40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Invoeringswet Omgevingswet | BWBR0043660 | wet | geldend | 2024-01-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0043660 | Invoeringswet Omgevingswet |
Invoeringswet Omgevingswet
Hoofdstuk 1. Aanvulling en wijziging
Artikel 1.1
Wijzigt de Omgevingswet.
Hoofdstuk 2. Wijziging andere wetten
Artikel 2.a1
Wijzigt de Alcoholwet.
Artikel 2.1
Wijzigt de Algemene Douanewet.
Artikel 2.2
Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 2.3
Wijzigt het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 2.4
Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden.
Artikel 2.5
Wijzigt de Deltawet waterveiligheid en zoetwatervoorziening.
Artikel 2.6
Wijzigt de Drinkwaterwet.
Artikel 2.7
Wijzigt de Elektriciteitswet 1998.
Artikel 2.8
Wijzigt de Erfgoedwet.
Artikel 2.9
Wijzigt de Gaswet.
Artikel 2.10
Wijzigt de Gemeentewet.
Artikel 2.11
Wijzigt de Huisvestingswet 2014.
Artikel 2.12
Wijzigt de Kadasterwet.
Artikel 2.13
Wijzigt de Kernenergiewet.
Artikel 2.14
Wijzigt de Leegstandwet.
Artikel 2.15
Wijzigt de Luchtvaartwet.
Artikel 2.16
Wijzigt de Meststoffenwet.
Artikel 2.17
Wijzigt de Mijnbouwwet.
Artikel 2.17a
Wijzigt de Organisatiewet Kadaster.
Artikel 2.18
Wijzigt de Spoorwegwet.
Artikel 2.19
Wijzigt de Telecommunicatiewet.
Artikel 2.20
Wijzigt de Uitvoeringswet grondkamers.
Artikel 2.21
Wijzigt de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte.
Artikel 2.22
Wijzigt de Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag.
Artikel 2.23
Wijzigt de Uitvoeringswet verdrag chemische wapens.
Artikel 2.24
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2023/376.
Wijzigt de Warmtewet.
Artikel 2.25
Wijzigt de Waterschapswet.
Artikel 2.26
Wijzigt de Waterstaatswet 1900.
Artikel 2.27
Wijzigt de Waterwet.
Artikel 2.29
Wijzigt de Wegenwet.
Artikel 2.30
Wijzigt de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels.
Artikel 2.31
Wijzigt de Wet algemene regels herindeling.
Artikel 2.32
Wijzigt de Wet basisregistratie grootschalige topografie.
Artikel 2.33
De Wet beheer rijkswaterstaatswerken wordt ingetrokken.
Artikel 2.34
Wijzigt de Wet bescherming Antarctica.
Artikel 2.35
Wijzigt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Artikel 2.35a
Wijzigt de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
Artikel 2.36
Wijzigt de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee.
Artikel 2.37
Wijzigt de Wet herverdeling wegenbeheer.
Artikel 2.38
Wijzigt de Wet houdende verklaring van het algemeen nut der onteigening van percelen, erfdienstbaarheden en andere zakelijke rechten tbv inrichting van een buisleidingenstraat vanaf Pernis langs Klundert naar de Schelde nabij de Nederlands-Belgische grens.
Artikel 2.39
Wijzigt de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken.
Artikel 2.40
Wijzigt de Wet infrastructuurfonds.
Artikel 2.41
Wijzigt de Wet justitie-subsidies.
Artikel 2.42
Wijzigt de Wet kabelbaaninstallaties.
Artikel 2.42a
Wijzigt de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.
Artikel 2.43
Wijzigt de Wet lokaal spoor.
Artikel 2.44
Wijzigt de Wet luchtvaart.
Artikel 2.44a
Wijzigt de Wet luchtvaart.
Artikel 2.45
Wijzigt de Wet milieubeheer.
Artikel 2.46
Wijzigt de Wet normering topinkomens.
Artikel 2.47
Wijzigt de Wet op de economische delicten.
Artikel 2.48
Wijzigt de Wet op de huurtoeslag.
Artikel 2.49
Wijzigt de Wet veiligheidsregio's.
Artikel 2.50
Wijzigt de Wet verbod pelsdierhouderij.
Artikel 2.51
Wijzigt de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.
Artikel 2.52
Wijzigt de Wet voorkoming verontreiniging door schepen.
Artikel 2.53
Wijzigt de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 2.54
Wijzigt de Wet windenergie op zee.
Artikel 2.55
Wijzigt de Woningwet.
Hoofdstuk 3. Intrekking wetten
Artikel 3.1
De volgende wetten worden ingetrokken:
a. a. de Belemmeringenwet Landsverdediging, b. b. de Belemmeringenwet Privaatrecht, c. c. de Crisis- en herstelwet, d. d. de Interimwet stad-en-milieubenadering, e. e. de Ontgrondingenwet, f. f. de Planwet verkeer en vervoer, g. g. de Spoedwet wegverbreding, h. h. de Tracéwet, i. i. de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, j. j. de Wet ammoniak en veehouderij, k. k. de Wet geurhinder en veehouderij, l. l. de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden, m. m. de Wet inzake de luchtverontreiniging, n. n. de Wet ruimtelijke ordening.
Hoofdstuk 4. Overgangsrecht
Afdeling 4.1. Algemene overgangsbepalingen lopende procedures besluiten
Artikel 4.1
Deze afdeling is, tenzij bij of krachtens dit hoofdstuk anders is bepaald, van toepassing op besluiten op grond van:
a. a. of met toepassing van de Crisis- en herstelwet, b. b. de artikelen 41 en 41a van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, c. c. de artikelen 7a, 40 en 43 van de Mijnbouwwet, d. d. de Ontgrondingenwet, e. e.
artikel 19 van de Spoorwegwet,
f. f. of met toepassing van de artikelen 5.1, 5.2, 6.2, 6.3, 6.4, 6.5 en 6.10 van de Waterwet, g. g.
artikel 78, eerste lid, voor zover het gaat om een verordening als bedoeld in artikel 4.7, onder a, van deze wet en artikel 83, van de Waterschapswet, voor zover het gaat om een nadere regel als bedoeld in artikel 4.7, onder b, van deze wet,
h. h. of met toepassing van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, i. i. de Wet ammoniak en veehouderij, j. j. de artikelen 2 en 6 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, k. k. de Wet geurhinder en veehouderij, l. l. de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden, m. m. de artikelen 7 en 12 van de Wet lokaal spoor, n. n.
paragraaf 1.2, hoofdstuk 7, de artikelen 11.11 en 11.12, hoofdstuk 14 en de artikelen 17.3 en 20.17 van de Wet milieubeheer,
o. o. de Wet ruimtelijke ordening, p. p. de artikelen 6, tweede lid, 7, 7a, 12, tweede en vierde lid, 13, aanhef en onder b, 13a, 92, voor zover het gaat om de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk II, en 92a van de Woningwet.
Artikel 4.2
Deze afdeling is van toepassing op besluiten tot oplegging van een gedoogplicht op grond van of met toepassing van:
a. a.
artikel 5 van de Belemmeringenwet Landsverdediging,
b. b. de Belemmeringenwet Privaatrecht, c. c.
artikel 2.3, elfde lid, van de Crisis- en herstelwet,
d. d.
artikel 7 van de Drinkwaterwet,
e. e. de artikelen 9g en 20 van de Elektriciteitswet 1998, f. f.
artikel 39a van de Gaswet,
g. g.
artikel 71 in samenhang met artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet,
h. h.
artikel 57, eerste en tweede lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet,
i. i.
artikel 5 van de Mijnbouwwet,
j. j. de artikelen 21g, eerste lid, eerste en tweede zin, en 21h, eerste lid, van de Ontgrondingenwet, k. k.
artikel 24, derde lid, van de Spoorwegwet,
l. l.
artikel 21 van de Tracéwet,
m. m.
artikel 23, eerste lid, van de Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag,
n. n.
artikel 38 van de Warmtewet,
o. o. de artikelen 5.21, eerste lid, 5.22, eerste lid, en 5.24, eerste lid, van de Waterwet, p. p.
artikel 70 van de Wet bodembescherming,
q. q.
artikel 7, eerste lid, van de Wet lokaal spoor,
r. r.
artikel 60, eerste lid, van de Wet inzake de luchtverontreiniging,
s. s.
artikel 3.36a van de Wet ruimtelijke ordening.
Artikel 4.3
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van toepassing:
a. a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt, b. b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.
Artikel 4.4
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, blijft het oude recht van toepassing:
a. a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt, b. b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.
Artikel 4.5
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing:
a. a. als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt, b. b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.
Afdeling 4.2. Overgangsbepalingen per onderwerp
Paragraaf 4.2.1. Overgangsbepaling omgevingsplannen
Artikel 4.6
1.
Als deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet, gelden:
a. a. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.3 van de Crisis- en herstelwet, b. b. een provinciaal inpassingsplan als bedoeld in art. 2.3a van de Crisis- en herstelwet, c. c. een bestemmingsplan of inpassingsplan waarin met toepassing van artikel 2.4, eerste lid, onder o, van de Crisis- en herstelwet bij wijze van experiment wordt afgeweken van het bepaalde bij of krachtens de Wet ruimtelijke ordening, d. d. een regel als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, e. e. een verordening als bedoeld in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij, f. f. een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer en een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van die verordening, g. g. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, h. h. een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, i. i. een uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening, j. j. een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, k. k. een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, l. l. een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, m. m. een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, dat betrekking heeft op een bestemmingsplan of een wijzigingsplan als bedoeld in die wet, n. n. een besluit op grond van artikel 12, tweede lid, van de Woningwet, o. o. een warmteplan voor zover het gaat om een warmteplan vastgesteld op grond van de Woningwet, p. p. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in de artikelen 4.103, eerste lid, 4.104, eerste lid, en 4.104a, eerste lid.
2.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
a. a. een ontwerp ter inzage is gelegd van:
1°.
een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer, of
2°.
een bestemmingsplan, wijzigingsplan, uitwerkingsplan, inpassingsplan of exploitatieplan, of
1°. 1°. een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer, of 2°. 2°. een bestemmingsplan, wijzigingsplan, uitwerkingsplan, inpassingsplan of exploitatieplan, of b. b. een beheersverordening is vastgesteld, maar nog niet in werking getreden, blijft het oude recht van toepassing tot dit besluit van kracht is.
3.
Het oude recht blijft, tot het besluit onherroepelijk is, van toepassing op een beroep tegen:
a. a. een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer, of b. b. een bestemmingsplan, wijzigingsplan, uitwerkingsplan, inpassingsplan of exploitatieplan.
