passende civielrechtelijke procedures en maatregelen zodat de houder van een bedrijfsgeheim het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, wanneer dit geschiedt in strijd met eerlijke handelsgebruiken, kan voorkomen en er schadeloosstelling voor kan krijgen.

2.

Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt verstaan onder:

a. a. „bedrijfsgeheim”: informatie die:

        i.
        geheim is in de zin dat zij, in haar geheel dan wel in de juiste samenstelling en ordening van de bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie;
      
      
        ii.
        handelswaarde bezit omdat zij geheim is; en
      
      
        iii.
        door de persoon die rechtmatig over de informatie beschikt, is onderworpen aan, gezien de omstandigheden, redelijke maatregelen om die geheim te houden;

i. i. geheim is in de zin dat zij, in haar geheel dan wel in de juiste samenstelling en ordening van de bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met de desbetreffende soort informatie; ii. ii. handelswaarde bezit omdat zij geheim is; en iii. iii. door de persoon die rechtmatig over de informatie beschikt, is onderworpen aan, gezien de omstandigheden, redelijke maatregelen om die geheim te houden; b. b. „houder van het bedrijfsgeheim”: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtmatig over een bedrijfsgeheim beschikt.

3.

Voor de toepassing van deze onderafdeling worden ten minste de volgende activiteiten beschouwd als in strijd met eerlijke handelsgebruiken:

a. a. het verkrijgen van een bedrijfsgeheim zonder de instemming van de houder van een bedrijfsgeheim, wanneer dit geschiedt door ongeoorloofde toegang tot, toe-eigening van, of vermenigvuldiging van documenten, voorwerpen, materialen, stoffen of elektronische bestanden waarover de houder van het bedrijfsgeheim rechtmatig beschikt en die het bedrijfsgeheim bevatten of waaruit het bedrijfsgeheim kan worden afgeleid; b. b. het gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, wanneer dit geschiedt, zonder de instemming van de houder van het bedrijfsgeheim, door een persoon die blijkt te voldoen aan een van de volgende voorwaarden:

        i.
        het bedrijfsgeheim te hebben verworven op een manier als bedoeld in punt a);
      
      
        ii.
        inbreuk te plegen op een geheimhoudingsovereenkomst of een andere verplichting tot het niet openbaar maken van het bedrijfsgeheim; of
      
      
        iii.
        inbreuk te plegen op een contractuele of andere verplichting tot beperking van het gebruik van het bedrijfsgeheim;

i. i. het bedrijfsgeheim te hebben verworven op een manier als bedoeld in punt a); ii. ii. inbreuk te plegen op een geheimhoudingsovereenkomst of een andere verplichting tot het niet openbaar maken van het bedrijfsgeheim; of iii. iii. inbreuk te plegen op een contractuele of andere verplichting tot beperking van het gebruik van het bedrijfsgeheim; c. c. het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim door een persoon die op het tijdstip van het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken wist of, gezien de omstandigheden, had moeten weten dat het bedrijfsgeheim direct of indirect werd verkregen van een andere persoon die het bedrijfsgeheim op een onrechtmatige manier gebruikte of openbaar maakte in de zin van punt b).

4.

Geen van de bepalingen van deze onderafdeling kan zo worden uitgelegd dat zij een Partij ertoe verplicht een van de volgende activiteiten te beschouwen als in strijd met eerlijke handelsgebruiken:

a. a. onafhankelijke ontdekking of onafhankelijk ontwerp; b. b. het nabouwen van een product door een persoon die er rechtmatig in het bezit van is en die niet gebonden is aan een rechtsgeldige verplichting de verkrijging van de relevante informatie te beperken; c. c. het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van informatie die is vereist of toegestaan door de wetgeving van een Partij; d. d. het gebruik door werknemers van ervaringen en vaardigheden die zij op eerlijke wijze tijdens de normale uitoefening van hun functie hebben opgedaan.

5. Geen van de bepalingen van deze onderafdeling kan zo worden uitgelegd dat zij een beperking vormt van de vrijheid van meningsuiting en informatie, met inbegrip van de mediavrijheid zoals die wordt beschermd in de jurisdictie van elk van de Partijen.

Artikel 133

1. Elke Partij zorgt ervoor dat eenieder die deelneemt aan de civielrechtelijke procedures als bedoeld in artikel 132, of die toegang heeft tot documenten die deel uitmaken van die procedures, een bedrijfsgeheim of vermeend bedrijfsgeheim niet mag gebruiken of openbaar maken, voor zover de rechterlijke instanties dit bedrijfsgeheim, op een deugdelijk gemotiveerd verzoek van een belanghebbende, als vertrouwelijk hebben aangemerkt en dat hun ter kennis is gekomen als gevolg van een dergelijke deelname of toegang.

2.

In de civielrechtelijke procedures als bedoeld in artikel 132 zorgt elke Partij ervoor dat haar rechterlijke instanties ten minste de bevoegdheid hebben om:

a. a. voorlopige maatregelen te treffen om het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim op een manier die in strijd is met eerlijke handelsgebruiken, te voorkomen; b. b. dwangmiddelen in te stellen om het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim op een manier die in strijd is met eerlijke handelsgebruiken, te voorkomen; c. c. aan eenieder die wist of had moeten weten dat hij doende was een bedrijfsgeheim te verkrijgen, te gebruiken of openbaar te maken op een manier die in strijd is met eerlijke handelsgebruiken, een passende schadevergoeding op te leggen, te betalen aan de houder van het bedrijfsgeheim, ter compensatie van de werkelijke schade die deze wegens het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim heeft geleden; d. d. specifieke maatregelen te treffen om de vertrouwelijkheid te garanderen van elk bedrijfsgeheim of vermeend bedrijfsgeheim dat in een civielrechtelijke procedure in verband met het vermeende verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim op een manier die in strijd is met eerlijke handelsgebruiken, wordt overgelegd; dergelijke specifieke maatregelen kunnen overeenkomstig de wetgeving van de desbetreffende Partij, de mogelijkheid omvatten om:

        i.
        de toegang tot bepaalde documenten geheel of gedeeltelijk te beperken;
      
      
        ii.
        de toegang tot hoorzittingen en hun respectieve opnamen of transcripties te beperken; en
      
      
        iii.
        een niet-vertrouwelijke versie ter beschikking te stellen van een vonnis waarin de passages die bedrijfsgeheimen bevatten, zijn verwijderd of aangepast; en

i. i. de toegang tot bepaalde documenten geheel of gedeeltelijk te beperken; ii. ii. de toegang tot hoorzittingen en hun respectieve opnamen of transcripties te beperken; en iii. iii. een niet-vertrouwelijke versie ter beschikking te stellen van een vonnis waarin de passages die bedrijfsgeheimen bevatten, zijn verwijderd of aangepast; en e. e. sancties op te leggen aan eenieder die deelneemt aan de gerechtelijke procedure en die nalaat of weigert gevolg te geven aan rechterlijke bevelen betreffende de bescherming van het bedrijfsgeheim of het vermeende bedrijfsgeheim.

3. Van geen van de Partijen wordt verlangd dat zij instaan voor de civielrechtelijke procedures en maatregelen als bedoeld in artikel 132, indien de activiteit in strijd met eerlijke handelsgebruiken geschiedt, overeenkomstig de terzake geldende wetgeving van een Partij, met de bedoeling een fout, wangedrag of illegale activiteiten te onthullen, of om een rechtmatig belang te beschermen dat door de wet is erkend.

Artikel 134

1. Ter uitvoering van artikel 39 van de Trips-Overeenkomst en bij het waarborgen van doeltreffende bescherming tegen oneerlijke mededinging zoals bepaald in artikel 10 van het Unieverdrag van Parijs, beschermt elke Partij commercieel vertrouwelijke informatie die is ingediend om een vergunning voor het in de handel brengen te verkrijgen (hierna „vergunning voor het in de handel brengen” genoemd), tegen openbaarmaking aan derden, tenzij maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de gegevens worden beschermd tegen oneerlijk commercieel gebruik of tenzij wanneer openbaarmaking noodzakelijk is om een hoger openbaar belang te dienen.

2. Indien een Partij als voorwaarde voor de goedkeuring van het in de handel brengen van een geneesmiddel de overlegging van niet openbaar gemaakte test- of andere gegevens vereist waarvan de opstelling een aanmerkelijke inspanning vergt, beschermt de Partij die gegevens tegen oneerlijk commercieel gebruik. Bovendien beschermt elke Partij die gegevens tegen openbaarmaking, behalve indien openbaarmaking noodzakelijk is ter bescherming van het algemene belang.

3. Elke Partij waarborgt dat de autoriteit die verantwoordelijk is voor het verlenen van de vergunning voor het in de handel brengen, gedurende een periode van ten minste vijf jaar geen daarop volgende aanvragen voor een vergunning voor het in de handel brengen aanvaardt die betrekking hebben op de in lid 2 bedoelde gegevens die in de aanvraag voor de eerste vergunning voor het in de handel brengen zijn ingediend, zonder uitdrukkelijke toestemming van de houder van de eerste vergunning voor het in de handel brengen, behalve indien noodzakelijk ter bescherming van het algemene belang.

Artikel 135

1. Elke Partij kent een tijdelijk recht, hierna „gegevensbescherming” genoemd, toe aan de eigenaar van een test- of studieverslag dat voor het eerst is ingediend ter verkrijging van een vergunning voor het in de handel brengen van een gewasbeschermingsmiddel. Gedurende die periode wordt het test- of studieverslag niet gebruikt ten behoeve van een andere persoon die een vergunning voor het in de handel brengen van een gewasbeschermingsmiddel tracht te verkrijgen, tenzij kan worden bewezen dat de eerste eigenaar hiermee uitdrukkelijk instemt.

2.

Het test- of studieverslag moet:

a. a. nodig zijn voor de toelating of een wijziging van de vergunning om toepassing op een ander gewas mogelijk te maken; en b. b. in overeenstemming zijn verklaard met de beginselen van goede laboratoriumpraktijken of goede experimentele praktijken.

3. De gegevensbescherming geldt voor een termijn van ten minste 10 jaar vanaf de eerste vergunning door de betrokken autoriteit in de desbetreffende Partij. Voor gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico kan de termijn worden verlengd tot 13 jaar.

4. De termijn voor de gegevensbescherming wordt met drie maanden verlengd bij elke verlenging van de vergunning voor beperkte toepassingen indien die vergunningen door de houder van de vergunning uiterlijk vijf jaar na de datum van de eerste vergunning worden aangevraagd. De totale termijn voor gegevensbescherming mag in geen geval meer dan 13 jaar bedragen. Voor gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico mag de totale termijn voor gegevensbescherming in geen geval meer dan 15 jaar bedragen.

5. Een test- of studieverslag wordt eveneens beschermd wanneer het voor de verlenging of de herziening van een vergunning noodzakelijk was. In die gevallen bedraagt de termijn voor gegevensbescherming 30 maanden.

6. Niettegenstaande de leden 3, 4 en 5 houdt de overheidsinstantie die verantwoordelijk is voor het verlenen van een vergunning voor het in de handel brengen, geen rekening met de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie voor daarop volgende vergunningen voor het in de handel brengen, ongeacht of die informatie voor het publiek beschikbaar is gesteld.

7. Elke Partij stelt maatregelen vast om de aanvrager en houders van eerdere vergunningen die op de respectieve grondgebieden van de Partijen zijn gevestigd, ertoe te verplichten geheime informatie te delen, om herhaling van proeven op gewervelde dieren te voorkomen.

Paragraaf 7. KWEKERSRECHTEN

Artikel 136

Elke Partij beschermt kwekersrechten overeenkomstig het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekproducten (hierna het „UPOV-Verdrag” genoemd), met inbegrip van de facultatieve uitzondering op het kwekersrecht als bedoeld in artikel 15, lid 2, van het UPOV-Verdrag, en werkt samen om die rechten te bevorderen en te handhaven.

Afdeling C. HANDHAVING VAN INTELLECTUELE-EIGENDOMSRECHTEN

Paragraaf 1. CIVIELRECHTELIJKE EN ADMINISTRATIEVE HANDHAVING

Artikel 137

1. De Partijen herbevestigen hun verbintenissen uit hoofde van de Trips-Overeenkomst en in het bijzonder deel III daarvan, en voorzien in de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de intellectuele-eigendomsrechten worden gehandhaafd. Die maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zijn eerlijk en billijk, niet onnodig ingewikkeld of duur, of met onredelijke termijnen of nodeloze vertragingen. Voor de toepassing van afdeling C van dit hoofdstuk omvat de term „intellectuele-eigendomsrechten” niet de onder afdeling B, onderafdeling 6, van dit hoofdstuk vallende rechten.

2. De in lid 1 bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen zijn tevens doeltreffend, evenredig en afschrikkend; zij worden zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor het handelsverkeer wordt vermeden, en de Partijen voorzien in waarborgen tegen misbruik ervan.

Artikel 138

Elke Partij erkent dat de volgende personen gerechtigd zijn te verzoeken om toepassing van de in deze onderafdeling en in deel III van de Trips-Overeenkomst bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen:

a. a. houders van intellectuele-eigendomsrechten overeenkomstige het toepasselijke recht; b. b. alle andere personen die gemachtigd zijn deze rechten te gebruiken, in het bijzonder licentiehouders, voor zover toegestaan door en overeenkomstig het toepasselijke recht; c. c. instanties voor het collectieve beheer van intellectuele-eigendomsrechten die officieel erkend zijn als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en overeenkomstig het toepasselijke recht; d. d. instanties die met de verdediging van beroepsbelangen zijn belast en die officieel zijn erkend als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voor zover toegestaan door en overeenkomstig het toepasselijke recht.

Artikel 139

1. Elke Partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties, nog voordat met een inhoudelijke beoordeling van de zaak is begonnen, op verzoek van een persoon die redelijkerwijs beschikbaar bewijsmateriaal heeft overgelegd tot staving van de stelling dat er inbreuk op zijn of haar intellectuele-eigendomsrecht is gemaakt of zal worden gemaakt, onmiddellijk afdoende voorlopige maatregelen kunnen gelasten om het relevante bewijsmateriaal in verband met de vermeende inbreuk te beschermen, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd. Bij het gelasten van voorlopige maatregelen houden de rechterlijke instanties rekening met de rechtmatige belangen van de vermeende inbreukmaker.

2. De in lid 1 bedoelde voorlopige maatregelen kunnen de gedetailleerde beschrijving, met of zonder monsterneming, dan wel de fysieke inbeslagname van de vermeende inbreukmakende goederen en, in voorkomend geval, de bij de productie of distributie daarvan gebruikte materialen en werktuigen en de desbetreffende documenten omvatten.

3. Elke Partij treft de nodige maatregelen teneinde de rechterlijke instanties in staat te stellen om, in geval van een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht op commerciële schaal, in voorkomend geval, op verzoek van een persoon overlegging te kunnen gelasten van bancaire, financiële of handelsdocumenten die zich in de hand van de tegenpartij bevinden, mits de bescherming van vertrouwelijke informatie wordt gewaarborgd.

Artikel 140

1. Elke Partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties in het kader van civielrechtelijke procedures wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht naar aanleiding van een met redenen omkleed en proportioneel verzoek van de eiser kunnen gelasten dat de inbreukmaker of iedere andere persoon die partij of getuige bij een geschil is, informatie verstrekt over de oorsprong en het distributienetwerk van de goederen of diensten die een inbreuk op het intellectuele-eigendomsrecht vormen.

2.

Voor de toepassing van lid 1 betekent „iedere andere persoon” een persoon die:

a. a. de inbreukmakende goederen op commerciële schaal in zijn bezit blijkt te hebben; b. b. de inbreukmakende diensten op commerciële schaal blijkt te gebruiken; c. c. op commerciële schaal diensten blijkt te verlenen die bij inbreukmakende activiteiten worden gebruikt; of d. d. door een persoon die een in punt a), b) of c), bedoelde activiteit uitvoert, is aangewezen als zijnde betrokken bij de productie, de vervaardiging of de distributie van die goederen of bij het verlenen van die diensten.

3.

De in lid 1 bedoelde informatie omvat, naargelang het geval:

a. a. de naam en het adres van de producenten, fabrikanten, distributeurs, aanbieders en andere eerdere houders van de goederen of diensten, alsmede van de beoogde groot- en detailhandelaren; en b. b. informatie over de geproduceerde, vervaardigde, geleverde, ontvangen of bestelde hoeveelheden, en over de voor de desbetreffende goederen of diensten verkregen prijs.

4.

De leden 1 en 2 gelden onverminderd het recht van elke Partij waarbij:

a. a. de houder van het recht aanvullende rechten op informatie worden toegekend; b. b. het gebruik van de overeenkomstig dit artikel meegedeelde informatie in civielrechtelijke procedures wordt geregeld; c. c. de aansprakelijkheid wegens misbruik van het recht op informatie wordt geregeld; d. d. de mogelijkheid wordt geboden te weigeren gegevens te verstrekken die de in lid 1 bedoelde persoon zouden dwingen deelname door hemzelf of door naaste verwanten aan een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht toe te geven; of e. e. de bescherming van de vertrouwelijkheid van informatiebronnen of de verwerking van persoonsgegevens wordt geregeld.

Artikel 141

1. Elke Partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties, op verzoek van de eiser, een voorlopig bevel kunnen uitvaardigen tegen de vermeende inbreukmaker dat bedoeld is om een dreigende inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te voorkomen of om, indien wenselijk en indien de interne wetgeving hierin voorziet op straffe van een dwangsom, tijdelijk voortzetting van de vermeende inbreuk op dat recht te verbieden, dan wel om aan die voortzetting de voorwaarde te verbinden dat voor schadeloosstelling van de houder van het recht zekerheid wordt gesteld. Onder dezelfde voorwaarden kan ook een voorlopig bevel worden uitgevaardigd tegen een tussenpersoon van wie de diensten, met inbegrip van internetdiensten, door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een intellectuele-eigendomsrecht.

2. Een voorlopig bevel kan ook worden uitgevaardigd om de inbeslagname of afgifte te kunnen gelasten van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, teneinde te voorkomen dat zij in het handelsverkeer worden gebracht of zich daarin bewegen.

3. Elke Partij zorgt ervoor dat, in geval van een vermeende inbreuk op commerciële schaal en indien de eiser omstandigheden aantoont die de schadevergoeding in gevaar dreigen te brengen, de rechterlijke instanties overeenkomstig de interne wetgeving kunnen overgaan tot conservatoir beslag op de roerende en onroerende goederen van de vermeende inbreukmaker, met inbegrip van het blokkeren van de bankrekeningen en andere tegoeden van de vermeende inbreukmaker. Met het oog daarop kunnen de bevoegde instanties overlegging van bancaire, financiële of commerciële documenten of passende inzage van de desbetreffende informatie gelasten.

Artikel 142

1. Elke Partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties op verzoek van de eiser, onverminderd de aan de houder van het betrokken recht wegens de inbreuk verschuldigde schadevergoeding en zonder schadeloosstelling van welke aard ook, de vernietiging of op zijn minst de definitieve onttrekking aan het handelsverkeer kunnen gelasten van de goederen waarvan zij hebben vastgesteld dat zij inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht maken. Elke Partij ziet er tevens op toe dat de rechterlijke instanties in voorkomend geval de vernietiging kunnen gelasten van materialen en werktuigen die voornamelijk bij de voortbrenging of de vervaardiging van die goederen zijn gebruikt.

2. De rechterlijke instanties van elke Partij hebben de bevoegdheid te gelasten dat de in lid 1 bedoelde corrigerende maatregelen op kosten van de inbreukmaker worden uitgevoerd, tenzij bijzondere redenen dit beletten.

3. Bij de behandeling van een verzoek om corrigerende maatregelen wordt rekening gehouden met de noodzaak van evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de gelaste corrigerende maatregelen en met de belangen van derden.

Artikel 143

Elke Partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties, wanneer een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht wordt vastgesteld, een bevel tot staking van de inbreuk tegen de inbreukmaker en tegen een tussenpersoon van wie de diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een intellectuele-eigendomsrecht, kunnen uitvaardigen.

Artikel 144

Elke Partij kan bepalen dat de rechterlijke instanties, in voorkomend geval en op verzoek van de persoon aan wie de in artikel 142 of artikel 143 vervatte corrigerende maatregelen kunnen worden opgelegd, kunnen gelasten dat de maatregelen van die artikelen niet worden toegepast, maar in plaats daarvan aan de benadeelde partij een geldelijke schadeloosstelling wordt betaald wanneer de betrokkene zonder opzet en zonder nalatigheid heeft gehandeld, uitvoering van de corrigerende maatregelen hem of haar onevenredige schade zou berokkenen en geldelijke schadeloosstelling van de benadeelde partij redelijkerwijs toereikend lijkt.

Artikel 145

1.

Elke Partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties de bevoegdheid hebben om, op verzoek van de benadeelde partij, de inbreukmaker die wist of redelijkerwijs had moeten weten dat hij of zij inbreuk pleegde, te gelasten aan de houder van het recht een schadevergoeding te betalen die passend is voor de werkelijke schade die deze wegens de inbreuk heeft geleden. De rechterlijke instanties die de schadevergoeding vaststellen:

a. a. houden rekening met alle passende factoren, zoals de negatieve economische gevolgen, waaronder winstderving, die de benadeelde partij heeft ondervonden, de onrechtmatige winst die de inbreukmaker heeft genoten en, in voorkomend geval, andere elementen dan economische factoren, onder meer de morele schade die de houder van het recht door de inbreuk heeft geleden; of b. b. kunnen als alternatief voor punt a) in voorkomend geval de schadevergoeding vaststellen als een vast bedrag, op basis van factoren zoals ten minste het bedrag aan royaltys of vergoedingen dat verschuldigd was geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het intellectuele-eigendomsrecht in kwestie te gebruiken.

2. De Partijen kunnen ten behoeve van de benadeelde partij bepalen dat de rechterlijke instanties invordering van winsten of betaling van een, eventueel vooraf vastgestelde, schadevergoeding kunnen gelasten, indien de inbreukmaker niet wist of niet redelijkerwijs had moeten weten dat hij of zij inbreuk pleegde.

Artikel 146

Elke Partij zorgt ervoor dat, als algemene regel, redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de bij de gerechtelijke procedure in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, door de in het ongelijk gestelde partij worden gedragen, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet.

Artikel 147

Elke Partij zorgt ervoor dat de rechterlijke instanties in rechtszaken wegens inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht op verzoek van de eiser kunnen gelasten dat op kosten van de inbreukmaker passende maatregelen tot verspreiding van de informatie over de uitspraak worden getroffen, met inbegrip van bekendmaking en volledige of gedeeltelijke publicatie van de uitspraak.

Artikel 148

De Partijen erkennen dat het voor de toepassing van de in deze afdeling bedoelde maatregelen, procedures en corrigerende maatregelen voor de auteur van een werk van letterkunde of kunst, om als zodanig te worden beschouwd en derhalve het recht te hebben om een rechtsvordering wegens inbreuk in te stellen, volstaat dat zijn of haar naam op de gebruikelijke wijze op het werk is vermeld, totdat bewijs van het tegendeel is geleverd. Dit artikel is mutatis mutandis van toepassing op de houders van naburige rechten ten aanzien van hun beschermde materiaal.

Artikel 149

Voor zover een civielrechtelijke corrigerende maatregel kan worden gelast als gevolg van administratieve procedures ten principale, is een dergelijke procedure in overeenstemming met de beginselen die in wezen gelijkwaardig zijn aan die welke in de terzake geldende bepalingen van deze afdeling zijn vervat.

Paragraaf 2. HANDHAVING AAN DE GRENS

Artikel 150

1. Met betrekking tot goederen die onder douanetoezicht staan, stelt elke Partij procedures in, of handhaaft deze, op grond waarvan een houder van een recht een verzoek kan indienen waarbij de douaneautoriteiten worden verzocht goederen vast te houden of de vrijgave ervan op te schorten wanneer een inbreuk wordt vermoed op intellectuele-eigendomsrechten, met name handelsmerken, auteursrechten en naburige rechten, geografische aanduidingen, octrooien, gebruiksmodellen, tekeningen of modellen van nijverheid, topografieën van geïntegreerde schakelingen en kwekersrechten (hierna „verdachte goederen” genoemd).

2. Elke Partij beschikt over elektronische systemen voor het beheer van de ingewilligde of geregistreerde verzoeken door de douaneautoriteiten. Uiterlijk vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst voorziet de Kirgizische Republiek in dergelijke elektronische systemen.

3. Wanneer een Partij een vergoeding in rekening brengt voor de administratieve kosten die voortvloeien uit het verzoek of de registratie, staat die vergoeding in verhouding tot de verleende dienst en de gemaakte kosten.

4. Elke Partij zorgt ervoor dat haar douaneautoriteiten binnen een redelijke termijn overeenkomstig haar wetgeving beslissen over de inwilliging of registratie van een verzoek.

5. Elke Partij zorgt ervoor dat een verzoek als bedoeld in lid 1 van toepassing is op meervoudige zendingen.

6. Elke Partij ziet erop toe dat haar douaneautoriteiten met betrekking tot goederen die onder douanetoezicht staan, op eigen initiatief kunnen optreden om verdachte goederen vast te houden of de vrijgave ervan op te schorten.

7. Elke Partij zorgt ervoor dat haar douaneautoriteiten risicoanalyse gebruiken om verdachte goederen te identificeren.

8. Elke Partij beschikt over procedures voor de vernietiging van verdachte goederen, zonder dat voorafgaande administratieve of gerechtelijke procedures nodig zijn voor de formele vaststelling van de inbreuken, met name indien de betrokken personen instemmen met of geen bezwaar maken tegen de vernietiging. In gevallen waar verdachte goederen waarvan is bepaald dat zij een inbreuk maken, niet worden vernietigd, zorgt elke Partij ervoor dat die goederen, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, op zodanige wijze aan het verkeer worden onttrokken dat nadeel voor de houder van het recht wordt vermeden.

9. Wanneer vervolgens wordt vastgesteld dat de vastgehouden of geschorste goederen geen inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht, is de houder van het recht aansprakelijk jegens elke houder of aangever van de goederen die in dit verband schade heeft geleden, overeenkomstig de toepasselijke wetgeving van elke Partij.

10. Het is elke Partij toegestaan over procedures te beschikken voor de snelle vernietiging van nagemaakte merkartikelen en door piraterij verkregen goederen die in post- of expreskoerierszendingen worden verzonden.

11. Elke Partij kan besluiten dit artikel niet toe te passen op de invoer van goederen die door of met toestemming van de houders van het recht in een ander land in de handel zijn gebracht. Een Partij kan goederen van niet-commerciële aard die zich in de persoonlijke bagage van reizigers bevinden, van de toepassing van dit artikel uitsluiten.

12. Elke Partij ziet erop toe dat haar douaneautoriteiten een regelmatige dialoog aangaan en de samenwerking bevorderen met de desbetreffende belanghebbenden en met andere instanties die betrokken zijn bij de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten.

13. De Partijen werken samen met betrekking tot de internationale handel in verdachte goederen. De Partijen komen met name overeen informatie uit te wisselen over de handel in verdachte goederen die gevolgen heeft voor de andere Partij, onverminderd de respectievelijk toepasselijke wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens in elke Partij.

14. Onverminderd andere vormen van samenwerking is het Protocol betreffende wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken van toepassing op inbreuken op de wetgeving inzake intellectuele-eigendomsrechten voor de handhaving waarvan de douaneautoriteiten overeenkomstig dit artikel bevoegd zijn.

15. Het in artikel 154 bedoelde subcomité voor intellectuele-eigendomsrechten is verantwoordelijk voor de goede werking en uitvoering van dit artikel, met name wat betreft de samenwerking tussen de Partijen.

Artikel 151

Bij de uitvoering van maatregelen aan de grens ter handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douaneautoriteiten, ongeacht of zij onder deze onderafdeling vallen, zorgen de Partijen voor overeenstemming met hun verplichtingen uit hoofde van de GATT 1994 en de Trips-Overeenkomst, met name met artikel V van de GATT 1994 en artikel 41 en deel III, afdeling 4, van de Trips-Overeenkomst.

Afdeling D. SLOTBEPALINGEN

Artikel 152

1. De Partijen komen overeen samen te werken ter ondersteuning van de uitvoering van de verbintenissen en verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk.

2.

De samenwerking tussen de Partijen omvat de volgende activiteiten:

a. a. uitwisseling van informatie over het rechtskader met betrekking tot intellectuele-eigendomsrechten en de regels om deze te beschermen en te handhaven; b. b. uitwisseling van ervaringen tussen de Partijen over de vooruitgang op wetgevingsgebied; c. c. uitwisseling van ervaringen tussen de Partijen met betrekking tot de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten op centraal en subcentraal niveau; d. d. coördinatie ter voorkoming van de uitvoer van nagemaakte goederen, ook met andere landen; e. e. technische bijstand, capaciteitsopbouw; uitwisseling en opleiding van personeel; f. f. bescherming en verdediging van intellectuele-eigendomsrechten en verspreiding van informatie hierover, onder meer in het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld; g. g. voorlichting van consumenten en houders van een recht; uitbreiding van institutionele samenwerking, met name tussen bureaus voor intellectuele eigendom; h. h. bevordering van de voorlichting en bewustmaking van het grote publiek over het beleid inzake de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten; i. i. bevordering van de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door publiek-particuliere samenwerking waarbij kleine en middelgrote ondernemingen betrokken zijn; j. j. formulering van doeltreffende strategieën om te bepalen wat de doelgroepen zijn en van communicatieprogrammas om het bewustzijn van de consument en de media te verbeteren over de impact van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van het gevaar voor gezondheid en veiligheid en het verband met de georganiseerde misdaad.

3. Elke Partij kan de productspecificaties of een samenvatting daarvan alsmede de contactpunten voor de controle op en het beheer van op grond van onderafdeling 4 beschermde geografische aanduidingen uit de andere Partij, openbaar maken.

4. De Partijen houden rechtstreeks of via het in artikel 154 bedoelde subcomité voor intellectuele-eigendomsrechten contact over alle kwesties in verband met de uitvoering en werking van dit hoofdstuk.

Artikel 153

Elke Partij streeft ernaar vrijwillige initiatieven van belanghebbenden om inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten terug te dringen, ook online en op andere marktplaatsen, te faciliteren, waarbij de nadruk ligt op concrete problemen en praktische oplossingen worden gezocht die realistisch, evenwichtig, proportioneel en billijk zijn voor alle betrokkenen, onder meer als volgt:

a. a. elke Partij streeft ernaar belanghebbenden op haar grondgebied consensueel bijeen te roepen om vrijwillige initiatieven te faciliteren om oplossingen te vinden en geschillen op te lossen met betrekking tot de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten en het terugdringen van inbreuken; b. b. de Partijen streven ernaar onderling informatie uit te wisselen over inspanningen om vrijwillige initiatieven van belanghebbenden op hun respectievelijk grondgebied te faciliteren; en c. c. de Partijen streven ernaar een open dialoog en samenwerking tussen de belanghebbenden in de Partijen te bevorderen en die belanghebbenden aan te moedigen gezamenlijk oplossingen te vinden en geschillen over de bescherming en handhaving van intellectuele-eigendomsrechten op te lossen en inbreuken terug te dringen.

Artikel 154

1. De Partijen stellen een subcomité voor intellectuele-eigendomsrechten in (hierna „IER-subcomité” genoemd) dat bestaat uit vertegenwoordigers van de Europese Unie en van de Kirgizische Republiek, en dat tot taak heeft toezicht te houden op de toepassing van dit hoofdstuk en de samenwerking tussen de Partijen en de dialoog over intellectuele-eigendomsrechten te intensiveren.

