rijk/wet/wet-tot-ontginning-van-steenzout-bij-buurse/BWBR0001893
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Wet tot ontginning van steenzout bij Buurse BWBR0001893 wet geldend 1918-07-29 https://wetten.overheid.nl/BWBR0001893 Wet tot ontginning van steenzout bij Buurse

Wet tot ontginning van steenzout bij Buurse

Artikel I

Aan den Staat wordt, als ware voor de ontginning van zoutlagen volgens de wet van 21 April 1810 (Bulletin des Lois n°. 285) concessie verleend, de eigendom toegekend van de zoutmijn in het terrein der provincie Overijssel, groot 3030 H.A., dat op de bij deze wet behoorende kaart door eene roode grenslijn is aangeduid.

Dit terrein wordt begrensd als volgt:

ten Zuiden:

van punt A, Rijksgrenspaal 834, volgend de grensscheiding tusschen Nederland en Pruissen, naar punt B, Rijksgrenssteen 19;

ten Oosten:

van punt B, de grensscheiding tusschen Nederland en Pruissen volgend naar punt C, Rijksgrenssteen 32;

ten Noorden:

van punt C in rechte lijn naar punt D, snijpunt van de as van de Schuine brug in den kunstweg van Haaksbergen naar Enschede, met de as van de Bruninkbeek, ter plaatse ook wel genaamd de Nieuwe beek;

van punt D de as van evengenoemden kunstweg volgend naar punt E, snijpunt van de as van meergenoemden kunstweg met de as van den weg, welke loopt van Rutbekerveld over de Heegdebeek naar de Schip- of Buurserbeek;

ten Westen:

van punt E, de as van laatstgenoemden weg volgend naar punt F, snijpunt van de as van de Rietbrug in dezen weg met de as van de Schip- of Buurserbeek;

van punt F in rechte lijn naar het uitgangspunt A.

Artikel II

Onze Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel wordt gemachtigd het recht op ontginning van de in artikel I bedoelde zoutlagen over te dragen aan de op te richten Naamlooze Vennootschap "Nederlandsche Zoutindustrie" voor den termijn en op de voorwaarden vervat in de bij deze wet behoorende ontwerp-overeenkomst.

Artikel III

1. De eigenaren van grond vallende binnen het terrein in artikel I omschreven hebben recht op eene jaarlijksche uitkeering door den ontginner naar den maatstaf van € 0,11 per Hectare, of op eene uitkeering in eens van € 2,84 per Hectare naar verkiezing van den ontginner.

2. Dit recht vangt aan drie maanden nadat deze wet in werking is getreden.

3. Behoudens tegenbewijs door den ontginner worden als eigenaren beschouwd diegenen, die als zoodanig bij het kadaster te boek staan.

Artikel IV

De wetten van 21 April 1810 (Bulletin des Lois n°. 285), van 27 April 1904 (Staatsblad n°. 73), gewijzigd bij de wet van 29 Juni 1912 (Staatsblad n°. 202) en bij de wet van 16 December 1916 (Staatsblad n°. 552), en van 6 Maart 1915 (Staatsblad n°. 141) zijn op de in deze wet bedoelde ontginning van toepassing, de eerstgenoemde wet (van 1810) voor zoover daarvan niet bij deze wet wordt afgeweken, de in de tweede plaats genoemde wet (van 1904) met uitzondering van de artikelen 1-8.

Artikel V

Binnen den afstand van 300 Meter van de Rijksgrens zullen geen boringen worden gedaan, noch pompboorgaten worden geslagen.

Artikel VI

1. Alvorens met het boren wordt begonnen, moet op het ter ontginning bestemde terrein eene waterpassing worden uitgevoerd, waarin ten genoegen van den Hoofdingenieur der Mijnen een voldoend aantal vaste punten moet worden opgenomen.

2. Deze waterpassing moet, zoodra met het uitloogen is begonnen en vervolgens elke maand, worden herhaald.

3. Van de uitkomsten van iedere waterpassing moet schriftelijk rapport worden uitgebracht aan den Hoofdingenieur der Mijnen.