4. Artikel 4.3 is niet van toepassing op een aanvraag om een bestemmingsplan, beheersverordening, wijzigingsplan, uitwerkingsplan, inpassingsplan of exploitatieplan vast te stellen of te wijzigen.
5. Artikel 4.4 is niet van toepassing in gevallen als bedoeld in het tweede lid.
Paragraaf 4.2.2. Overgangsbepalingen waterschapsverordeningen
Artikel 4.7
Als deel van een waterschapsverordening als bedoeld in artikel 2.5 van de Omgevingswet, gelden:
a. a. een verordening als bedoeld in artikel 78, eerste lid, van de Waterschapswet:
1°.
zijnde een keur, met uitzondering van de daarin opgenomen regels over onderhoudsverplichtingen,
2°.
die gaat over wegen of vaarwegen die in beheer zijn bij het waterschap, of
3°.
die gaat over de aansluiting van een openbaar riool op een zuiveringtechnisch werk of het brengen van afvalwater vanuit een openbaar riool in een zuiveringtechnisch werk,
1°. 1°. zijnde een keur, met uitzondering van de daarin opgenomen regels over onderhoudsverplichtingen, 2°. 2°. die gaat over wegen of vaarwegen die in beheer zijn bij het waterschap, of 3°. 3°. die gaat over de aansluiting van een openbaar riool op een zuiveringtechnisch werk of het brengen van afvalwater vanuit een openbaar riool in een zuiveringtechnisch werk, b. b. een nadere regel als bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Waterschapswet, voor zover die regel niet gaat over onderhoudsverplichtingen, c. c. een legger als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, eerste zin, van de Waterwet die onherroepelijk is, voor zover daarin de ligging van een waterstaatswerk en een daaraan grenzende beschermingszone is aangegeven.
Artikel 4.8
Artikel 4.7 is niet van toepassing als een waterschapsverordening als bedoeld in artikel 2.5 van de Omgevingswet gelijktijdig met of onmiddellijk na de inwerkingtreding van dat artikel van kracht wordt.
Paragraaf 4.2.3. Overgangsbepalingen omgevingsvisies
Artikel 4.9
1. Aan de verplichting tot het vaststellen van een gemeentelijke omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Omgevingswet wordt uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip voldaan.
2. In afwijking van artikel 34, eerste lid, tweede zin, van de Wet algemene regels herindeling verloopt de termijn voor het vaststellen van de omgevingsvisie, bedoeld in die zin, niet eerder dan het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, bedoeld in het eerste lid.
3. De hoofdzaken van het te voeren beleid in een gemeentelijk milieubeleidsplan als bedoeld in artikel 4.16 van de Wet milieubeheer, een gemeentelijk verkeers- en vervoersplan als bedoeld in artikel 9 van de Planwet verkeer en vervoer en een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, blijven gelden totdat een gemeentelijke omgevingsvisie van kracht wordt.
4. Als een plan of structuurvisie als bedoeld in het derde lid niet van kracht is, blijft het oude recht daarop van toepassing als voor de inwerkingtreding van artikel 3.1, eerste lid, van de Omgevingswet een ontwerp daarvan ter inzage is gelegd.
Artikel 4.10
1.
Een gemeentelijke omgevingsvisie die:
a. a. voldoet aan de artikelen 3.2 en 3.3 van de Omgevingswet, en b. b. voor de inwerkingtreding van artikel 3.1, eerste lid, van de Omgevingswet van kracht is of onmiddellijk na de inwerkingtreding van die bepaling van kracht wordt,
geldt als een gemeentelijke omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Omgevingswet.
2.
Een provinciale omgevingsvisie die:
a. a. voldoet aan de artikelen 3.2 en 3.3 van de Omgevingswet, en b. b. voor de inwerkingtreding van artikel 3.1, tweede lid, van de Omgevingswet van kracht is of onmiddellijk na de inwerkingtreding van die bepaling van kracht wordt,
geldt als een provinciale omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van de Omgevingswet.
3.
De nationale omgevingsvisie die:
a. a. voldoet aan de artikelen 3.2 en 3.3 van de Omgevingswet, en b. b. voor de inwerkingtreding van artikel 3.1, derde lid, van de Omgevingswet van kracht is of onmiddellijk na de inwerkingtreding van die bepaling van kracht wordt, geldt als een nationale omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1, derde lid, van de Omgevingswet.
Paragraaf 4.2.4. Overgangsbepaling programma
Artikel 4.11
Een programma dat:
a. a. is vastgesteld op of na 23 maart 2016, b. b. voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens paragraaf 3.2.1 van de Omgevingswet en, indien van toepassing, bij of krachtens paragraaf 16.4.1 van de Omgevingswet, c. c. voor de inwerkingtreding van artikel 3.4 van de Omgevingswet van kracht is of onmiddellijk na de inwerkingtreding van kracht wordt,
geldt als een programma als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet.
Artikel 4.12
Een nationaal programma ter beheersing van de luchtverontreiniging dat strekt ter uitvoering van artikel 6, eerste lid, van de nec-richtlijn, en van kracht is, geldt als een nationaal nec-programma als bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.
Paragraaf 4.2.5. Overgangsbepalingen omgevingsvergunningen
Artikel 4.13
1. Een ontheffing of vergunning voor een activiteit waarop een verbodsbepaling van toepassing is als bedoeld in paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet en die onherroepelijk is, geldt als een omgevingsvergunning voor die activiteit.
2.
Als aan een omgevingsvergunning verbonden voorschriften als bedoeld in paragraaf 5.1.4 van de Omgevingswet gelden:
a. a. beperkingen of voorwaarden waaronder een ontheffing of vergunning is verleend, b. b. nadere eisen als bedoeld in artikel 2.22, derde lid, onder b en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, en c. c. een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, dat betrekking heeft op een omgevingsvergunning.
3. Als op een activiteit na de inwerkingtreding van de Omgevingswet geen verbodsbepaling als bedoeld in paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet van toepassing is, geldt een aan een onherroepelijke omgevingsvergunning voor die activiteit verbonden voorschrift als een maatwerkvoorschrift, voor zover het voorschrift gaat over een onderwerp waarvoor het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan stellen als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de Omgevingswet.
4. Als een aan een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een activiteit verbonden voorschrift ook geldt voor het deel van die activiteit waarop een verbodsbepaling als bedoeld in paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswetniet van toepassing is, geldt dat voorschrift als een maatwerkvoorschrift, voor zover het voorschrift gaat over een onderwerp waarvoor het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan stellen als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.14
Als een activiteit voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zonder ontheffing of vergunning onafgebroken rechtmatig is verricht en bij de inwerkingtreding van die wet voor die activiteit een verbod als bedoeld in artikel 5.1, 5.3 of 5.4 van de Omgevingswet van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van die wet een omgevingsvergunning van rechtswege voor een termijn van twee jaar, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die wet. Bij algemene maatregel van bestuur kan voor daarbij aangegeven activiteiten worden bepaald dat:
a. a. een omgevingsvergunning van rechtswege geldt voor een andere daarbij aangegeven termijn, b. b. aan de geldigheid van een omgevingsvergunning van rechtswege geen termijn is verbonden.
Artikel 4.15
Als bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet de bevoegdheid te beslissen op een aanvraag overgaat naar een ander bestuursorgaan en de ontheffing of vergunning nog niet is verleend, kan het bestuursorgaan dat op grond van afdeling 4.1 bevoegd blijft om op die aanvraag te beslissen, die bevoegdheid overdragen aan het bestuursorgaan dat bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet bevoegd wordt te beslissen op die aanvraag, mits dat bestuursorgaan daarmee instemt.
Paragraaf 4.2.6. Overgangsbepaling gedoogplichten
Artikel 4.16
1. Een gedoogplichtbeschikking die onherroepelijk is, geldt als een gedoogplichtbeschikking als bedoeld in afdeling 10.3 van de Omgevingswet als de grondslag ervan ligt in de artikelen, bedoeld in artikel 4.2, onder a tot en met f en h tot en met r.
2. Een concessie als bedoeld in artikel 71 in samenhang met artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet die onherroepelijk is, geldt als een gedoogplichtbeschikking als bedoeld in artikel 10.14, aanhef en onder e, van de Omgevingswet.
3.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet schade is ontstaan als gevolg van de te gedogen handeling als bedoeld in:
a. a. de artikelen 9 en 10 van de Waterstaatswet 1900, b. b. de artikelen 8.51 en 17.11 van de Wet milieubeheer, c. c.
artikel 8a.6 van de Wet luchtvaart,
d. d. de artikelen 24 en 25 van de Spoorwegwet, e. e.
artikel 8 van de Wet lokaal spoor,
f. f.
artikel 4 van de Mijnbouwwet,
g. g.
artikel 24 van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden, en
h. h.
artikel 4.2, met uitzondering van onderdeel o,
blijft het oude recht van toepassing op een vordering tot schadevergoeding die is ingesteld binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet en bij toewijzing van die vordering, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
Paragraaf 4.2.7. Overgangsbepalingen nadeelcompensatie
Artikel 4.17
1.
Het oude recht blijft van toepassing op een verzoek om schadevergoeding dat wordt ingediend binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als voor de inwerkingtreding van die wet schade is veroorzaakt door:
a. a. een beschikking als bedoeld in artikel 40, elfde lid, onder a, van de Mijnbouwwet, b. b. een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet of een weigering van die vergunning, c. c. een beschikking als bedoeld in artikel 8 van de Ontgrondingenwet, d. d. een tracébesluit als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Tracéwet, e. e. een beschikking als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, f. f. een beschikking als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer voor zover het gaat om artikel 10.52 van die wet, een beschikking als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer of een bepaling als bedoeld in artikel 15.21, eerste lid, aanhef en onder a, van die wet, of g. g. een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, onder g, van de Wet ruimtelijke ordening.
2.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
a. a. een aanvraag om een besluit als bedoeld in het eerste lid is ingediend, b. b. een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit als bedoeld in het eerste lid ter inzage is gelegd, of c. c. voor een ambtshalve te nemen besluit als bedoeld in het eerste lid toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht,
en het besluit wordt vastgesteld na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding, veroorzaakt door dat besluit, als dat is ingediend binnen vijf jaar nadat het besluit is vastgesteld.
3. Het oude recht blijft van toepassing op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
4. Afdeling 4.1 is in die gevallen niet van toepassing.
Artikel 4.18
1.