2. Het IER-subcomité komt bijeen op verzoek van een van beide Partijen, afwisselend in de Europese Unie en in de Kirgizische Republiek, op een tijdstip, plaats en wijze (waaronder eventueel per videoconferentie) die onderling door de Partijen worden bepaald, maar uiterlijk binnen 90 dagen na indiening van het verzoek.

Hoofdstuk 9. OVERHEIDSOPDRACHTEN

Artikel 155

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a. „handelsgoederen of -diensten”: goederen of diensten die in de regel in de handel worden verkocht of te koop worden aangeboden aan, en in de regel worden aangekocht door niet-overheidskopers voor niet-overheidsdoeleinden; b. b. „diensten in verband met de bouw”: diensten die gericht zijn op de uitvoering, op welke wijze dan ook, van civieltechnische of bouwwerkzaamheden gebaseerd op afdeling 51 van de VN CPC; c. c. „elektronische veiling”: een zich herhalend proces waarbij leveranciers langs elektronische weg nieuwe prijzen opgeven, dan wel nieuwe waarden voor kwantificeerbare, niet op de prijs betrekking hebbende en met de beoordelingscriteria samenhangende onderdelen van de inschrijving, of beide, en waardoor een rangorde van de inschrijvingen tot stand komt of de rangorde wordt gewijzigd; d. d. „schriftelijk”: elke formulering in woorden of cijfers die gelezen, gereproduceerd en later meegedeeld kan worden, met inbegrip van elektronisch doorgegeven en opgeslagen informatie; e. e. „onderhandse aanbesteding”: methode van aanbesteding waarbij de aanbestedende dienst een of meerdere leveranciers van zijn keuze aanzoekt; f. f. „maatregel”: een wet, voorschrift, procedure, administratieve richtsnoer of praktijk, dan wel een handeling van een aanbestedende dienst, betreffende een onder dit hoofdstuk vallende opdracht; g. g. „lijst voor veelvuldig gebruik”: een lijst van erkende leveranciers die de aanbestedende dienst meer dan eens wil gebruiken; h. h. „bericht van aanbesteding”: bekendmaking van een aanbestedende dienst waarin belangstellende leveranciers worden uitgenodigd een verzoek om deelname in te dienen, in te schrijven of beide; i. i. „compensatie”: een voorwaarde of verbintenis die de plaatselijke ontwikkeling aanmoedigt of de betalingsbalans van een Partij verbetert, bijvoorbeeld betreffende het gebruik van interne producten, het in licentie geven van technologie, investeringen, compenserende handel en vergelijkbare maatregelen of vereisten; j. j. „openbare aanbesteding”: een aanbestedingsprocedure waarbij alle belangstellende leveranciers kunnen inschrijven; k. k. „aanbestedende dienst”: een entiteit die onder een onderafdeling van een Partij valt van afdeling 1, 2 of 3 van bijlage 9; l. l. „erkende leverancier”: een leverancier die door een aanbestedende dienst is erkend als leverancier die aan de voorwaarden voor deelname voldoet; m. m. „aanbesteding met voorafgaande selectie”: methode van aanbesteding waarbij de aanbestedende dienst uitsluitend erkende leveranciers tot inschrijven uitnodigt; n. n. „diensten”: omvat diensten in verband met de bouw, tenzij anders bepaald; o. o. „norm”: een door een erkend orgaan goedgekeurd document dat voor algemeen en herhaald gebruik bestemde regels, richtlijnen of kenmerken voor producten of diensten of daarmee verband houdende processen en productiemethoden bevat, waarvan de naleving niet verplicht is; zij kan ook geheel of ten dele betrekking hebben op terminologische elementen, symbolen en voorschriften betreffende verpakking, markering of etikettering die van toepassing zijn op een product, dienst, proces of productiemethode; p. p. „leverancier”: een persoon of groep personen die goederen of diensten levert of kan leveren; q. q. „technische specificatie”: een vereiste in een aanbestedingsprocedure waarin:

      i.
      de kenmerken van de aan te schaffen goederen of diensten worden omschreven, zoals kwaliteit, prestaties, veiligheid en afmetingen, dan wel de processen en methoden voor productie of levering; of
    
    
      ii.
      de terminologie en symbolen die in verband met een product of dienst moeten worden gebruikt, en eventuele verpakkings-, markerings- of etiketteringsvereisten worden vastgesteld;

i. i. de kenmerken van de aan te schaffen goederen of diensten worden omschreven, zoals kwaliteit, prestaties, veiligheid en afmetingen, dan wel de processen en methoden voor productie of levering; of ii. ii. de terminologie en symbolen die in verband met een product of dienst moeten worden gebruikt, en eventuele verpakkings-, markerings- of etiketteringsvereisten worden vastgesteld; r. r. „VN-CPC”: de voorlopige centrale productenclassificatie van de Verenigde Naties (United Nations Provisional Central Product Classification) (Statistical Papers Series M Nr. 77, Department of International Economic and Social Affairs, Statistical Office of the United Nations, New York, 1991).

Artikel 156

1. Dit hoofdstuk is van toepassing op alle maatregelen die betrekking hebben op onder dit hoofdstuk vallende opdrachten, ongeacht of deze geheel of gedeeltelijk elektronisch worden aanbesteed.

2.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder „onder dit hoofdstuk vallende opdrachten” verstaan: opdrachten betreffende de aanschaf voor overheidsdoeleinden:

a. a. van goederen, diensten of een combinatie daarvan:

        i.
        zoals gespecificeerd in bijlage 9; en
      
      
        ii.
        die niet worden aangeschaft met het oog op commerciële verkoop of wederverkoop of voor gebruik bij de productie of levering van goederen of diensten voor commerciële verkoop of wederverkoop;

i. i. zoals gespecificeerd in bijlage 9; en ii. ii. die niet worden aangeschaft met het oog op commerciële verkoop of wederverkoop of voor gebruik bij de productie of levering van goederen of diensten voor commerciële verkoop of wederverkoop; b. b. met welke contractuele middelen dan ook, waaronder: koop; lease; en huur of huurkoop, met of zonder koopoptie; c. c. waarvan de waarde, berekend overeenkomstig de leden 6, 7, en 8, van dit artikel, ten tijde van de publicatie van het bericht van aanbesteding overeenkomstig artikel 160, gelijk is aan of meer bedraagt dan de desbetreffende drempelwaarde die vermeld is in de afdelingen 1, 2 en 3 van bijlage 9; d. d. door een aanbestedende dienst; en e. e. die niet anderszins zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van lid 3 van dit artikel of van de onderafdeling van de desbetreffende Partij van afdeling 1, 2, 3 of 5 van bijlage 9.

3.

Tenzij anders bepaald in bijlage 9, is dit hoofdstuk niet van toepassing op:

a. a. de verwerving of huur van grond, bestaande gebouwen of andere onroerende goederen of de rechten daarop; b. b. niet-contractuele overeenkomsten of enige vorm van bijstand die een Partij verleent, met inbegrip van samenwerkingsovereenkomsten, subsidies, leningen, kapitaalinjecties, garanties en fiscale stimuleringsmaatregelen; c. c. de aanschaf of verwerving van belastingadviesdiensten of bewaardiensten, vereffenings- en managementdiensten voor gereglementeerde financiële instellingen of diensten in verband met de verkoop, aflossing en distributie van de overheidsschuld, met inbegrip van leningen, staatsobligaties, promessen en andere effecten; d. d. arbeidsovereenkomsten voor werk bij de overheid; e. e. opdrachten die worden aanbesteed:

        i.
        met het specifieke doel internationale bijstand, met inbegrip van ontwikkelingshulp, te verlenen;
      
      
        ii.
        uit hoofde van een bijzondere procedure of voorwaarde van een internationale overeenkomst betreffende de legering van strijdkrachten of betreffende de gezamenlijke uitvoering van een project door de ondertekenende landen; of
      
      
        iii.
        uit hoofde van een bijzondere procedure of voorwaarde van een internationale organisatie, of gefinancierd door een internationale subsidie, lening of andere vorm van steun, wanneer die procedure of voorwaarde niet in overeenstemming is met dit hoofdstuk.

i. i. met het specifieke doel internationale bijstand, met inbegrip van ontwikkelingshulp, te verlenen; ii. ii. uit hoofde van een bijzondere procedure of voorwaarde van een internationale overeenkomst betreffende de legering van strijdkrachten of betreffende de gezamenlijke uitvoering van een project door de ondertekenende landen; of iii. iii. uit hoofde van een bijzondere procedure of voorwaarde van een internationale organisatie, of gefinancierd door een internationale subsidie, lening of andere vorm van steun, wanneer die procedure of voorwaarde niet in overeenstemming is met dit hoofdstuk.

4.

De verbintenissen van elke Partij met betrekking tot onder dit hoofdstuk vallende aanbestedingen en de daarmee verband houdende toegang tot informatie zijn als volgt opgenomen in bijlage 9:

a. a. in afdeling 1, de centrale-overheidsdiensten waarvan de aanbestedingen onder dit hoofdstuk vallen, met inbegrip van de toepasselijke drempelwaarden voor onder dit hoofdstuk vallende goederen en diensten; b. b. in afdeling 2, de lagere-overheidsentiteiten waarvan de aanbestedingen onder dit hoofdstuk vallen, met inbegrip van de toepasselijke drempelwaarden voor onder dit hoofdstuk vallende goederen en diensten; c. c. in afdeling 3, alle andere diensten waarvan de aanbestedingen onder dit hoofdstuk vallen, met inbegrip van de toepasselijke drempelwaarden voor onder dit hoofdstuk vallende goederen en diensten; d. d. in afdeling 4, de diensten, andere dan diensten in verband met de bouw, die onder dit hoofdstuk vallen; e. e. in afdeling 5, algemene aantekeningen en afwijkingen; en f. f. in afdeling 6, de media waarin de Partij haar aankondigingen van overheidsopdrachten, gunningsberichten en andere informatie met betrekking tot haar systeem voor overheidsopdrachten als beschreven in dit hoofdstuk publiceert.

5.

Indien een aanbestedende dienst, in het kader van een onder dit hoofdstuk vallende opdracht, van een niet in de onderafdeling van de desbetreffende Partij van afdeling 1, 2 of 3 van bijlage 9, genoemde persoon verlangt dat deze opdrachten plaatst met inachtneming van bijzondere voorschriften, dan is lid 4 van dit artikel van overeenkomstige toepassing op die voorschriften.

Ramen van de waarde

6.

Bij het ramen van de waarde van een opdracht om te bepalen of deze onder dit hoofdstuk valt:

a. a. mag een aanbestedende dienst de opdracht niet in afzonderlijke opdrachten verdelen of een bijzondere methode voor het ramen van de waarde van de opdracht kiezen of gebruiken om deze geheel of gedeeltelijk buiten de toepassing van dit hoofdstuk te doen vallen; en b. b. moet een aanbestedende dienst uitgaan van de geraamde maximale totale waarde van de opdracht over de gehele looptijd daarvan, ongeacht of de opdracht aan een of meer leveranciers is gegund, waarbij rekening wordt gehouden met alle vormen van vergoeding, met inbegrip van:

        i.
        premies, honoraria, commissielonen en rente; en
      
      
        ii.
        indien de aanbesteding de mogelijkheid van opties biedt, de totale waarde van zulke opties.

i. i. premies, honoraria, commissielonen en rente; en ii. ii. indien de aanbesteding de mogelijkheid van opties biedt, de totale waarde van zulke opties.

7.

Indien een bepaald vereiste met betrekking tot een aanbesteding aanleiding geeft tot het plaatsen van meer dan één opdracht of tot het plaatsen van de opdracht in afzonderlijke percelen (hierna „herhalingsopdrachten” genoemd), moet de berekening van de geschatte maximale totale waarde gebaseerd zijn op:

a. a. de waarde van herhalingsopdrachten betreffende soortgelijke goederen of diensten in de voorafgaande periode van twaalf maanden of het voorafgaande boekjaar van de aanbestedende dienst, indien mogelijk gecorrigeerd op grond van verwachte wijzigingen in hoeveelheid of waarde gedurende de volgende twaalf maanden van de goederen of diensten; of b. b. de geraamde waarde van herhalingsopdrachten betreffende soortgelijke goederen of diensten die zullen worden gegund in de periode van twaalf maanden volgende op de gunning van de eerste opdracht of het boekjaar van de aanbestedende dienst.

8.

In geval van een aanbesteding door middel van leasing, huur of huurkoop van een goed of dienst, of van een aanbesteding waarvoor geen totale prijs is opgegeven, wordt de waarde op de volgende grondslag bepaald:

a. a. bij opdrachten met een vastgestelde looptijd:

        i.
        de totale geraamde maximale waarde voor de looptijd van de opdracht indien de looptijd daarvan ten hoogste twaalf maanden bedraagt; of
      
      
        ii.
        indien de looptijd meer dan twaalf maanden bedraagt, de totale geraamde maximale waarde, met inbegrip van de geraamde restwaarde;

i. i. de totale geraamde maximale waarde voor de looptijd van de opdracht indien de looptijd daarvan ten hoogste twaalf maanden bedraagt; of ii. ii. indien de looptijd meer dan twaalf maanden bedraagt, de totale geraamde maximale waarde, met inbegrip van de geraamde restwaarde; b. b. het geraamde maandelijks te betalen bedrag vermenigvuldigd met 48; en c. c. indien niet duidelijk is of het om een met een vaste looptijd gaat, is punt b) van toepassing.

Artikel 157

1.

Geen van de bepalingen van dit hoofdstuk kan worden uitgelegd als een beletsel voor een Partij om maatregelen te nemen of informatie niet te verstrekken indien zij dit nodig acht ter bescherming van haar wezenlijke veiligheidsbelangen met betrekking tot de aanschaf:

a. a. van wapens, munitie of oorlogsmaterieel; b. b. die onmisbaar is voor de nationale veiligheid; of c. c. voor nationale defensiedoeleinden.

2.

Mits de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij in gelijke omstandigheden een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de Partijen dan wel een verkapte beperking van het handelsverkeer tussen de Partijen vormen, mag geen van de bepalingen van dit hoofdstuk worden uitgelegd als beletsel voor het opleggen of handhaven door een van beide Partijen van maatregelen die:

a. a. noodzakelijk zijn voor het beschermen van de openbare zeden, de openbare orde of de veiligheid; b. b. noodzakelijk zijn voor de bescherming van het leven of de gezondheid van mensen, dieren of planten; c. c. noodzakelijk zijn ter bescherming van intellectuele eigendom; of d. d. betrekking hebben op goederen of diensten van mensen met een handicap, liefdadigheidsinstellingen of gevangenisarbeid.

Artikel 158

1. Ten aanzien van alle maatregelen betreffende de onder dit hoofdstuk vallende opdrachten behandelt een Partij, met inbegrip van haar aanbestedende diensten, goederen en diensten uit de andere Partij en leveranciers uit de andere Partij die die goederen of diensten aanbieden, onmiddellijk en onvoorwaardelijk niet minder gunstig dan zij, met inbegrip van haar aanbestedende diensten, binnenlandse goederen, diensten en leveranciers behandelt.

2.

Voor alle maatregelen betreffende de hier bedoelde overheidsopdrachten mag een Partij, met inbegrip van haar aanbestedende diensten,:

a. a. een plaatselijk gevestigde leverancier niet minder gunstig behandelen dan een andere plaatselijk gevestigde leverancier op grond van de mate waarin het kapitaal ervan of de zeggenschap erover in buitenlandse handen is; of b. b. een plaatselijk gevestigde leverancier niet discrimineren op grond van het feit dat de goederen of diensten die door die leverancier voor een bepaalde opdracht worden aangeboden, goederen of diensten van de andere Partij zijn.

3.

Elke Partij zorgt ervoor dat leveranciers van de andere Partij die door middel van de oprichting, verwerving of handhaving van een rechtspersoon een commerciële aanwezigheid op haar grondgebied hebben gevestigd, met betrekking tot overheidsopdrachten van de Partij op haar grondgebied een behandeling krijgen die niet minder gunstig is dan de behandeling die haar binnenlandse leveranciers overeenkomstig de nationale wet- en regelgeving genieten.

De algemene uitzonderingen van artikel 157 zijn van toepassing.

4.

Wanneer een onder dit hoofdstuk vallende opdracht wordt aanbesteed met gebruikmaking van elektronische middelen:

a. a. zorgt de aanbestedende dienst ervoor dat voor de aanbesteding, waaronder ook voor de authenticatie en encryptie van informatie, informatietechnologiesystemen en software worden gebruikt die algemeen beschikbaar zijn en interoperabel met andere algemeen beschikbare informatietechnologiesystemen en software; b. b. hanteert de aanbestedende dienst mechanismen die de integriteit van verzoeken om deelname en van inschrijvingen waarborgen, onder meer wat betreft de bepaling van het tijdstip van ontvangst en het voorkomen van ongeoorloofde toegang; en c. c. gebruikt de aanbestedende dienst elektronische informatie- en communicatiemiddelen voor de bekendmaking van aankondigingen en aanbestedingsstukken in aanbestedingsprocedures en, voor zover mogelijk, voor de indiening van inschrijvingen.

5.

Een aanbestedende dienst zorgt ervoor dat onder dit hoofdstuk vallende opdrachten op een transparante en onpartijdige wijze worden aanbesteed:

a. a. die in overeenstemming is met dit hoofdstuk, waarbij gebruik wordt gemaakt van methoden als openbare aanbesteding, aanbesteding met voorafgaande selectie en onderhandse aanbesteding; b. b. waarbij belangenconflicten worden vermeden; en c. c. waarbij corrupte praktijken wordt voorkomen.

6. Ten behoeve van onder dit hoofdstuk vallende overheidsopdrachten passen de Partijen op uit de andere Partij ingevoerde goederen of diensten of door de andere Partij geleverde goederen of verleende diensten geen oorsprongsregels toe die afwijken van de oorsprongsregels die de Partij op dat moment op de invoer van dezelfde goederen of de verlening van dezelfde diensten in het normale handelsverkeer toepast.

7. Met betrekking tot onder dit hoofdstuk vallende opdrachten mogen de Partijen en hun aanbestedende diensten geen compensatie vragen, in aanmerking nemen, opleggen of afdwingen.

8.

De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op:

a. a. douanerechten en heffingen van welke aard ook die bij invoer of in verband met invoer worden geïnd; b. b. de wijze van inning van dergelijke rechten en heffingen; of c. c. andere invoerregelingen en -formaliteiten, en maatregelen die gevolgen hebben voor de handel in diensten, andere dan maatregelen betreffende onder dit hoofdstuk vallende opdrachten.

9. Elke Partij zorgt ervoor dat zij over passende maatregelen beschikt om corruptie bij haar overheidsopdrachten aan te pakken. Die maatregelen kunnen procedures omvatten om leveranciers die door de rechterlijke instanties of bevoegde overheidsinstanties van die Partij in laatste aanleg werden vastgesteld betrokken te zijn bij frauduleuze of andere onwettige handelingen met betrekking tot overheidsopdrachten op het grondgebied van die Partij, voor onbepaalde tijd of voor een bepaalde periode niet in aanmerking te laten komen voor deelname aan aanbestedingen van die Partij. Elke Partij zorgt er ook voor dat zij beschikt over beleid en procedures om mogelijke belangenconflicten van personen die betrokken zijn bij of invloed hebben op aanbestedingen, zoveel mogelijk uit te sluiten of te beheersen.

Artikel 159

1.

Elke Partij:

a. a. publiceert onverwijld alle wetgeving, regelgeving, gerechtelijke uitspraken, algemene administratieve beschikkingen en standaardclausules die bij wet- of regelgeving verplicht zijn gesteld en door verwijzing zijn opgenomen in berichten betreffende de aanbesteding, aanbestedingsdossiers en procedures inzake onder dit hoofdstuk vallende opdrachten, alsmede alle wijzigingen daarvan, in officieel daartoe bestemde elektronische of gedrukte media die op ruime schaal worden verspreid en gemakkelijk toegankelijk blijven voor het publiek; en b. b. verstrekt desgevraagd een uitleg daarvan aan de andere Partij.

2.

Elke Partij vermeldt in afdeling 6 van bijlage 9:

a. a. de elektronische of gedrukte media waarin de Partij de in lid 1, punt a), van dit artikel bedoelde informatie publiceert; b. b. de elektronische of gedrukte media waarin de Partij de berichten overeenkomstig artikel 160, artikel 162, lid 7, en artikel 169, lid 2, publiceert; en c. c. de website(s) waarop de Partij de in artikel 169, lid 2, bedoelde berichten over de gunning van een opdracht publiceert.

3. Een Partij stelt het Samenwerkingscomité onverwijld in kennis van elke wijziging van de op grond van lid 2 van dit artikel, in afdeling 6 van bijlage 9 vermelde informatie.

Artikel 160

1. Alle in dit artikel bedoelde aankondiging (bericht van aanbesteding, samenvattend bericht van aanbesteding en bericht van geplande aanbesteding) zijn kosteloos rechtstreeks en langs elektronische weg toegankelijk via één enkel online toegangspunt. Voorts kunnen de aankondigingen ook worden gepubliceerd in een geschikte gedrukte vorm die op ruime schaal wordt verspreid en gemakkelijk toegankelijk blijven voor het publiek, ten minste totdat de in de aankondiging aangegeven termijn is verstreken.

2. Voor elke onder dit hoofdstuk vallende overheidsopdracht publiceert de aanbestedende dienst, behalve in de in artikel 166 beschreven omstandigheden, een bericht van aanbesteding.

3.

Tenzij anders bepaald in dit hoofdstuk, worden in alle berichten van aanbesteding de volgende gegevens opgenomen:

a. a. de naam en het adres van de aanbestedende dienst en andere informatie die nodig is om contact met de aanbestedende dienst op te nemen en alle relevante documentatie in verband met de aanbesteding te verkrijgen, alsmede de eventuele kosten en betalingsvoorwaarden; b. b. een omschrijving van de opdracht, met inbegrip van de aard en de hoeveelheid van de goederen of diensten die worden aanbesteed, ofwel een raming van de hoeveelheid, indien de hoeveelheid niet exact bekend is; c. c. voor herhalingsopdrachten zo mogelijk een raming van de timing voor de volgende berichten van aanbesteding; d. d. een beschrijving van eventuele facultatieve onderdelen; e. e. de termijnen voor de levering van goederen of diensten of de looptijd van de opdracht; f. f. de gebruikte aanbestedingsprocedure, met vermelding of daarbij gebruik zal worden gemaakt van onderhandelingen of een elektronische veiling; g. g. in voorkomend geval, het adres en de datum waarop inschrijvingen of verzoeken tot deelname uiterlijk moeten worden ingediend; h. h. het adres en de uiterste datum voor de indiening van inschrijvingen; i. i. de taal of talen waarin inschrijvingen of verzoeken om deelname mogen worden ingediend, indien zij mogen worden ingediend in een andere taal dan een officiële taal van de Partij waartoe de aanbestedende dienst behoort; j. j. een lijst en korte omschrijving van alle voorwaarden voor deelname, waaronder de eventuele verplichte verstrekking van specifieke documenten of certificaten door de leveranciers in verband met de deelname, tenzij die vereisten zijn opgenomen in het aanbestedingsdossier dat aan alle belangstellende leveranciers ter beschikking wordt gesteld op hetzelfde tijdstip als het bericht van aanbesteding; k. k. indien de aanbestedende dienst voornemens is overeenkomstig artikel 162 een beperkt aantal erkende leveranciers uit te nodigen in te schrijven: de criteria aan de hand waarvan zij zullen worden gekozen en eventuele beperkingen van het aantal erkende leveranciers dat mag inschrijven; en l. l. een vermelding dat de aanbesteding een onder dit hoofdstuk vallende aanbesteding is.

4.

Voor iedere voorgenomen aanbesteding publiceert de aanbestedende dienst in een van de talen van de WTO, op hetzelfde tijdstip als het bericht van aanbesteding, een gemakkelijk toegankelijk samenvattend bericht van aanbesteding. Dit samenvattend bericht van aanbesteding bevat ten minste de volgende informatie:

a. a. de inhoud van de opdracht; b. b. de uiterste termijn voor de indiening van inschrijvingen en in voorkomend geval de uiterste termijn voor de indiening van verzoeken om deelname aan de aanbesteding of aanvragen tot plaatsing op een lijst voor veelvuldig gebruik; en c. c. het adres waar documenten met betrekking tot de opdracht kunnen worden opgevraagd.

5. De aanbestedende diensten worden aangemoedigd hun aanbestedingsplannen zo vroeg mogelijk in elk begrotingsjaar bekend te maken (hierna „bericht van geplande aanbesteding” genoemd) in de passende elektronische en, indien beschikbaar, gedrukte media die in afdeling 6 van bijlage 9 worden vermeld. Het bericht van geplande aanbesteding wordt ook bekendgemaakt op de in afdeling 6 van bijlage 9 vermelde website van het centrale toegangspunt, met inachtneming van lid 3 van dit artikel. Het bericht van geplande aanbesteding dient de inhoud van de opdrachten en de geplande datum van publicatie van het bericht van aanbesteding te bevatten.

6. Onder afdeling B of C vallende aanbestedende diensten, kunnen het bericht van geplande aanbesteding als bericht van aanbesteding gebruiken, mits het bericht van geplande aanbesteding zoveel mogelijk van de in lid 4 van dit artikel bedoelde informatie bevat waarover de aanbestedende dienst beschikt, alsmede een verklaring dat leveranciers hun belangstelling voor de opdracht bij de aanbestedende dienst bekend kunnen maken.

Artikel 161

1. Aanbestedende diensten beperken eventuele voorwaarden voor deelname aan een aanbesteding tot wat noodzakelijk is om te waarborgen dat de leverancier over de juridische en financiële capaciteit en de commerciële en technische vaardigheden beschikt om de desbetreffende opdracht uit te voeren.

2.

Bij de vaststelling van de voorwaarden voor deelname mag een aanbestedende dienst:

a. a. de deelname van een leverancier aan een aanbesteding niet afhankelijk stellen van de voorwaarde dat aan de betrokken leverancier reeds eerder een of meer opdrachten zijn gegund door een aanbestedende dienst van een Partij; en b. b. relevante ervaring verlangen wanneer deze van wezenlijk belang is om aan de eisen van de opdracht te kunnen voldoen21)Ter verduidelijking: indien een aanbestedende dienst het aantonen van eerdere ervaring verlangt, volstaat het dat de leverancier aantoont dat deze ervaring op om het even welk grondgebied is opgedaan. Ter verduidelijking:.

3.

Bij de beoordeling of een leverancier aan de voorwaarden voor deelname voldoet:

a. a. evalueert de aanbestedende dienst de financiële, commerciële en technische vaardigheden van de leverancier aan de hand van diens zakelijke activiteiten op en buiten het grondgebied van de Partij waartoe de aanbestedende dienst behoort; en b. b. baseert de aanbestedende dienst zich op de voorwaarden die hij vooraf in berichten van aanbesteding of in het aanbestedingsdossier heeft gespecificeerd.

4.

Indien ondersteunend bewijs voorhanden is, kan een Partij, met inbegrip van haar aanbestedende diensten, een leverancier van deelname aan een aanbesteding uitsluiten op grond van bijvoorbeeld:

a. a. faillissement; b. b. valse verklaringen; c. c. aanzienlijke of voortdurende tekortkomingen bij de uitvoering van een wezenlijke eis of verplichting uit hoofde van een eerdere opdracht; d. d. definitieve veroordelingen wegens een ernstig misdrijf of andere strafbare feiten; e. e. fouten bij de beroepsuitoefening of een handelen of nalaten dat een nadelige invloed heeft op de commerciële integriteit van de leverancier; of f. f. het verzuimen om belasting te betalen.

Artikel 162

1. Een Partij en haar aanbestedende diensten kunnen een systeem aanhouden voor de registratie van leveranciers in het kader waarvan belangstellende leveranciers zich moeten laten registreren en bepaalde informatie moeten verstrekken. In dat geval zorgt de Partij ervoor dat belangstellende leveranciers zoveel mogelijk langs elektronische weg toegang hebben tot informatie over het registratiesysteem en dat zij te allen tijde om registratie kunnen verzoeken. De aanbestedende dienst stelt hen binnen een redelijke termijn in kennis van het besluit om dit verzoek in te willigen of af te wijzen. Indien het verzoek wordt afgewezen, wordt het besluit naar behoren met redenen omkleed.

2.

Elke Partij zorgt ervoor dat:

a. a. haar aanbestedende diensten zich inspannen om verschillen in hun erkenningsprocedures tot een minimum te beperken; en b. b. indien haar aanbestedende diensten registratiesystemen aanhouden, zij zich inspannen om verschillen in hun registratiesystemen tot een minimum te beperken.

3. Een Partij en haar aanbestedende diensten mogen geen registratiesysteem of erkenningsprocedure vaststellen of toepassen met als doel of gevolg dat onnodige belemmeringen voor de deelname van leveranciers uit de andere Partij aan de aanbesteding ontstaan.

4.

Indien een aanbestedende dienst een opdracht wil aanbesteden met voorafgaande selectie:

a. a. neemt hij in het bericht van aanbesteding ten minste de in artikel 160, lid 3, punten a), b), f), g), j), k), en l), vermelde informatie op en nodigt hij leveranciers uit een verzoek om deelname in te dienen; en b. b. verstrekt de aanbestedende dienst bij aanvang van de inschrijvingstermijn ten minste de in artikel 160, lid 3, punten c), d), e), h), en i), gespecificeerde informatie aan de erkende leveranciers die hij overeenkomstig artikel 164, lid 3, punt b), inlicht.

5. De aanbestedende dienst staat alle erkende leveranciers toe om aan een bepaalde aanbesteding deel te nemen, tenzij de aanbestedende dienst in het bericht van aanbesteding vermeldt dat het aantal erkende leveranciers dat tot de aanbesteding wordt toegelaten, beperkt is en daarbij de criteria voor de selectie van dit beperkte aantal leveranciers opgeeft. Een uitnodiging tot het indienen van inschrijvingen wordt gericht tot het aantal erkende leveranciers dat nodig is om een daadwerkelijke mededinging te waarborgen.

6. Indien het aanbestedingsdossier niet vanaf de datum van publicatie van het in lid 4, punt a), bedoelde bericht openbaar toegankelijk is, zorgt de aanbestedende dienst ervoor dat het dossier voor alle overeenkomstig lid 5 geselecteerde erkende leveranciers op hetzelfde tijdstip beschikbaar komt.

7.

Aanbestedende diensten mogen een lijst voor veelvuldig gebruik aanhouden op voorwaarde dat een bericht om belangstellende leveranciers uit te nodigen opname in de lijst aan te vragen:

a. a. jaarlijks wordt gepubliceerd in het daartoe geschikte medium als vermeld in afdeling 6 van bijlage 9; en b. b. dat bericht, indien het elektronisch wordt gepubliceerd, permanent beschikbaar wordt gesteld in de daartoe bestemde media als vermeld in afdeling 6 van bijlage 9.

8.

