rijk/wet/implementatiewet-herziene-richtlijn-betaaldiensten/BWBR0041768
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Implementatiewet herziene richtlijn betaaldiensten BWBR0041768 wet geldend 2019-02-19 https://wetten.overheid.nl/BWBR0041768 Implementatiewet herziene richtlijn betaaldiensten

Implementatiewet herziene richtlijn betaaldiensten

Artikel I

Wijzigt de Wet op het financieel toezicht.

Artikel II

Wijzigt de Wet bekostiging financieel toezicht.

Artikel III

Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7.

Artikel IV

Wijzigt de Wet handhaving consumentenbescherming.

Artikel IVa

Wijzigt de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming.

Artikel IVb

Onze Minister van Financiën zendt in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel V

1. De artikelen 1:1, 1:5a, 1:25a, 1:55, 1:56, 1:58, 1:59, 1:93, eerste lid, onderdelen i en j, 1:104, 1:107, 2:3b, 2:3c, 2:3e, 2:10b, 2:10c, 2:106a, 2:107a, 3:29c, 5:88 en 5:88a van de Wet op het financieel toezicht, zoals deze luidden op het moment voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen A tot en met Q, T en Z tot en met CC, van deze wet, blijven tot 13 juli 2018 van toepassing op betaalinstellingen of elektronischgeldinstellingen die op 12 januari 2018 in het bezit waren van een vergunning als bedoeld in de artikelen 2:3b respectievelijk 2:10b van de Wet op het financieel toezicht.

2. Aan een betaalinstelling of een elektronischgeldinstelling als bedoeld in het eerste lid wordt ambtshalve een vergunning verleend op grond van de artikelen 2:3b respectievelijk 2:10b van de Wet op het financieel toezicht en deze instellingen blijven ingeschreven in het openbaar register als bedoeld in artikel 1:107 van die wet, indien De Nederlandsche Bank N.V. reeds over het bewijs beschikt dat aan de in die artikelen genoemde eisen wordt voldaan. Indien De Nederlandsche Bank N.V. op 13 juli 2018 niet over dit bewijs beschikt, kan De Nederlandsche Bank N.V. maatregelen nemen om de naleving van deze eisen te waarborgen, dan wel de op grond van de artikelen 2:3b respectievelijk 2:10b van de Wet op het financieel toezicht verleende vergunning intrekken.

3. De in het eerste lid genoemde artikelen, zoals deze luidden op het moment voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen A tot en met Q, T en Z tot en met CC, van deze wet, blijven tot 13 januari 2019 van toepassing op natuurlijke personen of rechtspersonen die op het moment voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdelen A tot en met Q, T en Z tot en met CC, van deze wet zijn vrijgesteld op grond van artikel 2:3d van de Wet op het financieel toezicht, zoals dat artikel op dat moment luidde.

4. Natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in het derde lid worden geacht te zijn vrijgesteld op grond van de artikelen 2:3d respectievelijk 2:10d van de Wet op het financieel toezicht en worden ambtshalve ingeschreven in het openbaar register, bedoeld in artikel 1:107 van die wet, indien de Nederlandsche Bank reeds over het bewijs beschikt dat aan de bij of krachtens die artikelen gestelde eisen wordt voldaan.

5. Onverminderd het eerste lid, blijven betaalinstellingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:3b van de Wet op het financieel toezicht voor het verlenen van diensten als bedoeld onder punt 7 van de bijlage bij richtlijn nr. 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt (PbEU L 319) die aangemerkt kunnen worden als diensten als bedoeld onder punt 3 van bijlage I van die richtlijn, in het bezit van deze vergunning indien zij aantonen op 13 januari 2020 te voldoen aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de artikelen 3:53 en 3:57 van de Wet op het financieel toezicht.

6. Artikel 3:95, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht, zoals dat luidde op het moment voor de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel V, van deze wet, blijft tot 13 januari 2019 van toepassing op houders van gekwalificeerde deelnemingen als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, aanhef, van de Wet op het financieel toezicht, in een betaalinstelling, voor zover deze voor of op 12 januari 2018 tot stand zijn gekomen.

Artikel VI

Deze wet wordt aangehaald als: Implementatiewet herziene richtlijn betaaldiensten.

Artikel VII

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.