rijk/wet/belastingplan-2026/BWBR0052094
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Belastingplan 2026 BWBR0052094 wet geldend 2026-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0052094 Belastingplan 2026

Belastingplan 2026

Artikel I

Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel II

Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel IIbis

Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel aIIa

Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel IIa

Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel IIb

Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel IIc

Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel IId

Wijzigt de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel III

Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel IV

Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel IVa

Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel IVb

Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel IVc

Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel IVd

Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel V

Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel VI

Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel VII

Wijzigt de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen.

Artikel VIII

1.

Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid monitort het gebruik van regelingen voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964 en zendt aan de Staten-Generaal hiervan jaarlijks een verslag dat in ieder geval de volgende elementen omvat:

a. a. de gerichtheid van de regelingen voor vervroegde uittreding, waarbij aandacht wordt geschonken aan:

        1°.
        de hoogte van gehanteerde inkomensgrenzen;
      
      
        2°.
        de afbakening van de doelgroep en eventuele herijking hiervan;
      
      
        3°.
        het gebruik en de onderbouwing van de extra ruimte in de drempelvrijstelling;

1°. 1°. de hoogte van gehanteerde inkomensgrenzen; 2°. 2°. de afbakening van de doelgroep en eventuele herijking hiervan; 3°. 3°. het gebruik en de onderbouwing van de extra ruimte in de drempelvrijstelling; b. b. het profiel van deelnemers aan regelingen voor vervroegde uittreding; c. c. het totale gebruik van de drempelvrijstelling voor regelingen voor vervroegde uittreding; d. d. de voortgang op duurzame inzetbaarheid gekoppeld aan collectieve regelingen voor vervroegde uittreding.

2. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid rapporteert jaarlijks over het gebruik van de drempelvrijstelling voor regelingen voor vervroegde uittreding. Bij overschrijding van een signaalwaarde van 15.000 nieuwe deelnemers op jaarbasis aan een regeling voor vervroegde uittreding treedt het kabinet in overleg met sociale partners over de oorzaken hiervan, de gerichtheid van regelingen voor vervroegde uittreding en het bijsturen hierop.

3. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid draagt zorg voor een driejaarlijks ijkmoment, te beginnen in 2028, waarbij aan de hand van de rapportages, bedoeld in het eerste lid, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën wordt beoordeeld of de drempelvrijstelling in dezelfde vorm kan blijven bestaan of dat er bijsturing, afbouw of beëindiging moet plaatsvinden.

4. Voor de bijsturing of afbouw, bedoeld in het tweede en derde lid, kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur een regeling worden getroffen.

5. De voordracht voor een krachtens het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel IX

Onze Minister zendt drie jaar na de inwerkingtreding van de in artikel IV, onderdelen B en C, opgenomen pseudo-eindheffing een verslag aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal over de doeltreffendheid en de effecten hiervan.

Artikel IXa

Wijzigt de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Artikel X

Wijzigt de Successiewet 1956.

Artikel XI

Wijzigt de Wet op de belasting van personenautos en motorrijwielen 1992.

Artikel XII

Artikel 16b van de Wet op de belasting van personenautos en motorrijwielen 1992 vindt bij het begin van het kalenderjaar 2026 geen toepassing op de bedragen, genoemd in de tabel die is opgenomen in artikel 9, eerste lid, van die wet en op het bedrag, genoemd in de laatste zin van dat lid.

Artikel XIII

Wijzigt de Wet op de belasting van personenautos en motorrijwielen 1992.

Artikel XIV

1. In de Wet op de belasting van personenautos en motorrijwielen 1992 worden in artikel 9, eerste lid, de bedragen, genoemd in de vierde kolom van de tabel, bij het begin van het kalenderjaar 2027 bij ministeriële regeling verhoogd met 1,48 procent. Het bedrag in het eerste lid, laatste zin, wordt eveneens verhoogd met 1,48 procent.

2. Bij ministeriële regeling worden, na toepassing van het eerste lid, de bedragen, genoemd in artikel 9, eerste lid, derde kolom van de tabel, dienovereenkomstig aangepast.

Artikel XV

Wijzigt de Wet op de belasting van personenautos en motorrijwielen 1992.