In het in lid 7 bedoelde bericht worden de volgende gegevens opgenomen:

a. a. een omschrijving van de goederen en diensten, of de categorieën goederen en diensten, waarvoor de lijst kan worden gebruikt; b. b. de voorwaarden voor deelname waaraan leveranciers moeten voldoen om op de lijst te worden geplaatst en de methoden die de aanbestedende dienst zal gebruiken om te controleren of een leverancier aan de voorwaarden voldoet; c. c. de naam en het adres van de aanbestedende dienst en andere informatie die nodig is om contact met de aanbestedende dienst op te nemen en alle relevante documentatie in verband met de lijst te verkrijgen; d. d. de geldigheidsduur van de lijst en de wijze waarop die wordt verlengd of beëindigd, of wanneer er geen geldigheidsduur is voorzien, een aanwijzing over de wijze waarop de beëindiging van het gebruik van de lijst wordt meegedeeld; en e. e. de vermelding dat de lijst kan worden gebruikt voor de onder dit hoofdstuk vallende opdrachten.

9.

In afwijking van lid 7 is het toegestaan dat een aanbestedende dienst, indien hij een lijst voor veelvuldig gebruik met een geldigheidsduur van drie jaar of minder aanhoudt, het in dat lid bedoelde bericht slechts eenmaal, bij aanvang van de geldigheidsduur van de lijst, publiceert, mits hij:

a. a. de geldigheidsduur van de lijst vermeldt en verklaart dat verdere kennisgevingen niet zullen worden gepubliceerd; en b. b. dat bericht elektronisch wordt gepubliceerd en gedurende de geldigheidsperiode permanent beschikbaar wordt gesteld in de daartoe bestemde media als vermeld in afdeling 6 van bijlage 9.

10. Een aanbestedende dienst staat leveranciers toe te allen tijde een aanvraag tot plaatsing op een lijst voor veelvuldig gebruik in te dienen en plaatst alle erkende leveranciers binnen redelijk korte tijd op die lijst.

11. Indien een leverancier die niet op een lijst voor veelvuldig gebruik is geplaatst, een verzoek indient om deelname aan een aanbesteding waarbij een lijst voor veelvuldig gebruik wordt gehanteerd, en hij daarbij alle vereiste documenten dienaangaande indient binnen de in artikel 164, lid 2, bepaalde termijn, onderzoekt de aanbestedende dienst het verzoek. De aanbestedende dienst sluit de leverancier niet uit van beoordeling in het kader van de aanbesteding op grond dat hij onvoldoende tijd heeft om het verzoek te onderzoeken, tenzij hij, in uitzonderlijke gevallen, wegens de complexiteit van de aanbesteding, het onderzoek van het verzoek niet kan afronden binnen de voor de indiening van inschrijvingen gestelde termijn.

12.

Aanbestedende diensten die onder de afdelingen 2 en 3 van bijlage 9 vallen, kunnen een bericht waarbij leveranciers worden uitgenodigd een aanvraag tot opname op de lijst voor veelvuldig gebruik in te dienen, gebruiken als bericht van aanbesteding, mits:

a. a. het bericht wordt gepubliceerd overeenkomstig lid 7 van dit artikel en het de uit hoofde van lid 8 van dit artikel vereiste informatie bevat, evenals zoveel mogelijk van de uit hoofde van artikel 160, lid 2, vereiste informatie, voor zover beschikbaar, alsmede een verklaring dat het bericht als bericht van aanbesteding geldt of dat alleen de leveranciers op de lijst voor veelvuldig gebruik verdere berichten in verband met deze lijst zullen ontvangen; en b. b. de aanbestedende dienst aan leveranciers die belangstelling hebben geuit voor een bepaalde opdracht, onverwijld voldoende informatie verstrekt aan de hand waarvan de leverancier kan beoordelen in hoeverre de opdracht voor hem relevant is, alsmede alle overige uit hoofde van artikel 160, lid 2, vereiste informatie, voor zover beschikbaar.

13. Een onder de afdelingen 2 of 3 van bijlage 9 vallende aanbestedende dienst mag leveranciers die een aanvraag tot plaatsing op een lijst voor veelvuldig gebruik hebben ingediend, toestaan in te schrijven voor een bepaalde opdracht, indien de aanbestedende dienst voldoende tijd heeft om te onderzoeken of de leverancier aan de voorwaarden voor deelname voldoet.

14. Een aanbestedende dienst stelt leveranciers die een verzoek tot deelname aan een aanbesteding of een aanvraag tot plaatsing op een lijst voor veelvuldig gebruik hebben ingediend, onverwijld in kennis van hun besluit inzake dat verzoek of die aanvraag.

15. Wanneer een aanbestedende dienst een verzoek van een leverancier om deelname of opname op een lijst voor veelvuldig gebruik afwijst, de erkenning van een leverancier als erkende leverancier intrekt of een leverancier van een lijst voor veelvuldig gebruik schrapt, stelt de aanbestedende dienst de leverancier daarvan onverwijld in kennis en verstrekt hij de leverancier desgevraagd onverwijld een schriftelijke motivering van zijn besluit.

Artikel 163

1. Een Partij, met inbegrip van haar aanbestedende diensten, mag geen technische specificaties op- of vaststellen of toepassen of conformiteitsbeoordelingsprocedures voorschrijven met als doel of gevolg dat onnodige belemmeringen voor de handel tussen de Partijen ontstaan.

2.

Bij het voorschrijven van de technische specificaties van de goederen of diensten die het voorwerp van de aanbesteding zijn, moet de aanbestedende dienst in voorkomend geval:

a. a. de technische specificaties bepalen aan de hand van prestatie-eisen of functionele eisen en niet aan de hand van descriptieve of ontwerpkenmerken; en b. b. de technische specificaties baseren op internationale normen, indien dergelijke normen bestaan, en anders op nationale technische voorschriften, erkende nationale normen of bouwvoorschriften.

3. Indien in de technische specificaties descriptieve of ontwerpkenmerken worden genoemd, geeft de aanbestedende dienst in voorkomend geval aan dat inschrijvingen voor gelijkwaardige goederen of diensten die aantoonbaar aan de voorwaarden van de opdracht voldoen, eveneens in aanmerking komen, door in het aanbestedingsdossier woorden als „of gelijkwaardig” op te nemen.

4. Een aanbestedende dienst schrijft geen technische specificaties voor waarin vereisten inzake of verwijzingen naar bepaalde handelsmerken of handelsnamen, octrooien, auteursrechten, ontwerpen of typen, of naar een bepaalde oorsprong, producent of leverancier zijn opgenomen, tenzij er geen andere voldoende nauwkeurige of begrijpelijke manier is om de voorwaarden van de opdracht te beschrijven, en op voorwaarde dat termen zoals „of gelijkwaardig” in het aanbestedingsdossier zijn opgenomen.

5. Een aanbestedende dienst vraagt of aanvaardt van personen die mogelijk een commercieel belang bij een specifieke aanbesteding hebben, geen advies dat kan worden gebruikt bij het opstellen of goedkeuren van een technische specificatie voor die aanbesteding wanneer dat advies tot gevolg kan hebben dat concurrentie wordt uitgesloten.

6.

Een Partij en haar aanbestedende diensten mogen technische specificaties opstellen, vaststellen of toepassen om het behoud van natuurlijke hulpbronnen of de bescherming van het milieu te bevorderen, mits dit overeenkomstig dit artikel geschiedt.

Een Partij kan:

a. a. aanbestedende diensten toestaan gedurende de gehele aanbestedingsprocedure rekening te houden met milieu- en sociale overwegingen, mits die niet-discriminerend zijn en verband houden met het voorwerp van de opdracht in kwestie; en b. b. passende maatregelen nemen om de naleving van haar verplichtingen op het gebied van het milieu-, sociaal en arbeidsrecht te waarborgen, met inbegrip van de verplichtingen uit hoofde van hoofdstuk 10.

7.

De aanbestedende dienst stelt leveranciers een aanbestedingsdossier ter beschikking met alle informatie die zij nodig hebben om geldige inschrijvingen op te stellen en in te dienen. Tenzij die informatie reeds in het bericht van aanbesteding is opgenomen, bevat het aanbestedingsdossier alle onderstaande gegevens:

a. a. een omschrijving van de opdracht, met inbegrip van de aard en de hoeveelheid van de goederen of diensten die worden aanbesteed, ofwel een raming van de hoeveelheid, indien de hoeveelheid niet bekend is, alsmede alle eventuele vereisten waaraan moet zijn voldaan, met inbegrip van eventuele technische specificaties, certificering met betrekking tot de conformiteitsbeoordeling, plannen, tekeningen of instructiemateriaal; b. b. alle eventuele voorwaarden voor deelname, met inbegrip van een lijst met informatie en documenten die de leveranciers in verband met deelname moeten verstrekken; c. c. alle beoordelingscriteria die de aanbestedende dienst bij de gunning van de opdracht zal toepassen, alsmede, tenzij de prijs het enige criterium is, het relatieve gewicht van die criteria; d. d. wanneer de aanbestedende dienst een opdracht aanbesteedt langs elektronische weg: alle authenticatie- en encryptievereisten of andere vereisten inzake de indiening van informatie en documenten langs elektronische weg; e. e. wanneer de aanbestedende dienst een elektronische veiling organiseert: de regels, onder meer over de weging van de beoordelingscriteria voor elk van de onderdelen van de opdracht, die voor de elektronische veiling zullen gelden; f. f. indien de inschrijvingen in het openbaar worden geopend: de datum en het tijdstip waarop en de plaats waar de inschrijvingen zullen worden geopend en de personen die daarbij in voorkomend geval aanwezig mogen zijn; g. g. alle andere voorwaarden, zoals betalingsvoorwaarden of eventuele beperkingen op de wijze waarop inschrijvingen kunnen worden ingediend, bijvoorbeeld op papier of op elektronische wijze; en h. h. de overeenkomstig lid 8 vastgestelde data voor de levering van goederen of diensten.

8. Bij de vaststelling van een datum voor de levering van de goederen of de verlening van de diensten die het voorwerp van de aanbesteding zijn, houdt de aanbestedende dienst rekening met factoren zoals de complexiteit van de opdracht, de omvang van de verwachte onderaanneming en de tijd die realistisch gesproken nodig is voor de productie, het uit voorraad halen en het vervoer van goederen vanaf de plaatsen van levering of voor het verlenen van diensten.

9. De in het aanbestedingsdossier vermelde beoordelingscriteria kunnen onder meer betrekking hebben op de prijs en andere kostenfactoren, de kwaliteit, de technische waarde, de milieukenmerken en de leveringsvoorwaarden.

10.

De aanbestedende dienst:

a. a. stelt onverwijld het aanbestedingsdossier ter beschikking om ervoor te zorgen dat belangstellende leveranciers voldoende tijd hebben om een geldige inschrijving in te dienen; b. b. verstrekt desgevraagd onverwijld het aanbestedingsdossier aan alle belangstellende leveranciers; en c. c. beantwoordt onverwijld elk redelijk verzoek om relevante informatie van een belangstellende of deelnemende leverancier, mits dergelijke informatie die leverancier niet bevoordeelt ten opzichte van andere leveranciers.

11.

Indien een aanbestedende dienst voorafgaand aan de gunning van een opdracht de criteria of vereisten wijzigt die in het bericht van aanbesteding of in het aanbestedingsdossier dat aan de deelnemende leveranciers is verstrekt, zijn vermeld, of een bericht van aanbesteding of aanbestedingsdossier wijzigt of opnieuw publiceert, geeft hij schriftelijk kennis van alle wijzigingen of verstrekt hij een gewijzigd of nieuw bericht van aanbesteding of aanbestedingsdossier:

a. a. aan alle leveranciers die op het tijdstip dat de informatie gewijzigd of opnieuw gepubliceerd wordt, aan de procedure deelnemen, indien die leveranciers bij de aanbestedende dienst bekend zijn, en in alle andere gevallen, op dezelfde wijze als de oorspronkelijke informatie; en b. b. op een zodanig tijdstip dat die leveranciers voldoende tijd hebben om, indien nodig, hun inschrijving te wijzigen en opnieuw in te dienen.

Artikel 164

1.

Aanbestedende diensten geven, overeenkomstig hun eigen redelijke behoeften, leveranciers voldoende tijd om verzoeken om deelname en geldige inschrijvingen op te stellen en in te dienen, waarbij rekening wordt gehouden met factoren zoals:

a. a. de aard en de complexiteit van de opdracht; b. b. de omvang van de verwachte onderaanneming; en c. c. de tijd die nodig is voor de verzending van inschrijvingen uit het buitenland en het eigen land indien geen gebruik wordt gemaakt van elektronische middelen.

Deze termijnen en eventuele verlengingen ervan moeten voor alle belangstellende of deelnemende leveranciers gelijk zijn.

2. Wanneer een aanbestedende dienst een opdracht aanbesteedt met voorafgaande selectie, mag de termijn voor de indiening van verzoeken tot deelname in beginsel niet minder dan 25 dagen vanaf de publicatiedatum van het bericht van aanbesteding bedragen. Indien als gevolg van een door de aanbestedende dienst naar behoren gemotiveerde urgente situatie een dergelijke termijn onhaalbaar is, mag de termijn worden verkort tot ten minste tien dagen.

3.

Tenzij de leden 4, 5, 7, en 8 van toepassing zijn, mag de minimumtermijn voor de indiening van inschrijvingen niet minder bedragen dan 40 dagen vanaf de datum waarop:

a. a. in het geval van openbare aanbesteding, het bericht van aanbesteding is gepubliceerd; of b. b. in geval van aanbesteding met voorafgaande selectie, de aanbestedende dienst de leveranciers heeft meegedeeld dat zij worden uitgenodigd in te schrijven, ongeacht of op een lijst voor veelvuldig gebruik beroep wordt gedaan.

4.

Een aanbestedende dienst mag de in lid 3 bedoelde termijn voor de indiening van inschrijvingen verkorten tot ten minste tien dagen, indien:

a. a. de aanbestedende dienst als bedoeld in artikel 160, lid 4, ten minste 40 dagen, maar niet meer dan 12 maanden vóór de publicatie van het bericht van aanbesteding, een bericht van geplande aanbesteding heeft gepubliceerd, waarin de volgende gegevens zijn opgenomen:

        i.
        een beschrijving van de aanbesteding;
      
      
        ii.
        bij benadering de uiterste data voor de indiening van inschrijvingen of verzoeken tot deelname;
      
      
        iii.
        een verklaring dat de belangstellende leveranciers hun belangstelling voor de opdracht aan de aanbestedende dienst kenbaar moeten maken;
      
      
        iv.
        het adres waar documenten met betrekking tot de opdracht kunnen worden opgevraagd; en
      
      
        v.
        zoveel mogelijk van de in artikel 160, lid 2, gespecificeerde informatie die vereist is voor het bericht van aanbesteding, voor zover beschikbaar;

i. i. een beschrijving van de aanbesteding; ii. ii. bij benadering de uiterste data voor de indiening van inschrijvingen of verzoeken tot deelname; iii. iii. een verklaring dat de belangstellende leveranciers hun belangstelling voor de opdracht aan de aanbestedende dienst kenbaar moeten maken; iv. iv. het adres waar documenten met betrekking tot de opdracht kunnen worden opgevraagd; en v. v. zoveel mogelijk van de in artikel 160, lid 2, gespecificeerde informatie die vereist is voor het bericht van aanbesteding, voor zover beschikbaar; b. b. de aanbestedende dienst, in het geval van herhalingsopdrachten, in een eerste bericht van aanbesteding aangeeft dat in volgende berichten termijnen voor inschrijving zullen worden gehanteerd; of c. c. de in lid 3 genoemde termijn wegens een door de aanbestedende dienst naar behoren gemotiveerde urgente situatie onhaalbaar is.

5.

Een aanbestedende dienst mag de in lid 3 genoemde termijn voor de inschrijving met vijf dagen verkorten in elk van de volgende situaties:

a. a. indien het bericht van aanbesteding elektronisch wordt gepubliceerd; b. b. indien het gehele aanbestedingsdossier elektronisch beschikbaar is vanaf de datum van publicatie van het bericht van aanbesteding; en c. c. indien de aanbestedende dienst elektronische inschrijvingen aanvaardt.

6. De toepassing van lid 5 in samenhang met lid 4 mag er in geen geval toe leiden dat de in lid 3 bedoelde termijn voor de indiening van inschrijvingen wordt verkort tot minder dan tien dagen te rekenen vanaf de datum van publicatie van het bericht van aanbesteding.

7. In afwijking van andere bepalingen van dit artikel mag een aanbestedende dienst, indien hij handelsgoederen of -diensten of een combinatie daarvan aanschaft, de in lid 3 bedoelde termijn voor de indiening van inschrijvingen verkorten tot ten minste 13 dagen, op voorwaarde dat de aanbestedende dienst op hetzelfde tijdstip elektronisch zowel het bericht van aanbesteding als het aanbestedingsdossier publiceert. Wanneer de aanbestedende dienst bovendien elektronische inschrijvingen voor handelsgoederen of -diensten aanvaardt, mag hij de in lid 3 bedoelde termijn verkorten tot ten minste tien dagen.

8. Indien een onder afdeling 2 of 3 van bijlage 9 vallende aanbestedende dienst alle of een beperkt aantal erkende leveranciers heeft geselecteerd, kan de termijn voor de indiening van inschrijvingen in onderling overleg tussen de aanbestedende dienst en de geselecteerde leveranciers worden vastgesteld. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, dient de termijn ten minste tien dagen te bedragen.

Artikel 165

1.

Een Partij kan bepalen dat haar aanbestedende diensten onderhandelingen met leveranciers kunnen voeren:

a. a. indien de aanbestedende dienst in het bericht van aanbesteding zijn voornemen tot het voeren van onderhandelingen te kennen heeft gegeven, als bedoeld in artikel 160, lid 3, punt f); of b. b. indien bij de beoordeling blijkt dat geen van de inschrijvingen duidelijk de gunstigste is volgens de specifieke beoordelingscriteria die in het bericht van aanbesteding of in het aanbestedingsdossier zijn vermeld.

2.

Een aanbestedende dienst:

a. a. zorgt ervoor dat iedere uitsluiting van leveranciers tijdens onderhandelingen plaatsvindt overeenkomstig de in het bericht van aanbesteding of het aanbestedingsdossier vermelde beoordelingscriteria; en b. b. stelt, wanneer de onderhandelingen zijn afgesloten, voor de resterende deelnemende leveranciers een voor iedereen gelijke termijn vast om een nieuwe of herziene inschrijving in te dienen.

Artikel 166

1.

Mits zij deze bepaling niet toepassen met het oogmerk de mededinging tussen leveranciers te verhinderen of op een wijze waardoor leveranciers van de andere Partij worden gediscrimineerd of binnenlandse leveranciers worden beschermd, kunnen aanbestedende diensten gebruikmaken van onderhandse aanbesteding en besluiten de artikelen 160, 161, 162, artikel 163, leden 7 tot en met 11, en de artikelen 164 tot en met 167 niet toe te passen, in een van de volgende omstandigheden:

a. a. mits de vereisten van het aanbestedingsdossier niet wezenlijk worden gewijzigd, indien:

        i.
        geen inschrijvingen zijn ingediend of geen leveranciers om deelname hebben verzocht;
      
      
        ii.
        geen inschrijvingen zijn ingediend die aan de essentiële eisen van de aanbestedingsstukken voldoen;
      
      
        iii.
        geen leveranciers aan de voorwaarden voor deelname voldoen; of
      
      
        iv.
        de ingediende aanschrijvingen onderling zijn afgestemd;

i. i. geen inschrijvingen zijn ingediend of geen leveranciers om deelname hebben verzocht; ii. ii. geen inschrijvingen zijn ingediend die aan de essentiële eisen van de aanbestedingsstukken voldoen; iii. iii. geen leveranciers aan de voorwaarden voor deelname voldoen; of iv. iv. de ingediende aanschrijvingen onderling zijn afgestemd; b. b. mits de goederen of diensten slechts door een bepaalde leverancier kunnen worden geleverd en er geen redelijk alternatief of substituut bestaat om een van de volgende redenen:

        i.
        de opdracht betreft een kunstwerk;
      
      
        ii.
        de bescherming van octrooien, auteursrechten of andere exclusieve rechten; of
      
      
        iii.
        concurrentie ontbreekt om technische redenen;

i. i. de opdracht betreft een kunstwerk; ii. ii. de bescherming van octrooien, auteursrechten of andere exclusieve rechten; of iii. iii. concurrentie ontbreekt om technische redenen; c. c. voor aanvullende leveringen, door de oorspronkelijke leverancier, van goederen of diensten die niet in de oorspronkelijke opdracht waren opgenomen, indien verandering van leverancier voor de aanvullende goederen of diensten:

        i.
        niet mogelijk is om economische of technische redenen, zoals wanneer de aanvullende goederen of diensten uitwisselbaar of interoperabel moeten zijn met bestaande uitrusting, software, diensten of installaties die in het kader van de oorspronkelijke opdracht zijn geleverd; en
      
      
        ii.
        tot aanzienlijk ongemak of aanzienlijke dubbele kosten zou leiden voor de aanbestedende dienst;

i. i. niet mogelijk is om economische of technische redenen, zoals wanneer de aanvullende goederen of diensten uitwisselbaar of interoperabel moeten zijn met bestaande uitrusting, software, diensten of installaties die in het kader van de oorspronkelijke opdracht zijn geleverd; en ii. ii. tot aanzienlijk ongemak of aanzienlijke dubbele kosten zou leiden voor de aanbestedende dienst; d. d. mits, en alleen in strikt noodzakelijke gevallen, de goederen of diensten om uiterst dringende redenen, wegens gebeurtenissen die door de aanbestedende dienst niet konden worden voorzien, niet tijdig kunnen worden verkregen door middel van openbare aanbesteding of aanbesteding met voorafgaande selectie; e. e. voor goederen die op een grondstoffenmarkt worden aangekocht; f. f. wanneer een aanbestedende dienst een prototype of een nieuw product of nieuwe dienst aanschaft dat of die op zijn verzoek is ontwikkeld tijdens de uitvoering van een specifieke opdracht inzake onderzoek, proefneming, studie of oorspronkelijke ontwikkeling ten behoeve van die opdracht; de originele ontwikkeling van een nieuw product of een nieuwe dienst kan een beperkte productie of levering omvatten om de resultaten van veldproeven te incorporeren en aan te tonen dat het product of de dienst geschikt is voor productie of levering in grotere hoeveelheden volgens aanvaardbare kwaliteitsnormen, maar omvat geen serieproductie of levering om commerciële levensvatbaarheid te bereiken of onderzoeks- en ontwikkelingskosten te recupereren; g. g. voor aankopen onder uitzonderlijk voordelige voorwaarden die alleen op zeer korte termijn ontstaan in het geval van ongebruikelijke verkopen, zoals bij liquidatie, curatele of faillissement, maar niet bij normale aankopen bij normale leveranciers; of h. h. indien opdrachten worden gegund aan de winnaar van een ontwerpwedstrijd, mits:

        i.
        de wedstrijd is georganiseerd op een wijze die verenigbaar is met de beginselen van dit hoofdstuk, met name met betrekking tot de publicatie van een bericht van aanbesteding; en
      
      
        ii.
        de deelnemers worden beoordeeld door een onafhankelijke jury met het oog op de gunning van een ontwerpopdracht aan de winnaar.

i. i. de wedstrijd is georganiseerd op een wijze die verenigbaar is met de beginselen van dit hoofdstuk, met name met betrekking tot de publicatie van een bericht van aanbesteding; en ii. ii. de deelnemers worden beoordeeld door een onafhankelijke jury met het oog op de gunning van een ontwerpopdracht aan de winnaar.

2. De aanbestedende dienst stelt een schriftelijk verslag op over elke opdracht die in het kader van lid 1 wordt gegund. Dit verslag vermeldt de naam van de aanbestedende dienst, de waarde en de aard van de aangeschafte goederen of diensten, en bevat tevens een verklaring met daarin een vermelding van de in lid 1 bedoelde omstandigheden en voorwaarden die de onderhandse aanbestedingsprocedure rechtvaardigden.

Artikel 167

Wanneer een aanbestedende dienst een onder dit hoofdstuk vallende opdracht wil aanbesteden via een elektronische veiling, stelt de dienst, alvorens de elektronische veiling te openen, iedere deelnemer in kennis van:

a. a. de methode voor automatische beoordeling, met inbegrip van de wiskundige formule, gebaseerd op de in de aanbestedingsstukken opgenomen beoordelingscriteria, die gebruikt wordt om automatisch de rangorde vast te stellen of te wijzigen tijdens de veiling; b. b. de resultaten van een eventuele eerste beoordeling van de onderdelen van zijn inschrijving, indien de opdracht wordt gegund aan de indiener van de voordeligste inschrijving; en c. c. alle andere relevante informatie over het houden van de elektronische veiling.

Artikel 168

1. De aanbestedende dienst neemt bij het ontvangen, openen en behandelen van alle inschrijvingen procedures in acht die garanderen dat het aanbestedingsproces eerlijk en onpartijdig verloopt en de inschrijvingen vertrouwelijk worden behandeld.

2. Indien een inschrijving door de aanbestedende dienst pas na het verstrijken van de vastgestelde termijn wordt ontvangen, mag de betrokken leverancier daarvan geen nadelige gevolgen ondervinden indien de vertraging uitsluitend te wijten is aan onjuiste afhandeling door de aanbestedende dienst.

3. Indien de aanbestedende dienst een leverancier de gelegenheid biedt om tussen de opening van de inschrijvingen en de gunning van de opdracht onbedoelde vormfouten te corrigeren, biedt de aanbestedende dienst alle deelnemende leveranciers daartoe de gelegenheid.

4. Om voor gunning in aanmerking te komen, moet een inschrijving schriftelijk worden ingediend en bij de opening voldoen aan de essentiële eisen die in de berichten en het aanbestedingsdossier zijn vermeld, en moet zij afkomstig zijn van een erkende leverancier.

5.

Tenzij de aanbestedende dienst besluit dat het niet in het algemeen belang is de opdracht te gunnen, wordt deze gegund aan de leverancier die volgens de bevindingen van de aanbestedende dienst de voorwaarden van de opdracht kan vervullen en van wie de inschrijving, uitsluitend beoordeeld aan de hand van de beoordelingscriteria in de berichten en het aanbestedingsdossier:

a. a. de voordeligste is; of b. b. indien de prijs het enige criterium is, de laagste prijs biedt.

6. Indien de aanbestedende dienst een inschrijving ontvangt met een prijs die in verhouding tot de andere inschrijvingen abnormaal laag is, kan zij inlichtingen inwinnen bij de leverancier om zich ervan te vergewissen dat deze aan de voorwaarden voor deelname voldoet en de opdracht volgens de gestelde voorwaarden kan uitvoeren. De aanbestedende dienst kan ook nagaan of de leverancier subsidies heeft ontvangen. In dat geval kan de inschrijving alleen om die reden worden afgewezen, tenzij de leverancier binnen een door de aanbestedende dienst vastgestelde toereikende termijn kan aantonen dat de subsidie is verleend met inachtneming van de regels inzake subsidies van afdeling B van hoofdstuk 11.

7. De aanbestedende dienst mag geen gebruikmaken van opties, geen aanbesteding annuleren en geen gegunde opdrachten wijzigen op een wijze die in strijd is met haar verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk.

8. Elke Partij voorziet in de regel in een status-quoperiode tussen de gunning en de sluiting van een overeenkomst, zodat afgewezen inschrijvers voldoende tijd krijgen om het gunningsbesluit te herzien en aan te vechten.

Artikel 169

1. Aanbestedende diensten stellen de deelnemende leveranciers onverwijld in kennis van besluiten aangaande de gunning van een opdracht en doen dat op verzoek van een leverancier schriftelijk. Met inachtneming van artikel 170, leden 2 en 3, stelt de aanbestedende dienst een afgewezen leverancier op diens verzoek in kennis van de redenen voor de afwijzing van zijn inschrijving en van de relatieve voordelen van de inschrijving van de gekozen leverancier.

2.

Aanbestedende diensten publiceren uiterlijk 72 dagen na de gunning van elke onder dit hoofdstuk vallende opdracht een bericht in de passende elektronische of papieren drager als vermeld in afdeling 6 van bijlage 9. Wanneer alleen gebruik wordt gemaakt van een elektronisch medium, dient de informatie gedurende een redelijke termijn gemakkelijk toegankelijk te blijven. Het bericht bevat ten minste de volgende gegevens:

a. a. een beschrijving van de goederen of diensten die zijn aanbesteed; b. b. de naam en het adres van de aanbestedende dienst; c. c. de naam en het adres van de leverancier aan wie de opdracht is gegund; d. d. het bedrag van de geselecteerde inschrijving of de hoogste en de laagste offerte die bij de plaatsing van de opdracht in overweging zijn genomen; e. e. de datum waarop de opdracht is gegund; en f. f. de gebruikte aanbestedingsmethode en, in gevallen waarin onderhandse aanbesteding werd gebruikt overeenkomstig artikel 166, een beschrijving van de in lid 1 van dat artikel bedoelde omstandigheden en voorwaarden die het gebruik van onderhandse aanbesteding rechtvaardigden.

3.

Een aanbestedende dienst bewaart gedurende ten minste drie jaar vanaf de datum waarop hij een opdracht gunt:

a. a. de documentatie en verslagen betreffende aanbestedingsprocedures en gunningen in verband met opdrachten die onder dit hoofdstuk vallen, met inbegrip van de uit hoofde van artikel 166 vereiste verslagen; en b. b. gegevens die waarborgen dat het verloop van de onder dit hoofdstuk vallende opdrachten elektronisch naar behoren traceerbaar is.

Artikel 170

1. Indien de andere Partij daarom verzoekt, verstrekt een Partij onverwijld alle informatie die nodig is om te bepalen of de aanbesteding van een onder dit hoofdstuk vallende opdracht eerlijk, onpartijdig en overeenkomstig dit hoofdstuk is verlopen, met inbegrip van informatie over de kenmerken en relatieve voordelen van de inschrijving van de gekozen leverancier. Indien het vrijgeven van de informatie de mededinging bij toekomstige aanbestedingen zou kunnen schaden, maakt de Partij die de informatie ontvangt, deze niet bekend aan een leverancier, behalve nadat zij de toestemming heeft verkregen van de Partij die de informatie heeft verstrekt.

2. Niettegenstaande de overige bepalingen van dit hoofdstuk verstrekken een Partij en haar aanbestedende diensten geen informatie aan een bepaalde leverancier die de eerlijke mededinging tussen leveranciers kan verstoren.

3.

Geen van de bepalingen van dit hoofdstuk wordt zodanig uitgelegd dat zij verlangt dat een Partij en haar aanbestedende diensten, autoriteiten en toetsingsinstanties vertrouwelijke informatie openbaar maken indien dergelijke openbaarmaking:

a. a. de rechtshandhaving zou belemmeren; b. b. de eerlijke mededinging tussen leveranciers kan verstoren; c. c. de legitieme handelsbelangen van bepaalde personen, met inbegrip van de bescherming van intellectuele eigendom, zou schaden; of d. d. anderszins in strijd zou zijn met het algemeen belang.

Artikel 171

1.

Elke Partij voorziet in een passende, effectieve, transparante en niet-discriminatoire procedure voor bestuurlijke of rechterlijke toetsing, waarmee een leverancier die belang heeft of heeft gehad bij een onder dit hoofdstuk vallende overheidsopdracht, bezwaar of beroep kan aantekenen tegen:

a. a. een inbreuk op dit hoofdstuk; of b. b. indien de leverancier volgens de wetgeving van een Partij niet rechtstreeks een beroep kan instellen tegen een inbreuk op dit hoofdstuk, wegens niet-nakoming van de maatregelen die een Partij ter uitvoering van dit hoofdstuk heeft ingesteld.

De procedurele regels voor alle bezwaarschriften worden op schrift gesteld en openbaar gemaakt.