Het oude recht blijft van toepassing op een verzoek om schadevergoeding dat wordt ingediend binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als voor de inwerkingtreding van die wet schade is veroorzaakt door:
a. a. een onherroepelijk besluit of plan als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding, b. b. een onherroepelijk besluit als bedoeld in artikel 8.4, 8.15, 8.43, eerste lid, 8.70, eerste lid, of 10.15, eerste lid, van de Wet luchtvaart in samenhang met artikel 8.31 van die wet, c. c. een onherroepelijk besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening.
2.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
a. a. een aanvraag om een besluit als bedoeld in het eerste lid is ingediend, b. b. een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit als bedoeld in het eerste lid ter inzage is gelegd, of c. c. voor een ambtshalve te nemen besluit als bedoeld in het eerste lid toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of een ambtshalve te nemen besluit is bekendgemaakt,
en het besluit onherroepelijk wordt na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding, veroorzaakt door dat besluit, als dat is ingediend binnen vijf jaar nadat het besluit is vastgesteld.
3. Het oude recht blijft van toepassing op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
4. Afdeling 4.1 is in die gevallen niet van toepassing.
Artikel 4.19
1. Het oude recht blijft van toepassing op een verzoek om schadevergoeding dat wordt ingediend binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als voor de inwerkingtreding van die wet schade is veroorzaakt door het van kracht worden van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, onder a, b, e of f, van de Wet ruimtelijke ordening.
2.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:
a. a. een aanvraag om een besluit als bedoeld in het eerste lid is ingediend, of b. b. een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit als bedoeld in het eerste lid ter inzage is gelegd,
en het besluit van kracht wordt na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding, veroorzaakt door dat besluit, als dat is ingediend binnen vijf jaar nadat het besluit van kracht is geworden.
3. Het oude recht blijft van toepassing op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
4. Afdeling 4.1 is in die gevallen niet van toepassing.
Artikel 4.20
1. Het oude recht blijft van toepassing op een verzoek om schadevergoeding dat wordt ingediend binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als voor de inwerkingtreding van die wet schade is veroorzaakt door de aanhouding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening.
2. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit als bedoeld in het eerste lid is ingediend en dat besluit wordt na de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangehouden, blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding, veroorzaakt door de aanhouding van dat besluit, als dat is ingediend binnen vijf jaar na de terinzagelegging van het vastgestelde bestemmingsplan.
3. Het oude recht blijft van toepassing op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
4. Afdeling 4.1 is in die gevallen niet van toepassing.
Artikel 4.21
1. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet schade is veroorzaakt door de uitoefening van een taak of bevoegdheid als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet, blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding dat wordt ingediend binnen vijf jaar nadat de schade zich heeft geopenbaard of de benadeelde redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de schade, maar in ieder geval binnen twintig jaar na de schadeveroorzakende gebeurtenis.
2. Het oude recht blijft van toepassing op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
3. Afdeling 4.1 is in die gevallen niet van toepassing.
Paragraaf 4.2.8. Overgangsbepalingen bestuurlijke sanctiebesluiten
Artikel 4.22
Deze paragraaf is van toepassing op de handhaving van:
a. a. het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, b. b. het bepaalde bij of krachtens de
1°.
Waterwet
2°.
Kernenergiewet,
3°.
Monumentenwet 1988, voor zover van kracht overeenkomstig artikel 9.1 van de Erfgoedwet,
4°.
Ontgrondingenwet,
5°.
Wet bescherming Antarctica,
6°.
Wet bodembescherming,
7°.
Wet geluidhinder,
8°.
Wet inzake de luchtverontreiniging,
9°.
Wet milieubeheer,
10°.
Wet natuurbescherming,
11°.
Wet ruimtelijke ordening,
12°.
Woningwet,
voor zover bij of krachtens die wetten is bepaald dat hoofdstuk 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is,
1°. 1°.
Waterwet
2°. 2°.
Kernenergiewet,
3°. 3°.
Monumentenwet 1988, voor zover van kracht overeenkomstig artikel 9.1 van de Erfgoedwet,
4°. 4°.
Ontgrondingenwet,
5°. 5°.
Wet bescherming Antarctica,
6°. 6°.
Wet bodembescherming,
7°. 7°.
Wet geluidhinder,
8°. 8°.
Wet inzake de luchtverontreiniging,
9°. 9°.
Wet milieubeheer,
10°. 10°.
Wet natuurbescherming,
11°. 11°.
Wet ruimtelijke ordening,
12°. 12°.
Woningwet,
c. c. de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden, d. d. artikel 92a en artikel 120 van de Woningwet, voor zover dit laatstgenoemde artikel gaat om regels die voortvloeien uit richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen van de Woningwet, e. e. het bepaalde bij of krachtens de als gevolg van deze wet vervallen gedeelten van:
1°.
de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
2°.
de Spoorwegwet,
3°.
de Wet lokaal spoor,
4°.
de Wet luchtvaart,
5°.
de Mijnbouwwet,
1°. 1°. de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, 2°. 2°. de Spoorwegwet, 3°. 3°. de Wet lokaal spoor, 4°. 4°. de Wet luchtvaart, 5°. 5°. de Mijnbouwwet, f. f. een gedoogplicht bij of krachtens:
1°.
de artikelen 9 en 10 van de Waterstaatswet 1900,
2°.
artikel 7, eerste lid, onder b, van de Drinkwaterwet,
3°.
artikel 20, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998,
4°.
artikel 39a van de Gaswet,
5°.
artikel 38 van de Warmtewet,
6°.
artikel 23, eerste lid, van de Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag.
1°. 1°. de artikelen 9 en 10 van de Waterstaatswet 1900, 2°. 2°.
artikel 7, eerste lid, onder b, van de Drinkwaterwet,
3°. 3°.
artikel 20, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998,
4°. 4°.
artikel 39a van de Gaswet,
5°. 5°.
artikel 38 van de Warmtewet,
6°. 6°.
artikel 23, eerste lid, van de Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag.
Artikel 4.23
1.
Als voor de inwerkingtreding van afdeling 18.1 van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor de inwerkingtreding van die afdeling een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:
a. a. de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd, b. b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen, of c. c. als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom:
1°.
de last volledig is uitgevoerd,
2°.
de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of
3°.
de last is opgeheven.
1°. 1°. de last volledig is uitgevoerd, 2°. 2°. de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of 3°. 3°. de last is opgeheven.
2. Afdeling 4.1 is in die gevallen niet van toepassing.
Paragraaf 4.2.9. Overgangsbepalingen landelijke voorziening
Artikel 4.24
1. De landelijke voorziening, bedoeld in artikel 7.6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, blijft tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in stand om de ingediende aanvragen, bedoeld in artikel 4.3, te kunnen verwerken.
2. Het oude recht blijft tot dat tijdstip op die voorziening van toepassing.
Artikel 4.25
1.
De landelijke voorziening, die krachtens de Wet ruimtelijke ordening is ingesteld, blijft tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in stand om de daarin opgenomen visies, plannen, besluiten en verordeningen:
a. a. te raadplegen, b. b. te wijzigen op grond van artikel 4.4 of 4.6, tweede lid, c. c. voor zover daarin regels voor een locatie zijn opgenomen, gedeeltelijk te laten vervallen op grond van artikel 22.6, tweede lid, van de Omgevingswet, en d. d. beschikbaar en toegankelijk te houden via www.ruimtelijkeplannen.nl en het unieke identificatienummer.
2. Het oude recht blijft tot dat tijdstip op die voorziening van toepassing.
Afdeling 4.3. Overgangsbepalingen per ingetrokken of gewijzigde wet
Paragraaf 4.3.1. Overgangsbepalingen
Artikel 4.26
1. Een erkenning van het openbaar belang van een openbaar werk als bedoeld in artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht die onherroepelijk is, geldt als grondslag voor het opleggen van een gedoogplichtbeschikking als bedoeld in artikel 10.21, eerste lid, van de Omgevingswet.
2. Een bevel tot verplaatsing als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht dat onherroepelijk is, geldt als een wijziging van de gedoogplichtbeschikking als bedoeld in artikel 10.23, eerste lid, van de Omgevingswet.
3. Een gedoogplichtbeschikking als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht die onherroepelijk is, geldt als een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.24 van de Omgevingswet.
4. Een gedoogplicht als bedoeld in artikel 11 van de Belemmeringenwet Privaatrecht die onherroepelijk is, geldt als een gedoogplichtbeschikking als bedoeld in artikel 10.20 van de Omgevingswet.
Artikel 4.27
1. Als voor de inwerkingtreding van afdeling 10.3 van de Omgevingswet mededeling is gedaan en kennis is gegeven van de terinzagelegging in overeenstemming met artikel 2, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, blijft het oude recht van toepassing tot een besluit als bedoeld in artikel 1, 2, vijfde lid, of 3, tweede lid, van die wet onherroepelijk is.
2. Afdeling 4.1 is in dat geval niet van toepassing.
Paragraaf 4.3.2. Overgangsbepalingen
Artikel 4.28
1.
Als de in artikel 2.3, zevende lid, van de Crisis- en herstelwet bedoelde termijn van tien jaar is verstreken en op dat moment niet wordt voldaan aan een wettelijk voorschrift gesteld bij of krachtens een in artikel 23.3, eerste lid, van de Omgevingswet genoemde wet:
a. a. neemt degene die het experiment uitvoert de nodige maatregelen om zo spoedig mogelijk alsnog aan dat voorschrift te voldoen, en b. b. kan het college van burgemeester en wethouders een aanwijzing geven tot het treffen van maatregelen als bedoeld onder a.
2. Als de te nemen maatregelen niet toereikend zijn, kan Onze Minister besluiten om het experiment te beëindigen. Aan dat besluit kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 4.29
Op een provinciaal inpassingsplan als bedoeld in artikel 2.3a van de Crisis- en herstelwet zijn de artikelen 4.28, 4.104 en 4.105 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.30
Experimenten die op grond van artikel 2.4 van de Crisis- en herstelwet zijn aangewezen en waarvan de tijdsduur niet is verstreken, berusten na de inwerkingtreding van de Omgevingswet op artikel 23.3 van de Omgevingswet.
Artikel 4.31
Een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, of 2.10a van de Crisis- en herstelwet dat onherroepelijk is, geldt als een omgevingsvergunning voor een tot het project behorende activiteit als bedoeld in afdeling 5.1 van de Omgevingswet.
Paragraaf 4.3.3. Overgangsbepaling
Artikel 4.32
1. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor de aanleg of uitbreiding van een installatie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, voor de uitbreiding van een installatie als bedoeld in het tweede lid van dat artikel of voor de uitbreiding van het net, bedoeld in artikel 20a, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 ter voorbereiding van een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening een voorbereidingsbesluit is bekendgemaakt, kan voor die aanleg of uitbreiding binnen een periode van een jaar en zes maanden na die inwerkingtreding een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswet worden bekendgemaakt.
2. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor de aanleg of uitbreiding van een installatie als bedoeld in artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 ter voorbereiding van een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening een voorbereidingsbesluit is bekendgemaakt, kan voor die aanleg of uitbreiding binnen een periode van een jaar en zes maanden na die inwerkingtreding een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswet worden bekendgemaakt.
Paragraaf 4.3.4. Overgangsbepalingen
Artikel 4.33
Tot het moment van inschrijving in het rijksmonumentenregister, bedoeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet, of tot het moment dat vaststaat dat het monument of archeologisch monument niet in dit register wordt ingeschreven, wordt voor de toepassing van de Omgevingswet onder voorbeschermd rijksmonument ook verstaan een monument of archeologisch monument waarop artikel 9.3, eerste lid, onder a, van de Erfgoedwet van toepassing is.
Artikel 4.34
Als het besluit op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, niet onherroepelijk is, blijft het oude recht met uitzondering van artikel 17, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt, als de aanvraag is ingediend voor de inwerkingtreding van afdeling 5.1 van de Omgevingswet.
Artikel 4.35
1. Een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, geldt als een instructie als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet, waardoor in het omgevingsplan blijvend wordt voorzien in een beschermingsregime voor het stads- of dorpsgezicht dat is omschreven in die aanwijzing.
2.
Tot het omgevingsplan onherroepelijk voorziet in:
a. a. een verbod op het slopen van in ieder geval de bouwwerken van een stads- of dorpsgezicht die maken dat de groep van onroerende zaken van algemeen belang is wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde, en b. b. op de karakteristieken van het beschermde stads- of dorpsgezicht afgestemde beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit,
is voor het slopen een vergunning vereist voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet en is de weigeringsgrond, bedoeld in artikel 2.16 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van overeenkomstige toepassing.
3. Als een aanwijzing of intrekking als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, niet van kracht is, blijft het oude recht van toepassing als voor de inwerkingtreding van afdeling 2.5 van de Omgevingswet een voorstel als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, is verzonden.
Artikel 4.36
1. Als voor de inwerkingtreding van afdeling 19.2 van de Omgevingswet voorschriften zijn gegeven of is gelast dat een werk voor bepaalde of onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk wordt stilgelegd als bedoeld in artikel 56 van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, blijft het oude recht van toepassing.
2. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet schade is veroorzaakt door een maatregel als bedoeld in artikel 56 of 57 van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, blijft het oude recht van toepassing.
3. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een rechtsvordering tot vergoeding van schade op grond van artikel 59 van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, is ingediend, blijft het oude recht van toepassing tot het tijdstip waarop het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, en bij toewijzing van die vordering, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.
Paragraaf 4.3.5. Overgangsbepaling
Artikel 4.37
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor de aanleg of uitbreiding van een net of installatie als bedoeld in artikel 39b, eerste lid, van de Gaswet ter voorbereiding van een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening een voorbereidingsbesluit is bekendgemaakt, kan voor die aanleg of uitbreiding binnen een periode van een jaar en zes maanden na die inwerkingtreding een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswet worden bekendgemaakt.
Paragraaf 4.3.6. Overgangsbepaling
Artikel 4.38
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een ontwerpbesluit als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Interimwet stad-en-milieubenadering ter inzage is gelegd en een ontwerp van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd, blijft het oude recht van toepassing tot het besluit, bedoeld in artikel 2 of 3 van die wet, onherroepelijk wordt.
Paragraaf 4.3.7. Overgangsbepaling
Artikel 4.39
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor de aanleg of uitbreiding van een mijnbouwwerk of pijpleiding als bedoeld in artikel 141a, eerste of vierde lid, van de Mijnbouwwet ter voorbereiding van een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening een voorbereidingsbesluit is bekendgemaakt, kan voor die aanleg of uitbreiding binnen een periode van een jaar en zes maanden na die inwerkingtreding een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswet worden bekendgemaakt.
Paragraaf 4.3.8. Overgangsbepalingen
Artikel 4.40
Het bepaalde bij of krachtens artikel 21f van de Ontgrondingenwet over de heffing blijft van toepassing op belastbare feiten als bedoeld in dat artikel die zich voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben voorgedaan.
Artikel 4.41
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet kosten zijn gemaakt als bedoeld in artikel 27 van de Ontgrondingenwet, blijft het oude recht van toepassing tot het tijdstip waarop:
a. a. het besluit tot oplegging van een verplichting tot vergoeding van die kosten of het besluit tot invordering van die kosten onherroepelijk wordt, of b. b. de verschuldigde kosten volledig zijn betaald.
Paragraaf 4.3.9. Overgangsbepalingen
Artikel 4.42
Een startbeslissing als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Tracéwet waarvan kennis is gegeven, geldt als een voornemen als bedoeld in artikel 5.47, eerste lid, van de Omgevingswet. De artikelen 5.47, derde en vierde lid, en 5.48, tweede en derde lid, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing.
Artikel 4.43
1. Een ontwerp van een structuurvisie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Tracéwet waarvan kennis is gegeven, geldt als een ontwerp van een voorkeursbeslissing als bedoeld in artikel 5.49 van de Omgevingswet.
2. Een structuurvisie als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Tracéwet waarvan kennis is gegeven, geldt als een voorkeursbeslissing als bedoeld in artikel 5.49 van de Omgevingswet.
Artikel 4.44
1. Als voor de inwerkingtreding van afdeling 5.2 van de Omgevingswet een ontwerptracébesluit ter inzage is gelegd, blijft het oude recht van toepassing tot het tracébesluit onherroepelijk wordt.
2. Als het tracébesluit wordt vastgesteld na de inwerkingtreding van afdeling 5.2 van de Omgevingswet, hoeft geen toepassing te worden gegeven aan artikelen 10, eerste lid, onder f, van de Tracéwet.
Artikel 4.45
1. Artikel 4.44 is van overeenkomstige toepassing op door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat bij ministeriële regeling aan te wijzen projecten waarvan van de beslissing als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Tracéwet voor de inwerkingtreding van afdeling 5.2 van de Omgevingswet kennis is gegeven en waarvan de verkenning in een vergevorderd stadium is, als voor het project binnen een jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een ontwerptracébesluit ter inzage is gelegd.
2. Artikel 4.44 is van overeenkomstige toepassing op door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat bij ministeriële regeling aan te wijzen projecten die op grond van artikel III, tweede lid, van de Wet van 1 december 2011 tot wijziging van de Tracéwet met het oog op de versnelling en verbetering van besluitvorming over infrastructurele projecten (Stb. 2011, 595) zijn aangewezen en waarvan de verkenning in een vergevorderd stadium is, als voor het project binnen een jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een ontwerptracébesluit ter inzage is gelegd.
3. Voor de op grond van het tweede lid aangewezen projecten kan na het in dat lid bedoelde tijdstip een ontwerp van een projectbesluit ter inzage worden gelegd. De artikelen 5.47 tot en met 5.49 van de Omgevingswet zijn niet van toepassing.
Artikel 4.46
Op de tracébesluiten voor de Blankenburgverbinding en de ViA15, bedoeld in artikel 3 van de Wet tijdelijke tolheffing Blankenburgverbinding en ViA15, die onherroepelijk zijn, blijft die wet van toepassing voor zover de besluiten betrekking hebben op tolheffing.
Artikel 4.47
1.
Een tracébesluit geldt als een projectbesluit waarin uitdrukkelijk is bepaald dat het geldt als:
a. a. een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, voor zover het in strijd is met het omgevingsplan, b. b. een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor zover voor de uitvoering van werken of werkzaamheden op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning kan worden verleend, c. c. een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994, voor zover ter uitvoering van het besluit handelingen worden verricht waarvoor krachtens dat artikel een verkeersbesluit is vereist.
2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op het gebied dat is begrepen in een tracébesluit wordt de omgevingsvergunning geweigerd als de activiteit in strijd is met het projectbesluit, bedoeld in het eerste lid.
3. Voor zover een tracébesluit niet in strijd is met het omgevingsplan, wordt het tracébesluit voor de toepassing van artikel 11.6 van de Omgevingswet als een onteigeningsbelang aangemerkt.
Artikel 4.48
1. Als handelingen waarop het tracébesluit betrekking heeft de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied als bedoeld in de Wet natuurbescherming kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor dat gebied, geldt het tracébesluit als een projectbesluit dat geldt als een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming.
2. Het eerste lid is niet van toepassing als ten aanzien van het project of de andere handeling waarop het tracébesluit betrekking heeft, is voldaan aan artikel 2.9, eerste, tweede, derde of vijfde lid, van de Wet natuurbescherming.
Artikel 4.49
1. Voor het gebied dat is begrepen in een tracébesluit geldt het tracébesluit als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.14, eerste lid, van de Omgevingswet.
2. In afwijking van artikel 4.14, vierde lid, van de Omgevingswet vervallen de voorbeschermingsregels in het omgevingsplan op het tijdstip waarop een omgevingsplan in overeenstemming met het tracébesluit van kracht is geworden.
Artikel 4.50
1. In afwijking van artikel 13, tiende lid, van de Tracéwet, wordt het omgevingsplan, nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden, met het tracébesluit in overeenstemming gebracht uiterlijk op het in artikel 22.5 van de Omgevingswet bedoelde tijdstip, of uiterlijk vijf jaar na het onherroepelijk worden van het tracébesluit, als het tracébesluit korter dan vijf jaar voor bedoeld tijdstip onherroepelijk is geworden. Artikel 2.8 van de Omgevingswet is van toepassing.
2. Voor zover een ontwerp van een omgevingsplan zijn grondslag vindt in het tracébesluit kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat deel van het ontwerpplan.
3. Zolang het omgevingsplan nog niet in overeenstemming is met het tracébesluit verleent het college van burgemeester en wethouders aan degenen die inzage verlangen in dat plan ook inzage in het tracébesluit.
Artikel 4.51
Op de coördinatie van besluiten ter uitvoering van een tracébesluit is artikel 16.7 van de Omgevingswet van toepassing, tenzij het gaat om besluiten waarvoor al toepassing is gegeven aan artikel 20 van de Tracéwet. Artikel 16.87, derde lid, van de Omgevingswet is van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 4.3.10. Overgangsbepalingen
Artikel 4.52
Een leidraad als bedoeld in artikel 2.6 van de Waterwet die van kracht is, geldt als een leidraad als bedoeld in artikel 2.19, tweede lid, onder d, van de Omgevingswet.
Artikel 4.53
Een kaart als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Waterwet die van kracht is, geldt als een kaart als bedoeld in artikel 20.17, eerste lid, onder b, van de Omgevingswet.
