rijk/wet/instellingswet-productschap-voor-margarine-vetten-en-oliën/BWBR0002150
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Instellingswet Productschap voor Margarine, Vetten en Oliën BWBR0002150 wet geldend 1956-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0002150 Instellingswet Productschap voor Margarine, Vetten en Oliën

Instellingswet Productschap voor Margarine, Vetten en Oliën

Artikel 1

1. Er is een Productschap voor Margarine, Vetten en Oliën.

2. Het productschap heeft zijn zetel te 's-Gravenhage.

Artikel 2

1.

Het productschap is ingesteld voor de ondernemingen, waarin:

margarine, vetten of oliën worden bereid of bewerkt;

margarine, vetten of oliën worden verwerkt tot producten, welke - al dan niet na verdere be- of verwerking - kunnen dienen tot menselijk voedsel;

de handel - met uitzondering van de aanvoer-, transito- en driehoekshandel - wordt uitgeoefend in:

copra of in het buitenland geteelde oliehoudende zaden, pitten, bonen of noten, met uitzondering van consumptiegrondnoten en cacaobonen,

margarine, vetten of oliën - met uitzondering van ongesmolten slachtvet - of daaruit verkregen producten, welke, al dan niet na verdere be- of verwerking, kunnen dienen tot menselijk voedsel.

2. In deze wet worden onder vetten en oliën verstaan plantaardige of dierlijke vetten en oliën, met uitzondering van melkvet en daaruit verkregen producten en cacaoboter, doch met inbegrip van vetzuren.

3. In deze wet, met uitzondering van artikel 3, wordt onder handel mede verstaan de werkzaamheid van tussenpersonen.

Artikel 3

Het bestuur van het produktschap bestaat uit 16 leden. Daarvan worden benoemd:

Artikel 4

1.

Aan het productschap is overgelaten de regeling of nadere regeling van de navolgende onderwerpen:

a. a. aangelegenheden, verband houdende met het economisch verkeer tussen verschillende stadia van voortbrenging en afzet, waaronder, indien of voorzover dit door Ons is bepaald, de prijzen begrepen zijn; b. b. de registratie van de ondernemingen, waarvoor het productschap is ingesteld; c. c. het verstrekken van de voor de vervulling van de taak van het productschap nodige gegevens; d. d. de voor de vervulling van de taak van het productschap nodige inzage van boeken en bescheiden en bezichtiging en opneming van bedrijfsmiddelen en voorraden van ondernemingen.

2.

Als aangelegenheden, bedoeld in het voorgaande lid, onder a, worden niet aangemerkt:

a. a. de vestiging, uitbreiding en stillegging van ondernemingen; b. b. de in- en uitvoer.

3. Verordeningen betreffende de in het eerste lid bedoelde onderwerpen hebben niet betrekking op de aanvoer-, transito- en driehoekshandel.

4. Verordeningen betreffende onderwerpen, als bedoeld in het eerste lid, onder c en d, houden waarborgen in tegen misbruik van de ingevolge die verordeningen te verstrekken gegevens.

Artikel 5

Overtredingen van het bepaalde bij of krachtens een op grond van artikel 93, eerste lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie (Stb. 1950, K 22, sedert gewijzigd) vastgestelde verordening kunnen bij de verordening worden aangewezen als strafbare feiten.

Artikel 6

Bij een op grond van artikel 93, eerste lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie vastgestelde verordening kan worden bepaald, dat de bij of krachtens die verordening gestelde regelen mede andere dan de in artikel 102, eerste lid, van genoemde wet bedoelde natuurlijke en rechtspersonen binden, voor zover deze handelingen verrichten, die bedrijfsmatig in de ondernemingen, waarvoor het productschap is ingesteld, plegen te worden verricht.

Artikel 7

1. Verordeningen, waarbij krachtens artikel 126, eerste lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie een heffing wordt opgelegd tot een in die verordeningen vermeld ander doel dan dekking van de huishoudelijke uitgaven van het productschap, behoeven, in afwijking van het derde lid van dat artikel, de goedkeuring van Onze betrokken Ministers; zij worden terstond na vaststelling ter kennisneming aan de Sociaal-Economische Raad toegezonden.

2. Tot instelling van een fonds in het belang der bedrijfsgenoten wordt besloten bij verordening. Zodanige verordening behoeft de goedkeuring van Onze betrokken Ministers.

3. Onze betrokken Ministers kunnen bepalen, dat besluiten tot uitbetalingen ten laste van een fonds in het belang der bedrijfsgenoten hun goedkeuring behoeven.

Artikel 8

Voor de toepassing van deze wet en van de artikelen 94, 100, derde lid, en 104, tweede lid, van de Wet op de Bedrijfsorganisatie ten aanzien van het productschap worden als Onze betrokken Ministers aangemerkt Onze Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en, behoudens in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen, Onze Minister van Economische Zaken.

Artikel 9

Deze wet kan worden aangehaald als: Instellingswet Productschap voor Margarine, Vetten en Oliën.

Artikel 10

Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.