2. Indien een leverancier in het kader van een onder dit hoofdstuk vallende opdracht waarbij hij een belang heeft of heeft gehad, een klacht indient wegens inbreuk of niet-nakoming als bedoeld in lid 1, moedigt de Partij waartoe de aanbestedende dienst behoort, de dienst en de leverancier aan het geschil door overleg te beslechten. De aanbestedende dienst neemt dergelijke klachten onpartijdig en tijdig in beraad op een wijze die geen afbreuk doet aan de deelname van de leverancier aan lopende of toekomstige aanbestedingen of aan diens recht om door middel van de procedure voor bestuurlijke of rechterlijke toetsing te trachten corrigerende maatregelen te verkrijgen.

3. Elke leverancier krijgt voldoende tijd om een beroep voor te bereiden en in te stellen. Die termijn bedraagt in geen geval minder dan 10 dagen vanaf het tijdstip waarop de grondslag van het beroep bij de leverancier bekend is geworden of redelijkerwijs bekend had moeten zijn.

4. Elke Partij stelt ten minste een onpartijdige en van de aanbestedende diensten onafhankelijke bestuurlijke of rechterlijke instantie in of wijst deze aan om de bezwaren of beroepen van leveranciers in verband met onder dit hoofdstuk vallende opdrachten te ontvangen en beoordelen.

5. Indien een beroep in eerste aanleg wordt beoordeeld door een andere dan een van de in lid 4 bedoelde instanties, zorgt de betrokken Partij ervoor dat de leverancier tegen de oorspronkelijke beslissing beroep kan instellen bij een onpartijdige bestuurlijke of rechterlijke instantie die onafhankelijk is van de aanbestedende dienst die de aanbesteding heeft uitgeschreven waarop het beroep betrekking heeft.

6.

Elke Partij zorgt ervoor dat een in lid 5 bedoelde beroepsinstantie die geen rechterlijke instantie is, haar beslissingen aan rechterlijke toetsing onderwerpt of beschikt over procedures waarin is bepaald dat:

a. a. de aanbestedende dienst schriftelijk op het bezwaar reageert en alle relevante stukken aan het toetsingsorgaan overlegt; b. b. de deelnemers aan de procedure (hierna „de deelnemers” genoemd) het recht hebben te worden gehoord alvorens de beroepsinstantie een beslissing neemt over het beroep; c. c. de deelnemers het recht hebben zich te laten vertegenwoordigen en vergezellen; d. d. de deelnemers toegang hebben tot alle zittingen in het kader van de procedure; e. e. de deelnemers het recht hebben te verzoeken dat de zittingen in het openbaar plaatsvinden en dat getuigen deze mogen bijwonen; en f. f. de beroepsinstantie [haar beslissingen of aanbevelingen tijdig schriftelijk aanneemt en daarbij] de grondslag van elke beslissing of aanbeveling toelicht.

7.

Elke Partij stelt procedures vast of handhaaft deze, die voorzien in snelle voorlopige maatregelen die de mogelijkheid van de leverancier om aan de aanbesteding deel te nemen, in stand houden. Dergelijke voorlopige maatregelen kunnen aanleiding geven tot schorsing van de aanbestedingsprocedure. Er kan worden bepaald dat bij het nemen van de beslissing over het al dan niet toepassen van dergelijke maatregelen rekening mag worden gehouden met doorslaggevende negatieve gevolgen voor de belangen die op het spel staan, waaronder het algemeen belang. Een beslissing om niet op te treden wordt schriftelijk gemotiveerd.

Elke Partij stelt ook procedures vast of handhaaft deze, die voorzien in corrigerende maatregelen of compensatie voor het geleden verlies of de geleden schade in gevallen waarin een beroepsinstantie heeft vastgesteld dat sprake is van een inbreuk of een verzuim als bedoeld in lid 1. De vergoeding voor het geleden verlies of de geleden schade kan worden beperkt tot de kosten voor het opstellen van de inschrijving, de kosten in verband met de betwisting, of beide.

Artikel 172

1. Een Partij kan voorstellen haar onder dit hoofdstuk vallende opdrachten als genoemd in bijlage 9 te wijzigen of haar desbetreffende onderafdeling in de afdelingen 1, 2 of 3 van bijlage 9 te rectificeren.

2.

Een Partij die voornemens is een wijziging van bijlage 9 voor te stellen:

a. a. stelt de andere Partij daarvan schriftelijk in kennis; en b. b. doet in die kennisgeving een voorstel voor passende compenserende aanpassingen voor de andere Partij om het toepassingsgebied op een niveau te houden dat vergelijkbaar is met dat van vóór de wijziging.

3.

Niettegenstaande lid 2, punt b), hoeft een Partij niet te voorzien in compenserende aanpassingen indien de wijziging betrekking heeft op een aanbestedende dienst waarover de Partij haar zeggenschap of invloed heeft beëindigd, of indien de aanbestedende dienst voortaan actief zal zijn als een commerciële onderneming die aan concurrentie onderhevig is op een markt waartoe de toegang niet beperkt is.

Een Partij wordt geacht zeggenschap of invloed uit te oefenen op een aanbestedende dienst indien die dienst:

a. a. in hoofdzaak wordt gefinancierd door de staat of een door de staat gecontroleerd orgaan; b. b. onderworpen is aan toezicht op het management door de staat of door een door de staat gecontroleerd orgaan; of c. c. een bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan heeft waarvan de leden voor meer dan de helft door de staat of een door de staat gecontroleerd orgaan zijn aangewezen.

4.

De andere Partij moet schriftelijk bezwaar maken tegen een voorgestelde wijziging van bijlage 9 waarvan overeenkomstig lid 2 van dit artikel kennis is gegeven, indien zij betwist dat:

a. a. een overeenkomstig lid 2, punt b), voorgestelde aanpassing voldoende is om het overeengekomen toepassingsgebied op een vergelijkbaar niveau te houden; b. b. de wijziging betrekking heeft op een aanbestedende dienst met betrekking tot welke de Partij feitelijk haar zeggenschap of invloed heeft beëindigd, zoals bedoeld in lid 3; of c. c. de betrokken aanbestedende dienst opereert als een aan concurrentie onderworpen commerciële onderneming op een markt waartoe de toegang niet beperkt is.

Indien binnen 45 dagen na de datum van ontvangst van de in lid 2, punt a), bedoelde kennisgeving geen schriftelijk bezwaar wordt ingediend, wordt de andere Partij geacht met de aanpassing of wijziging te hebben ingestemd.

5.

De volgende wijzigingen van de onderafdeling van een Partij in de afdelingen 1, 2 of 3 van bijlage 9 worden beschouwd als een rectificatie van louter formele aard, mits zij geen invloed hebben op het wederzijds overeengekomen toepassingsgebied waarin dit hoofdstuk voorziet:

a. a. een verandering van de naam van een aanbestedende dienst; b. b. een fusie van twee of meer aanbestedende diensten; en c. c. de splitsing van een aanbestedende dienst in twee of meer entiteiten die alle worden toegevoegd aan de aanbestedende diensten die onder dezelfde afdeling van bijlage 9 vallen.

De Partij die een dergelijke zuiver formele rectificatie verricht, is niet verplicht te voorzien in compenserende aanpassingen.

6. In geval van voorgestelde rectificaties van de onderafdeling van een Partij in de afdelingen 1, 2 of 3 van bijlage 9 stelt de Partij de andere Partij om de twee jaar na de inwerkingtreding van dit hoofdstuk daarvan in kennis.

7. Een Partij kan de andere Partij binnen 45 dagen na ontvangst van de kennisgeving schriftelijk in kennis stellen van een bezwaar tegen een voorgestelde rectificatie. Een Partij die bezwaar maakt, legt uit waarom zij van mening is dat de voorgestelde rectificatie buiten het toepassingsgebied van lid 5 valt, en beschrijft het effect van de voorgestelde rectificatie op het wederzijds overeengekomen toepassingsgebied waarin dit hoofdstuk voorziet. Als een bezwaar niet binnen 45 dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving schriftelijk is ingediend, wordt de andere Partij geacht met de voorgestelde rectificatie in te stemmen.

8. Indien de andere Partij bezwaar maakt tegen de voorgestelde wijziging of rectificatie, trachten de Partijen de kwestie door middel van overleg op te lossen. Indien binnen 60 dagen na de datum van ontvangst van het bezwaar geen overeenstemming wordt bereikt, kan de Partij die haar onderafdeling in de afdelingen 1, 2 of 3 van bijlage 9 wenst te wijzigen of rectificeren, de zaak naar de geschillenbeslechtingsprocedure van hoofdstuk 14 verwijzen om te bepalen of het bezwaar gerechtvaardigd is.

9. Zodra de Partijen het eens zijn over een voorgestelde wijziging of rectificatie, ook wanneer een Partij geen bezwaar heeft gemaakt binnen 45 dagen overeenkomstig lid 4 of lid 7, of wanneer de kwestie is opgelost door middel van de in lid 8 bedoelde geschillenbeslechtingsprocedure, wijzigt de Samenwerkingsraad in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken bijlage 9 dienovereenkomstig.

Artikel 173

Op verzoek van een Partij komt het Samenwerkingscomité bijeen om aangelegenheden te behandelen die verband houden met de uitvoering en de werking van dit hoofdstuk en van bijlage 9, zoals:

a. a. de noodzaak van een wijziging van bijlage 9; b. b. het onderzoek van kwesties met betrekking tot overheidsopdrachten die het door een Partij worden voorgelegd; c. c. alle andere aangelegenheden met betrekking tot dit hoofdstuk.

Artikel 174

Dit hoofdstuk wordt drie jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst van toepassing.

Hoofdstuk 10. HANDEL EN DUURZAME ONTWIKKELING

Artikel 175

1. De Partijen herinneren aan Agenda 21 van de Conferentie van de Verenigde Naties over milieu en ontwikkeling van 1992, de verklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (hierna „IAO” genoemd) betreffende de fundamentele principes en rechten op het werk van 1998, de Ministeriële Verklaring van de Economische en Sociale Raad van de VN over volledige werkgelegenheid en fatsoenlijk werk van 2006, de IAO-verklaring betreffende de sociale rechtvaardigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008 en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN van 2015 met de duurzameontwikkelingsdoelen daarvan.

2. De Partijen herbevestigen hun verbintenis om de ontwikkeling van de internationale handel en investeringen op zodanige wijze te bevorderen dat deze bijdraagt aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling en de bestrijding van de klimaatverandering. De Partijen erkennen in dit verband dat economische en sociale ontwikkeling en milieubescherming nauw samenhangen en elkaar wederzijds versterkende componenten van duurzame ontwikkeling zijn.

Artikel 176

1. De Partijen erkennen het recht van elke Partij om haar eigen niveaus van interne milieu- en arbeidsbescherming vast te stellen en haar desbetreffende wetgeving en beleid dienovereenkomstig vast te stellen of te wijzigen, overeenkomstig internationaal erkende normen en overeenkomsten en met het oog op het bereiken van een hoog niveau van milieu- en arbeidsbescherming.

2. De Partijen erkennen dat het niet gepast is handel of investeringen aan te moedigen door de beschermingsniveaus waarin hun milieu- of arbeidswetgeving en -normen voorzien, af te zwakken of te verminderen.

3. Een Partij streeft er niet naar handel of investeringen aan te moedigen door af te wijken van of door, bij wege van een voortdurende of terugkerende handelwijze of gebrek daaraan, haar milieu- en arbeidsrecht niet doeltreffend te handhaven.

Artikel 177

1. De Partijen erkennen de waarde van internationale milieubeheer en -overeenkomsten als antwoord van de internationale gemeenschap op mondiale of regionale milieu-uitdagingen en de waarde van volledige en productieve werkgelegenheid, met inbegrip van de ontwikkeling van vaardigheden en fatsoenlijk werk voor iedereen, als een essentieel element van duurzame ontwikkeling voor alle landen en als prioritaire doelstelling van internationale samenwerking.

2. In dit verband, en rekening houdend met de artikelen 259 tot en met 265 van deze Overeenkomst, bevestigen de Partijen opnieuw hun verbintenis om de multilaterale milieuovereenkomsten, met inbegrip van de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering, die zij respectievelijk hebben geratificeerd, daadwerkelijk uit te voeren.

3. Rekening houdend met de artikelen 285 tot en met 288 van deze Overeenkomst bevestigen de Partijen opnieuw hun verbintenis om de fundamentele IAO-verdragen en andere IAO-verdragen die zij respectievelijk hebben geratificeerd, daadwerkelijk uit te voeren en een doeltreffend arbeidsinspectiesysteem te handhaven dat in overeenstemming is met hun verplichtingen als leden van de IAO.

Artikel 178

1. De Partijen bevestigen opnieuw hun verbintenis om de bijdrage van de handel aan de doelstelling van duurzame ontwikkeling te vergroten. Zij komen dan ook overeen het gebruik van regelingen ter waarborging van duurzaamheid te bevorderen, zoals eerlijke en ethische handel of milieukeuren, maatschappelijk verantwoord ondernemen en verantwoord ondernemerschap, en handel en investeringen in milieugoederen en -diensten, alsmede in klimaatvriendelijke producten en technologieën.

2. De Partijen wisselen informatie uit en delen ervaringen over hun werkzaamheden ter bevordering van de samenhang en de wederzijdse versterking van handels-, milieu- en sociale doelstellingen, en zij versterken de dialoog en de samenwerking op het gebied van duurzame-ontwikkelingsvraagstukken die zich in het kader van hun handelsbetrekkingen kunnen voordoen.

3. Bij deze dialoog en samenwerking tussen de Partijen moeten relevante belanghebbenden, met name de sociale partners, en andere maatschappelijke organisaties worden betrokken, onder meer, waar passend, door middel van de samenwerking met het maatschappelijk middenveld die is ingesteld op grond van artikel 314.

Artikel 179

De artikelen 223, 224 en 225 zijn niet van toepassing op geschillen die onder dit hoofdstuk vallen. Nadat het arbitragepanel zijn eindverslag heeft opgesteld overeenkomstig de artikelen 219 en 220, bespreken de Partijen de passende maatregelen die zij zullen nemen, waarbij zij rekening houden met dat verslag. Het Samenwerkingscomité ziet toe op de tenuitvoerlegging van dergelijke maatregelen en blijft de zaak volgen, onder andere door middel van het in artikel 178, lid 3, bedoelde mechanisme.

Hoofdstuk 11. CONCURRENTIEVERSTOREND GEDRAG, CONCENTRATIECONTROLE EN SUBSIDIES

Artikel 180

De Partijen erkennen het belang van vrije en onvervalste mededinging voor hun handels- en investeringsbetrekkingen. De Partijen erkennen dat concurrentieverstorende praktijken en overheidsmaatregelen de goede werking van de markten kunnen verstoren en de voordelen van de liberalisering van het handelsverkeer kunnen ondergraven.

Artikel 181

De Partijen passen dit hoofdstuk toe op alle openbare en particuliere ondernemingen.

Artikel 182

Dit hoofdstuk is van toepassing op economische activiteiten.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder „economische activiteiten” verstaan: activiteiten die betrekking hebben op het aanbieden van goederen en diensten op een markt.

Afdeling A. CONCURRENTIEVERSTOREND GEDRAG EN CONCENTRATIECONTROLE

Artikel 183

Elke Partij stelt mededingingsrecht vast of handhaaft dat, dat geldt voor alle ondernemingen in alle sectoren van de economie22)Ter verduidelijking: krachtens artikel 42 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is het mededingingsrecht van de Europese Unie van toepassing op de landbouwsector overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB EU L 347 van 20.12.2013, blz. 671). en dat op doeltreffende wijze de volgende praktijken aanpakt:

a. a. horizontale en verticale overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen die ertoe strekken of die ten gevolge hebben dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst; b. b. misbruik door een of meer ondernemingen van een dominante positie; en c. c. concentraties van ondernemingen die doeltreffende mededinging aanzienlijk zouden hinderen, meer bepaald als gevolg van de totstandbrenging of versterking van een machtspositie.

Artikel 184

De Partijen zien erop toe dat subsidies aan ondernemingen die belast zijn met het beheer van diensten van algemeen economisch belang, onderworpen zijn aan de regels van deze afdeling, voor zover de toepassing van die regels de vervulling, in feite of in rechte, van de aan deze ondernemingen toevertrouwde taken niet verhindert. De toegewezen taken zijn transparant en eventuele beperkingen op of afwijkingen van de toepassing van de in deze afdeling vastgestelde regels gaan niet verder dan wat strikt noodzakelijk is om die taken te vervullen.

Artikel 185

1. Elke Partij richt een functioneel onafhankelijke mededingingsautoriteit op of houdt die in stand, die verantwoordelijk is voor en naar behoren is uitgerust met de bevoegdheden en middelen die nodig zijn om de volledige toepassing en effectieve handhaving van haar mededingingsrecht als bedoeld in artikel 183 te waarborgen.

2. Elke Partij past haar in artikel 183 bedoelde mededingingsrecht op transparante wijze toe, met inachtneming van de beginselen van een eerlijke procedure, met inbegrip van de rechten van de verdediging van de betrokken ondernemingen, in het bijzonder het recht om te worden gehoord en het recht op rechterlijke toetsing.

Artikel 186

1. De Partijen erkennen dat het in hun gemeenschappelijk belang is de samenwerking op het gebied van het mededingingsbeleid en de handhaving te bevorderen.

2. Om die samenwerking te vergemakkelijken, kunnen de mededingingsautoriteiten van de Partijen informatie uitwisselen, met inachtneming van de vertrouwelijkheidsregels van de respectieve wetgeving van de Partijen.

3. De mededingingsautoriteiten van de Partijen streven ernaar om, waar mogelijk en passend, hun handhavingsactiviteiten met betrekking tot dezelfde of verwante zaken te coördineren.

Artikel 187

Hoofdstuk 14 is op deze afdeling niet van toepassing.

Afdeling B. SUBSIDIES

Artikel 188

1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder een „subsidie” verstaan: een maatregel die voldoet aan de in artikel 1, lid 1, punt 1), van de SCM-Overeenkomst genoemde voorwaarden, ongeacht of zij wordt verleend aan een onderneming die goederen produceert of diensten verricht23)Deze definitie doet geen afbreuk aan het resultaat van eventuele toekomstige besprekingen in de WTO over de definitie van subsidies voor diensten. Afhankelijk van de vooruitgang die wordt geboekt met die besprekingen op WTO-niveau kunnen de Partijen de Overeenkomst op dit punt actualiseren..

2. Deze afdeling is van toepassing op subsidies die specifiek zijn in de zin van artikel 2 van de SCM-Overeenkomst of die binnen het toepassingsgebied van artikel 192 van deze Overeenkomst vallen.

3. De Partijen zien erop toe dat subsidies aan ondernemingen die belast zijn met het beheer van diensten van algemeen economisch belang, onderworpen zijn aan de regels van deze afdeling, voor zover de toepassing van die regels de vervulling, in feite of in rechte, van de aan deze ondernemingen toevertrouwde taken niet verhindert. De toegewezen taken zijn transparant en eventuele beperkingen op of afwijkingen van de toepassing van de in deze afdeling vastgestelde regels gaan niet verder dan wat strikt noodzakelijk is om die taken te vervullen.

4. Artikel 191 van deze Overeenkomst is niet van toepassing op subsidies in verband met de handel in goederen die onder bijlage 1 bij de Overeenkomst inzake de landbouw vallen.

5. De artikelen 191 en 192 zijn niet van toepassing op de audiovisuele sector.

6. Artikel 192 is niet van toepassing op subsidies die formeel zijn overeengekomen of toegekend vóór of binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst.

Artikel 189

Geen van de bepalingen van deze afdeling doet afbreuk aan de rechten of verplichtingen van een Partij uit hoofde van de SCM-Overeenkomst, de Overeenkomst inzake de landbouw, artikel XVI van de GATT 1994 of artikel XV van de GATS.

Artikel 190

1.

Elke Partij maakt met betrekking tot een op haar grondgebied verleende of in stand gehouden subsidie de volgende informatie openbaar:

a. a. de rechtsgrondslag en het oogmerk van de subsidie; b. b. de vorm van de subsidie; c. c. het bedrag van de subsidie of het bedrag dat voor de subsidie is begroot; en d. d. indien mogelijk, de naam van de subsidieontvanger.

2.

Een Partij voldoet aan lid 1 door:

a. a. het indienen van een kennisgeving overeenkomstig artikel 25 van de SCM-Overeenkomst, die ten minste om de twee jaar wordt gedaan; b. b. het indienen van een kennisgeving overeenkomstig artikel 18 van de Overeenkomst inzake de landbouw; of c. c. ervoor te zorgen dat de in lid 1 bedoelde informatie uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de subsidie werd verleend of gehandhaafd, door haarzelf of namens haar op een voor het publiek toegankelijke website wordt gepubliceerd.

Artikel 191

1. Indien een Partij van oordeel is dat een subsidie haar belangen op het gebied van handels- of investeringsliberalisering ongunstig beïnvloedt of dreigt te beïnvloeden, kan zij haar bezorgdheid schriftelijk kenbaar maken aan de andere Partij en om nadere informatie over de kwestie verzoeken.

2.

Het in lid 1 bedoelde verzoek bevat een toelichting over de wijze waarop de subsidie de belangen van de verzoekende Partij ongunstig beïnvloedt of dreigt te beïnvloeden. De verzoekende Partij kan de volgende informatie over de subsidie inwinnen:

a. a. de rechtsgrondslag en de beleidsdoelstelling of het oogmerk van de subsidie; b. b. de vorm van de subsidie; c. c. het tijdstip en de duur van de subsidie en alle andere daarvoor geldende termijnen; d. d. de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de subsidie; e. e. het totale bedrag of het jaarlijkse bedrag dat voor de subsidie is begroot; f. f. indien mogelijk, de naam van de subsidieontvanger; en g. g. alle andere gegevens aan de hand waarvan de nadelige gevolgen van de subsidie kunnen worden beoordeeld.

3. De aangezochte Partij verstrekt de gevraagde informatie schriftelijk binnen een redelijke termijn, in beginsel niet meer dan 60 dagen na de datum van indiening van het verzoek. Indien de aangezochte Partij de gevraagde informatie niet verstrekt, licht zij het ontbreken van die informatie binnen dezelfde termijn toe in haar schriftelijk antwoord.

4. Na ontvangst van de gevraagde informatie kan de verzoekende Partij om overleg over de aangelegenheid verzoeken. Het overleg tussen de Partijen over de punten van zorg geschiedt binnen een redelijke termijn, in beginsel niet meer dan 60 dagen na de datum van indiening van het verzoek tot overleg.

5. De Partijen doen alles wat in hun vermogen ligt om de aangelegenheid op een voor beide Partijen bevredigende wijze op te lossen.

Artikel 192

1.

Voor de toepassing van deze afdeling zijn onder de onderstaande voorwaarden de volgende subsidies toegestaan:

a. a. subsidies waarbij een overheid schulden of verplichtingen van bepaalde ondernemingen garandeert, mits het bedrag van die schulden of verplichtingen of de duur van die garantie worden beperkt; en b. b. subsidies aan insolvente of noodlijdende ondernemingen, in verschillende vormen, mits:

        i.
        een geloofwaardig herstructureringsplan bestaat, dat is gebaseerd op realistische veronderstellingen, teneinde de levensvatbaarheid op lange termijn van de insolvente of noodlijdende onderneming binnen een redelijke termijn te herstellen; en
      
      
        ii.
        de onderneming bijdraagt aan de herstructureringskosten; kleine en middelgrote ondernemingen zijn niet verplicht bij te dragen aan de kosten van de herstructurering.

i. i. een geloofwaardig herstructureringsplan bestaat, dat is gebaseerd op realistische veronderstellingen, teneinde de levensvatbaarheid op lange termijn van de insolvente of noodlijdende onderneming binnen een redelijke termijn te herstellen; en ii. ii. de onderneming bijdraagt aan de herstructureringskosten; kleine en middelgrote ondernemingen zijn niet verplicht bij te dragen aan de kosten van de herstructurering.

2. Lid 1, punt b), is niet van toepassing op subsidies die aan ondernemingen worden verstrekt als tijdelijke liquiditeitssteun in de vorm van leninggaranties of leningen gedurende de periode die nodig is om een herstructureringsplan op te stellen. Dergelijke tijdelijke liquiditeitssteun is beperkt tot het bedrag dat nodig is om de onderneming alleen in bedrijf te houden.

3. Subsidies om ervoor te zorgen dat een onderneming zich op een ordelijke manier uit de markt terugtrekt, zijn toegestaan.

4. Dit artikel is niet van toepassing op subsidies waarvan de gecumuleerde bedragen of begrotingen minder dan 200 000 EUR per onderneming bedragen over een periode van drie opeenvolgende jaren.

5. Lid 1 is niet van toepassing op subsidies die ertoe strekken een ernstige verstoring in de economie van een Partij op te heffen. Een verstoring in de economie van een Partij wordt als ernstig beschouwd indien zij uitzonderlijk, tijdelijk en significant is.

6. Voor zover zij niet onder artikel 188, lid 3, vallen, zijn subsidies voor de uitvoering van programmas, met name op het gebied van sociale huisvesting en goederenvervoer per spoor, vrijgesteld van de verplichting om aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde voorwaarden te voldoen, mits zij sociaal georiënteerd zijn.

Artikel 193

Elke Partij ziet erop toe dat ondernemingen subsidies alleen gebruiken voor het specifieke doel waarvoor zij werden verleend24)Ter verduidelijking: wanneer een Partij daartoe een relevant rechtskader en administratieve procedures heeft ingesteld, wordt geacht aan de verplichting te zijn voldaan..

Hoofdstuk 12. OVERHEIDSONDERNEMINGEN, ONDERNEMINGEN WAARAAN BIJZONDERE RECHTEN OF VOORRECHTEN ZIJN TOEGEKEND EN AANGEWEZEN MONOPOLIES

Artikel 194

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a. „Regeling”: de Regeling inzake door de overheid gesteunde exportkredieten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (hierna „OESO” genoemd), of een opvolger daarvan, ongeacht of die is ontwikkeld in het kader van de OESO, die is aanvaard door ten minste 12 oorspronkelijke leden van de WTO die op 1 januari 1979 deelnamen aan de Regeling; b. b. „commerciële activiteiten”: activiteiten die resulteren in de productie van een goed of de verlening van een dienst die zullen worden verkocht in hoeveelheden en tegen prijzen die door een onderneming worden bepaald en die worden verricht met een winstoogmerk25)Ter verduidelijking: hiermee worden activiteiten uitgesloten van een onderneming: a) die actief is zonder winstoogmerk; of b) die actief is op basis van het principe van kostendekking.; c. c. „commerciële overwegingen”: overwegingen inzake prijs, kwaliteit, beschikbaarheid, verhandelbaarheid, vervoer en andere voorwaarden van aankoop of verkoop, of andere factoren waarmee normaal rekening zou worden gehouden bij commerciële beslissingen van een particuliere onderneming die in de relevante sector of industrie werkt volgens de beginselen van de markteconomie; d. d. „aangewezen monopolie”: een entiteit, met inbegrip van een consortium of een overheidsorgaan, die op de relevante markt op het grondgebied van een Partij is aangewezen als enige aanbieder of enige koper van een goed of dienst; een entiteit waaraan exclusieve intellectuele-eigendomsrechten zijn verleend, valt echter niet onder dat begrip om de loutere reden dat haar dergelijke rechten zijn verleend; e. e. „aanwijzen”: een monopolie instellen of toestaan, of de werkingssfeer van een monopolie uitbreiden teneinde een nieuw goed of een nieuwe dienst daaronder te laten vallen; f. f. „onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend”: een openbare of particuliere onderneming waaraan een Partij in rechte of in feite bijzondere rechten of voorrechten heeft toegekend door het aantal ondernemingen dat een vergunning heeft om een goed of een dienst te leveren, aan te wijzen of tot twee of meer te beperken, anders dan op basis van objectieve, evenredige en niet-discriminerende criteria, op een wijze die het vermogen van andere ondernemingen om hetzelfde goed of dezelfde dienst in hetzelfde geografische gebied onder in wezen gelijkwaardige voorwaarden te leveren, wezenlijk aantast; g. g. „dienst die wordt verleend in de uitoefening van overheidsgezag”: een dienst die wordt verleend in de uitoefening van overheidsgezag zoals gedefinieerd in de GATS, waaronder, in voorkomend geval, in de bijlage betreffende financiële diensten bij de GATS; h. h. „overheidsonderneming”: een onderneming met betrekking tot welke een Partij:

      i.
      rechtstreeks meer dan 50% van het aandelenkapitaal in handen heeft;
    
    
      ii.
      rechtstreeks of middellijk de uitoefening van meer dan 50% van de stemrechten controleert;
    
    
      iii.
      bevoegd is om de meerderheid van de leden van de raad van bestuur of een gelijkwaardig leidinggevend orgaan te benoemen; of
    
    
      iv.
      bevoegd is om zeggenschap uit te oefenen.

i. i. rechtstreeks meer dan 50% van het aandelenkapitaal in handen heeft; ii. ii. rechtstreeks of middellijk de uitoefening van meer dan 50% van de stemrechten controleert; iii. iii. bevoegd is om de meerderheid van de leden van de raad van bestuur of een gelijkwaardig leidinggevend orgaan te benoemen; of iv. iv. bevoegd is om zeggenschap uit te oefenen.

Artikel 195

1. De Partijen bevestigen hun rechten en verplichtingen uit hoofde van artikel XVII, leden 1, 2 en 3, van de GATT 1994, het Memorandum van Overeenstemming betreffende de uitlegging van artikel XVII van de GATT 1994, alsook uit hoofde van artikel VIII, leden 1, 2 en 5, van de GATS.

2. Dit hoofdstuk is van toepassing op overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend, en aangewezen monopolies die een commerciële activiteit verrichten. Wanneer dergelijke ondernemingen of monopolies zowel commerciële als niet commerciële activiteiten verrichten, vallen alleen de commerciële activiteiten onder dit hoofdstuk.

3. Dit hoofdstuk is van toepassing op overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend en aangewezen monopolies op alle overheidsniveaus.

4. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op staatsbedrijven, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend, of aangewezen monopolies indien zij optreden als aanbestedende diensten die vallen onder de bijlagen van elke Partij bij aanhangsel I bij de te Marrakesh op 15 april 1994 tot stand gekomen Overeenkomst inzake overheidsopdrachten, die is opgenomen in bijlage 4 bij de WTO-Overeenkomst, of onder bijlage 9 bij deze Overeenkomst voor overheidsdoeleinden en indien zij niet handelen met het oog op de wederverkoop van de aangekochte goederen of diensten op commerciële basis of met het oog op het gebruik van de goederen of diensten die zijn aangeschaft bij de productie van goederen of bij de levering van diensten voor commerciële verkoop.

5. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op een dienst die wordt verleend in de uitoefening van overheidsgezag.

6. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op staatsbedrijven, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend, of aangewezen monopolies die uitsluitend betrokken zijn bij de productie van militaire en defensiegerelateerde producten26)Ter verduidelijking: voor zover dergelijke ondernemingen of monopolies commerciële activiteiten verrichten die niet van militaire aard of defensiegerelateerd zijn, vallen deze activiteiten onder dit hoofdstuk..

7. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op een overheidsonderneming, een onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend, of een aangewezen monopolie, indien in een van de voorgaande drie opeenvolgende belastingjaren de jaarlijkse inkomsten uit de commerciële activiteiten van die onderneming of dat monopolie minder dan 50 miljoen bijzondere trekkingsrechten (special drawing rights „SDR”) bedroegen.