Artikel VII

1. Ter afvoering van waterverontreinigende schadelijke stoffen en bestanddeelen moet een buisleiding worden aangelegd, die in den IJssel uitmondt.

2. Het door deze buisleiding af te voeren verontreinigde water mag slechts in zoodanigen toestand in den IJssel worden geloosd, dat daardoor, naar het oordeel van den Hoofdingenieur der Mijnen, geen schade aan de volksgezondheid, de vischteelt of eenig ander algemeen belang kan worden berokkend.

3. Onze voornoemde Minister kan onder door hem vast te stellen voorwaarden van het voorschrift in het eerste lid voor een bepaalden tijd ontheffing verleenen.

Artikel VIII

1. In een boorregister moet zorgvuldig en in de juiste volgorde der gedane boringen aanteekening worden gehouden van de soort en de dikte der doorboorde aardlagen.

2. De boorkernen en de boormonsters der doorboorde aardlagen moeten genummerd en gerangschikt worden bewaard.

Artikel IX

1. Van elk boorgat moet eene langdoorsnede in dubbel worden vervaardigd, op eene schaal van 1 : 500 voor de diepteafmetingen en op eene schaal van 1 : 10 voor de horizontale afmetingen.

2. In deze langdoorsnede moeten de doorboorde aard- en waterlagen, alsmede de verschillende ingelaten bekleedingsbuizen en de waterafsluitingen worden aangegeven.

3. Alvorens met uitloogen wordt begonnen, moet één exemplaar van de vervaardigde langdoorsneden aan den Hoofdingenieur der Mijnen worden gezonden.

Artikel X

1. Ondergrondsche wateren moeten in elk boorgat zoodanig door buizen worden afgesloten, dat zij niet in dieper gelegen aardlagen kunnen doordringen.

2. Deze buizen mogen niet verwijderd worden, vóórdat het boorgat onder de watervoerende laag geheel waterdicht is afgesloten.

Artikel XI

1. Wanneer eene boring wordt stopgezet of beëindigd, moet hiervan, onder toezending van een op deze boring betrekking hebbend uittreksel uit het boorregister, onmiddellijk schriftelijk mededeeling worden gedaan aan den Hoofdingenieur der Mijnen.

2. Ook van eene tijdelijke stopzetting eener boring voor langer dan vier weken moet aan den Hoofdingenieur der Mijnen onmiddellijk schriftelijk mededeeling worden gedaan.

Artikel XII

1. Alvorens een boorgat wordt verlaten, moet het tot op eene hoogte van 100 Meter van den bodem af, zoodanig met waterdichte stoffen worden gevuld, dat het binnendringen van water van het dekterrein in de dieper gelegen aardlagen verhinderd wordt.

2. Indien zoutlagen of zoutbronnen zijn doorboord, moet deze vulling worden voortgezet tot 100 Meter boven de hoogst gelegen zout of zoutoplossing bevattende aardlaag.

3. De Hoofdingenieur der Mijnen is bevoegd vulling over meer dan 100 Meter voor te schrijven.

4. Is het boorgat minder dan 100 Meter diep, dan moet het tot aan de aardoppervlakte gevuld worden.

5. Bij gebruik van waterdichte bekleedingsbuizen moet, indien deze buizen weer worden uitgetrokken, de vulling gelijktijdig met dit uittrekken plaats hebben.

Artikel XIII

De Hoofdingenieur der Mijnen kan ten aanzien van de uitvoering van het bij de vorige artikelen bepaalde nadere voorschriften geven.

Artikel XIV

De beoordeeling of aan de in de vorige artikelen gestelde eischen is voldaan staat aan den Hoofdingenieur der Mijnen.

Artikel XV

Van beslissingen en voorschriften van den Hoofdingenieur der Mijnen krachtens bepalingen dezer wet, staat beroep op den Minister open.