rijk/wet/wet-opsporing-delfstoffen/BWBR0002579
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Wet opsporing delfstoffen BWBR0002579 wet geldend 1996-06-05 https://wetten.overheid.nl/BWBR0002579 Wet opsporing delfstoffen

Wet opsporing delfstoffen

Artikel 1

1.

Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

*delfstoffen: * delfstoffen als bedoeld in artikel 2 van de wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois 285);

Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken.

2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt onder boring uitsluitend verstaan een boring, door middel waarvan de aanwezigheid van delfstoffen kan worden aangetoond.

Artikel 2

1. Het is verboden zonder vergunning van Onze Minister binnen het gebied, waarop de wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois 285) van toepassing is, boringen te verrichten.

2. Het eerste lid geldt niet ten aanzien van het verrichten van boringen door de houder van een krachtens de in dat lid genoemde wet verleende concessie in het gebied, waarvoor die concessie geldt, voor zover daarmede niet wordt beoogd het aantonen van de aanwezigheid van in de concessie niet vermelde delfstoffen.

3. Het eerste lid geldt mede niet ten aanzien van het verrichten van boringen, waarmede niet wordt beoogd het aantonen van de aanwezigheid van delfstoffen.

Artikel 2a

Geen vergunning wordt verleend, voor zover dit voortvloeit uit de met betrekking tot de Waddenzee vastgestelde planologische kernbeslissing.

Artikel 2b

1.

Onverminderd de artikelen 2a en 4 kan een vergunning slechts worden geweigerd:

a. a. op grond van de technische of financiële mogelijkheden van de aanvrager, b. b. op grond van de manier waarop de aanvrager voornemens is de opsporing te verrichten in het gebied, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, of c. c. in het belang van een doelmatige en voortvarende opsporing en ontginning, indien een keuze moet worden gemaakt uit twee of meer aanvragen die bij een beoordeling op grond van de onderdelen a en b gelijkwaardig zijn gebleken.

2. Onze Minister stelt met het oog op de toepassing van het eerste lid nadere regels vast, die hij bij zijn beslissing op een aanvraag om een vergunning voor koolwaterstoffen in acht zal nemen.

3. Van de plaatsing in de Staatscourant van een besluit tot vaststelling van nadere regels als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Een besluit tot wijziging van zodanige regels wordt mede bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 3

1. In een vergunning wordt bepaald voor welke delfstof of voor welke delfstoffen zij geldt.

2. In een vergunning wordt bepaald voor welk gebied zij geldt. Indien het een vergunning voor koolwaterstoffen betreft, geschiedt dit zodanig dat de uitoefening van de activiteiten uit technisch en economisch oogpunt op zo goed mogelijke wijze kan plaatsvinden. Onze Minister stelt nadere regels vast met het oog op de toepassing van de vorige volzin.

3. In een vergunning wordt bepaald voor welk tijdvak zij geldt. Indien het een vergunning voor koolwaterstoffen betreft, geschiedt dit zodanig dat dit tijdvak niet langer is dan noodzakelijk om de activiteiten, waarvoor de vergunning wordt verleend, te verrichten.

4. Een vergunning kan tevens onder andere beperkingen worden verleend dan die, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid. Een vergunning voor koolwaterstoffen kan slechts onder andere beperkingen worden verleend, indien deze gerechtvaardigd worden door de veiligheid, de landsverdediging, de milieubescherming of een planmatig beheer van voorkomens van koolwaterstoffen. Met betrekking tot vergunningen voor koolwaterstoffen is artikel 4a, tweede en vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4

In een vergunning worden ten aanzien van een gebied, waarvoor reeds een krachtens de wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois 285) verleende concessie of een vergunning geldt, geen delfstoffen vermeld, welke in die concessie of in die vergunning zijn vermeld.

Artikel 4a

1. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.

2. Indien het een vergunning voor koolwaterstoffen betreft, kunnen aan de vergunning slechts voorschriften worden verbonden indien zij gerechtvaardigd worden door de veiligheid, de landsverdediging, de milieubescherming of een planmatig beheer van koolwaterstoffen.

3. In een vergunning kan worden bepaald dat Onze Minister daarbij omschreven bevoegdheden heeft ter uitvoering van daarbij aangewezen voorschriften.

4. In een vergunning kan worden bepaald dat overtreding van daarbij aangewezen voorschriften een grond is voor intrekking van de vergunning.

5. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de aan een vergunning voor koolwaterstoffen te verbinden voorschriften. Aan een vergunning kunnen geen andere voorschriften worden verbonden dan die welke voortvloeien uit de ministeriële regeling.