8.

Artikel 197 is niet van toepassing op de financiële diensten die een overheidsonderneming verleent in opdracht van de overheid, indien die verlening van financiële diensten:

a. a. de uitvoer of invoer ondersteunt, mits die diensten:

        i.
        niet beogen commerciële financiering te vervangen; of
      
      
        ii.
        worden aangeboden tegen voorwaarden die niet gunstiger zijn dan die welke voor vergelijkbare financiële diensten kunnen worden verkregen op de commerciële markt;

i. i. niet beogen commerciële financiering te vervangen; of ii. ii. worden aangeboden tegen voorwaarden die niet gunstiger zijn dan die welke voor vergelijkbare financiële diensten kunnen worden verkregen op de commerciële markt; b. b. particuliere investeringen buiten het grondgebied van de Partij ondersteunt, mits die diensten:

        i.
        niet beogen commerciële financiering te vervangen; of
      
      
        ii.
        worden aangeboden tegen voorwaarden die niet gunstiger zijn dan die welke voor vergelijkbare financiële diensten kunnen worden verkregen op de commerciële markt; of

i. i. niet beogen commerciële financiering te vervangen; of ii. ii. worden aangeboden tegen voorwaarden die niet gunstiger zijn dan die welke voor vergelijkbare financiële diensten kunnen worden verkregen op de commerciële markt; of c. c. worden aangeboden tegen voorwaarden die stroken met de Regeling, mits zij binnen het toepassingsgebied van de Regeling27)Ter verduidelijking: de Partijen erkennen dat de Kirgizische Republiek niet deelneemt aan de Regeling, maar de Partijen zijn het er desondanks over eens dat deze bepaling gelijkelijk rechten toekent aan de Partijen bij deze Overeenkomst. vallen.

9. Artikel 197 is niet van toepassing op de dienstensectoren die buiten het toepassingsgebied van deze Overeenkomst vallen, zoals bepaald in hoofdstuk 6.

Artikel 196

1. Onverminderd de rechten en verplichtingen van elke Partij uit hoofde van dit hoofdstuk, belet geen van de bepalingen van dit hoofdstuk dat een Partij een overheidsonderneming opricht of in stand houdt, een onderneming bijzondere rechten of voorrechten toekent of een monopolie aanwijst.

2. Geen van de Partijen verplicht of spoort een overheidsonderneming, een onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of een aangewezen monopolie aan te handelen op een wijze die niet strookt met dit hoofdstuk.

Artikel 197

1.

Elke Partij zorgt ervoor dat haar overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend en aangewezen monopolies bij het verrichten van commerciële activiteiten:

a. a. handelen in overeenstemming met commerciële overwegingen bij de aankoop of verkoop van een goed of een dienst, behalve om te voldoen aan de voorwaarden van hun openbare-dienstopdracht28)Ter verduidelijking: overheidsbanken kunnen een openbare-dienstopdracht krijgen om preferentiële leningen toe te staan aan de landbouwsector. Dergelijke leningen moeten worden beschouwd als interne landbouwsteun., bijvoorbeeld met betrekking tot sociaal georiënteerde programmas en projecten, die niet onverenigbaar zijn met punt b) of c); b. b. bij de aankoop van een goed of een dienst:

        i.
        aan goederen of diensten die door een onderneming van de andere Partij worden aangeboden, een niet minder gunstige behandeling toekennen dan aan soortgelijke goederen of diensten die door haar eigen ondernemingen worden aangeboden; en
      
      
        ii.
        aan goederen of diensten die door een onderneming van de andere Partij worden aangeboden en die een onder de Overeenkomst vallende investering op haar grondgebied zijn, een niet minder gunstige behandeling toekennen dan aan soortgelijke goederen of diensten die worden aangeboden door ondernemingen op de relevante markt op haar grondgebied die investeringen van investeerders uit de Partij zijn; en

i. i. aan goederen of diensten die door een onderneming van de andere Partij worden aangeboden, een niet minder gunstige behandeling toekennen dan aan soortgelijke goederen of diensten die door haar eigen ondernemingen worden aangeboden; en ii. ii. aan goederen of diensten die door een onderneming van de andere Partij worden aangeboden en die een onder de Overeenkomst vallende investering op haar grondgebied zijn, een niet minder gunstige behandeling toekennen dan aan soortgelijke goederen of diensten die worden aangeboden door ondernemingen op de relevante markt op haar grondgebied die investeringen van investeerders uit de Partij zijn; en c. c. bij de verkoop van een goed of een dienst:

        i.
        aan een onderneming van de andere Partij een niet minder gunstige behandeling toekennen dan aan haar eigen ondernemingen; en
      
      
        ii.
        aan een onderneming van de andere Partij die een onder de Overeenkomst vallende investering op haar grondgebied is, een behandeling toekennen die niet minder gunstig is dan die welke zij toekennen aan ondernemingen op de relevante markt op haar grondgebied die investeringen van haar investeerders zijn.

i. i. aan een onderneming van de andere Partij een niet minder gunstige behandeling toekennen dan aan haar eigen ondernemingen; en ii. ii. aan een onderneming van de andere Partij die een onder de Overeenkomst vallende investering op haar grondgebied is, een behandeling toekennen die niet minder gunstig is dan die welke zij toekennen aan ondernemingen op de relevante markt op haar grondgebied die investeringen van haar investeerders zijn.

2.

Lid 1 belet een overheidsonderneming, een onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of een aangewezen monopolie niet om:

a. a. goederen of diensten te kopen of te leveren op verschillende voorwaarden, ook wat betreft prijs, mits de koop of de levering overeenkomstig commerciële overwegingen wordt gedaan; of b. b. te weigeren goederen of diensten aan te kopen of te leveren, mits dit geschiedt op basis van commerciële overwegingen.

Artikel 198

1. De Partijen streven ernaar de relevante internationale normen, waaronder de richtsnoeren van de OESO betreffende corporate governance in overheidsondernemingen, te eerbiedigen en daar optimaal gebruik van te maken.

2.

Elke Partij zorgt ervoor dat elke regulerende instantie die zij opricht of in stand houdt of elke instantie die zij met een regulerende taak belast:

a. a. onafhankelijk is van de bedrijven die zij reguleert en er geen rekenschap aan verschuldigd is om te waarborgen dat de reguleringsfuncties doeltreffend worden verricht; en b. b. onpartijdig29)Ter verduidelijking: de onpartijdigheid waarvan de regulerende instantie bij haar regulerende werkzaamheden blijk geeft, wordt geëvalueerd aan de hand van een algemeen model of een algemene praktijk van die regulerende instantie. handelt ten aanzien van alle ondernemingen die zij reguleert, met inbegrip van staatsbedrijven, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend en aangewezen monopolies30)Ter verduidelijking: voor de sectoren waarvoor de Partijen in andere hoofdstukken specifieke verplichtingen in verband met de regulerende instantie zijn overeengekomen, gelden de relevante bepalingen van die andere hoofdstukken..

3. Elke Partij past haar wet- en regelgeving inzake overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend en aangewezen monopolies toe op een samenhangende en niet-discriminerende wijze.

Artikel 199

1. Een Partij die redelijkerwijs kan aannemen dat haar belangen in het kader van dit hoofdstuk worden geschaad door de commerciële activiteiten van een overheidsonderneming, een onderneming waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of een aangewezen monopolie van de andere Partij, kan de andere Partij schriftelijk verzoeken om informatie over de activiteiten van die onderneming of dat monopolie die verband houden met de toepassing van dit hoofdstuk.

2.

Verzoeken om informatie als bedoeld in lid 1 bevatten de volgende gegevens:

a. a. de betrokken onderneming of het betrokken monopolie; b. b. de betrokken goederen of diensten en markten; c. c. de in dit hoofdstuk bedoelde belangen die volgens de verzoekende Partij nadelig zijn beïnvloed; d. d. de praktijken waarbij de onderneming of het monopolie betrokken is en die de handel of investeringen tussen de Partijen belemmeren op een wijze die onverenigbaar is met dit hoofdstuk; en e. e. de volgende informatie:

        i.
        de eigendom en de stemstructuur van de onderneming of het monopolie, met vermelding van het percentage aandelen dat de aangezochte Partij, haar overheidsbedrijven, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of aangewezen monopolies cumulatief bezitten, en het percentage stemrechten dat zij cumulatief bezitten, in de onderneming of het monopolie;
      
      
        ii.
        een beschrijving van de eventuele bijzondere aandelen of bijzondere stemrechten of andere rechten waarover de aangezochte Partij, haar overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of aangewezen monopolies beschikken, wanneer die rechten verschillen van de rechten die verbonden zijn aan de gewone aandelen van de onderneming of het monopolie;
      
      
        iii.
        een beschrijving van de organisatiestructuur van de onderneming of het monopolie en de samenstelling van de raad van bestuur of van een ander gelijkwaardig orgaan;
      
      
        iv.
        een beschrijving van de overheidsdepartementen of overheidsorganen die de onderneming of het monopolie reguleren of controleren, een beschrijving van de rapportageverplichtingen die door die departementen of organen aan de onderneming of het monopolie worden opgelegd, en de rechten en praktijken van de overheidsdiensten of overheidsorganen bij de benoeming, het ontslag of de beloning van hogere leidinggevenden en leden van de raad van bestuur of een ander gelijkwaardig leidinggevend orgaan van de onderneming of het monopolie;
      
      
        v.
        de jaarlijkse inkomsten en de totale activa van de onderneming of het monopolie gedurende de meest recente periode van drie jaar waarvoor informatie beschikbaar is;
      
      
        vi.
        eventuele vrijstellingen, immuniteiten en daarmee samenhangende maatregelen waarvoor de onderneming of het monopolie uit hoofde van de wet- en regelgeving van de aangezochte Partij in aanmerking komt; en
      
      
        vii.
        alle aanvullende informatie over de onderneming of het monopolie die openbaar beschikbaar is, met inbegrip van de jaarlijkse financiële verslagen en audits door derden.

i. i. de eigendom en de stemstructuur van de onderneming of het monopolie, met vermelding van het percentage aandelen dat de aangezochte Partij, haar overheidsbedrijven, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of aangewezen monopolies cumulatief bezitten, en het percentage stemrechten dat zij cumulatief bezitten, in de onderneming of het monopolie; ii. ii. een beschrijving van de eventuele bijzondere aandelen of bijzondere stemrechten of andere rechten waarover de aangezochte Partij, haar overheidsondernemingen, ondernemingen waaraan bijzondere rechten of voorrechten zijn toegekend of aangewezen monopolies beschikken, wanneer die rechten verschillen van de rechten die verbonden zijn aan de gewone aandelen van de onderneming of het monopolie; iii. iii. een beschrijving van de organisatiestructuur van de onderneming of het monopolie en de samenstelling van de raad van bestuur of van een ander gelijkwaardig orgaan; iv. iv. een beschrijving van de overheidsdepartementen of overheidsorganen die de onderneming of het monopolie reguleren of controleren, een beschrijving van de rapportageverplichtingen die door die departementen of organen aan de onderneming of het monopolie worden opgelegd, en de rechten en praktijken van de overheidsdiensten of overheidsorganen bij de benoeming, het ontslag of de beloning van hogere leidinggevenden en leden van de raad van bestuur of een ander gelijkwaardig leidinggevend orgaan van de onderneming of het monopolie; v. v. de jaarlijkse inkomsten en de totale activa van de onderneming of het monopolie gedurende de meest recente periode van drie jaar waarvoor informatie beschikbaar is; vi. vi. eventuele vrijstellingen, immuniteiten en daarmee samenhangende maatregelen waarvoor de onderneming of het monopolie uit hoofde van de wet- en regelgeving van de aangezochte Partij in aanmerking komt; en vii. vii. alle aanvullende informatie over de onderneming of het monopolie die openbaar beschikbaar is, met inbegrip van de jaarlijkse financiële verslagen en audits door derden.

3. Indien de aangezochte Partij niet over de gevraagde informatie beschikt, deelt zij de verzoekende Partij de redenen daarvoor schriftelijk mee.

Hoofdstuk 13. TRANSPARANTIE

Artikel 200

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a. „administratief besluit”: een besluit met rechtsgevolgen dat in een individueel geval gevolgen heeft voor de rechten en verplichtingen van een specifieke persoon, en betrekking heeft op een administratieve maatregel of het niet nemen van een administratieve maatregel of besluit als bepaald in het recht van de Partij; b. b. „belanghebbende”: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die door een maatregel van algemene strekking kan worden geraakt; c. c. „maatregel van algemene strekking”: wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, procedures en administratieve beschikkingen van algemene strekking, die gevolgen kunnen hebben voor onder deze titel vallende aangelegenheden.

Artikel 201

De Partijen erkennen het effect dat hun respectieve regelgevingsklimaat kan hebben op hun onderlinge handel en investeringen, en streven ernaar een voorspelbaar regelgevingsklimaat en efficiënte procedures voor marktdeelnemers, met name kleine en middelgrote ondernemingen, te bevorderen overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

Artikel 202

1.

Elke Partij ziet erop toe dat een maatregel van algemene strekking met betrekking tot alle aangelegenheden die onder deze titel vallen:

a. a. snel en gemakkelijk gepubliceerd wordt via een officieel aangewezen medium en, wanneer dit haalbaar is, langs elektronische weg, of anderszins beschikbaar wordt gesteld op zodanige wijze dat ieder zich ermee vertrouwd kan maken; b. b. een toelichting bevat ten aanzien van het doel en de motivering ervan; en c. c. voldoende tijd laat tussen de bekendmaking en de inwerkingtreding ervan, behalve wanneer dit vanwege spoedeisendheid niet mogelijk is.

2.

Bij de vaststelling of wijziging van wet- of regelgeving van algemene strekking met betrekking tot aangelegenheden die onder deze titel vallen, zorgt elke Partij overeenkomstig haar respectieve regels en procedures:

a. a. voor publicatie in een vroeg passend stadium van de ontwerpwet- of regelgeving of raadplegingsdocumenten met nadere gegevens over het doel en de motivering van de voorgestelde wet- of regelgeving; b. b. voor redelijke mogelijkheden voor belanghebbenden en een passende termijn om opmerkingen te maken; en c. c. voor inaanmerkingneming van de ontvangen opmerkingen.

Artikel 203

1. Elke Partij voert passende mechanismen in, of handhaaft deze, om vragen van enige persoon over een voorgestelde of van kracht zijnde algemene maatregel en over de toepassing daarvan te beantwoorden met betrekking tot aangelegenheden die onder deze titel vallen.

2. Op verzoek van een Partij verstrekt de andere Partij onverwijld informatie en beantwoordt zij vragen met betrekking tot een maatregel van algemene strekking of een voorstel tot vaststelling, wijziging of intrekking van een maatregel van algemene strekking met betrekking tot aangelegenheden die onder deze titel vallen en die volgens de verzoekende Partij van invloed kunnen zijn op de werking van deze Overeenkomst.

Artikel 204

1. Elke Partij voert op objectieve, onpartijdige en redelijke wijze alle maatregelen van algemene strekking uit met betrekking tot alle aangelegenheden die onder deze titel vallen.

2.

Bij de toepassing van de in lid 1 bedoelde maatregelen op specifieke personen, goederen of diensten van de andere Partij in individuele gevallen:

a. a. streeft elke Partij ernaar belanghebbenden voor wie een administratieve procedure rechtstreeks gevolgen heeft, tijdig en overeenkomstig haar wet- en regelgeving in kennis te stellen van de inleiding van een procedure, met daarbij een beschrijving van de aard van de procedure, een verklaring over de rechtsgrondslag voor de inleiding van de procedure en, voor zover van toepassing, een algemene beschrijving van de kwesties in geschil; en b. b. biedt zij belanghebbenden een redelijke mogelijkheid om feiten en argumenten ter ondersteuning van hun standpunten naar voren te brengen voordat een definitief administratief besluit wordt getroffen, voor zover de tijd, de aard van de procedure en het openbaar belang dat toelaten.

Artikel 205

1. Elke Partij voert rechterlijke, arbitrale of administratieve instanties of procedures in, of handhaaft deze, met het oog op een onverwijlde herziening en, indien gerechtvaardigd, correctie van administratieve besluiten met betrekking tot aangelegenheden waarop deze titel van toepassing is. Elke Partij zorgt ervoor dat haar evaluatieprocedures op niet-discriminerende en onpartijdige wijze worden uitgevoerd. Elke Partij waarborgt dat haar gerechten die deze evaluatie uitvoeren, onpartijdig en onafhankelijk zijn van de dienst of de autoriteit die belast is met de administratieve handhaving en dat zij geen materieel belang bij de uitkomst van de aangelegenheid hebben.

2.

Elke Partij zorgt ervoor dat de Partijen bij de in lid 1 bedoelde procedures het recht krijgen op:

a. a. een redelijke mogelijkheid om hun respectieve standpunten te staven of te verdedigen; en b. b. een besluit dat is gebaseerd op bewijsmateriaal en ingediende stukken, of, indien de wet dat vereist, op het door de administratieve autoriteit samengestelde dossier.

3. Het in lid 2, punt b), bedoelde besluit wordt, onder voorbehoud van beroep of verdere evaluatie overeenkomstig het recht van elke Partij, uitgevoerd door het bureau of de instantie die belast is met de administratieve handhaving.

Artikel 206

1.

De Partijen erkennen de beginselen van goede regelgevingspraktijken en bevorderen de kwaliteit en prestaties van de regelgeving, onder meer door:

a. a. aanmoediging van het gebruik van effectbeoordelingen op regelgevingsgebied bij de ontwikkeling van belangrijke initiatieven; en b. b. de vaststelling of handhaving van procedures ter bevordering van een periodieke evaluatie achteraf van hun maatregelen van algemene strekking.

2. De Partijen streven ernaar samen te werken in regionale en multilaterale fora en goede regelgevingspraktijken en transparantie met betrekking tot internationale handel en investeringen op de onder deze titel vallende gebieden te bevorderen.

Artikel 207

Dit hoofdstuk is van toepassing onverminderd de specifieke transparantievoorschriften die in de andere hoofdstukken van deze titel zijn vastgesteld.

Hoofdstuk 14. BESLECHTING VAN GESCHILLEN

Afdeling A. DOELSTELLING EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 208

Het doel van dit hoofdstuk is een doeltreffend en efficiënt mechanisme op te zetten om geschillen tussen de Partijen over de uitlegging en toepassing van deze titel te vermijden of te beslechten teneinde waar mogelijk tot een voor beide Partijen overeengekomen oplossing te komen.

Artikel 209

Dit hoofdstuk is van toepassing op geschillen tussen de Partijen over de uitlegging of toepassing van deze titel (hierna „de bestreken bepalingen” genoemd), tenzij in deze titel anders is bepaald.

Artikel 210

1.

Voor de toepassing van hoofdstuk 14 en de bijlagen 14-A en 14-B wordt verstaan onder:

a. a. „administratief personeel”: personen, met uitzondering van assistenten, die onder leiding en controle staan van een panellid; b. b. „adviseur”: een persoon die door een Partij is aangesteld om haar in verband met de panelprocedure te adviseren of bij te staan; c. c. „assistent”: een persoon die in het kader van het mandaat van een panellid en onder de leiding en het toezicht van dat panellid voor dat panellid onderzoek verricht of ondersteunende taken uitvoert; d. d. „kandidaat”: een persoon wiens naam voorkomt op de in artikel 214 bedoelde lijst van panelleden en wiens selectie als panellid overeenkomstig artikel 213 wordt overwogen; e. e. „klagende Partij”: de Partij die verzoekt om de instelling van een panel op grond van artikel 212; f. f. „bemiddelaar”: een persoon die overeenkomstig artikel 236 als bemiddelaar is aangewezen; g. g. „panel”: een panel dat is ingesteld op grond van artikel 213; h. h. „panellid”: een lid van een panel; i. i. „verwerende Partij”: de Partij ten aanzien waarvan wordt gesteld dat zij de betrokken bepalingen heeft geschonden; j. j. „vertegenwoordiger”: een persoon in dienst van of aangewezen door een ministerie, een overheidsdienst of een ander overheidsorgaan van een Partij, die de Partij met betrekking tot een geschil uit hoofde van deze titel vertegenwoordigt.

Afdeling B. OVERLEG

Artikel 211

1. De Partijen streven ernaar elk in artikel 209 bedoeld geschil op te lossen door te goeder trouw overleg te plegen om tot een onderling overeengekomen oplossing te komen.

2. Een Partij verzoekt de andere Partij schriftelijk om overleg en geeft daarbij aan om welke maatregel het gaat en welke bepalingen zij van toepassing acht.

3. De Partij waaraan het verzoek om overleg wordt gericht, beantwoordt het verzoek spoedig, en uiterlijk 10 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek. Het overleg wordt binnen uiterlijk 30 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek gehouden en vindt, tenzij de Partijen anders overeenkomen, plaats op het grondgebied van de Partij waaraan het verzoek gericht is. Het overleg wordt geacht 30 dagen na de datum van indiening van het verzoek te zijn afgesloten, tenzij de Partijen overeenkomen het verder voort te zetten.

4. Overleg over urgente aangelegenheden, zoals wanneer het bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen of diensten betreft, wordt binnen 15 dagen na de datum van mededeling van het verzoek geopend. Het overleg wordt geacht binnen deze 15 dagen te zijn afgesloten, tenzij de Partijen overeenkomen het verder voort te zetten.

5. Tijdens het overleg verstrekt elke Partij de andere Partij voldoende feitelijke informatie om een volledig onderzoek mogelijk te maken van de wijze waarop de maatregel in kwestie gevolgen kan hebben voor de toepassing van de bestreken bepalingen. Elke Partij streeft ernaar de deelname te garanderen van personeel van haar bevoegde overheidsinstanties die deskundig zijn op het gebied waarover het overleg plaatsvindt.

6. Het overleg, en in het bijzonder alle tijdens het overleg door de Partijen verstrekte informatie en ingenomen standpunten, is vertrouwelijk en laat de rechten van elk van de Partijen in latere procedures onverlet.

Afdeling C. PANELPROCEDURES

Artikel 212

1.

Een Partij die overeenkomstig artikel 211 om overleg heeft verzocht, kan om de instelling van een panel verzoeken indien:

a. a. de Partij waaraan het verzoek om overleg overeenkomstig artikel 211 wordt gericht, het verzoek niet uiterlijk 10 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek beantwoordt; b. b. het overleg niet binnen de in artikel 211, lid 3 of lid 4, vastgestelde termijnen plaatsvindt; c. c. de Partijen overeenkomen geen overleg te voeren; of d. d. het overleg is afgesloten zonder dat een onderling overeengekomen oplossing is bereikt.

2. Een Partij die om de instelling van een panel verzoekt (hierna „de klagende Partij” genoemd), doet dit door middel van een schriftelijk verzoek aan de Partij waarvan wordt beweerd dat zij de bestreken bepalingen schendt (hierna „de verwerende Partij” genoemd). De klagende Partij vermeldt in haar verzoek de maatregel die in het geding is, en legt uit waarom die maatregel niet voldoet aan de bestreken bepalingen, waarbij duidelijk de rechtsgrond voor de klacht wordt aangegeven.

Artikel 213

1. Een panel bestaat uit drie panelleden.

2. Uiterlijk 14 dagen na de datum van mededeling van het verzoek om instelling van een panel plegen de Partijen overleg om overeenstemming te bereiken over de samenstelling van het panel.

3. Indien de Partijen binnen de in lid 2 van dit artikel bedoelde termijn geen overeenstemming bereiken over de samenstelling van het panel, benoemt elke Partij uiterlijk vijf dagen na het verstrijken van de in lid 2 van dit artikel bedoelde termijn een panellid uit de op grond van artikel 214 voor die Partij opgestelde deellijst. Indien een Partij binnen die termijn geen panellid uit haar deellijst benoemt, wijst de medevoorzitter van het Samenwerkingscomité van de klagende Partij uiterlijk vijf dagen na het verstrijken van die termijn door loting een panellid aan uit de deellijst van de Partij die geen panellid heeft aangewezen. De medevoorzitter van het Samenwerkingscomité van de klagende Partij kan die aanwijzing door loting van het panellid delegeren.

4. Indien de Partijen binnen de in lid 2 van dit artikel genoemde termijn geen overeenstemming over de voorzitter van het panel bereiken, wijst de medevoorzitter van het Samenwerkingscomité van de klagende Partij binnen vijf dagen na het verstrijken van die termijn door loting de voorzitter van het panel aan uit de overeenkomstig artikel 214 opgestelde deellijst van voorzitters. De medevoorzitter van het Samenwerkingscomité van de klagende Partij kan die aanwijzing door loting van de voorzitter van het panel delegeren.

5. Indien een van de in artikel 214 bedoelde lijsten niet is opgesteld of niet voldoende namen bevat op het moment dat een verzoek overeenkomstig artikel 212 wordt ingediend, worden de panelleden geselecteerd overeenkomstig het reglement van orde in bijlage 14-A.

6. De datum van instelling van het panel is die waarop alle drie aangewezen panelleden hun benoeming hebben aanvaard overeenkomstig het reglement van orde in bijlage 14-A.

Artikel 214

1.

Het Samenwerkingscomité stelt uiterlijk zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst een lijst op van ten minste 15 personen die bereid en in staat zijn om als panellid op te treden. Die lijst bestaat uit drie deellijsten:

a. a. een deellijst van personen die op basis van voorstellen van de Europese Unie is opgesteld; b. b. een deellijst van personen die op basis van voorstellen van de Kirgizische Republiek is opgesteld; en c. c. een deellijst van personen die geen onderdaan van een van de Partijen zijn en die bereid en in staat zijn om als voorzitter van het panel te fungeren.

2. Elke deellijst bevat ten minste vijf personen. Het Samenwerkingscomité ziet erop toe dat elke deellijst te allen tijde uit dat minimumaantal personen blijft bestaan.

3. Het Samenwerkingscomité kan aanvullende lijsten opstellen van personen met kennis van en ervaring in specifieke onder deze titel vallende sectoren. Met instemming van de Partijen worden die aanvullende lijsten gebruikt voor de samenstelling van het panel overeenkomstig de procedure van artikel 213.

Artikel 215

1.

Elk panellid moet:

a. a. beschikken over aantoonbare deskundigheid op het gebied van recht, internationale handel en andere onder deze titel vallende aangelegenheden; b. b. onafhankelijk zijn van, geen banden hebben met en geen instructies ontvangen van een van de Partijen; c. c. op persoonlijke titel optreden en geen instructies aanvaarden van enige organisatie of regering met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met het geschil; en d. d. zich houden aan de gedragscode voor panelleden en bemiddelaars in bijlage 14-B.

2. De voorzitter beschikt ook over ervaring in geschillenbeslechtingsprocedures.

3. Gezien het voorwerp van een specifiek geschil kunnen de Partijen overeenkomen af te wijken van de in lid 1, punt a), genoemde vereisten.

Artikel 216

Het panel:

a. a. verricht een objectieve beoordeling van de aan het panel voorgelegde aangelegenheid, met inbegrip van een objectieve beoordeling van de feiten van de zaak en de toepasselijkheid van en overeenstemming met de bestreken bepalingen; b. b. vermeldt in zijn besluiten en verslagen de resultaten van het feitenonderzoek, de toepasselijkheid van de bestreken bepalingen alsmede de beweegredenen die aan de bevindingen en conclusies van het panel ten grondslag liggen; en c. c. pleegt regelmatig overleg met de Partijen en biedt passende kansen voor de ontwikkeling van een onderling overeengekomen oplossing.

Artikel 217

1.

Tenzij de Partijen binnen vijf dagen na de datum van instelling van het panel anders overeenkomen, luidt het mandaat van het panel als volgt:

„in het licht van de desbetreffende bepalingen van deze titel waarop de Partijen zich beroepen, de aangelegenheid onderzoeken die in het verzoek om instelling van het panel is beschreven, bevindingen doen over de verenigbaarheid van de maatregel in kwestie met die bepalingen en een verslag uitbrengen overeenkomstig de artikelen 219 en 220.”

2. Indien de Partijen overeenstemming bereiken over een ander mandaat, stellen zij het panel binnen de in lid 1 vastgestelde termijn van het overeengekomen mandaat in kennis.

Artikel 218

1. Op verzoek van een Partij beslist het panel uiterlijk tien dagen na de datum waarop het is ingesteld, of de zaak dringend is.

2. In dringende gevallen zijn de in deze afdeling vastgestelde toepasselijke termijnen de helft van de daarin voorgeschreven tijd, met uitzondering van de in de artikelen 213 en 217 bedoelde termijnen.

Artikel 219

1. Het panel legt de Partijen binnen 90 dagen na de datum van instelling van het panel een tussentijds verslag voor. Wanneer het panel van oordeel is dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het panel de Partijen hiervan schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel zijn tussentijds verslag denkt te kunnen uitbrengen. Het panel mag zijn tussentijds verslag in geen geval later voorleggen dan 120 dagen na de datum waarop het is ingesteld.

2. Elke Partij kan het panel binnen 10 dagen na de voorlegging ervan schriftelijk verzoeken om bepaalde aspecten van het tussentijds verslag te herzien. Een Partij kan binnen zes dagen na de indiening van het verzoek opmerkingen maken over het verzoek van de andere Partij.

Artikel 220

1. Het panel legt de Partijen binnen 120 dagen na de datum van instelling van het panel zijn eindverslag voor. Wanneer het panel van oordeel is dat deze termijn niet kan worden gehaald, stelt de voorzitter van het panel de Partijen hiervan schriftelijk in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en de datum waarop het panel zijn eindverslag denkt te kunnen uitbrengen. Het panel mag zijn eindverslag in geen geval later voorleggen dan 150 dagen na de datum waarop het is ingesteld.

2. In het eindverslag wordt elk schriftelijk verzoek van de Partijen met betrekking tot het tussentijds verslag besproken en wordt duidelijk ingegaan op de opmerkingen van Partijen.

Artikel 221

1. De verwerende Partij neemt alle maatregelen die nodig zijn om de bevindingen en conclusies van het eindverslag onverwijld op te volgen teneinde de bestreken bepalingen na te leven.

2. De verwerende Partij stelt de klagende Partij uiterlijk 30 dagen na de indiening van het eindverslag schriftelijk in kennis van de maatregelen die zij heeft genomen of voornemens is te nemen om het eindverslag na te leven.

Artikel 222

1. Indien onmiddellijke naleving overeenkomstig artikel 221, lid 1, niet mogelijk is, stelt de verwerende Partij uiterlijk 30 dagen na de indiening van het eindverslag de klagende Partij schriftelijk in kennis van de duur van de redelijke termijn die zij nodig heeft. De Partijen streven ernaar overeenstemming te bereiken over de duur van de redelijke termijn voor de naleving van het eindverslag.

2. Indien de Partijen het niet eens kunnen worden over de duur van de redelijke termijn als bedoeld in lid 1, kan de klagende Partij ten vroegste 20 dagen na de in lid 1 bedoelde kennisgeving schriftelijk verzoeken dat het oorspronkelijke panel de duur van de redelijke termijn vaststelt. Het panel doet zijn besluit binnen 20 dagen na de datum van indiening van het verzoek aan de Partijen toekomen.

3. De verwerende Partij deelt de klagende Partij ten minste één maand voor het verstrijken van de redelijke termijn die overeenkomstig lid 2 is overeengekomen, schriftelijk mee hoe ver zij is gevorderd met de naleving van het eindverslag.