Artikel XVI

1. In de Wet op de belasting van personenautos en motorrijwielen 1992 worden in artikel 9, eerste lid, de bedragen, genoemd in de vierde kolom van de tabel, bij het begin van het kalenderjaar 2028 bij ministeriële regeling verhoogd met 1,40 procent. Het bedrag in het eerste lid, laatste zin, wordt eveneens verhoogd met 1,40 procent.

2. Bij ministeriële regeling worden, na toepassing van het eerste lid, de bedragen, genoemd in artikel 9, eerste lid, derde kolom van de tabel, dienovereenkomstig aangepast.

Artikel XVII

Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.

Artikel XVIIa

Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.

Artikel XVIII

Wijzigt de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994.

Artikel XIX

Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.

Artikel XX

Artikel 90 van de Wet belastingen op milieugrondslag vindt bij het begin van het kalenderjaar 2026 geen toepassing op het tarief voor een broeikasgasinstallatie of lachgasinstallatie, genoemd in artikel 71p, eerste lid, onderdeel a, van die wet.

Artikel XXI

Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.

Artikel XXII

Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.

Artikel XXIII

Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.

Artikel XXIV

Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.

Artikel XXV

Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.

Artikel XXVI

Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.

Artikel XXVII

Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.

Artikel XXVIII

Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.

Artikel XXIX

Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.

Artikel XXX

Wijzigt de Wet milieubeheer.

Artikel XXXI

Wijzigt de Provinciewet.

Artikel XXXII

Wijzigt de Provinciewet.

Artikel XXXIII

Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Artikel XXXIIIa

Wijzigt de Wet op de accijns.

Artikel XXXIV

Wijzigt de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken.

Artikel XXXV

Wijzigt de Wet inkomstenbelasting BES.

Artikel XXXVa

Wijzigt de Wet vrachtwagenheffing.

Artikel XXXVI

Wijzigt het Belastingplan 2023.

Artikel XXXVII

Wijzigt het Belastingplan 2024.

Artikel XXXVIII

Wijzigt het Belastingplan 2025.

Artikel XXXVIIIbis

Wijzigt de Wet van 20 december 2017 tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 tot het geleidelijk uitfaseren van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (Stb. 2017, 523).

Artikel XXXVIIIa

Wijzigt de Wet behoud verlaagd btw-tarief op cultuur, media en sport.

Artikel XXXVIIIb

Wijzigt de Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2024.

Artikel XXXVIIIc

Wijzigt de Wet aanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2025.

Artikel XXXIX

Artikel X, onderdeel A vindt geen toepassing op verkrijgingen op grond van huwelijkse voorwaarden die zijn aangegaan voor 16 september 2025, 16:00 uur, alsmede op verkrijgingen op grond van een notarieel samenlevingscontract dat is afgesloten voor 16 september 2025, 16:00 uur. De eerste zin is niet langer van toepassing zodra die huwelijkse voorwaarden, onderscheidenlijk dat notariële samenlevingscontract, op of na dat tijdstip worden, onderscheidenlijk wordt, gewijzigd met betrekking tot het aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap of de te verrekenen som.

Artikel XL

De artikelen 5.26, vierde lid, en 5.31, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 blijven buiten toepassing voor zover het werkelijke rendement van bezittingen en schulden, bedoeld in artikel 5.25, eerste lid, van die wet, wordt bepaald over bezittingen of schulden die direct voorafgaand aan 25 augustus 2025, 16.00 uur tot de bezittingen, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, van die wet, onderscheidenlijk de schulden, bedoeld in artikel 5.3, derde lid, van die wet, behoorden.

Artikel XLI

1. Bij de toepassing van de artikelen 10.1, eerste lid, 10.3, tweede lid, en 10bis.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de artikelen 20a, tweede lid, en 22d van de Wet op de loonbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 2026 worden de betreffende bedragen niet vermenigvuldigd met de tabelcorrectiefactor, maar met 1,027782.

2. Bij de toepassing van artikel 10.1, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 20b, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 2026 wordt het betreffende bedrag niet vermenigvuldigd met de uitkomst van de daarin opgenomen formule, maar, in afwijking van het eerste lid, met 1,02083650.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de bedragen, genoemd in de artikelen 4.17a, achtste lid, onderdeel c, 5.5, 9.4, eerste lid, onderdeel c, en 9.4a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel XLII

De bedragen, bedoeld in de artikelen en onderdelen, genoemd in artikel XXXV, onderdeel c, van het Belastingplan 2024, waarop artikel 10.1, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing is bij het begin van het kalenderjaar 2026, worden daarbij niet vermenigvuldigd met de tabelcorrectiefactor, maar met 1,027782.