Artikel 5

1. Onze Minister stelt regels omtrent de wijze waarop de aanvraag om een vergunning dient te geschieden en betreffende de gegevens en de bescheiden, welke daarbij moeten worden overgelegd.

2. Bij de aanvraag om een vergunning wordt in elk geval overgelegd een plan, volgens hetwelk de aanvrager voornemens is activiteiten te verrichten. Een dergelijk plan moet voldoen aan de bij de in het eerste lid bedoelde regels gestelde eisen.

Artikel 5a

1. Indien een aanvraag om een vergunning wordt ingediend, worden anderen in de gelegenheid gesteld om aanvragen om een soortgelijke vergunning in te dienen voor hetzelfde gebied. Hiertoe plaatst Onze Minister een uitnodiging in de Staatscourant.

2. Anderen kunnen aanvragen indienen gedurende dertien weken nadat de uitnodiging in de Staatscourant is geplaatst.

3. Indien het een aanvraag om een vergunning voor koolwaterstoffen betreft, wordt de uitnodiging tevens geplaatst in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. In dat geval wordt de in het tweede lid bedoelde termijn gerekend vanaf deze plaatsing.

4. Op de aanvragen wordt tegelijk beslist. De uitnodiging maakt melding van het bepaalde in artikel 5b.

5. Het eerste tot en met het vierde lid gelden niet ingeval een aanvraag wordt ingediend binnen twee jaar na de indiening van een aanvraag om een vergunning voor dezelfde delfstof voor hetzelfde gebied, zonder dat op die aanvraag of op aanvragen van anderen als bedoeld in het tweede lid een vergunning is verleend. Onze Minister deelt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen mede op welke gebieden de eerste volzin van toepassing is met betrekking tot vergunningen voor koolwaterstoffen.

6. Ten aanzien van overeenkomstig het tweede lid ingediende aanvragen wordt niet opnieuw toepassing gegeven aan het eerste tot en met het vierde lid.

Artikel 5b

1. Onze Minister beslist op een aanvraag om een vergunning binnen zes maanden na de ontvangst daarvan dan wel, indien toepassing is gegeven aan artikel 5a, eerste lid, binnen zes maanden na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 5a, tweede onderscheidenlijk derde lid.

2. Onze Minister kan de termijn, waarbinnen hij op een aanvraag dient te beslissen, eenmaal met ten hoogste drie maanden verlengen.

Artikel 6

De werking van een beschikking tot verlening van een vergunning wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.

Artikel 7

1. Onze Minister kan een vergunning op aanvraag van de houder wijzigen of intrekken. Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing.

2. Indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid strekt tot verlenging van het tijdvak waarvoor een vergunning geldt, wordt deze slechts ingewilligd indien het in de vergunning vastgestelde tijdvak onvoldoende is om de activiteiten, waarvoor de vergunning geldt, te voltooien en deze activiteiten zijn verricht in overeenstemming met de vergunning.

3. Onze Minister kan een vergunning anders dan op aanvraag intrekken, indien de houder een aan een vergunning verbonden voorschrift, waarbij is bepaald dat overtreding daarvan een grond is voor het intrekken van de vergunning, heeft overtreden, en, nadat Onze Minister hem schriftelijk heeft gewaarschuwd, zich voortdurend of opnieuw aan overtreding van dat voorschrift schuldig maakt of, zo het voorschrift een verplichting om te doen inhoudt, deze verplichting niet alsnog nakomt.

4. Onze Minister kan een vergunning anders dan op aanvraag intrekken, indien de vergunning niet langer nodig is voor de goede uitvoering van de activiteiten waarvoor zij geldt. Hij doet dit onder de genoemde omstandigheden in elk geval, indien het een vergunning voor koolwaterstoffen betreft.

Artikel 8

Met het aantonen van de aanwezigheid van delfstoffen door middel van een boring, waarmede een aanvang is gemaakt na 14 december 1965, wordt bij de toepassing van de artikelen 16, tweede lid, en 46 van de wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois 285) slechts rekening gehouden, indien de aanwezigheid van een delfstof is aangetoond door de houder van een vergunning, waarin die delfstof is vermeld, met gebruikmaking van die vergunning.

Artikel 9

Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ingeval een boring wordt verricht in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet.

Artikel 10

Vervallen

Artikel 11

Vervallen

Artikel 12

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet opsporing delfstoffen.

Artikel 13

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin zij wordt geplaatst.