4. De Partijen kunnen overeenkomen de overeenkomstig lid 2 vastgestelde redelijke termijn te verlengen.

Artikel 223

1. Uiterlijk bij het verstrijken van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 222 stelt de verwerende Partij de klagende Partij in kennis van alle maatregelen die zij heeft genomen om het eindverslag na te leven.

2. In geval van onenigheid tussen de Partijen over het bestaan van maatregelen om het eindverslag na te leven of over de verenigbaarheid ervan met de bestreken bepalingen, kan de klagende Partij het oorspronkelijke panel schriftelijk verzoeken een besluit over de zaak te nemen. In het verzoek wordt vermeld om welke maatregel het gaat en wordt uitgelegd hoe die maatregel een inbreuk op de bestreken bepalingen vormt, op een wijze die de rechtsgrondslag van de klacht duidelijk aantoont. Het panel doet zijn beslissing binnen 46 dagen na de datum van indiening van het verzoek aan de Partijen toekomen.

Artikel 224

1.

Op verzoek van en na overleg met de klagende Partij dient de verwerende Partij een voorstel voor tijdelijke compensatie in indien:

a. a. de verwerende Partij de klagende Partij schriftelijk in kennis stelt van het feit dat het niet mogelijk is om het eindverslag na te leven; b. b. de verwerende Partij verzuimt binnen de in artikel 221, lid 2, bedoelde termijn of vóór het verstrijken van de redelijke termijn schriftelijk kennis te geven van een maatregel die zij met het oog op naleving van het eindverslag heeft getroffen; of c. c. het panel oordeelt dat er geen maatregelen met het oog op naleving zijn getroffen of dat de met het oog op naleving getroffen maatregel niet in overeenstemming is met de bestreken bepalingen.

2.

In elk van de in lid 1, punten a), b), en c), bedoelde situaties kan de klagende Partij de verwerende Partij schriftelijk ervan kennisgeven dat zij voornemens is de toepassing van haar verplichtingen uit hoofde van de bestreken bepalingen op te schorten indien:

a. a. de klagende Partij besluit geen verzoek uit hoofde van lid 1 in te dienen; of b. b. de klagende Partij een verzoek uit hoofde van lid 1 van dit artikel heeft ingediend en de Partijen binnen 20 dagen na het verstrijken van de in artikel 222 bedoelde redelijke termijn of de uitspraak van het panel uit hoofde van artikel 223, lid 2, niet tot overeenstemming over tijdelijke compensatie komen.

In de kennisgeving wordt vermeld in welke mate de verplichtingen zullen worden opgeschort.

3. De klagende Partij kan de verplichtingen uit hoofde van de bestreken bepalingen 10 dagen na de datum van toezending van de in lid 2 bedoelde kennisgeving opschorten, tenzij de verwerende Partij een verzoek uit hoofde van lid 5 heeft gedaan.

4. De mate van opschorting van verplichtingen mag niet groter zijn dan de mate die overeenkomt met de door de schending veroorzaakte tenietdoening of uitholling van de bestreken bepalingen.

5. Indien de verwerende Partij van oordeel is dat de aangegeven mate van opschorting van de verplichtingen niet overeenstemt met de mate van tenietdoening of uitholling door de schending, kan zij het oorspronkelijke panel vóór het verstrijken van de in lid 3 genoemde termijn van 10 dagen schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. Het panel legt zijn beslissing binnen 30 dagen na de datum van het verzoek voor aan de Partijen. De verplichtingen worden niet opgeschort totdat het panel een beslissing heeft genomen. De opschorting van verplichtingen moet in overeenstemming zijn met die beslissing.

6.

De opschorting van verplichtingen of de compensatie als bedoeld in dit artikel is tijdelijk en wordt niet toegepast nadat:

a. a. de Partijen overeenkomstig artikel 240 tot een onderling overeengekomen oplossing zijn gekomen; b. b. de Partijen zijn overeengekomen dat de verwerende Partij door de getroffen maatregel tot naleving van het eindverslag de bestreken bepalingen naleeft; of c. c. alle maatregelen tot naleving van het eindverslag waarvan het panel heeft vastgesteld dat zij onverenigbaar zijn met de bestreken bepalingen, zijn ingetrokken of gewijzigd zodat de verwerende Partij die bestreken bepalingen naleeft.

Artikel 225

1. De verwerende Partij stelt de klagende Partij schriftelijk in kennis van alle maatregelen die zij heeft getroffen om na de opschorting van verplichtingen of na de toepassing van tijdelijke compensatie, naargelang het geval, het eindverslag na te leven. Met uitzondering van de gevallen waarop lid 2 van toepassing is, beëindigt de klagende Partij de opschorting van verplichtingen binnen 30 dagen na de kennisgeving. In gevallen waarin compensatie is toegepast, en met uitzondering van de in lid 2 bedoelde gevallen, kan de verwerende Partij de toepassing van die compensatie beëindigen binnen 30 dagen nadat zij kennis heeft gegeven van de naleving.

2. Indien de Partijen binnen 30 dagen na de datum van ontvangst van de kennisgeving geen overeenstemming bereiken over de vraag of de maatregel waarvan uit hoofde van lid 1 is kennisgegeven, ertoe leidt dat de verwerende Partij overeenkomstig de bestreken bepalingen handelt, kan de klagende Partij het oorspronkelijke panel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. Het panel doet zijn beslissing binnen 46 dagen na de datum van indiening van het verzoek aan de Partijen toekomen. Indien het panel van oordeel is dat de maatregel tot naleving van het eindverslag in overeenstemming is met de bestreken bepalingen, wordt de opschorting van verplichtingen of de compensatie, al naargelang het geval, beëindigd. In voorkomend geval past de klagende Partij de mate van opschorting van de verplichtingen of de mate van de compensatie aan in het licht van de beslissing van het panel.

3. Indien de verwerende Partij van oordeel is dat de mate van opschorting van de verplichtingen niet overeenstemt met de mate van tenietdoening of uitholling door de schending, kan zij het oorspronkelijke panel schriftelijk verzoeken hierover uitspraak te doen. Het panel neemt een beslissing binnen 46 dagen na de datum van indiening van het verzoek.

Artikel 226

Indien een panellid tijdens geschillenbeslechtingsprocedures niet kan deelnemen, zich terugtrekt of moet worden vervangen omdat hij of zij de gedragscode voor panelleden en bemiddelaars in bijlage 14-B niet naleeft, is de procedure van artikel 213 van toepassing. De termijnen voor de indiening van de in deze afdeling genoemde verslagen of besluiten van het panel worden zo nodig verlengd voor de benoeming van het nieuwe panellid.

Artikel 227

1. Op de panelprocedures zijn dit hoofdstuk en het reglement van orde in bijlage 14-A van toepassing.

2. De hoorzittingen van het panel zijn openbaar, tenzij anders bepaald in het reglement van orde van bijlage 14-A.

Artikel 228

Het panel schort zijn werkzaamheden te allen tijde gedurende een door de Partijen overeengekomen periode van ten hoogste twaalf opeenvolgende maanden op wanneer beide Partijen daarom verzoeken. Het panel hervat zijn werkzaamheden vóór het einde van de opschortingsperiode op schriftelijk verzoek van beide Partijen, of aan het einde van de opschortingsperiode op schriftelijk verzoek van een van de Partijen. Indien dit laatste van toepassing is, stelt de verzoekende Partij de andere Partij schriftelijk van het verzoek in kennis. Indien geen van beide Partijen na afloop van de opschortingsperiode om hervatting van de werkzaamheden van het panel verzoekt, vervalt de autoriteit van het panel en wordt de geschillenbeslechtingsprocedure beëindigd. Indien de werkzaamheden van het panel worden opgeschort, worden de relevante termijnen in deze afdeling verlengd met hetzelfde aantal dagen als de opschorting van de werkzaamheden heeft geduurd.

Artikel 229

1. Op verzoek van een Partij of op eigen initiatief kan het panel bij de Partijen relevante informatie inwinnen die het noodzakelijk en passend acht. De Partijen antwoorden onverwijld en volledig op elk verzoek om informatie van het panel.

2. Op verzoek van een Partij of op eigen initiatief kan het panel alle relevante informatie uit eender welke bron inwinnen die het passend acht. Het panel heeft ook het recht om het advies van deskundigen in te winnen wanneer het dat passend acht, in voorkomend geval met inachtneming van door de Partijen overeengekomen voorwaarden.

3. Natuurlijke personen van een Partij of in een Partij gevestigde rechtspersonen kunnen overeenkomstig het reglement van orde in bijlage 14-A opmerkingen indienen als amicus curiae.

4. Alle informatie die het panel uit hoofde van dit artikel heeft verkregen, wordt aan de Partijen bekendgemaakt. De Partijen kunnen opmerkingen over deze informatie indienen.

Artikel 230

Het panel legt de bestreken bepalingen uit volgens de gebruikelijke regels voor de uitlegging van het internationaal publiekrecht, met inbegrip van die welke in het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht zijn neergelegd. Het panel houdt ook rekening met relevante uitleggingen in verslagen van WTO-panels en verslagen van de Beroepsinstantie die door het Orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO zijn aangenomen uit hoofde van het Memorandum van overeenstemming inzake de regels en procedures betreffende de beslechting van geschillen, dat is opgenomen in bijlage 2 bij de WTO-Overeenkomst (hierna het „Memorandum inzake geschillenbeslechting van de WTO” genoemd). De verslagen en besluiten van het panel mogen de rechten en verplichtingen van de Partijen uit hoofde van deze Overeenkomst niet verruimen of beperken.

Artikel 231

1. De beraadslagingen van het panel zijn vertrouwelijk. Het panel stelt alles in het werk om verslagen op te stellen en beslissingen te nemen bij consensus. Indien dat niet mogelijk is, beslist het panel bij meerderheid van stemmen. In geen geval worden afzonderlijke adviezen van panelleden openbaar gemaakt.

2. De verslagen en beslissingen van het panel worden door de Partijen onvoorwaardelijk aanvaard. Zij scheppen geen rechten of verplichtingen voor natuurlijke personen of rechtspersonen.

3. Elke Partij maakt de verslagen, beslissingen en opmerkingen van het panel openbaar, onder voorbehoud van de bescherming van vertrouwelijke informatie.

4. Het panel en de Partijen behandelen informatie die door een Partij aan het panel is verstrekt overeenkomstig het reglement van orde in bijlage 14-A, als vertrouwelijk.

Artikel 232

1. Indien in verband met een specifieke maatregel een geschil ontstaat over een mogelijke inbreuk op een verplichting uit hoofde van deze titel, en een in wezen gelijkwaardige verplichting uit hoofde van een andere internationale overeenkomst waarbij beide Partijen partij zijn, met inbegrip van de WTO-Overeenkomst, kiest de klagende Partij, het forum om het geschil bij te leggen.

2. Zodra de klagende Partij, het forum heeft gekozen en de procedures voor de geschillenbeslechting uit hoofde van deze afdeling of uit hoofde van een andere internationale overeenkomst heeft ingeleid, stelt die Partij met betrekking tot de in lid 1 bedoelde specifieke maatregel niet tevens een procedure in voor de geschillenbeslechting uit hoofde van de andere internationale overeenkomst, tenzij het eerst gekozen forum om procedurele of bevoegdheidsredenen geen uitspraak kan doen.

3.

Voor de toepassing van dit artikel wordt het volgende verstaan:

a. a. een procedure voor geschillenbeslechting uit hoofde van deze afdeling wordt geacht te zijn ingeleid wanneer een Partij uit hoofde van artikel 212 een verzoek tot instelling van een panel indient; b. b. een procedure voor geschillenbeslechting uit hoofde van de WTO-Overeenkomst wordt geacht te zijn ingeleid wanneer een Partij uit hoofde van artikel 6 van het Memorandum inzake geschillenbeslechting van de WTO een verzoek om instelling van een panel indient; c. c. een procedure voor geschillenbeslechting uit hoofde van enige andere internationale overeenkomst wordt geacht te zijn ingeleid overeenkomstig de relevante bepalingen van die overeenkomst.

4. Onverminderd lid 2, belet geen van de bepalingen van deze Overeenkomst een Partij om de opschorting van verplichtingen die door het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de WTO of uit hoofde van de geschillenbeslechtingsprocedure van een andere internationale overeenkomst waarbij beide Partijen bij het geschil partij zijn, is toegestaan, ten uitvoer te leggen. Op de WTO-Overeenkomst of enige andere internationale overeenkomst tussen de Partijen kan geen beroep worden gedaan om te beletten dat een Partij de verplichtingen uit hoofde van deze afdeling opschort.

Afdeling D. BEMIDDELINGSMECHANISME

Artikel 233

Het bemiddelingsmechanisme heeft tot doel te bevorderen dat door middel van een integrale en snelle procedure en met de behulp van een bemiddelaar een onderling overeengekomen oplossing wordt bereikt.

Artikel 234

1. Te allen tijde voor de aanvang van de bemiddelingsprocedure kan een Partij de andere Partij schriftelijk om informatie verzoeken over een maatregel die de handel of investeringen tussen de Partijen ongunstig beïnvloedt. De Partij die het verzoek ontvangt, verstrekt binnen 20 dagen na ontvangst van het verzoek een schriftelijk antwoord met haar opmerkingen over de verzochte informatie.

2. Als de antwoordende Partij denkt dat zij niet binnen 20 dagen vanaf de ontvangst van het verzoek een antwoord kan geven, stelt zij de verzoekende Partij daarvan onverwijld op de hoogte en deelt zij de redenen voor de vertraging mee, alsook een schatting van de kortst mogelijke termijn waarbinnen zij zal kunnen antwoorden.

3. Van een Partij wordt normaal gesproken verwacht dat zij vóór de inleiding van de bemiddelingsprocedure een verzoek om informatie indient overeenkomstig lid 1.

Artikel 235

1. Elke Partij kan te allen tijde verzoeken om aan een bemiddelingsprocedure deel te nemen met betrekking tot een maatregel die de handel of de investeringen tussen de Partijen ongunstig beïnvloedt.

2.

Het in lid 1 bedoelde verzoek wordt gedaan door middel van een schriftelijk verzoek aan de andere Partij. In het verzoek worden de bezwaren van de verzoekende Partij duidelijk en voldoende gedetailleerd uiteengezet en:

a. a. wordt aangegeven om welke specifieke maatregel het gaat; b. b. wordt uiteengezet wat volgens de verzoekende Partij de negatieve gevolgen van de maatregel voor de handel of de investeringen tussen de Partijen zijn of zullen zijn; en c. c. wordt toegelicht wat volgens de verzoekende Partij het verband tussen die gevolgen en de maatregel is.

3. De bemiddelingsprocedure kan slechts met wederzijdse instemming van de Partijen worden ingeleid, teneinde onderling overeengekomen oplossingen te onderzoeken en adviezen en voorstellen voor oplossingen van de bemiddelaar in overweging te nemen. De Partij waaraan het verzoek tot inleiding van een bemiddelingsprocedure is gericht, neemt het verzoek in welwillende overweging en doet de verzoekende Partij binnen 10 dagen na de datum van indiening haar schriftelijke aanvaarding of afwijzing toekomen. Indien de Partij waaraan het verzoek is gericht, haar schriftelijke aanvaarding of afwijzing niet binnen die termijn heeft ingediend, wordt het verzoek geacht te zijn afgewezen.

Artikel 236

1. De Partijen streven ernaar binnen 10 dagen na de inleiding van de bemiddelingsprocedure overeenstemming te bereiken over een bemiddelaar.

2. Indien de Partijen binnen de in lid 1 van dit artikel vastgestelde termijn geen overeenstemming over de bemiddelaar kunnen bereiken, kan elke Partij de medevoorzitter van het Samenwerkingscomité van de verzoekende Partij verzoeken een bemiddelingsprocedure aan te gaan om binnen vijf dagen na het verzoek de bemiddelaar door loting aan te wijzen uit de overeenkomstig artikel 214 opgestelde deellijst van voorzitters. De medevoorzitter van het Samenwerkingscomité van de verzoekende Partij kan die aanwijzing door loting van het panellid delegeren.

3. Indien de in artikel 214, lid 1, punt c), bedoelde deellijst van voorzitters nog niet is opgesteld op het tijdstip waarop een verzoek overeenkomstig artikel 235 wordt ingediend, wordt de bemiddelaar door loting aangewezen uit de personen die door een Partij of door beide Partijen formeel voor die deellijst zijn voorgedragen.

4. De bemiddelaar mag geen onderdaan van een van de Partijen zijn of in dienst van een van de Partijen staan, tenzij de Partijen anders overeenkomen.

5. De bemiddelaar houdt zich aan de gedragscode voor panelleden en bemiddelaars in bijlage 14-B.

Artikel 237

1. Binnen 10 dagen na de datum waarop de bemiddelaar overeenkomstig artikel 236, lid 1, is overeengekomen of overeenkomstig artikel 236, lid 2 of lid 3, is aangewezen, verstrekt de Partij die de bemiddelingsprocedure heeft ingeleid, de bemiddelaar en de andere Partij een gedetailleerde schriftelijke beschrijving van haar bezwaren, met name wat betreft de werking van de maatregel in kwestie en de mogelijke negatieve gevolgen ervan voor de handel of de investeringen tussen de Partijen. De andere kan binnen 20 dagen na de datum van indiening schriftelijke opmerkingen over die beschrijving indienen. Elke Partij kan in haar beschrijving of opmerkingen alle informatie opnemen die zij relevant acht.

2. De bemiddelaar staat de Partijen op transparante wijze bij om duidelijkheid te scheppen over de betrokken maatregel en de mogelijke negatieve gevolgen ervan voor de handel of de investeringen tussen de Partijen. Hij kan met name bijeenkomsten tussen de Partijen organiseren, de Partijen gezamenlijk of afzonderlijk raadplegen, verzoeken om bijstand van of overleg plegen met deskundigen en belanghebbenden op het betrokken gebied alsmede alle aanvullende ondersteuning bieden waarom de Partijen hebben verzocht. Alvorens om bijstand van of overleg met relevante deskundigen of belanghebbenden te verzoeken, overlegt de bemiddelaar met de Partijen.

3. De bemiddelaar kan advies aanbieden en een oplossing voorstellen ter overweging door de Partijen. De Partijen kunnen de voorgestelde oplossing aanvaarden of afwijzen of een andere oplossing overeenkomen. De bemiddelaar geeft geen advies en maakt evenmin opmerkingen over de overeenstemming van de maatregel in kwestie met deze titel.

4. De bemiddelingsprocedure vindt plaats op het grondgebied van de Partij waaraan het verzoek gericht is, of op enige andere locatie of op enige andere wijze waarover onderling overeenstemming is bereikt.

5. De Partijen streven ernaar binnen 60 dagen na de datum waarop de bemiddelaar overeenkomstig artikel 236, lid 1, is overeengekomen of overeenkomstig artikel 236, lid 2 of lid 3, is geselecteerd, tot een onderling overeengekomen oplossing te komen. Zolang geen definitieve overeenstemming is bereikt, kunnen de Partijen eventuele tussentijdse oplossingen overwegen, met name wanneer de maatregel betrekking heeft op bederfelijke waren of seizoensgebonden goederen of diensten.

6. Een onderling overeengekomen oplossing kan worden vastgesteld bij besluit van het Samenwerkingscomité. Elke Partij kan een dergelijke oplossing afhankelijk maken van de voltooiing van de nodige interne procedures. Onderling overeengekomen oplossingen worden openbaar gemaakt. De openbaar gemaakte versie mag geen informatie bevatten die door een Partij als vertrouwelijk is aangemerkt.

7.

Op verzoek van een van de Partijen dient de bemiddelaar bij de Partijen een ontwerp van het feitenverslag in, dat het volgende bevat:

a. a. een korte samenvatting van de betrokken specifieke maatregel; b. b. de gevolgde procedure; en c. c. in voorkomend geval, de onderling overeengekomen oplossing, met inbegrip van eventuele tussentijdse oplossingen. De bemiddelaar biedt de Partijen 15 dagen de gelegenheid om hun opmerkingen over het ontwerpfeitenverslag in te dienen. Na bestudering van de binnen die termijn ontvangen opmerkingen van de Partijen dient de bemiddelaar bij de Partijen binnen 15 dagen een definitief feitenverslag in. Het definitieve feitenverslag mag geen uitlegging van deze titel bevatten.

8.

De procedure wordt beëindigd door:

a. a. de goedkeuring van een door de Partijen onderling overeengekomen oplossing, op de datum van goedkeuring ervan; b. b. onderlinge overeenstemming van de Partijen in de loop van de procedure, op de datum waarop die overeenstemming is bereikt; c. c. een schriftelijke verklaring van de bemiddelaar, na overleg met de Partijen, dat verdere bemiddelingsinspanningen geen nut hebben, op de datum van die verklaring; of d. d. een schriftelijke verklaring van een Partij nadat voorgestelde oplossingen in de bemiddelingsprocedure zijn onderzocht en adviezen en voorgestelde oplossingen van de bemiddelaar in overweging zijn genomen, op de datum van die verklaring.

Artikel 238

Tenzij de Partijen bij het geschil anders overeenkomen, zijn alle andere fasen van de bemiddelingsprocedure, met inbegrip van adviezen of voorgestelde oplossingen, vertrouwelijk. Elke Partij mag echter openbaar maken dat bemiddeling plaatsvindt.

Artikel 239

1. De bemiddelingsprocedure laat de rechten en verplichtingen van de Partijen uit hoofde van de afdelingen B en C van dit hoofdstuk of van geschillenbeslechtingsprocedures of elke andere internationale overeenkomst onverlet.

2.

In andere geschillenbeslechtingsprocedures in het kader van deze titel of enige andere internationale overeenkomst, beroepen de Partijen zich niet op de volgende zaken, noch voeren zij deze als bewijsmateriaal aan, en een panel houdt geen rekening met:

a. a. standpunten die de andere Partij in de loop van de bemiddelingsprocedure heeft ingenomen of informatie die uitsluitend overeenkomstig artikel 237, lid 2, is verzameld; b. b. het feit dat de andere Partij zich bereid heeft verklaard een oplossing te aanvaarden voor de maatregel waarop de bemiddeling betrekking had; of c. c. adviezen of voorstellen van de bemiddelaar.

3. Tenzij de Partijen anders overeenkomen, mogen bemiddelaars niet zitting nemen in een panel in het kader van geschillenbeslechtingsprocedures uit hoofde van deze titel of enige andere internationale overeenkomst met betrekking tot dezelfde aangelegenheid waarin zij hebben bemiddeld.

Afdeling E. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 240

1. De Partijen kunnen met betrekking tot een in artikel 209 bedoeld geschil te allen tijde tot een onderling overeengekomen oplossing komen.

2. Indien een onderling overeengekomen oplossing wordt bereikt tijdens de procedure bij het panel of tijdens een bemiddelingsprocedure, stellen de Partijen de voorzitter van het panel of de bemiddelaar gezamenlijk in kennis van de overeengekomen oplossing, naargelang het geval. Na die kennisgeving wordt de procedure bij het panel of de bemiddelingsprocedure stopgezet.

3. Elke Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om de onderling overeengekomen oplossing binnen de overeengekomen termijn ten uitvoer te leggen.

4. Elke Partij stelt vóór de afloop van de overeengekomen termijn de andere Partij schriftelijk in kennis van alle maatregelen die zij heeft getroffen om de onderling overeengekomen oplossing ten uitvoer te leggen.

Artikel 241

1. Alle in dit hoofdstuk vastgestelde termijnen worden geteld in kalenderdagen vanaf de dag volgend op de handeling waarop zij betrekking hebben.

2. Elke in dit hoofdstuk bedoelde termijn kan in onderling overleg tussen de Partijen worden gewijzigd.

3. Uit hoofde van afdeling C kan het panel de Partijen te allen tijde voorstellen een in dit hoofdstuk vermelde termijn te wijzigen, met opgave van de redenen daarvoor.

Artikel 242

1. Elke Partij draagt haar eigen kosten die voortvloeien uit deelname aan de procedure bij het panel of de bemiddelingsprocedure.

2. De Partijen dragen gezamenlijk en elk voor een gelijk deel de kosten voor organisatorische aangelegenheden, met inbegrip van de honoraria en de kosten van de panelleden en de bemiddelaar. De bezoldiging van de panelleden en van de bemiddelaar is overeenkomstig de WTO-praktijk en wordt vastgesteld overeenkomstig het reglement van orde in bijlage 14-A.

Artikel 243

De Samenwerkingsraad kan de bijlagen 14-A en 14-B wijzigen.

Hoofdstuk 15. UITZONDERINGEN

Artikel 244

1. Voor de toepassing van de hoofdstukken 2, 3, 6, en 12 worden Artikel XX van de GATT 1994 en de aantekeningen en aanvullende bepalingen daarbij mutatis mutandis in deze Overeenkomst opgenomen en maken zij integrerend deel hiervan uit.

2.

Mits de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de Partijen bij soortgelijke omstandigheden, of een verkapte beperking van de liberalisering van investeringen of de handel in diensten zouden vormen, wordt niets in hoofdstuk 6 of hoofdstuk 12 uitgelegd als beletsel voor het vaststellen of toepassen door een Partij van maatregelen:

a. a. ter bescherming van de openbare veiligheid of de openbare zeden of voor het handhaven van de openbare orde;31)De uitzonderingen betreffende de openbare veiligheid en de openbare orde mogen alleen worden ingeroepen in geval van een daadwerkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving. b. b. ter bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant; c. c. ter verzekering van de naleving van wet- of regelgeving die niet onverenigbaar is met de bepalingen van deze Overeenkomst, met inbegrip van die welke betrekking hebben op:

        i.
        het voorkomen van misleidende en frauduleuze praktijken;
      
      
        ii.
        de gevolgen van een wanbetaling voor contracten;
      
      
        iii.
        het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van personen met betrekking tot de verwerking en verspreiding van persoonsgegevens en het beschermen van het vertrouwelijke karakter van individuele dossiers en rekeningen; en
      
      
        iv.
        veiligheid.

i. i. het voorkomen van misleidende en frauduleuze praktijken; ii. ii. de gevolgen van een wanbetaling voor contracten; iii. iii. het beschermen van de persoonlijke levenssfeer van personen met betrekking tot de verwerking en verspreiding van persoonsgegevens en het beschermen van het vertrouwelijke karakter van individuele dossiers en rekeningen; en iv. iv. veiligheid.

3.

Ter verduidelijking: de Partijen komen overeen dat, voor zover maatregelen die onder de leden 1 en 2 van dit artikel vallen, anderszins onverenigbaar zijn met de hoofdstukken 6 en 12:

a. a. de in artikel XX, punt b), van GATT 1994 en in lid 2, punt b), van dit artikel bedoelde maatregelen milieumaatregelen omvatten, die noodzakelijk zijn om het leven en de gezondheid van mensen, dieren of planten te beschermen; b. b. artikel XX, punt g), van de GATT 1994 van toepassing is op maatregelen voor de instandhouding van levende en niet-levende niet-duurzame natuurlijke hulpbronnen; en c. c. maatregelen ter uitvoering van multilaterale milieuovereenkomsten onder artikel XX, punt b), of g), van de GATT 1994 of onder lid 2, punt b), van dit artikel kunnen vallen.

4. Voordat een Partij maatregelen treft als bepaald in artikel XX, punten i) en j), van de GATT 1994, verstrekt zij de andere Partij alle relevante informatie teneinde een voor beide Partijen aanvaardbare oplossing te vinden. Als binnen 30 dagen na het verstrekken van deze informatie geen overeenstemming wordt bereikt, kan de Partij de desbetreffende maatregelen treffen. Wanneer door uitzonderlijke en kritieke omstandigheden die onmiddellijk handelen vereisen, voorafgaande informatieverstrekking niet mogelijk is, kan de Partij die voornemens is de maatregelen te treffen, onmiddellijk voorzorgsmaatregelen treffen die nodig zijn om de situatie aan te pakken. Die Partij stelt de andere Partij daarvan onmiddellijk in kennis.

Artikel 245

1. Geen van de bepalingen van deze titel doet afbreuk aan de rechten en verplichtingen van de Kirgizische Republiek of de Europese Unie of haar lidstaten uit hoofde van belastingverdragen. In geval van strijdigheid tussen deze Overeenkomst en een dergelijk belastingverdrag heeft het belastingverdrag voorrang voor zover het de strijdige bepalingen betreft.

2. De artikelen 33 en 72 van deze Overeenkomst zijn niet van toepassing op voordelen die op grond van een belastingverdrag door een Partij zijn toegekend.

3.

Mits de hieronder bedoelde maatregelen niet zodanig worden toegepast dat zij een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie tussen de Partijen bij soortgelijke omstandigheden of een verkapte beperking van handel en investeringen vormen, wordt geen van de bepalingen van deze titel uitgelegd als beletsel voor het vaststellen, handhaven of toepassen door een Partij van maatregelen die erop gericht zijn directe belastingen op billijke of doeltreffende wijze op te leggen of te innen en die:

a. a. een onderscheid maken tussen belastingbetalers die niet in dezelfde situatie verkeren, in het bijzonder met betrekking tot waar zij ingezetene zijn of hun vestigingsplaats hebben of de plaats waar hun kapitaal is geïnvesteerd; of b. b. ernaar streven belastingontwijking of -ontduiking te voorkomen op grond van de bepalingen van belastingverdragen of de interne belastingwetgeving.

4.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a. a. „vestigingsplaats”: de fiscale woonplaats; b. b. „belastingverdrag”: een verdrag inzake voorkoming van dubbele belastingheffing of enige andere internationale overeenkomst of regeling die geheel of hoofdzakelijk betrekking heeft op belastingheffing en waarbij de Kirgizische Republiek of de Europese Unie of haar lidstaten partij zijn.

Artikel 246

1. Geen van de bepalingen van deze titel kan zo worden uitgelegd dat een Partij verplicht wordt vertrouwelijke informatie beschikbaar te stellen waarvan openbaarmaking de rechtshandhaving zou belemmeren of anderszins in strijd zou zijn met het openbaar belang of schadelijk zou zijn voor de rechtmatige handelsbelangen van bepaalde openbare of particuliere ondernemingen, behalve wanneer een panel dergelijke vertrouwelijke informatie opvraagt in het kader van geschillenbeslechtingsprocedures als bedoeld in hoofdstuk 14. In dergelijke gevallen zijn de desbetreffende bepalingen van hoofdstuk 14 van toepassing op de behandeling van vertrouwelijke informatie.

2. Wanneer een Partij aan de andere Partij, onder meer via de organen die bij deze Overeenkomst zijn opgericht, informatie voorlegt die zij ingevolge haar wet- en regelgeving als vertrouwelijk beschouwt, wordt die informatie door de andere Partij als vertrouwelijk behandeld, tenzij de Partij die de informatie voorlegt, anders besluit.

Artikel 247

Als een verplichting in deze titel in wezen gelijkwaardig is aan een verplichting uit hoofde van de WTO-Overeenkomst, wordt elke maatregel die is genomen in overeenstemming met een op grond van artikel IX van de WTO-Overeenkomst vastgestelde ontheffing, geacht in overeenstemming te zijn met de in wezen gelijkwaardige bepaling in deze Overeenkomst.

Titel V. SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN ECONOMISCHE EN DUURZAME ONTWIKKELING

Artikel 248

1. De Partijen werken samen aan economische hervormingen door het inzicht in de basiselementen van hun respectieve economieën en de formulering en uitvoering van het economische beleid te verbeteren.