Artikel 4.54
1. Een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.12 van de Waterwet die onherroepelijk is en waaraan nog niet uitvoering is gegeven op de wijze aangegeven in die aanwijzing, geldt als een instructie aan het waterschapsbestuur als bedoeld in artikel 2.33, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet.
2. Een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.12 van de Waterwet die onherroepelijk is en die betrekking heeft op een projectplan vastgesteld in overeenstemming met paragraaf 5.2 van de Waterwet, en waaraan nog niet uitvoering is gegeven op de wijze aangegeven in die aanwijzing, geldt als een instructie aan het dagelijks bestuur van een waterschap als bedoeld in artikel 2.33, tweede lid, onder c, van de Omgevingswet.
3. Als een aanwijzing als bedoeld in het eerste of tweede lid niet onherroepelijk is, blijft het oude recht daarop van toepassing als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet het waterschapsbestuur of het dagelijks bestuur van het waterschap van het voornemen tot het geven van de aanwijzing in kennis is gesteld.
Artikel 4.55
1. Een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.13 van de Waterwet die onherroepelijk is en waaraan nog niet uitvoering is gegeven op de wijze aangegeven in die aanwijzing, geldt als een instructie aan het provinciebestuur of het waterschapsbestuur als bedoeld in artikel 2.34, derde lid, van de Omgevingswet.
2. Als een aanwijzing niet onherroepelijk is, blijft het oude recht daarop van toepassing als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet het waterschapsbestuur of het provinciebestuur van het voornemen tot het geven van de aanwijzing in kennis is gesteld.
Artikel 4.56
1. Een stroomgebiedbeheerplan als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onder a, van de Waterwet, dat strekt ter uitvoering van artikel 13 van de kaderrichtlijn water, en van kracht is, geldt als een stroomgebiedsbeheerplan voor het betreffende stroomgebiedsdistrict als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet.
2. Het deel van het nationale waterplan, bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, onder d, van de Waterwet, dat strekt ter uitvoering van de artikelen 7 en 8 van de richtlijn overstromingsrisico's, en van kracht is, geldt als een overstromingsrisicobeheerplan als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet.
3. Het deel van het nationale waterplan, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onder b, van de Waterwet, dat strekt ter uitvoering van de artikelen 13 en 14 van de kaderrichtlijn mariene strategie, en van kracht is, geldt als een programma van maatregelen mariene strategie als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder c, van de Omgevingswet.
4. Het deel van het nationale waterplan, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, onder b, van de Waterwet, dat strekt ter uitvoering van artikel 4 van de kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning, en van kracht is, geldt als een maritiem ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder d, van de Omgevingswet.
5. De delen van het nationale waterplan, bedoeld in artikel 4.1 van de Waterwet, die niet in de voorgaande leden zijn genoemd, die een uitwerking zijn van het te voeren waterbeleid en van kracht zijn, gelden als het nationaal waterprogramma, bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder e, van de Omgevingswet.
6. Als een plan of een deel ervan als bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid niet van kracht is, blijft het oude recht daarop van toepassing als voor de inwerkingtreding van artikel 3.9 van de Omgevingswet een ontwerp daarvan ter inzage is gelegd.
Artikel 4.57
1. Het deel van een regionaal waterplan als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, van de Waterwet, dat een uitwerking is van het te voeren waterbeleid, en van kracht is, geldt als een regionaal waterprogramma als bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, van de Omgevingswet.
2. Als een regionaal waterplan niet van kracht is, blijft het oude recht van toepassing als voor de inwerkingtreding van artikel 3.8 van de Omgevingswet een ontwerp daarvan ter inzage is gelegd.
Artikel 4.58
1. Een beheerplan als bedoeld in artikel 4.6 van de Waterwet dat betrekking heeft op regionale wateren, en van kracht is, geldt als een waterbeheerprogramma als bedoeld in artikel 3.7 van de Omgevingswet.
2. Een beheerplan als bedoeld in artikel 4.6 van de Waterwet dat betrekking heeft op rijkswateren, en van kracht is, geldt als een deel van het nationale waterprogramma als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, onder e, van de Omgevingswet.
3. Als een beheerplan niet van kracht is, blijft het oude recht van toepassing als voor de inwerkingtreding van artikel 3.7 respectievelijk 3.9 van de Omgevingswet een ontwerp daarvan ter inzage is gelegd.
Artikel 4.59
Een legger als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, eerste zin, van de Waterwet die van kracht is, geldt, voor zover daarin niet de ligging van een beschermingszone is aangegeven, als een legger als bedoeld in artikel 2.39, eerste lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.60
Een bij provinciale verordening gegeven vrijstelling van de verplichting tot vaststelling van een legger als bedoeld in artikel 5.1, derde lid, tweede zin, van de Waterwet die van kracht is, geldt tot de inwerkingtreding van een vrijstelling van de verplichting tot vaststelling van een legger voor deze waterstaatswerken als bedoeld in artikel 2.39, vierde lid, van de Omgevingswet of tot het tijdstip waarop blijkt dat daarvoor geen vrijstelling wordt verleend.
Artikel 4.61
1. Een peilbesluit als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Waterwet van het waterschapsbestuur of het bevoegde bestuursorgaan van een ander openbaar lichaam, dat onherroepelijk is, geldt als een peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41, eerste lid, van de Omgevingswet.
2. Een peilbesluit als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Waterwet van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, dat onherroepelijk is, geldt als een peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41, tweede lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.62
1. Een projectplan van een waterschap als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet dat onherroepelijk is, geldt voor zover de in het projectplan omschreven activiteit onder de Omgevingswet vergunningplichtig is, als een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3 van de Omgevingswet voor die activiteit.
2. Als een projectplan niet onherroepelijk is, blijft het oude recht daarop van toepassing als een ontwerp daarvan voor de inwerkingtreding van afdeling 5.1 van de Omgevingswet ter inzage is gelegd.
3. Een vastgesteld projectplan wordt, voor zover na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onteigening plaatsvindt ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de in het projectplan omschreven activiteit, voor de toepassing van artikel 11.6 van de Omgevingswet als een onteigeningsbelang aangemerkt.
4. Als de voorbereiding van een projectplan dat wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangevangen, geen ontwerp van het projectplan ter inzage is gelegd en is voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 5.47 en 5.48 van de Omgevingswet gestelde vereisten, kan een ontwerp van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswet ter inzage worden gelegd.
5. Als de voorbereiding van een projectplan dat wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet in een vergevorderd stadium is, geen ontwerp van het projectplan ter inzage is gelegd en is voldaan aan artikel 5.48, eerste lid, van de Omgevingswet, kan binnen een periode van een jaar en zes maanden na dat tijdstip een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswet worden vastgesteld.
Artikel 4.63
1. Een projectplan van het Rijk als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet dat onherroepelijk is, geldt voor zover de in het projectplan omschreven activiteit onder de Omgevingswet vergunningplichtig is, als een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, onder 2°, van de Omgevingswet voor die activiteit.
2. Als een projectplan niet onherroepelijk is, blijft het oude recht daarop van toepassing als een ontwerp daarvan voor de inwerkingtreding van afdeling 5.1 van de Omgevingswet ter inzage is gelegd.
3. Een vastgesteld projectplan wordt, voor zover na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onteigening plaatsvindt ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de in het projectplan omschreven activiteit, voor de toepassing van artikel 11.6 van de Omgevingswet als een onteigeningsbelang aangemerkt.
4. Als de voorbereiding van een projectplan dat wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangevangen, geen ontwerp van het projectplan ter inzage is gelegd en is voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 5.47 en 5.48 van de Omgevingswet gestelde vereisten, kan een ontwerp van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswet ter inzage worden gelegd.
5. Als de voorbereiding van een projectplan dat wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet in een vergevorderd stadium is, geen ontwerp van het projectplan ter inzage is gelegd en is voldaan aan artikel 5.48, eerste lid, van de Omgevingswet, kan binnen een periode van een jaar en zes maanden na dat tijdstip een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswet worden vastgesteld.
Artikel 4.64
1. Een projectplan van een waterschap als bedoeld in artikel 5.4 van de Waterwet, waarop de procedure van paragraaf 5.2 van die wet van toepassing is, en dat onherroepelijk is, geldt voor zover de in het projectplan omschreven activiteit onder de Omgevingswet vergunningplichtig is, ook als een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3 van de Omgevingswet voor die activiteit. In dat geval blijven de artikelen 5.8 tot en met 5.14 van de Waterwet gelden tot de activiteit, genoemd in de omgevingsvergunning, ten uitvoer is gelegd.
2. Als een projectplan niet onherroepelijk is, blijft het oude recht daarop van toepassing als het ontwerp daarvan voor de inwerkingtreding van afdeling 5.2 van de Omgevingswet ter inzage is gelegd.
3. Een vastgesteld projectplan wordt, voor zover na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onteigening plaatsvindt ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de in het projectplan omschreven activiteit, voor de toepassing van artikel 11.6 van de Omgevingswet als een onteigeningsbelang aangemerkt.
4. Als de voorbereiding van een projectplan voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangevangen, geen ontwerp van het projectplan ter inzage is gelegd en is voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 5.47 en 5.48 van de Omgevingswet gestelde vereisten, kan een ontwerp van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswet ter inzage worden gelegd.
5. Als de voorbereiding van een projectplan voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet in een vergevorderd stadium is, geen ontwerp van het projectplan ter inzage is gelegd en is voldaan aan artikel 5.48, eerste lid, van de Omgevingswet, kan binnen een periode van een jaar en zes maanden na dat tijdstip een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswet worden vastgesteld.
Artikel 4.65
1. Een projectplan van het Rijk als bedoeld in artikel 5.4 van de Waterwet, waarop de procedure van paragraaf 5.2 van die wet van toepassing is, en dat onherroepelijk is, geldt voor zover de in het projectplan omschreven activiteit onder de Omgevingswet vergunningplichtig is, als een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, onder 2°, van de Omgevingswet voor die activiteit. In dat geval blijven de artikelen 5.8 tot en met 5.14 van de Waterwet gelden tot de activiteit, genoemd in de omgevingsvergunning, ten uitvoer is gelegd.
2. Als een projectplan niet onherroepelijk is, blijft het oude recht daarop van toepassing als het ontwerp daarvan voor de inwerkingtreding van afdeling 5.2 van de Omgevingswet ter inzage is gelegd.
3. Een vastgesteld projectplan wordt, voor zover na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onteigening plaatsvindt ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de in het projectplan omschreven activiteit, voor de toepassing van artikel 11.6 van de Omgevingswet als een onteigeningsbelang aangemerkt.