Artikel XLIII

[Vervallen]

Artikel XLIV

[Vervallen]

Artikel XLV

Artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 vindt met betrekking tot artikel 5.13 van die wet geen toepassing bij het begin van het kalenderjaar 2027.

Artikel XLVI

Na toepassing van de artikelen I, onderdeel A, en III, onderdeel B, artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de artikelen 20a, tweede lid, en 20b, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 bij het begin van het kalenderjaar 2026 worden de bedragen in kolom III van de tabellen in de artikelen 2.10, eerste lid, en 2.10a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 en in de artikelen 20a, eerste lid, en 20b, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 bij ministeriële regeling gewijzigd in de bedragen die na toepassing van die bepalingen voortvloeien uit de bij het begin van het kalenderjaar 2026 in de kolommen I en II van die tabellen vermelde bedragen en de in kolom IV van die tabel vermelde percentages.

Artikel XLVIa

Artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is bij het begin van het kalenderjaar 2026 van overeenkomstige toepassing op het in de artikelen 23, derde en vierde lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen vermelde bedrag, onderscheidenlijk laatstvermelde bedrag.

Artikel XLVII

Artikel 27a van de Wet op de accijns vindt bij het begin van het kalenderjaar 2026 geen toepassing op de bedragen, genoemd in artikel 27, eerste lid, onderdeel a, tweede bedrag, onderdeel b, tweede bedrag, en onderdeel d, van die wet.

Artikel XLVIII

1. Wijzigt de Overige fiscale maatregelen 2018.

2. Wijzigt de Overige fiscale maatregelen 2018.

Artikel XLIX

Ingeval de samenloop van wetten die in 2025 in het Staatsblad zijn of worden gepubliceerd en wijzigingen aanbrengen in een of meer belastingwetten, niet of niet juist is geregeld, of indien als gevolg van die samenloop onjuistheden ontstaan in de aanduiding van artikelen, artikelonderdelen, verwijzingen en dergelijke in de desbetreffende wetten, kunnen die wetten op dit punt bij ministeriële regeling worden gewijzigd.

Artikel L

1.

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2026, met dien verstande dat:

a. a.

      artikel I, onderdeel A, onder 1, en artikel III, onderdeel B, onder 1, eerst toepassing vinden nadat artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bij het begin van het kalenderjaar 2026 is toegepast;

aa. aa.

      artikel I, onderdeel Aa, toepassing vindt nadat artikel 10b.1, tweede lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 met ingang van 1 januari 2026 is toegepast;

b. b.

      artikel I, onderdeel B, en artikel III, onderdeel A, terugwerken tot en met 1 januari 2020;

c. c.

      artikel I, onderdelen F en G, onder 1, en artikel XL terugwerken tot en met 25 augustus 2025, 16.00 uur;

ca. ca.

      artikel IV, onderdeel aA, toepassing vindt nadat artikel 35o van de Wet op de loonbelasting 1964 met ingang van 1 januari 2026 is toegepast;

d. d.

      artikel VII toepassing vindt voordat artikel V, onderdelen E en G, van de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen wordt toegepast;

e. e.

      artikel XI, onderdeel B, terugwerkt tot en met 1 januari 2025;

f. f.

      artikel XXXIII voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot belastingaanslagen erfbelasting ter zake van overlijdens die op of na 1 januari 2026 plaatsvinden;

g. g.

      artikel XXXVII toepassing vindt voordat de artikelen III en IX van het Belastingplan 2024 worden toegepast;

h. h.

      artikel XXXVIII, onderdeel A, toepassing vindt voordat de artikelen II en IX, onderdeel A, van het Belastingplan 2025 worden toegepast;

i. i.

      artikel XXXVIII, onderdeel D, toepassing vindt voordat artikel XLIII van het Belastingplan 2025 wordt toegepast.

1a. 1a. In afwijking van het eerste lid treedt artikel I, onderdeel C, onder 1, met ingang van 1 januari 2028 in werking.

2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XVII, onderdelen Aa en B, in werking op het tijdstip waarop artikel 30 van de Wet vrachtwagenheffing in werking treedt.

3. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XXXVA in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel LI

Deze wet wordt aangehaald als: Belastingplan 2026.