2. De Kirgizische Republiek neemt verdere stappen om een goed functionerende en duurzame markteconomie te ontwikkelen, met inbegrip van de verbetering van het investeringsklimaat en een grotere inclusie van de particuliere sector. De Partijen werken samen om een gezond macro-economisch beleid en een gezond beheer van de overheidsfinanciën te waarborgen die verenigbaar zijn met de fundamentele beginselen van doeltreffendheid, transparantie en verantwoordingsplicht.

Artikel 249

De Partijen nemen de volgende maatregelen:

a. a. zij wisselen ervaringen en beste praktijken uit met betrekking tot strategieën voor duurzame ontwikkeling, met inbegrip van de bevordering van economische, sociale en culturele rechten; b. b. zij wisselen informatie uit over macro-economische trends en beleid, alsmede over structurele hervormingen; c. c. zij wisselen deskundigheid en optimale werkwijzen uit op gebieden als overheidsfinanciën, monetair en wisselkoersbeleid, beleid in de financiële sector en economische statistieken; d. d. zij wisselen informatie en ervaringen uit over regionale economische integratie, met inbegrip van de werking van de Europese economische en monetaire unie; e. e. zij bekijken de stand van zaken van de bilaterale samenwerking op het gebied van economie, financiën en statistiek.

Artikel 250

De Partijen werken samen aan de verdere ontwikkeling van robuuste systemen voor het beheer van de overheidsfinanciën voor de Kirgizische Republiek, die van essentieel belang zijn voor het financiële kader van het land waarbinnen de regering van de Kirgizische Republiek haar economische en sociale beleidsdoelstellingen ten behoeve van haar burgers verwezenlijkt, en die berusten op de volgende beste beginselen en praktijken:

a. a. de regering publiceert op basis van geloofwaardige prognosen een begrotingskader voor de middellange termijn dat een minimumperiode van drie jaar bestrijkt, en waarbinnen alle begrotingsinstellingen opereren; b. b. de begroting is opgesteld in overeenstemming met het nationale rechtskader, met uitgebreide uitgavenkredieten die in overeenstemming zijn met het begrotingskader voor de middellange termijn en die in acht worden genomen; c. c. de centrale begrotingsautoriteit, of de geautoriseerde schatkistautoriteit, controleert centraal de uitbetaling van middelen uit de enkelvoudige rekening van de schatkist en zorgt voor kasliquiditeit; d. d. er bestaat een duidelijke strategie voor het beheer van de schuld, die uitgevoerd wordt, zodat de algemene schulddoelstelling van het land wordt gehaald en de kosten van de schuldendienst onder controle worden gehouden; e. e. begrotingstransparantie en -controle worden gewaarborgd; f. f. het operationele kader voor interne controle definieert verantwoordelijkheden en bevoegdheden en wordt door de begrotingsinstellingen uitgevoerd in overeenstemming met het algemene beleid inzake interne controle; g. g. het operationele kader voor interne audit is in overeenstemming met de internationale normen en wordt consequent toegepast door de overheidsinstellingen; h. h. de regelgeving inzake overheidsopdrachten is in overeenstemming met de internationaal erkende beginselen van zuinigheid, efficiëntie, transparantie, openheid en verantwoordingsplicht, en er is een centrale institutionele en bestuurlijke capaciteit om het aanbestedingsbeleid doeltreffend en efficiënt te ontwikkelen, uit te voeren en te monitoren; i. i. het stelsel van rechtsmiddelen is in overeenstemming met de toepasselijke overeenkomsten en internationale regelgeving, met internationaal erkende goede praktijken op het gebied van onafhankelijkheid, eerlijkheid en transparantie, en voorziet in een snelle en competente behandeling van klachten en sancties; j. j. de uitvoering van overheidsopdrachten voldoet aan de basisbeginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie, evenredigheid en transparantie, en zorgt voor een zo efficiënt mogelijk gebruik van overheidsmiddelen, en de aanbestedende diensten beschikken over passende capaciteiten en gebruiken moderne aanbestedingstechnieken; k. k. de onafhankelijkheid, het mandaat en de organisatie van de hoge controle-instantie worden vastgesteld en beschermd door het constitutionele en wettelijke kader en worden in de praktijk geëerbiedigd; l. l. de hoge controle-instantie past op neutrale en objectieve wijze normen toe om te zorgen voor kwalitatief hoogwaardige audits die een positief effect hebben op het bestuur en de werking van de overheidssector.

Artikel 251

De Partijen erkennen de beginselen van goed bestuur op fiscaal gebied, waaronder de mondiale normen inzake transparantie en uitwisseling van informatie, billijke belastingheffing en de minimumnormen tegen grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS), en passen deze toe. De Partijen bevorderen goed bestuur in belastingzaken, versterken de internationale samenwerking op fiscaal gebied en faciliteren de inning van rechtmatige belastinginkomsten.

Artikel 252

1. De Partijen bevorderen de harmonisatie van statistische methoden en praktijken, met inbegrip van het verzamelen en verspreiden van statistieken door middel van een duurzaam, efficiënt en professioneel onafhankelijk nationaal statistisch systeem.

2. De samenwerking op het gebied van statistiek is gericht op de uitwisseling van kennis, de bevordering van goede praktijken en de eerbiediging van de grondbeginselen van de officiële statistiek die zijn aangenomen bij Resolutie 68/261 van de Algemene Vergadering van de VN van 29 januari 2014 en, in voorkomend geval, de herziene Praktijkcode Europese statistieken die op 16 november 2017 door het Comité voor het Europees statistisch systeem is goedgekeurd, met inbegrip van de daaropvolgende wijzigingen.

3. De Partijen wisselen beste praktijken uit op het gebied van opleiding en capaciteitsopbouw op alle gebieden van de statistiek.

Artikel 253

1. De Partijen werken samen op het gebied van energie met de doelstelling het gebruik van hernieuwbare energiebronnen, energie-efficiëntie en energiezekerheid te bevorderen.

2. Deze samenwerking wordt gebaseerd op een breed partnerschap en wordt geleid door wederzijds belang, wederkerigheid, transparantie en voorspelbaarheid, in overeenstemming met de beginselen van de markteconomie en het te Lissabon of 17 december 1994 tot stand gekomen Energiehandvestverdrag.

3. Deze samenwerking is ook gericht op het bevorderen van regionale samenwerking op energiegebied, met bijzondere aandacht voor de integratie van de Centraal-Aziatische landen onderling en in internationale markten en corridors.

Artikel 254

De samenwerking in de energiesector heeft onder meer betrekking op de volgende gebieden:

a. a. het bevorderen van hernieuwbare energiebronnen, energie-efficiëntie en energiezekerheid, en met name de betrouwbaarheid, veiligheid en duurzaamheid van de energievoorziening, door het stimuleren van regionale samenwerking op energiegebied, met inbegrip van de totstandbrenging van regionale energiemarkten en het faciliteren van intra- en interregionale energiehandel en -uitwisseling; b. b. het uitvoeren van energiestrategieën en energiebeleid, de bespreking van vooruitzichten en scenarios, onder andere met betrekking tot de situatie op de wereldmarkt voor energieproducten, alsmede de verbetering van het statistische registratiesysteem in de energiesector; c. c. het scheppen van een aantrekkelijk en stabiel investeringsklimaat en het aanmoedigen van wederzijdse investeringen op niet-discriminerende basis in de energiesector; d. d. uitwisselingen met de Europese Investeringsbank, de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling en andere relevante internationale financiële instellingen en instrumenten op energiegebied; e. e. wetenschappelijke en technische uitwisselingen voor de ontwikkeling van energietechnologieën, met bijzondere aandacht voor energie-efficiënte en milieuvriendelijke technologieën; f. f. samenwerking in het kader van multilaterale energiefora, -initiatieven en -instanties; g. g. de uitwisseling van kennis en ervaringen en overdracht van technologie op het gebied van innovatie, onder andere met betrekking tot management en energietechnologieën.

Artikel 255

De samenwerking zal worden voortgezet, door onder meer:

a. a. hernieuwbare energiebronnen op economisch en ecologisch verantwoorde wijze te ontwikkelen, waaronder samenwerking inzake regelgeving, certificering en normalisatie en technologische ontwikkeling; b. b. uitwisselingen en samenwerking op onderzoeksgebied tussen instellingen, laboratoria en entiteiten uit de particuliere sector van de Europese Unie en de Kirgizische Republiek te faciliteren, onder meer door middel van gezamenlijke programmas, met het oog op de toepassing van beste praktijken voor het creëren van de energie van de toekomst en de groene economie; c. c. het organiseren van gezamenlijke seminars, conferenties, opleidingsprogrammas en regelmatige uitwisseling van informatie en open statistische data, alsmede van informatie over de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen.

Artikel 256

De samenwerking ter bevordering van energie-efficiëntie en -besparing, onder andere in de steenkoolsector en met betrekking tot het affakkelen van gas (en het gebruik van geassocieerd gas), in gebouwen, apparatuur en vervoer, wordt onder andere nagestreefd door middel van:

a. a. uitwisseling van informatie over beleid, wet- en regelgeving en actieplannen inzake energie-efficiëntie; b. b. het faciliteren van de uitwisseling van ervaringen en kennis op het gebied van energie-efficiëntie en energiebesparing; c. c. het opzetten en uitvoeren van projecten, waaronder demonstratieprojecten, voor de introductie van innovatieve technologieën en oplossingen met betrekking tot energie-efficiëntie en energiebesparing; d. d. opleidingsprogrammas en -cursussen op het gebied van energiezuinigheid met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst.

Artikel 257

De Partijen werken samen op het gebied van vervoer met de volgende doelstellingen:

a. a. het bevorderen van complementariteit tussen hun vervoersectoren; b. b. het verbeteren van de duurzame regionale en internationale connectiviteit van hun vervoernetwerken; c. c. het bevorderen van efficiënt, veilig en betrouwbaar vervoer; d. d. het ontwikkelen van duurzame vervoersystemen, met inbegrip van de sociale en milieuaspecten daarvan, met name met betrekking tot klimaatverandering.

Artikel 258

De samenwerking op het gebied van vervoer heeft onder meer betrekking op:

a. a. de uitwisseling van de beste praktijken met betrekking tot vervoerbeleid; b. b. de verbetering van het verkeer van personen en goederen, de toename van de doorstroming van het vervoer door het wegnemen van administratieve, technische en andere belemmeringen, en het nastreven van een nauwere marktintegratie; c. c. de verbetering van de vervoerinfrastructuur en bevordering van interoperabiliteit langs vervoercorridors; d. d. de uitwisseling van informatie, gezamenlijke activiteiten op regionaal en internationaal niveau en de uitvoering van toepasselijke internationale overeenkomsten en verdragen; e. e. de verbetering van de veiligheid van het vervoer en de bescherming van het milieu; f. f. de uitwisseling van ervaringen met groene technologieën voor vervoersystemen, met inbegrip van de introductie van milieuvriendelijk vervoer; g. g. interactie op het gebied van het luchtvervoer.

Artikel 259

De Partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking inzake milieuaangelegenheden en dragen zo bij tot duurzame ontwikkeling en goed bestuur op het gebied van milieubescherming en rampenrisicovermindering.

Artikel 260

1.

De samenwerking op milieugebied moet gericht zijn op behoud, bescherming, verbetering en herstel van de kwaliteit van het milieu, bescherming van de menselijke gezondheid, duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en bevordering van maatregelen op internationaal niveau voor het aanpakken van regionale of mondiale milieuproblemen, onder andere op het gebied van:

a. a. goed bestuur op milieugebied en horizontale kwesties, onder meer strategische planning, milieueffectbeoordeling en strategische effectbeoordeling, onderwijs en opleiding, systemen voor toezicht en milieu-informatie, inspectie en handhaving, milieu-aansprakelijkheid, bestrijding van milieumisdrijven, publieke toegang tot milieu-informatie, besluitvormingsprocedures en doeltreffende administratieve en gerechtelijke herzieningsprocedures; b. b. luchtkwaliteit; c. c. waterkwaliteit en waterbeheer, met inbegrip van verbetering van het systeem voor de monitoring van waterverontreiniging; d. d. hulpbronnen- en afvalbeheer, met inbegrip van gevaarlijk afval; e. e. hulpbronnenefficiëntie, groene en circulaire economie; f. f. natuurbescherming, met inbegrip van bosbouw en behoud van biodiversiteit; g. g. industriële verontreiniging en industriële risicos; h. h. beheer van chemicaliën; i. i. rampenrisicovermindering.

2. De samenwerking is ook gericht op de integratie van het milieu in ander sectoraal beleid dan het milieubeleid, teneinde bij te dragen aan de uitvoering van Agenda 2030.

Artikel 261

De Partijen wisselen ervaringen uit over de integratie van milieu in andere sectoren, door op de in dit hoofdstuk bedoelde gebieden goede praktijken uit te wisselen, kennis en bekwaamheden te bevorderen en de opleiding en bewustmaking op het gebied van milieu te verbeteren.

Artikel 262

De Partijen wisselen informatie en deskundigheid uit en intensiveren de samenwerking op milieugebied op regionaal en internationaal niveau en bij de uitvoering van multilaterale milieuovereenkomsten die door de Partijen zijn geratificeerd.

Artikel 263

De Partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking voor de bestrijding van en aanpassing aan de klimaatverandering. De Partijen werken samen en houden rekening met hun beider belang op basis van gelijkheid en wederzijds voordeel, alsook met hun onderlinge afhankelijkheid tussen bilaterale en multilaterale verbintenissen op dat gebied.

Artikel 264

Met de samenwerking worden maatregelen bevorderd op binnenlands, regionaal en internationaal niveau, onder meer inzake:

a. a. matiging van de klimaatverandering; b. b. aanpassing aan de klimaatverandering; c. c. markt- en niet-marktmechanismen voor de aanpak van de klimaatverandering; d. d. de bevordering van nieuwe, innovatieve, veilige en duurzame koolstofarme en aanpassingstechnologieën; e. e. de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering, zodra deze door de Partijen is geratificeerd; f. f. de geleidelijke opname van klimaataspecten in het algemene en sectorale beleid; g. g. bewustmaking, onderwijs en opleiding.

Artikel 265

1.

De Partijen zorgen voor onder meer het volgende:

a. a. de uitwisseling van informatie en deskundigheid; b. b. de uitvoering van gezamenlijke onderzoeksactiviteiten en uitwisseling van informatie over schonere en milieuvriendelijkere technologieën; c. c. de uitvoering van gezamenlijke activiteiten op regionaal en internationaal niveau, onder meer met betrekking tot multilaterale milieuovereenkomsten die door de Partijen zijn geratificeerd, zoals het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering van 9 mei 1992 te New York en de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering.

2.

De samenwerking op het gebied van klimaatverandering heeft onder meer betrekking op:

a. a. maatregelen ter vergroting van de capaciteit om doeltreffende klimaatactie te ondernemen; b. b. de uitvoering van een klimaatstrategie en een actieplan voor de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering op lange termijn, met inbegrip van de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen; c. c. de ontwikkeling van kwetsbaarheids- en aanpassingsevaluaties; d. d. maatregelen ter bevordering van technologie-overdrachten; e. e. maatregelen inzake de ozonlaag afbrekende stoffen en gefluoreerde broeikasgassen.

3. De Partijen bevorderen de regionale samenwerking op het gebied van de klimaatverandering.

Artikel 266

De Partijen streven ernaar hun samenwerking inzake het industrie- en ondernemingsbeleid te ontwikkelen en te versterken en verbeteren zo het ondernemingsklimaat voor alle marktdeelnemers, met bijzondere nadruk op kleine en middelgrote ondernemingen.

Artikel 267

De samenwerking op het gebied van het industrie- en ondernemingsbeleid omvat onder meer:

a. a. de uitwisseling van informatie en beste praktijken ter ondersteuning van het ondernemerschaps- en ontwikkelingsbeleid voor kleine en middelgrote ondernemingen; b. b. de uitwisseling van informatie en beste praktijken inzake productiviteit en efficiëntie van het hulpbronnengebruik, met inbegrip van vermindering van het energieverbruik en schonere productie; c. c. de uitwisseling van informatie en beste praktijken om de rol van het bedrijfsleven en de industrie bij duurzame ontwikkeling en de eerbiediging van de rechten van de mens te versterken; d. d. overheidssteun voor industriële sectoren, op basis van de WTO-vereisten en andere internationale regels die van toepassing zijn op de Partijen; e. e. de aanmoediging van de ontwikkeling van een innovatiebeleid door middel van uitwisseling van informatie en beste praktijken over de commercialisering van de resultaten van onderzoek en ontwikkeling (waaronder instrumenten ter ondersteuning van startende technologiebedrijven), ontwikkeling van clusters en toegang tot financiering; f. f. het stimuleren van bedrijfsinitiatieven en industriële samenwerking tussen ondernemingen uit de Europese Unie en de Kirgizische Republiek; g. g. de bevordering van een bedrijfsvriendelijker klimaat, met het oog op een groter groeipotentieel, meer handel en meer investeringsmogelijkheden.

Artikel 268

De Partijen erkennen dat voor een goed functionerende markteconomie met een voorspelbaar en transparant ondernemingsklimaat doeltreffende voorschriften en werkwijzen op het gebied van vennootschapsrecht en corporate governance noodzakelijk zijn, alsook op het gebied van boekhouding en boekhoudkundige controle, en benadrukken het belang van convergentie van de regelgeving op dit gebied.

Artikel 269

De Partijen werken samen inzake het volgende:

a. a. de uitwisseling van beste praktijken die ervoor zorgen dat informatie over de organisatie en vertegenwoordiging van geregistreerde ondernemingen beschikbaar is en kan worden geraadpleegd op een transparante en makkelijk toegankelijke manier; b. b. verdere ontwikkeling van het beleid voor corporate governance, in overeenstemming met de internationale normen, met name die van de OESO; c. c. de verdere uitvoering en consistente toepassing van de internationale standaarden voor financiële verslaglegging die zijn ontwikkeld door de International Accounting Standards Board voor de geconsolideerde jaarrekening van beursgenoteerde ondernemingen; d. d. onderlinge aanpassing van de boekhoudregels en de financiële verslaglegging, ook met betrekking tot kleine en middelgrote ondernemingen; e. e. de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken op het gebied van regulering van en toezicht op audit- en boekhoudactiviteiten; f. f. de toepassing van internationale controlenormen en de gedragscode van de Internationale Federatie van Accountants; de samenwerking op dit gebied heeft tot doel het professionele niveau van auditors te verhogen door beroepsorganisaties, auditorganisaties en auditors de normen en gedragscodes te doen volgen.

Artikel 270

1.

De Partijen zijn het eens over het belang van doeltreffende wetgeving en werkwijzen en werken samen op het gebied van financiële diensten en markten, met het oog op:

a. a. verbetering van de regulering van financiële diensten en markten; b. b. passende en doeltreffende bescherming van investeerders en consumenten van financiële diensten; c. c. bevordering van de stabiliteit en de integriteit van de financiële markten; d. d. bevordering van de samenwerking tussen de verschillende actoren van de financiële markten, waaronder regulerende en toezichthoudende instanties; e. e. bevordering van onafhankelijk en doeltreffend toezicht.

2. De Partijen streven ernaar de regelgeving af te stemmen op de erkende internationale normen voor gezonde financiële markten.

Artikel 271

De Partijen bevorderen de samenwerking op het gebied van de ontwikkeling van de digitale economie en samenleving, met inbegrip van de bijbehorende infrastructuur en governance ten behoeve van burgers en bedrijven door de brede beschikbaarheid van informatie- en communicatietechnologieën (hierna „ICT” genoemd) en door een betere kwaliteit van elektronische diensten tegen betaalbare prijzen, met name op het gebied van handel, gezondheid en onderwijs, alsmede overheid en bestuur in het algemeen. Met deze samenwerking wordt gestreefd naar de ontwikkeling van de concurrentie in en de openheid van de ICT-markten en naar meer investeringen in de sector.

Artikel 272

De samenwerking op het gebied van de digitale economie en samenleving heeft onder meer betrekking op:

a. a. de uitwisseling van informatie en beste praktijken over de uitvoering van nationale digitale strategieën, met inbegrip van initiatieven ter bevordering van breedbandtoegang, verbetering van de regels voor grensoverschrijdende gegevensoverdracht en netwerkbeveiliging en de ontwikkeling van openbare onlinediensten (e-overheid); b. b. de uitwisseling van informatie, beste praktijken en ervaringen ter bevordering van de ontwikkeling van een omvattend regelgevingskader voor elektronische communicatie, met inbegrip van de rol van een nationale regulerende instantie, ter bevordering van een beter gebruik van spectrummiddelen en van de interoperabiliteit van de elektronische communicatie-infrastructuur in de Europese Unie en de Kirgizische Republiek.

Artikel 273

De Partijen bevorderen de samenwerking tussen regulerende instanties van de Europese Unie en het bevoegde overheidsorgaan van de Kirgizische Republiek op het gebied van informatie- en communicatietechnologie, met inbegrip van elektronische communicatie, voor zover van toepassing.

Artikel 274

De Partijen werken samen op het gebied van toerisme, met het oog op de ontwikkeling van een concurrerende en duurzame toerisme-industrie als motor van economische groei, emancipatie, werkgelegenheid en uitwisselingen in de toeristische sector.

Artikel 275

De samenwerking op het gebied van duurzaam toerisme is gebaseerd op de volgende beginselen:

a. a. respect voor de integriteit en de belangen van plaatselijke gemeenschappen, in het bijzonder in plattelandsgebieden; b. b. het belang van het behoud van het cultureel, historisch en natuurlijk erfgoed; en c. c. een positieve interactie tussen toerisme en milieubehoud.

Artikel 276

De samenwerking op het gebied van toerisme heeft onder meer betrekking op:

a. a. de uitwisseling van informatie over statistieken op het gebied van toerisme, innovatieve technologieën, bedrijfspraktijken en nieuwe marktbehoeften; b. b. de bevordering van modellen voor de ontwikkeling van duurzaam en verantwoord toerisme en de uitwisseling van beste praktijken, ervaringen en kennis; c. c. de uitwisseling van informatie en beste praktijken op het gebied van opleiding en ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van toerisme; d. d. de aanmoediging van meer contacten tussen belanghebbenden van de overheid, de particuliere sector en de gemeenschappen uit de lidstaten van de Europese Unie en de Kirgizische Republiek.

Artikel 277

De samenwerking tussen de Partijen op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling heeft onder meer betrekking op:

a. a. het vergroten van het wederzijds begrip van het beleid inzake landbouw en plattelandsontwikkeling; b. b. de uitwisseling van beste praktijken ter versterking van de bestuurlijke capaciteit op centraal en lokaal niveau bij de planning, evaluatie en uitvoering van het beleid inzake landbouw- en plattelandsontwikkeling; c. c. het bevorderen van de modernisering en de duurzame ontwikkeling van de landbouwproductie; d. d. het delen van kennis en beste praktijken in verband met het beleid inzake plattelandsontwikkeling, ter bevordering van het sociale en economische welzijn van plattelandsbewoners; e. e. het verbeteren van de concurrentiepositie van de landbouwsector, met inbegrip van de ontwikkeling van landbouwcoöperaties, en van de efficiëntie en transparantie van de markten; f. f. de uitwisseling van ervaringen met de uitvoering van kwaliteitsbeleid, met inbegrip van geografische aanduidingen, en controlemechanismen, voedselveiligheid en de ontwikkeling van biologische landbouw; g. g. het bevorderen van de verspreiding van kennis en het verlenen van voorlichtingsdiensten aan landbouwproducenten; h. h. de uitwisseling van ervaring in verband met het beleid inzake duurzame ontwikkeling van de agro-industrie en de verwerking en distributie van landbouwproducten; i. i. het bevorderen van de samenwerking bij projecten voor agro-industriële investeringen en innovaties, met name op het gebied van veeteelt en gewasontwikkeling.

Artikel 278

De Partijen werken samen om de ontwikkeling van de landbouw en het platteland te bevorderen, met name door de uitwisseling van kennis en beste praktijken en de geleidelijke convergentie van beleid en wetgeving op de gebieden die voor de Partijen van belang zijn.

Artikel 279

De Partijen ontwikkelen en versterken hun samenwerking inzake de mijnbouw en de productie van grondstoffen om wederzijds begrip te bevorderen, het ondernemingsklimaat te verbeteren en informatie-uitwisseling en samenwerking inzake niet energie-gerelateerde kwesties te bevorderen, in het bijzonder wat betreft de winning van metaalertsen en industriële mineralen.

Artikel 280

De samenwerking op het gebied van mijnbouw en grondstoffen heeft onder meer betrekking op:

a. a. de uitwisseling van informatie over ontwikkelingen in de respectieve mijnbouw- en grondstoffensectoren van de Partijen; b. b. de uitwisseling van informatie over kwesties in verband met grondstoffen met het oog op de bevordering van bilaterale uitwisselingen; c. c. de uitwisseling van informatie en beste praktijken met betrekking tot de duurzame ontwikkeling van de mijnbouwsector, met inbegrip van de toepassing van schone technologieën in de mijnbouwprocessen; d. d. de uitwisseling van informatie en beste praktijken in verband met gezondheid en veiligheid in de mijnbouw; e. e. de uitwisseling van informatie en beste praktijken in verband met capaciteitsopbouw en opleiding in de mijnbouw; f. f. de ontwikkeling van gezamenlijke wetenschappelijke en technologische initiatieven.

Artikel 281

De Partijen bevorderen samenwerking:

a. a. op alle terreinen van wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling op civiel gebied, op basis van wederzijds voordeel en met passende en doeltreffende bescherming van intellectuele-eigendomsrechten; en b. b. voor het stimuleren van innovatie.

Artikel 282

De samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie heeft onder meer betrekking op:

a. a. de beleidsdialoog en de uitwisseling van wetenschappelijke en technologische informatie; b. b. de uitwisseling van informatie en beste praktijken met betrekking tot innovatie en de commercialisering van onderzoek en ontwikkeling, onder meer wat betreft instrumenten ter ondersteuning van startende technologiebedrijven, de ontwikkeling van clusters en toegang tot financiering; c. c. het faciliteren van de toegang tot de respectieve onderzoeks- en innovatieprogrammas van de Partijen; d. d. het bevorderen van de onderzoekscapaciteit van onderzoeksinstellingen van de Kirgizische Republiek en het faciliteren van hun deelname aan het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie van de Europese Unie en aan andere mogelijke initiatieven die door de Europese Unie worden gefinancierd; e. e. het ontwikkelen en bevorderen van gezamenlijke projecten voor onderzoek en innovatie; f. f. het bevorderen van de commercialisering van resultaten van gezamenlijke onderzoeks- en innovatieprojecten; g. g. het faciliteren van de toegang van nieuwe technologie tot de thuismarkten van de Partijen; h. h. de organisatie van opleidingsactiviteiten en mobiliteitsprogrammas voor wetenschappers, onderzoekers en ander personeel dat betrokken is bij onderzoeks- en innovatieactiviteiten van de Partijen; i. i. het faciliteren, in het kader van de geldende wetgeving, van het vrije verkeer van onderzoekspersoneel dat deelneemt aan door deze Overeenkomst bestreken activiteiten en het grensoverschrijdende verkeer van goederen die voor dergelijke activiteiten worden gebruikt; j. j. andere vormen van samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie, onder meer via regionale benaderingen en initiatieven, op basis van wederzijdse overeenstemming.

Artikel 283

Bij de uitvoering van de in artikel 282 bedoelde samenwerkingsactiviteiten moet worden gestreefd naar synergie met activiteiten die worden gefinancierd door het Internationaal Centrum voor Wetenschap en Technologie en andere activiteiten die worden uitgevoerd in het kader van de financiële samenwerking tussen de Europese Unie en de Kirgizische Republiek als bedoeld in artikel 304.

Titel VI. ANDERE SAMENWERKINGSGEBIEDEN

Artikel 284

De Partijen erkennen het belang van het waarborgen van een hoog niveau van consumentenbescherming en streven daartoe naar samenwerking op het gebied van consumentenbeleid. De Partijen komen overeen dat dergelijke samenwerking op dit gebied, voor zover mogelijk, betrekking heeft op:

a. a. de uitwisseling van informatie over hun respectieve kaders voor consumentenbescherming, onder meer over consumentenwetgeving, veiligheid van consumentenproducten, verhaalmogelijkheden voor consumenten, de handhaving en uitvoering van consumentenwetgeving en consumentenbewustzijn; b. b. het bevorderen van de oprichting van onafhankelijke consumentenorganisaties en contacten tussen vertegenwoordigers van consumenten.

Artikel 285

1. Rekening houdend met Agenda 2030 en de bijbehorende duurzameontwikkelingsdoel nr. 8, om voortdurende, inclusieve en duurzame economische groei, volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen te bevorderen, erkennen de Partijen dat volledige en productieve werkgelegenheid en fatsoenlijk werk voor iedereen essentiële elementen van duurzame ontwikkeling zijn.

2. De Partijen versterken hun dialoog en samenwerking ter bevordering van de IAO-agenda voor waardig werk, het werkgelegenheidsbeleid, levens- en arbeidsomstandigheden, gezondheid en veiligheid op het werk, de sociale dialoog, sociale bescherming, sociale inclusie, gendergelijkheid en discriminatiebestrijding, en dragen aldus bij aan de bevordering van meer en betere banen, armoedebestrijding, versterkte sociale samenhang, duurzame ontwikkeling en een betere levenskwaliteit.

3. De Partijen hebben als doel meer samenwerking op het gebied van waardig werk, werkgelegenheid en sociaal beleid binnen alle relevante fora en organisaties.

Artikel 286

1. De Partijen bevestigen opnieuw hun verbintenis om de toepasselijke IAO-verdragen die zij hebben geratificeerd, ten uitvoer te leggen en verdere ratificatie te bevorderen.

2. De Partijen moedigen, overeenkomstig de IAO-Verklaring inzake de fundamentele beginselen en rechten op het werk van 1998 en de IAO-Verklaring betreffende de sociale rechtvaardigheid voor een eerlijke mondialisering van 2008, de deelname aan van alle relevante belanghebbenden, met name de sociale partners, in de ontwikkeling van hun sociale beleid en in de samenwerking tussen de Europese Unie en de Kirgizische Republiek uit hoofde van deze Overeenkomst.

Artikel 287

De samenwerking op het gebied van werkgelegenheid, sociaal beleid en gelijke kansen, gebaseerd op de uitwisseling van informatie en beste praktijken, heeft onder meer betrekking op:

a. a. armoedebestrijding en grotere sociale samenhang; inclusieve arbeidsmarkten en de integratie van kwetsbare personen; b. b. het bevorderen van meer en betere banen met fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, met name om de informele economie en informele werkgelegenheid terug te dringen en de levensomstandigheden te verbeteren; c. c. het verbeteren van de arbeidsomstandigheden, met name de bescherming en handhaving van arbeidsrechten en het niveau van bescherming van de gezondheid en veiligheid op het werk; d. d. het bevorderen van gendergelijkheid door de deelname van vrouwen aan het sociale en economische leven te stimuleren en ervoor te zorgen dat mannen en vrouwen gelijke kansen hebben op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs, opleiding, economie, samenleving en besluitvorming; e. e. het wegwerken van alle vormen van discriminatie op de arbeidsmarkt en op sociaal vlak, overeenkomstig de verplichtingen van de Partijen uit hoofde van internationale normen en verdragen; f. f. het bevorderen van de mate van sociale bescherming voor iedereen en het moderniseren van de socialezekerheidsstelsels in termen van kwaliteit, toereikendheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid; g. g. het bevorderen van de deelname van de sociale partners en van de sociale dialoog, onder meer door de capaciteit van de sociale partners te versterken.