4. Als de voorbereiding van een projectplan voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangevangen, geen ontwerp van het projectplan ter inzage is gelegd en is voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 5.47 en 5.48 van de Omgevingswet gestelde vereisten, kan een ontwerp van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswet ter inzage worden gelegd.
5. Als de voorbereiding van een projectplan voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet in een vergevorderd stadium is, geen ontwerp van het projectplan ter inzage is gelegd en is voldaan aan artikel 5.48, eerste lid, van de Omgevingswet, kan binnen een periode van een jaar en zes maanden na dat tijdstip een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswet worden vastgesteld.
Artikel 4.66
1. Een maatregel als bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, van de Waterwet die van kracht is en die nog niet volledig ten uitvoer is gelegd, geldt als een maatregel als bedoeld in artikel 19.4, eerste lid, van de Omgevingswet.
2. Een bevel als bedoeld in artikel 5.16 van de Waterwet dat van kracht is en dat nog niet volledig is opgevolgd, geldt als een aanwijzing als bedoeld in artikel 19.4, tweede lid, van de Omgevingswet.
3. Een maatregel of voorziening als bedoeld in artikel 5.17, eerste lid, van de Waterwet die van kracht is en die nog niet volledig ten uitvoer is gelegd, geldt als een maatregel als bedoeld in artikel 19.4, eerste lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.67
1. Een calamiteitenplan als bedoeld in artikel 5.29 van de Waterwet, dat van kracht is, geldt als een calamiteitenplan als bedoeld in artikel 19.14 van de Omgevingswet.
2. Als een ontwerp van een calamiteitenplan voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor commentaar is gezonden aan de besturen van de veiligheidsregio als bedoeld in artikel 5.29, derde lid, van de Waterwet, blijft het oude recht van toepassing tot het calamiteitenplan van kracht wordt.
Artikel 4.68
1. Een maatregel als bedoeld in artikel 5.30 van de Waterwet die van kracht is en die nog niet volledig ten uitvoer is gelegd, geldt als een maatregel als bedoeld in artikel 19.15 van de Omgevingswet.
2. Een melding als bedoeld in artikel 5.30, tweede of derde lid, van de Waterwet die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is gedaan, geldt als een melding als bedoeld in artikel 19.15, tweede lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.69
1. Een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.12 van de Waterwet die met toepassing van artikel 5.31, eerste lid, van die wet, aan het bestuur van een waterschap is gegeven en onherroepelijk is, en waaraan nog niet uitvoering is gegeven op de wijze aangegeven in die aanwijzing, geldt als een instructie aan het waterschapsbestuur als bedoeld in artikel 19.16, eerste lid, van de Omgevingswet.
2. Een aanwijzing van de commissaris van de Koning in de provincie als bedoeld in artikel 3.12 van de Waterwet die met toepassing van artikel 5.31, tweede lid, van die wet, aan het bestuur van een waterschap is gegeven en onherroepelijk is, en waaraan nog niet uitvoering is gegeven op de wijze aangegeven in die aanwijzing, geldt als een instructie aan het waterschapsbestuur als bedoeld in artikel 19.16, tweede lid, van de Omgevingswet.
3. Als een aanwijzing als bedoeld in het eerste of tweede lid niet onherroepelijk is, blijft het oude recht daarop van toepassing tot zij onherroepelijk wordt als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet het bestuur van het waterschap van het voornemen tot het geven van de aanwijzing in kennis is gesteld.
Artikel 4.70
1. Een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.13 van de Waterwet die met toepassing van artikel 5.31, derde lid, van die wet aan gedeputeerde staten in de provincie is gegeven en onherroepelijk is, en waaraan nog niet uitvoering is gegeven op de wijze aangegeven in die aanwijzing, geldt als een instructie aan het provinciebestuur als bedoeld in 2.34, derde lid, van de Omgevingswet.
2. Als een aanwijzing niet onherroepelijk is, blijft het oude recht daarop van toepassing tot zij onherroepelijk wordt als voor de inwerkingtreding van paragraaf 2.5.2 van de Omgevingswet gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning in de provincie van het voornemen tot het geven van de aanwijzing in kennis zijn of is gesteld.
Artikel 4.71
1. Een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.13 van de Waterwet die met toepassing van artikel 5.31, vierde lid, van die wet aan het bestuur van een waterschap is gegeven en onherroepelijk is, en waaraan nog niet uitvoering is gegeven op de wijze aangegeven in die aanwijzing, geldt als een instructie aan het waterschapsbestuur als bedoeld in artikel 19.16, vierde lid, van de Omgevingswet.
2. Als een aanwijzing niet onherroepelijk is, blijft het oude recht daarop van toepassing tot zij onherroepelijk wordt als voor de inwerkingtreding van afdeling 19.4 van de Omgevingswet het bestuur van het waterschap van het voornemen tot het geven van de aanwijzing in kennis is gesteld.
Artikel 4.72
1. Een verbod als bedoeld in artikel 6.10, eerste lid, van de Waterwet dat onherroepelijk is, geldt als een verbod als bedoeld in artikel 2.40, eerste lid, van de Omgevingswet.
2. Een beperking als bedoeld in artikel 6.10, eerste lid, van de Waterwet die onherroepelijk is, geldt als een beperking als bedoeld in artikel 2.40, eerste lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.73
1. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een vergunning of tot wijziging van een vergunning is ingediend waarop artikel 6.27, eerste lid, van de Waterwet van toepassing is en de aanvraag voor de betrokken andere benodigde vergunning, bedoeld in die bepaling, binnen zes weken na de indiening van de eerstbedoelde aanvraag, maar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend, is op beide aanvragen de Omgevingswet van toepassing.
2. Artikel 4.3 is in dat geval niet van toepassing op de eerstbedoelde aanvraag.
Artikel 4.74
Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 7.7 en 7.8, tweede lid en derde lid, tweede zin, van de Waterwet, blijft van toepassing op de belastingtijdvakken die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn aangevangen.
Artikel 4.75
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet kosten zijn gemaakt als bedoeld in artikel 7.17, tweede lid, van de Waterwet, blijft het oude recht van toepassing tot het tijdstip waarop:
a. a. het besluit tot oplegging van een verplichting tot vergoeding van die kosten of het besluit tot invordering van die kosten onherroepelijk wordt, of b. b. de verschuldigde kosten volledig zijn betaald.
Artikel 4.76
1. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet schade aan een onroerende zaak als bedoeld in artikel 7.18 van de Waterwet is ontstaan, blijft het oude recht van toepassing.
2.
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een vordering:
a. a. op grond van artikel 7.18, tweede lid, van de Waterwet is ingediend, blijft het oude recht van toepassing tot het tijdstip waarop het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en, bij toewijzing van die vordering, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald. b. b. op grond van artikel 7.18, derde lid, van de Waterwet is ingediend, blijft het oude recht van toepassing tot het tijdstip waarop het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en, bij toewijzing van die vordering:
1°.
de eigendom van de onroerende zaak is overgenomen, en
2°.
de overnemingssom volledig is betaald.
1°. 1°. de eigendom van de onroerende zaak is overgenomen, en 2°. 2°. de overnemingssom volledig is betaald.
3. Als het tijdstip waarop de schade aan een onroerende zaak is ontstaan niet of niet binnen een redelijke termijn kan worden vastgesteld, is op de vordering op grond van artikel 7.18, tweede of derde lid, van de Waterwet, de Omgevingswet van toepassing.
Artikel 4.77
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet schade aan waterstaatswerken als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid, van de Waterwet is ontstaan, blijft het oude recht van toepassing op het verhalen van de kosten voor die schade.
Artikel 4.78
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet verontreiniging of aantasting van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 7.22 van de Waterwet is ontstaan en een vordering daarvoor is ingesteld, blijft het oude recht van toepassing op het verhalen van de kosten van die verontreiniging of aantasting.
Paragraaf 4.3.11. Overgangsbepalingen
Artikel 4.79
1. Op de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag met betrekking tot de eerste fase van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn de artikelen 2.5, vijfde, zesde en achtste lid, en 6.3 van die wet niet van toepassing, als die aanvraag voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend en de beschikking op die aanvraag nog niet onherroepelijk is.
2. Een beschikking waarbij voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet positief en onherroepelijk is beslist op de aanvraag met betrekking tot de eerste fase van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht treedt in werking als op dat tijdstip geen aanvraag is ingediend voor de beschikking met betrekking tot de tweede fase, en geldt die beschikking met betrekking tot de eerste fase als een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit voor zover voor die activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van de Omgevingswet is vereist.
3. Als de aanvraag met betrekking tot de tweede fase van een omgevingsvergunning voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend en een beschikking op die aanvraag nog niet onherroepelijk is, blijft het oude recht van toepassing op de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag met betrekking tot de tweede fase van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
4. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd, blijft het oude recht van toepassing op de voorbereiding en vaststelling van een beschikking tot intrekking als bedoeld in artikel 2.5, vijfde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
5. Afdeling 4.1 is in die gevallen niet van toepassing.
Artikel 4.80
Een melding dat een omgevingsvergunning gaat gelden voor een ander dan de aanvrager of vergunninghouder als bedoeld in artikel 2.25, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, geldt als een verstrekking van informatie als bedoeld in artikel 5.37, tweede lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.80a
1.
Als voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanhoudingsplicht is ontstaan op grond van artikel 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen bestemmingsplan of inpassingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd, duurt die aanhoudingsplicht totdat:
a. a. voor een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.49, eerste lid: de termijn, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, is verstreken, b. b. voor een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103, tweede lid: de termijn, bedoeld in artikel 4.14, vierde lid, van de Omgevingswet is verstreken, c. c. voor een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103, derde of vierde lid, of 4.104, tweede lid: de termijn, bedoeld in artikel 4.16, vijfde lid, van de Omgevingswet is verstreken, d. d. voor een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.104a, tweede lid: de termijn, bedoeld in de tweede zin van dat artikellid, is verstreken, e. e. voor een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht: het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht in werking is getreden.
2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, is artikel 4.3 als het gaat om de regeling van de duur van de aanhoudingsplicht in artikel 3.3, tweede lid, aanhef en onder a, en vijfde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en in artikel 8.9, tweede lid, van de Wet luchtvaart niet van toepassing.
Artikel 4.81
1. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een omgevingsvergunning of tot wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning is ingediend als bedoeld in artikel 3.16 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de aanvraag om verlening of wijziging van de vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet is ingediend binnen de in artikel 3.18, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht genoemde termijn van zes weken na de indiening van de eerstbedoelde aanvraag, maar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is op beide aanvragen de Omgevingswet van toepassing.
2. Artikel 4.3 is in dat geval niet van toepassing op de eerstbedoelde aanvraag.
Artikel 4.81a
1. Regels als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht die van kracht zijn, gelden als regels als bedoeld in artikel 18.20, derde lid, van de Omgevingswet.
2. Regels als bedoeld in artikel 5.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht die zijn vastgesteld door de gemeenteraad en van kracht zijn, gelden als regels als bedoeld in artikel 18.23, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.
Paragraaf 4.3.12. Overgangsbepalingen
Artikel 4.82
1. Een verbod als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, dat onherroepelijk is, geldt als een verbod als bedoeld in artikel 2.40, eerste lid, van de Omgevingswet.
2. Een beperking als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken die onherroepelijk is, geldt als een beperking als bedoeld in artikel 2.40, eerste lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.83
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet schade aan waterstaatswerken als bedoeld in artikel 9 van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken is ontstaan, blijft het oude recht van toepassing op het verhalen van de kosten voor die schade.
Paragraaf 4.3.13. Overgangsbepaling
Artikel 4.84
1. Een zwemverbod voor een zwemgelegenheid als bedoeld in artikel 10b, vijfde lid, of artikel 11, eerste, tweede of derde lid, van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden dat onherroepelijk is, geldt als een zwemverbod als bedoeld in artikel 2.38 van de Omgevingswet.
2. Een negatief zwemadvies voor een zwemgelegenheid als bedoeld in artikel 10b, vijfde lid, of artikel 11, eerste, tweede of derde lid, van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden dat onherroepelijk is, geldt als een negatief zwemadvies als bedoeld in artikel 2.38 van de Omgevingswet.
Paragraaf 4.3.13a. Overgangsbepaling
Artikel 4.84a
Artikel 1, aanhef, onder b, onder 4° en 5°, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken, zoals die onderdelen luidden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft tot het in artikel 22.4 van de Omgevingswet bedoelde tijdstip van toepassing op beperkingenbesluiten als bedoeld in die onderdelen voor zover het gaat om een schriftelijke handeling op grond van een gemeentelijke verordening respectievelijk een afschrift van een inschrijving op of in een gemeentelijke monumentenlijst of gemeentelijk monumentenregister.
Paragraaf 4.3.14. Overgangsbepaling
Artikel 4.85
Een ruimtelijk profiel voor een lokale spoorweg als bedoeld in artikel 12, zesde lid, van de Wet lokaal spoor, dat is vastgesteld door het dagelijks bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 en van kracht is, geldt als een aanwijzing van het beperkingengebied voor die lokale spoorweg als bedoeld in artikel 12 van de Wet lokaal spoor.
Paragraaf 4.3.15. Overgangsbepalingen
Artikel 4.86
1. Een geluidbelastingkaart als bedoeld in artikel 8a.45, eerste en tweede lid, van de Wet luchtvaart geldt als een geluidbelastingkaart als bedoeld in artikel 20.17, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.
2. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een verzoek als bedoeld in artikel 8a.46, eerste lid, van de Wet luchtvaart is ontvangen, blijft het oude recht van toepassing.
Artikel 4.87
1. Een actieplan als bedoeld in artikel 8a.48 van de Wet luchtvaart geldt als een actieplan als bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, aanhef en onder b, onder 3°, van de Omgevingswet.
2. Als een actieplan niet van kracht is, blijft het oude recht van toepassing als voor de inwerkingtreding van afdeling 3.2 van de Omgevingswet een ontwerpbesluit daarvoor ter inzage is gelegd.
Artikel 4.88
1. Een actieplan als bedoeld in artikel 8a.48 dat met toepassing van artikel 8a.49 van de Wet luchtvaart is vastgesteld, geldt als een actieplan als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Omgevingswet.
2. Als een actieplan niet van kracht is, blijft het oude recht van toepassing als voor de inwerkingtreding van afdeling 3.2 van de Omgevingswet een ontwerpbesluit daarvoor ter inzage is gelegd.
Artikel 4.89
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 4.90
De voorbereidingsprocedures, bedoeld in de artikelen 8.13, 8.24, 8.47, vierde lid, 8.48, 8.71 en 10.18 van de Wet luchtvaart, zijn niet van toepassing op de wijziging van een luchthavenverkeerbesluit of op de wijziging van een luchthavenbesluit die alleen strekt tot aanpassing van dat besluit aan het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.
Artikel 4.91
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Paragraaf 4.3.16. Overgangsbepaling
Artikel 4.92
1. Als een besluit als bedoeld in artikel 43, eerste lid, 47, tweede lid, 48, eerste lid, of 51, eerste of tweede lid, van de Wet inzake de luchtverontreiniging voor de inwerkingtreding van afdeling 19.3 van de Omgevingswet onherroepelijk is, blijft het oude recht van toepassing tot het tijdstip waarop het besluit is ingetrokken of is komen te vervallen.
2. Als een verzoek als bedoeld in artikel 44, 49 of 84 van de Wet inzake de luchtverontreiniging of een verzoek om advies als bedoeld in artikel 45, eerste lid, of 50, eerste lid, van die wet is ingediend voor de inwerkingtreding van afdeling 19.3 van de Omgevingswet, blijft het oude recht van toepassing tot het tijdstip waarop het besluit is ingetrokken of is komen te vervallen.
Paragraaf 4.3.17. Overgangsbepalingen
Artikel 4.93
Een gemeentelijk rioleringsplan als bedoeld in artikel 4.22, eerste lid, van de Wet milieubeheer blijft van kracht tot het tijdstip waarop de periode verstrijkt waarvoor het plan is vastgesteld, of tot het tijdstip waarop het gemeentebestuur besluit dat het plan vervalt.
Artikel 4.94
Een mededeling als bedoeld in artikel 7.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer geldt als een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.95
1. Een mer-beoordelingsbesluit als bedoeld in artikel 7.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer waarvan kennis is gegeven op grond van artikel 7.17, vijfde lid, van die wet geldt als een beoordeling als bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de Omgevingswet.
2. Een mer-beoordelingsbesluit als bedoeld in artikel 7.19, eerste lid, van de Wet milieubeheer waarvan kennis is gegeven op grond van artikel 7.19, vierde lid, van die wet geldt als een beoordeling als bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.96
1. Een ontheffing als bedoeld in artikel 7.4 of 7.5 van de Wet milieubeheer die onherroepelijk is, geldt als een ontheffing als bedoeld in artikel 16.44 van de Omgevingswet.
2. Als een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 7.4 of 7.5 van de Wet milieubeheer voor inwerkingtreding van artikel 16.44 van de Omgevingswet is ingediend, blijft het oude recht van toepassing tot de beslissing op het verzoek onherroepelijk is.
Artikel 4.97
Een geluidsbelastingkaart als bedoeld in artikel 11.6 van de Wet milieubeheer geldt als een geluidbelastingkaart als bedoeld in artikel 20.17, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.
Artikel 4.98
1. Een actieplan als bedoeld in artikel 11.11 van de Wet milieubeheer geldt als een actieplan als bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet.
2. Een actieplan als bedoeld in artikel 11.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer geldt als een actieplan als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, van de Omgevingswet.
3. Een actieplan als bedoeld in artikel 11.12, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt als een actieplan als bedoeld in artikel 3.6 van de Omgevingswet.
Artikel 4.99
Een besluit als bedoeld in artikel 17.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer dat onherroepelijk is, geldt als een beschikking als bedoeld in artikel 19.5, tweede lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.100
Een gemeentelijk plan met maatregelen:
a. a. dat is gericht op het bereiken van een in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, opgenomen grenswaarde op een bij dat plan aangewezen locatie, b. b. dat de gegevens, bedoeld in bijlage XV, deel A, bij Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (PbEU 2008, L 152) bevat, en c. c. dat na de inwerkingtreding van artikel 3.10, eerste lid, van de Omgevingswet van kracht is, geldt als een programma als bedoeld in dat lid.
Artikel 4.101
Het bepaalde bij of krachtens artikel 15.34 van de Wet milieubeheer over de heffing blijft van toepassing op de belastingtijdvakken die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn aangevangen.
Paragraaf 4.3.18. Overgangsbepalingen
Artikel 4.102
Nadere eisen als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet van kracht zijn, gelden als maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 4.5, eerste lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.103
1. Als het ontwerp van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening waarvoor op grond van artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening of artikel 4.2, derde lid, of 4.4, derde lid van die wet, in samenhang met artikel 3.7 van die wet, een voorbereidingsbesluit is genomen, voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, blijft op dat voorbereidingsbesluit het oude recht van toepassing tot het plan van kracht is.
2. Als het ontwerp van een bestemmingsplan niet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, geldt een voorbereidingsbesluit dat op grond van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening is vastgesteld door de gemeenteraad als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.14, eerste lid, van de Omgevingswet. In dat geval loopt de termijn, bedoeld in het vierde lid van dat artikel, vanaf de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet.
3. Als het ontwerp van een bestemmingsplan niet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, geldt een voorbereidingsbesluit dat op grond van artikel 4.2, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is vastgesteld door gedeputeerde staten als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, van de Omgevingswet. In dat geval loopt de termijn, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, af op het moment dat het omgevingsplan in werking treedt of is vernietigd.
4. Als het ontwerp van een bestemmingsplan niet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, geldt een voorbereidingsbesluit dat op grond van artikel 4.4, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening is vastgesteld door Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.16, tweede lid, van de Omgevingswet. In dat geval loopt de termijn, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, af op het moment dat het omgevingsplan in werking treedt of is vernietigd.
Artikel 4.104
1. Als het ontwerp van een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, respectievelijk in artikel 3.28, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening waarvoor op grond van artikel 3.26, tweede lid, respectievelijk 3.28, tweede lid, van die wet, in samenhang met artikel 3.7 van die wet, een voorbereidingsbesluit is genomen, voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, blijft op dat voorbereidingsbesluit het oude recht van toepassing tot het plan van kracht is.
2. Als het ontwerp van een inpassingsplan niet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, geldt dat voorbereidingsbesluit als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.16, eerste respectievelijk tweede lid, van de Omgevingswet. In dat geval loopt de termijn, bedoeld in het vijfde lid van dat artikel, vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 4.104a
1. Voor zover voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet het luchthavenindelingbesluit, bedoeld in artikel 8.4 van de Wet luchtvaart, een luchthavenbesluit als bedoeld in artikel 8.43, eerste lid, 8.70, eerste lid, of 10.15, eerste lid, van die wet, of een besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven als bedoeld in artikel 8a.54, eerste of tweede lid, van die wet geldt als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening en het ontwerp van het bestemmingsplan dat voorziet in het in overeenstemming brengen van dat plan met het luchthavenindelingbesluit, het luchthavenbesluit of het besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, blijft op dat voorbereidingsbesluit het oude recht van toepassing tot het plan van kracht is.