Artikel 288

1. De Partijen erkennen het belang van een verantwoord beheer van de toeleveringsketens door middel van verantwoord ondernemerschap en praktijken op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen en door het scheppen van een gunstig klimaat. De Partijen ondersteunen de verspreiding en het gebruik van relevante internationale instrumenten, zoals de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen die op 21 juni 1976 zijn aangenomen als onderdeel van de Verklaring inzake Internationale Investeringen en Multinationale Ondernemingen, de tripartiete beginselverklaring van de IAO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid, die op 16 november 1977 in Genève is aangenomen, het Global Compact van de VN dat op 26 juli 2000 in New York is gelanceerd, en de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten die door de VN-Mensenrechtenraad zijn bekrachtigd bij Resolutie 17/4 van 16 juni 2011.

2. De Partijen wisselen informatie en beste praktijken uit en werken in voorkomend geval onderling, regionaal en in internationale fora samen inzake door dit artikel bestreken kwesties.

Artikel 289

De Partijen ontwikkelen hun samenwerking op het gebied van volksgezondheid, om de bescherming van de menselijke gezondheid te verbeteren en de ongelijkheid op gezondheidsgebied te verminderen, overeenkomstig gemeenschappelijke waarden en beginselen inzake gezondheid, en als basisvoorwaarde voor duurzame ontwikkeling en economische groei.

Artikel 290

De samenwerking op het gebied van gezondheid heeft betrekking op de preventie en beheersing van overdraagbare en niet-overdraagbare ziekten, onder meer door de uitwisseling van gezondheidsinformatie, de bevordering van een beleid waarbij gezondheid in alle beleidsdomeinen wordt geïntegreerd, de samenwerking met internationale organisaties, met name de Wereldgezondheidsorganisatie (hierna „WHO” genoemd), en de bevordering van de uitvoering van internationale gezondheidsovereenkomsten, zoals het te Genève op 21 mei 2003 tot stand gekomen WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, en de Internationale Gezondheidsregeling die op 23 mei 2005 door de algemene vergadering van de Wereldgezondheidsorganisatie is aangenomen.

Artikel 291

1. De Partijen werken samen op het gebied van onderwijs en opleiding om de onderwijs- en opleidingsstelsels in de Kirgizische Republiek af te stemmen op die in de Europese Unie. De Partijen werken samen ter bevordering van een leven lang leren en moedigen samenwerking en transparantie aan op alle niveaus van onderwijs en opleiding.

2. Het doel van de samenwerking tussen de Partijen op het gebied van onderwijs en opleiding is het ondersteunen van het onderwijsbeleid op basis van Agenda 2030 en duurzameontwikkelingsdoel nr. 4, gericht op het waarborgen van inclusief en hoogwaardig onderwijs voor iedereen en het bevorderen van een leven lang leren.

Artikel 292

De samenwerking op het vlak van onderwijs en opleiding wordt onder meer op de volgende terreinen gericht:

a. a. de bevordering van een leven lang leren, dat essentieel is voor groei en werkgelegenheid en volledige deelname van de burger aan de maatschappij mogelijk maakt; b. b. de modernisering van het onderwijs en de opleidingssystemen, met inbegrip van opleidingsstelsels voor ambtenaren en een verbetering van de kwaliteit, de relevantie en de toegang tijdens de hele opleidingsloopbaan, vanaf de vroegschoolse educatie en opvang tot het hoger onderwijs; c. c. de bevordering van convergentie en gecoördineerde hervormingen in het hoger onderwijs; d. d. de versterking van de internationale academische samenwerking, meer deelname aan de samenwerkingsprogrammas van de Europese Unie en de verbetering van de mobiliteit van studenten, docenten en onderzoekers; e. e. de verdere ontwikkeling van het nationale kwalificatiekader om de transparantie en erkenning van kwalificaties en competenties te verbeteren; f. f. de verdere ontwikkeling van beroepsonderwijs en -opleiding, rekening houdend met de beste praktijken in de Europese Unie.

Artikel 293

De samenwerking op het gebied van jeugdbeleid ondersteunt Agenda 2030 en de uitvoering van de bijbehorende duurzameontwikkelingsdoelen.

Artikel 294

De Partijen:

a. a. versterken de samenwerking en uitwisselingen op het gebied van jeugdbeleid en niet-formeel onderwijs voor jongeren en jeugdwerkers; b. b. faciliteren de actieve deelname van alle jongeren aan het maatschappelijke leven; c. c. ondersteunen de mobiliteit van jongeren en jeugdwerkers ter bevordering van de interculturele dialoog en de verwerving van kennis, vaardigheden en bevoegdheden buiten de formele onderwijssystemen, ook door middel van vrijwilligerswerk; en d. d. bevorderen de samenwerking tussen jeugdorganisaties ter ondersteuning van het maatschappelijk middenveld.

Artikel 295

1. De Partijen bevorderen de culturele samenwerking overeenkomstig de beginselen die zijn vastgelegd in het Verdrag betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, dat op 20 oktober 2005 door de Algemene Conferentie van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (hierna „Unesco” genoemd) is aangenomen, teneinde de interculturele dialoog te stimuleren en culturele diversiteit, wederzijds begrip en kennis van hun respectieve culturen te bevorderen.

2. De Partijen nemen passende maatregelen om culturele uitwisselingen te bevorderen en gezamenlijke initiatieven op diverse culturele gebieden en de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van opleiding en capaciteitsopbouw voor kunstenaars en professionals en organisaties uit de cultuursector aan te moedigen.

3. De Partijen werken samen in het kader van multilaterale internationale verdragen en internationale organisaties, met inbegrip van Unesco, om de culturele diversiteit te ondersteunen en het culturele en historische erfgoed in stand te houden en te valoriseren.

Artikel 296

1. De Partijen werken samen op het gebied van media en audiovisueel beleid, met name door de uitwisseling van informatie en beste praktijken met betrekking tot media en audiovisueel beleid en opleiding voor journalisten en andere professionals op het gebied van media en film en op audiovisueel gebied.

2. De Partijen werken samen ter bevordering van de onafhankelijkheid en het professionalisme van de media, op basis van de normen in de toepasselijke internationale verdragen, waaronder de normen van de Unesco en de Raad van Europa, waar geschikt.

3. De Partijen werken samen op het gebied van media en audiovisueel beleid in internationale fora, zoals Unesco en de WTO.

Artikel 297

De Partijen werken samen op het gebied van sport en fysieke activiteiten om een gezonde levensstijl aan te moedigen, goed bestuur te bevorderen in het kader van zowel sociale als educatieve waarden, en bedreigingen voor sport zoals doping, wedstrijdvervalsing, racisme en geweld te bestrijden. De samenwerking op het gebied van sport en fysieke activiteiten omvat de uitwisseling van informatie en beste praktijken, specifieke kennis, en sportbeheer en -marketing.

Artikel 298

De Partijen bevorderen wederzijds begrip en bilaterale samenwerking op het gebied van het regionaal ontwikkelingsbeleid, met inbegrip van methoden om regionaal beleid en bestuur en partnerschap op verschillende niveaus te formuleren en uit te voeren, met bijzondere aandacht voor de ontwikkeling van kansarme gebieden en territoriale samenwerking, teneinde de levensomstandigheden te verbeteren, de economische, sociale en territoriale samenhang te bevorderen, en de uitwisseling van informatie en ervaringen tussen nationale, regionale en lokale overheden, sociaal-economische actoren en het maatschappelijk middenveld te stimuleren.

Artikel 299

De Partijen ondersteunen en versterken de betrokkenheid van lokale en regionale overheden bij regionale beleidssamenwerking en grensoverschrijdende samenwerking, teneinde wederzijds begrip en informatie-uitwisseling te bevorderen, maatregelen voor capaciteitsopbouw te ontwikkelen, de oprichting van relevante structuren en het wetgevingskader te stimuleren en grensoverschrijdende economische en zakelijke netwerken te versterken.

Artikel 300

De Partijen versterken en stimuleren de ontwikkeling van de grensoverschrijdende samenwerking op andere terreinen die onder deze Overeenkomst vallen, zoals handel, vervoer, energie, water, milieu, de klimaatverandering, communicatienetwerken, cultuur, onderwijs, onderzoek, toerisme en grensbeveiliging.

Artikel 301

De Partijen bevorderen duurzame connectiviteit in de regio Centraal-Azië en daarbuiten. Daartoe werken de Partijen samen op gebieden van gemeenschappelijk belang, teneinde connectiviteitsstrategieën en -initiatieven te bevorderen die economisch, budgettair, ecologisch en sociaal duurzaam zijn op de lange termijn en die overeenstemmen met internationaal overeengekomen regels en voorschriften.

Artikel 302

1. De Partijen zijn van mening dat een belangrijk aspect van de versterking van de banden tussen de Kirgizische Republiek en de Europese Unie een geleidelijke convergentie van de bestaande en toekomstige wetgeving van de Kirgizische Republiek met die van de Europese Unie is. De Kirgizische Republiek streeft ernaar haar wetgeving op onder deze Overeenkomst vallende overeengekomen gebieden geleidelijk in overeenstemming te brengen met die van de Europese Unie.

2. Deze samenwerking is onder meer gericht op de ontwikkeling van de bestuurlijke en institutionele capaciteit van de Kirgizische Republiek, voor zover dat nodig is voor de uitvoering van deze Overeenkomst en de noodzakelijke structurele hervormingen en aanpassing van de wetgeving, waar van toepassing.

Artikel 303

De Europese Unie streeft ernaar de Kirgizische Republiek technische bijstand te verlenen voor de uitvoering van de in artikel 302 bedoelde maatregelen, onder meer door middel van:

a. a. de uitwisseling van deskundigen; b. b. de verstrekking van tijdige informatie, in het bijzonder over relevante wetgeving; c. c. de organisatie van seminars; d. d. opleidingsactiviteiten, waaronder online.

Artikel 304

1. De Kirgizische Republiek kan voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst financiële steun krijgen van de Europese Unie in de vorm van subsidies of leningen, in voorkomend geval in samenwerking met de Europese Investeringsbank en andere internationale financiële instellingen. De Kirgizische Republiek kan ook technische bijstand ontvangen.

2. Financiële steun kan worden verleend overeenkomstig de relevante financieringsinstrumenten van de Europese Unie met betrekking tot het externe optreden. Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad32)Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB EU L 193 van 30.7.2018, blz. 1). is van toepassing op financiële bijstand van de Europese Unie.

3. De financiële steun wordt gebaseerd op jaarlijkse actieprogrammas die na overleg met de Kirgizische Republiek door de Europese Unie worden opgesteld.

4. De Europese Unie en de Kirgizische Republiek kunnen programmas en projecten medefinancieren. De Partijen coördineren programmas en projecten inzake financiële en technische samenwerking en wisselen informatie uit over alle bronnen van steun.

5. De verlening van financiële steun van de Europese Unie aan de Kirgizische Republiek berust op de beginselen van doeltreffendheid van de hulp, zoals vastgelegd in de verklaring van Parijs van de OESO van 2 maart 2005 over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp, de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling die op 7 juni 2017 door de Europese Unie en haar lidstaten is ondertekend, de verslagen van de Europese Rekenkamer en de lessen die zijn getrokken uit de uitgevoerde en nog lopende samenwerkingsprogrammas van de Europese Unie in de Kirgizische Republiek.

Artikel 305

1. De Partijen voeren de financiële steun uit volgens de beginselen van goed financieel beheer en werken samen om de financiële belangen van de Europese Unie en van de Kirgizische Republiek te beschermen. De Partijen nemen doeltreffende maatregelen ter voorkoming en bestrijding van fraude, corruptie en andere illegale activiteiten die de financiële belangen van de Europese Unie en de Kirgizische Republiek schaden.

2. Onverminderd de rechtstreekse toepassing van artikel 308 wordt in verdere overeenkomsten of financieringsinstrumenten die tijdens de uitvoering van deze Overeenkomst tussen de Partijen worden gesloten, specifieke bepalingen inzake financiële samenwerking opgenomen die betrekking hebben op controles ter plaatse, inspecties, controles en fraudebestrijdingsmaatregelen, waaronder die welke worden uitgevoerd door de Europese Rekenkamer en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (hierna „OLAF” genoemd).

Artikel 306

Om de beschikbare middelen efficiënt te benutten, verbinden de Partijen zich ertoe ervoor te zorgen dat de bijdragen van de Europese Unie nauw worden gecoördineerd met de bijdragen van andere bronnen, derde landen en internationale financiële instellingen. Daartoe wisselen de Partijen regelmatig informatie uit over alle bronnen van bijstand. De door de Europese Unie verleende bijstand kan door de Kirgizische Republiek worden medegefinancierd.

Artikel 307

1. Wanneer de Kirgizische Republiek belast is met de uitvoering van de middelen van de Europese Unie (hierna „EU-middelen” genoemd) of begunstigde is van EU-middelen onder rechtstreeks beheer van de Europese Unie, nemen de autoriteiten van de Kirgizische Republiek alle passende maatregelen om onregelmatigheden, fraude, corruptie en andere illegale activiteiten ten nadele van de EU-middelen en, in voorkomend geval, de medefinanciering van de Kirgizische Republiek te voorkomen. Daartoe wisselen de Europese Commissie en de autoriteiten van de Kirgizische Republiek desgevraagd relevante informatie uit.

2. De autoriteiten van de Kirgizische Republiek verstrekken de Europese Unie informatie waarvan zij kennis hebben gekregen over vermoedelijke of feitelijke gevallen van fraude, corruptie, belangenconflicten of andere onregelmatigheden in verband met EU-middelen. Evenzo verstrekt de Europese Unie aan de autoriteiten van de Kirgizische Republiek informatie die verband houdt met de medefinancieringsmiddelen van de Kirgizische Republiek.

Artikel 308

1. In het kader van deze Overeenkomst is OLAF gemachtigd controles en inspecties ter plaatse uit te voeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad33)Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB EU L 248 van 18.9.2013, blz. 1). en de Verordeningen (Euratom, EG) nr. 2185/9634)Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB EG L 292 van 15.11.1996, blz. 2). en (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad35)Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB EG L 312 van 23.12.1995, blz. 1)..

2. Controles en inspecties ter plaatse worden voorbereid en uitgevoerd door OLAF in nauwe samenwerking met de bevoegde instanties van de Kirgizische Republiek. Functionarissen van de bevoegde autoriteiten van de Kirgizische Republiek kunnen aan de controles en inspecties ter plaatse deelnemen.

3. Wanneer een marktdeelnemer zich verzet tegen een controle of inspectie ter plaatse, verlenen de autoriteiten van de Kirgizische Republiek OLAF de nodige bijstand om de aan OLAF opgedragen controles en inspecties ter plaatse tot een goed einde te kunnen brengen.

4. De bevoegde instanties van de Kirgizische Republiek wisselen op verzoek met OLAF informatie uit die relevant kan zijn voor de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie.

5. Voor de doorgifte en verwerking van persoonsgegevens gelden de gegevensbeschermingsregels van de overdragende partij.

6. OLAF kan met de bevoegde instanties van de Kirgizische Republiek verdere samenwerking op het gebied van fraudebestrijding overeenkomen, met inbegrip van het treffen van administratieve regelingen.

Artikel 309

De bevoegde autoriteiten van de Kirgizische Republiek zorgen ervoor dat vermoede en feitelijke gevallen van fraude, corruptie en andere illegale activiteiten die schade berokkenen aan de financiën van de Unie, worden onderzocht en vervolgd. In voorkomend geval kan OLAF de bevoegde instanties van de Kirgizische Republiek bijstaan bij het vervullen van deze opdracht.

Titel VII. INSTITUTIONELE, ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 310

1. Er wordt een Samenwerkingsraad ingesteld, die toezicht houdt op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst en de uitvoering daarvan. Hij behandelt alle belangrijke vraagstukken die zich in het kader van deze Overeenkomst voordoen, en alle andere, bilaterale of internationale vraagstukken van gemeenschappelijk belang.

2. De Samenwerkingsraad komt op gezette tijden bijeen, normaliter eenmaal per jaar.

3. De Samenwerkingsraad bestaat uit vertegenwoordigers van de Partijen op ministerieel niveau. De Samenwerkingsraad komt bijeen in de noodzakelijke samenstelling, die in onderling overleg wordt bepaald.

4. De Samenwerkingsraad stelt zijn reglement van orde en het reglement van orde van het Samenwerkingscomité vast.

5. De Samenwerkingsraad wordt beurtelings voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Europese Unie en een vertegenwoordiger van de Kirgizische Republiek.

6. De Samenwerkingsraad is bevoegd besluiten te nemen en passende aanbevelingen te doen zoals bepaald in deze Overeenkomst. Binnen het toepassingsgebied van de titels I, II, III, V, en VI heeft de Samenwerkingsraad tevens de bevoegdheid besluiten te nemen en aanbevelingen te doen in onderling overleg tussen de Partijen. Die besluiten zijn bindend voor de Partijen. De Samenwerkingsraad neemt besluiten en doet aanbevelingen na voltooiing van de respectieve interne procedures van de Partijen, zoals bepaald in hun wetgeving.

7. De Samenwerkingsraad mag elk van zijn bevoegdheden aan het Samenwerkingscomité delegeren.

Artikel 311

1. Er wordt een Samenwerkingscomité ingesteld dat de Samenwerkingsraad bijstaat bij de uitvoering van zijn taken.

2. Het Samenwerkingscomité wordt beurtelings voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Europese Unie en een vertegenwoordiger van de Kirgizische Republiek.

3. Het Samenwerkingscomité bestaat uit vertegenwoordigers van de Partijen op het niveau van hoge ambtenaren.

4. Het Samenwerkingscomité komt eenmaal per jaar of in onderling overleg bijeen op een datum en met een agenda die vooraf door de Partijen zijn overeengekomen, afwisselend in Brussel en Bisjkek. Bij onderling akkoord kunnen er op verzoek van een van de Partijen speciale vergaderingen worden bijeengeroepen.

5. Het Samenwerkingscomité kan in een specifieke samenstelling bijeenkomen om alle kwesties in verband met titel IV te bespreken. Wanneer het Samenwerkingscomité kwesties in verband met titel IV behandelt, bestaat het uit vertegenwoordigers van elk van de Partijen met verantwoordelijkheid op het gebied van handel.

6. Het Samenwerkingscomité heeft de bevoegdheid besluiten te nemen in de gevallen waarin deze Overeenkomst voorziet, of in de gevallen waarin de Samenwerkingsraad die bevoegdheid aan het Samenwerkingscomité heeft gedelegeerd. Die besluiten zijn bindend voor de Partijen. Het Samenwerkingscomité neemt besluiten en doet aanbevelingen na voltooiing van de respectieve interne procedures van de Partijen, zoals bepaald in hun wetgeving. Bij de uitoefening van gedelegeerde bevoegdheden neemt het Samenwerkingscomité zijn besluiten overeenkomstig het reglement van orde van de Samenwerkingsraad.

Artikel 312

1. De Samenwerkingsraad kan subcomités of andere organen oprichten om bijstand te verlenen bij de uitvoering van zijn taken en om specifieke taken of onderwerpen te behandelen. Hij kan de aan een subcomité of ander orgaan toegewezen taken wijzigen of een subcomité of ander orgaan ontbinden.

2. De Samenwerkingsraad stelt de taakomschrijving van de subcomités vast.

3. Subcomités en andere organen brengen regelmatig of op verzoek verslag uit aan het Samenwerkingscomité over hun activiteiten.

4. Subcomités of andere organen komen bijeen op verzoek van een van de Partijen of van het Samenwerkingscomité, tenzij de Partijen anders overeenkomen.

5. De instelling of het bestaan van subcomités of andere organen belet niet dat een Partij een aangelegenheid rechtstreeks aan het Samenwerkingscomité voorlegt.

Artikel 313

1. Er wordt een Parlementair Samenwerkingscomité opgericht. Het is een forum voor vergaderingen en gedachtewisselingen met het oog op de verdieping en versterking van de betrekkingen tussen de Partijen.

2. Het Parlementair Samenwerkingscomité bestaat uit leden van het Europees Parlement en leden van het parlement (Jogorkoe Kenesj) van de Kirgizische Republiek.

3. Het Parlementair Samenwerkingscomité komt met zelf te bepalen tussenpozen bijeen.

4. Het Parlementair Samenwerkingscomité stelt zijn eigen reglement van orde vast.

5. Het voorzitterschap van het Parlementair Samenwerkingscomité wordt bij toerbeurt bekleed door een vertegenwoordiger van het Europees Parlement en een vertegenwoordiger van het parlement (Jogorkoe Kenesj) van de Kirgizische Republiek, overeenkomstig de in het reglement van orde vast te stellen bepalingen.

6. Het Parlementair Samenwerkingscomité wordt ingelicht over de besluiten en aanbevelingen van de Samenwerkingsraad.

7. Het Parlementair Samenwerkingscomité mag aanbevelingen doen aan de Samenwerkingsraad.

Artikel 314

Om het maatschappelijk middenveld te informeren en te raadplegen over de uitvoering van deze Overeenkomst, zoals bepaald in artikel 6, kunnen de Partijen daartoe een specifieke instantie oprichten volgens de procedure van artikel 312.

Artikel 315

1.

Deze Overeenkomst is van toepassing:

a. a. op het grondgebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn, onder de in die verdragen neergelegde voorwaarden; en b. b. op het grondgebied van de Kirgizische Republiek. Verwijzingen naar „grondgebied” in deze Overeenkomst worden in deze zin begrepen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

Verwijzingen naar „grondgebied” in deze Overeenkomst omvatten tevens het luchtruim en de territoriale wateren zoals bepaald in het te Montego Bay op 10 december 1982 tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee.

2. Wat de bepalingen van deze Overeenkomst inzake douanesamenwerking betreft, is deze Overeenkomst ten aanzien van de Europese Unie ook van toepassing op de gebieden van het douanegebied van de Unie als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad36)Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB EU L 269 van 10.10.2013, blz. 1). die niet onder lid 1, eerste alinea, punt a), van dit artikel vallen.

Artikel 316

1. De Partijen treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die nodig zijn om hun verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst na te komen.

2. Indien een van de Partijen van oordeel is dat de andere Partij een van de verplichtingen uit hoofde van titel IV niet is nagekomen, zijn de specifieke mechanismen van die titel van toepassing.

3. Indien een van de Partijen van oordeel is dat de andere Partij een van de verplichtingen die in de artikelen 2 en 11 als essentiële elementen van deze Overeenkomst zijn omschreven, niet is nagekomen, kan zij passende maatregelen treffen. Voor de toepassing van dit lid kunnen „passende maatregelen” de gehele of gedeeltelijke opschorting van deze Overeenkomst omvatten.

4. Indien een van de Partijen van oordeel is dat de andere Partij een van de verplichtingen van deze Overeenkomst, met uitzondering van die welke onder de leden 2 en 3 van dit hoofdstuk vallen, niet is nagekomen, stelt zij de andere Partij daarvan in kennis. De Partijen plegen onder auspiciën van de Samenwerkingsraad overleg om tot een voor beide Partijen aanvaardbare oplossing te komen. Als de Samenwerkingsraad er niet in slaagt een wederzijds aanvaardbare oplossing te vinden, kan de kennisgevende Partij passende maatregelen treffen. Voor de toepassing van dit lid kunnen „passende maatregelen” uitsluitend de opschorting van de titel I, II, III, V of VI, of van deze titel omvatten.

5. De in de leden 3 en 4 bedoelde passende maatregelen worden getroffen met volledige inachtneming van het internationaal recht en staan in verhouding tot de niet-nakoming van de verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst. Prioriteit moet worden gegeven aan die maatregelen die de werking van deze Overeenkomst het minst verstoren.

Artikel 317

Geen van de bepalingen van deze Overeenkomst kan zo worden uitgelegd dat:

a. a. een Partij verplicht wordt gegevens te verstrekken of toegang tot gegevens te bieden wanneer die Partij openbaarmaking van die gegevens in strijd acht met haar wezenlijke veiligheidsbelangen; of b. b. een Partij belet wordt maatregelen te treffen die die Partij nodig acht ter bescherming van haar wezenlijke veiligheidsbelangen en die

      i.
      verband houden met de productie van of de handel in wapens, munitie en oorlogstuig dan wel met dergelijke handel en transacties in andere goederen en materialen, diensten en technologie, en met economische activiteiten die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting ten doel hebben;
    
    
      ii.
      betrekking hebben op splijt- of fusiestoffen of op stoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd; of
    
    
      iii.
      worden getroffen ten tijde van oorlog of een andere noodsituatie in de internationale betrekkingen; of

i. i. verband houden met de productie van of de handel in wapens, munitie en oorlogstuig dan wel met dergelijke handel en transacties in andere goederen en materialen, diensten en technologie, en met economische activiteiten die direct of indirect de bevoorrading van een militaire inrichting ten doel hebben; ii. ii. betrekking hebben op splijt- of fusiestoffen of op stoffen waaruit deze kunnen worden vervaardigd; of iii. iii. worden getroffen ten tijde van oorlog of een andere noodsituatie in de internationale betrekkingen; of c. c. een Partij belet wordt maatregelen te treffen tot uitvoering van haar internationale verplichtingen uit hoofde van het Handvest van de VN met het oog op de handhaving van de internationale vrede en veiligheid.

Artikel 318

1. Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop de Partijen elkaar in kennis hebben gesteld van de voltooiing van hun respectieve, daartoe vereiste interne procedures.

2.

Onverminderd lid 1 kunnen de Partijen deze Overeenkomst geheel of gedeeltelijk voorlopig toepassen overeenkomstig hun respectieve interne procedures. De voorlopige toepassing vangt aan op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum waarop de Europese Unie en de Kirgizische Republiek elkaar in kennis hebben gesteld van het volgende:

a. a. voor de Europese Unie: dat de voor de voorlopige toepassing vereiste interne procedures zijn voltooid, onder vermelding van de delen van de Overeenkomst die op voorlopige basis worden toegepast; en b. b. voor de Kirgizische Republiek: dat de voor de voorlopige toepassing vereiste interne procedures zijn voltooid, onder bevestiging van de instemming met de delen van deze Overeenkomst die op voorlopige basis worden toegepast.

3. Elk van de Partijen kan de andere Partij schriftelijk in kennis stellen van haar voornemen om de voorlopige toepassing van deze Overeenkomst te beëindigen. De beëindiging treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op die kennisgeving.

4. Voor de voorlopige toepassing van deze Overeenkomst, wordt onder „inwerkingtreding van deze Overeenkomst” verstaan: de datum van voorlopige toepassing. De Samenwerkingsraad en andere uit hoofde van deze Overeenkomst opgerichte organen kunnen hun taken uitoefenen tijdens de voorlopige toepassing van deze Overeenkomst, voor zover deze taken noodzakelijk zijn om de voorlopige toepassing van deze Overeenkomst te waarborgen. Alle in de uitoefening van deze taken genomen besluiten houden op gevolgen te hebben wanneer de voorlopige toepassing van deze Overeenkomst wordt beëindigd overeenkomstig lid 3.

5. Indien een bepaling uit deze Overeenkomst in overeenstemming met lid 2 door de Partijen in afwachting van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst wordt toegepast, wordt elke verwijzing in die bepaling naar de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst beschouwd als verwijzing naar de datum met ingang waarvan de Partijen overeenkomen die bepaling overeenkomstig lid 2 op voorlopige basis toe te passen.

6. Kennisgevingen overeenkomstig dit artikel worden, wat de Europese Unie en haar lidstaten betreft, gericht aan de secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie en, wat de Kirgizische Republiek betreft, aan het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Artikel 319

1. De Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Kirgizische Republiek, anderzijds, dat op 9 februari 1995 te Brussel is ondertekend en op 1 juli 1999 in werking is getreden, wordt hierbij ingetrokken en vervangen door de onderhavige Overeenkomst.

2. Verwijzingen naar de in lid 1 bedoelde overeenkomst in alle andere overeenkomsten tussen de Partijen worden gelezen als verwijzingen naar deze Overeenkomst.

3. De Partijen kunnen deze Overeenkomst aanvullen door sluiting van specifieke overeenkomsten op alle samenwerkingsgebieden die binnen het toepassingsgebied van deze Overeenkomst vallen. Dergelijke specifieke overeenkomsten vormen een integrerend onderdeel van de algemene bilaterale betrekkingen zoals die worden geregeld bij deze Overeenkomst en maken deel uit van een bij deze Overeenkomst vastgesteld gemeenschappelijk institutioneel kader.

Artikel 320

De bijlagen, protocollen en voetnoten bij deze Overeenkomst vormen daarvan een integrerend onderdeel.

Artikel 321

1. De Europese Unie zal de Kirgizische Republiek in kennis stellen van elk verzoek om toetreding van een derde land tot de Europese Unie.

2. De Europese Unie stelt de Kirgizische Republiek in kennis van de inwerkingtreding van elk Verdrag betreffende de toetreding van een derde land tot de Europese Unie (hierna „het toetredingsverdrag” genoemd).

3. Een nieuwe lidstaat van de Europese Unie treedt toe tot deze Overeenkomst onder de door de Samenwerkingsraad vastgestelde voorwaarden. Tenzij in lid 4 anders is bepaald, wordt de toetreding van kracht op de datum van toetreding van de nieuwe lidstaat tot de Europese Unie en wordt deze Overeenkomst gewijzigd bij een besluit van de Samenwerkingsraad tot vaststelling van de toetredingsvoorwaarden.

4. Titel IV is van toepassing tussen de nieuwe lidstaat van de Europese Unie en de Kirgizische Republiek vanaf de datum van toetreding van die nieuwe lidstaat tot de Europese Unie.

5. Om de uitvoering van lid 4 van dit artikel te vergemakkelijken, onderzoekt het Samenwerkingscomité in zijn samenstelling voor handelsvraagstukken vanaf de datum van ondertekening van het toetredingsverdrag de gevolgen van de toetreding voor deze Overeenkomst. Het Samenwerkingscomité neemt een besluit over noodzakelijke technische wijzigingen van de bijlagen 8-A, 8-C en 9 bij deze Overeenkomst, en over andere noodzakelijke aanpassingen of overgangsmaatregelen. Elk besluit van het Samenwerkingscomité wordt van kracht op de datum van toetreding van de nieuwe lidstaat tot de Europese Unie.

Artikel 322

Geen van de bepalingen van deze Overeenkomst kan zo worden uitgelegd dat daaraan rechten kunnen worden ontleend of dat zij verplichtingen bevat voor personen, anders dan die welke tussen de Partijen in het leven zijn geroepen uit hoofde van internationaal publiekrecht, noch op zo een manier dat op deze Overeenkomst een rechtstreeks beroep kan worden gedaan in de interne rechtsorde van de Partijen.

Artikel 323

Deze Overeenkomst laat de toepassing van de relevante wetgeving van de Partijen met betrekking tot de publieke toegang tot documenten onverlet.

Artikel 324

Deze Overeenkomst is voor onbepaalde tijd geldig.

Artikel 325

Voor de toepassing van deze Overeenkomst, wordt onder „Partijen” verstaan: de Europese Unie, of haar lidstaten, of de Europese Unie en haar lidstaten, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden, enerzijds, en de Kirgizische Republiek, anderzijds,

Artikel 326

Elke Partij kan de andere Partij door middel van een schriftelijke kennisgeving langs diplomatieke weg in kennis stellen van haar voornemen deze Overeenkomst te beëindigen. De beëindiging wordt zes maanden na de datum van de kennisgeving van kracht.

Artikel 327

Deze Overeenkomst is opgesteld in twee exemplaren in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische, de Zweedse, de Kirgizische en de Russische taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.