2. Als het ontwerp van het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, niet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, geldt het luchthavenindelingbesluit, het luchthavenbesluit of het besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven, bedoeld in dat lid, als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.16, tweede lid, van de Omgevingswet respectievelijk als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, van die wet als het gaat om een luchthavenbesluit als bedoeld in artikel 8.43, eerste lid, van de Wet luchtvaart. In afwijking van artikel 4.16, vijfde lid, van de Omgevingswet eindigt de gelding als voorbereidingsbesluit alleen op het tijdstip waarop het overeenkomstig het luchthavenindelingbesluit, het luchthavenbesluit of het besluit beperkingengebied buitenlandse luchthaven gewijzigde omgevingsplan in werking treedt of is vernietigd.
Artikel 4.105
1. In het omgevingsplan worden door de gemeenteraad en het dagelijks bestuur van het waterschap geen regels gesteld die in strijd zijn met het inpassingsplan, bedoeld in artikel 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening.
2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover een instructieregel als bedoeld in artikel 2.22 of 2.24 van de Omgevingswet of een instructie als bedoeld in artikel 2.33 of 2.34 van de Omgevingswet het stellen van dergelijke regels vergt.
3. Het eerste lid is van toepassing tot tien jaar na de vaststelling van het inpassingsplan, of korter, als in het inpassingsplan een termijn is gesteld als bedoeld in artikel 3.26, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.
Artikel 4.106
1. In het omgevingsplan worden door de gemeenteraad, het dagelijks bestuur van het waterschap en gedeputeerde staten geen regels gesteld die in strijd zijn met het inpassingsplan, bedoeld in artikel 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening.
2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover een instructieregel als bedoeld in artikel 2.24 van de Omgevingswet of een instructie als bedoeld in artikel 2.34 van de Omgevingswet het stellen van dergelijke regels vergt.
3. Het eerste lid is van toepassing tot tien jaar na de vaststelling van het inpassingsplan, of korter, als in het inpassingsplan een termijn is gesteld als bedoeld in artikel 3.28, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.
4. Bepalingen van een omgevingsverordening blijven buiten toepassing voor zover ze in strijd zijn met het inpassingsplan.
Artikel 4.106a
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet toepassing is gegeven aan een procedure als bedoeld in artikel 3.33, eerste lid, of 3.35, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening en die procedure bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog niet is afgerond, geldt voor de te nemen besluiten anders dan een inpassingsplan dat:
a. a. op grond van artikel 5.45, eerste lid, van de Omgevingswet is bepaald dat artikel 16.7 van die wet van toepassing is op de coördinatie van de te nemen besluiten, en b. b. het besluiten zijn ter uitvoering van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.45, eerste lid, van de Omgevingswet.
Artikel 4.107
1. Als de voorbereiding van een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangevangen, geen ontwerp van het inpassingsplan ter inzage is gelegd en is voldaan aan de bij of krachtens de artikelen 5.47 en 5.48 van de Omgevingswet gestelde vereisten, kan een ontwerp van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswet ter inzage worden gelegd.
2. Als de voorbereiding van een inpassingsplan voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet in een vergevorderd stadium is, geen ontwerp van het inpassingsplan ter inzage is gelegd en is voldaan aan artikel 5.48, eerste lid, van de Omgevingswet, kan binnen een periode van een jaar en zes maanden na dat tijdstip een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, eerste lid, van de Omgevingswet worden vastgesteld.
Artikel 4.108
Een ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a van de Wet ruimtelijke ordening van bij de verordening, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van die wet gestelde regels die door gedeputeerde staten is verleend, geldt als een ontheffing als bedoeld in artikel 2.32, eerste lid, van de Omgevingswet, voor zover de inhoud van die regels is overgenomen in de omgevingsverordening, bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet, en van die regels in de omgevingsverordening met toepassing van artikel 2.32, vierde lid, van de Omgevingswet ontheffing kan worden verleend.
Artikel 4.109
Een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2 van de Wet ruimtelijke ordening die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet van kracht is en ter uitvoering waarvan op de dag van inwerkingtreding van die wet nog geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd, geldt als een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de Omgevingswet.
Artikel 4.110
Een ontheffing als bedoeld in artikel 4.3a, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening van de bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van die wet, gestelde regels die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat of door Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, is verleend, geldt als een ontheffing als bedoeld in artikel 2.32, tweede lid, van de Omgevingswet, voor zover de inhoud van die regels is overgenomen in de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2.24 van de Omgevingswet en van die regels in het omgevingsplan, bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet, of in de omgevingsverordening, bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet, ontheffing kan worden verleend.
Artikel 4.111
1. Een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet van kracht is en ter uitvoering waarvan nog geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd, geldt als een instructie als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, en tweede lid, onder c, van de Omgevingswet.
2. Een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet van kracht is en ter uitvoering waarvan nog geen ontwerpbesluit tot vaststelling of wijziging van een verordening als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening ter inzage is gelegd, geldt als een instructie als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de Omgevingswet.
Artikel 4.112
Het oude recht blijft van toepassing op een overeenkomst als bedoeld in artikel 6.24 van de Wet ruimtelijke ordening als die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is gesloten.
Artikel 4.113
Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet kosten zijn gemaakt als bedoeld in artikel 6.8 of 6.9 van de Wet ruimtelijke ordening, blijft het oude recht van toepassing tot het tijdstip waarop:
a. a. het besluit op het verzoek om vergoeding van die kosten, het besluit tot oplegging van een verplichting tot vergoeding van die kosten of het besluit tot invordering van die kosten onherroepelijk wordt, of b. b. de verschuldigde kosten volledig zijn betaald.
Paragraaf 4.3.19. Overgangsbepaling
Artikel 4.114
1. Een welstandsnota als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet die van kracht is, geldt als een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
2. Als een ontwerp van een welstandsnota voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd, blijft het oude recht daarop van toepassing tot de welstandsnota is vastgesteld.
Artikel 4.114a
Een besluit tot het opleggen van een verplichting om aan een bouwwerk voorzieningen te treffen als bedoeld in artikel 13, aanhef en onder b, of 13a van de Woningwet dat onherroepelijk is, geldt als een besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet, voor zover dat besluit gaat over een onderwerp waarvoor het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan stellen als bedoeld in dat artikel.
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 5.1
1. Als een bepaling, opgenomen in de wet, genoemd in artikel 3.1 of artikel 4.1, wordt vervangen door een bepaling in een algemene maatregel van bestuur, kan de overgangsbepaling die daarvoor nodig is, in een algemene maatregel van bestuur worden opgenomen.
2. Als in verband met de invoering van de Omgevingswet een wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling wordt ingetrokken waarin een overgangsrechtelijke bepaling is opgenomen, blijft die overgangsrechtelijke bepaling van toepassing tot die is uitgewerkt.
3. Als deze wet, hoofdstuk 22 van de Omgevingswet, hoofdstuk 3 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, hoofdstuk 3 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet, hoofdstuk 4 van de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet of hoofdstuk 2 van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet daarin niet voorziet of strikte toepassing van deze wet of die bepalingen in specifieke situaties onredelijk is of leidt tot ernstige nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving, kunnen, zo nodig in afwijking van deze wet of die bepalingen, bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties regels worden vastgesteld voor een goede invoering van de Omgevingswet. Een regeling die afwijkt van de genoemde aanvullingswetten wordt vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat.
4. Na de plaatsing in de Staatscourant van een krachtens het derde lid vastgestelde ministeriële regeling die afwijkt van deze wet of die bepalingen, wordt een voorstel van wet tot regeling van het betrokken onderwerp zo spoedig mogelijk bij de Staten-Generaal ingediend. Als het voorstel wordt ingetrokken of een van de beide kamers der Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de ministeriële regeling onverwijld ingetrokken. Als het voorstel tot wet wordt verheven, wordt de ministeriële regeling ingetrokken op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
Artikel 5.2
1. Op de voorbereiding van een algemene maatregel van bestuur in verband met de invoering van de Omgevingswet zijn de artikelen 23.4 en 23.5 van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing. Op de voorbereiding van een ministeriële regeling in verband met de invoering van de Omgevingswet is artikel 23.4 van de Omgevingswet van overeenkomstige toepassing.
2.
De artikelen, bedoeld in het eerste lid, treden in de plaats van wettelijke voorschriften waarin is bepaald dat:
a. a. over het ontwerp van een regeling of het voornemen tot het treffen van een regeling advies moet worden gevraagd of extern overleg moet worden gevoerd, b. b. van het ontwerp van een regeling kennis moet worden gegeven, c. c. de voordracht niet eerder wordt gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd, d. d. de voordracht voor een algemene maatregel van bestuur moet worden gedaan door een andere Minister dan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, e. e. door of namens een van de kamers der Staten-Generaal of een aantal leden daarvan kan worden verlangd dat het onderwerp of de inwerkingtreding van de regeling bij de wet wordt geregeld, en f. f. een regeling niet eerder in werking kan treden dan nadat sinds haar vaststelling of bekendmaking een bepaalde termijn is verstreken.
3. Het tweede lid, onder a, is niet van toepassing op het vragen van advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op de voorbereiding van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 10.12, eerste en tweede lid, respectievelijk artikel 10.15, eerste lid, van de Wet luchtvaart.
Artikel 5.3
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende hoofdstukken, artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 5.4
Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet Omgevingswet.
Artikel 5.5
1.
Na de inwerkingtreding van hoofdstuk 1 van:
a. a. deze wet, b. b. de Aanvullingswet geluid Omgevingswet, c. c. de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, d. d. de Aanvullingswet natuur Omgevingswet, e. e. de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet,
kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de nummering van een of meer hoofdstukken, afdelingen, paragrafen en artikelen van de Omgevingswet opnieuw vaststellen en brengt hij de aanhaling daarvan binnen die wet met de nieuwe nummering in overeenstemming.
2.
Als toepassing is gegeven aan het eerste lid:
a. a. wordt de tekst van de Omgevingswet in het Staatsblad geplaatst, b. b. brengt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de aanhaling van de hoofdstukken, afdelingen, paragrafen en artikelen van de Omgevingswet in de overige hoofdstukken van de wetten, genoemd in het eerste lid, onder a tot en met e, met de nieuwe nummering in overeenstemming.
3. Als toepassing is gegeven aan het tweede lid, aanhef en onder b, wordt de tekst van de betrokken hoofdstukken in het Staatsblad geplaatst.