rijk/wet/wijzigingswet-financiele-verhoudingswet-enz-herziening-verdeelstelsel-provincief/BWBR0008995
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Wijzigingswet Financiele-verhoudingswet enz. (herziening verdeelstelsel Provinciefonds) BWBR0008995 wet geldend 1998-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0008995 Wijzigingswet Financiele-verhoudingswet enz. (herziening verdeelstelsel Provinciefonds)

Wijzigingswet Financiele-verhoudingswet enz. (herziening verdeelstelsel Provinciefonds)

Hoofdstuk I. WIJZIGING VAN ENKELE WETTEN

Paragraaf 1.1. Wijziging

Artikel 1

Wijzigt de Financiële-verhoudingswet.

Paragraaf 1.2. Wijziging

Artikel 2

Wijzigt de Provinciewet.

Paragraaf 1.3. Wijziging

Artikel 3

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

Paragraaf 1.4. Wijziging

Artikel 4

Wijzigt de Wet op het specifiek cultuurbeleid.

Paragraaf 1.5. Wijziging

Artikel 5

Wijzigt de Invoeringswet Financiële-verhoudingswet.

Hoofdstuk II. EERSTE VASTSTELLING VAN DE VERDEELMAATSTAVEN VOOR HET PROVINCIEFONDS EN DE BEDRAGEN PER EENHEID DIE BEHOREN BIJ DE VERDEELMAATSTAVEN

Paragraaf 2.1. Algemeen

Artikel 6

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. a. Onze Ministers: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Financiën; b. b. het CBS: het Centraal bureau voor de statistiek; c. c. rastervierkanten: vierkanten van 500 bij 500 meter, zoals deze worden gebruikt in het geografisch basisregister van het CBS; d. d. de uitkeringsfactor: het quotiënt van het voor de algemene uitkeringen beschikbare bedrag en de som van de uitkeringsbases.

Artikel 7

1. In afwijking van artikel 8, derde lid, van de Financiële-verhoudingswet worden bij de verdeling van het provinciefonds voor de eerste maal de verdeelmaatstaven gehanteerd die zijn vermeld in bijlage 1 bij deze wet. Op de hantering van de maatstaven zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing. Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van de in dit hoofdstuk en bijlage 1 gebruikte begrippen en omtrent de wijze van telling van het aantal eenheden per verdeelmaatstaf.

2. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet gelden voor de maatstaven, bedoeld in het eerste lid, voor het eerste uitkeringsjaar na de inwerkingtreding van deze wet de bedragen per eenheid die zijn vermeld in bijlage 2 bij deze wet. Onze Ministers kunnen deze bedragen aanpassen in verband met wijzigingen ten aanzien van het fonds over de jaren 1997 en 1998, die door middel van wijzigingen in de bedragen per eenheid over de provincies verdeeld behoren te worden. Artikel 9, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet blijft buiten toepassing bij de vaststelling van de bedragen per eenheid voor bedoelde maatstaven.

Paragraaf 2.2. De vaststelling van het aantal eenheden

Artikel 8

1. Bij de vaststelling van de algemene uitkering aan een provincie stellen Onze Ministers zo nodig het aantal eenheden per verdeelmaatstaf voor de provincie vast. Voor zover in de bijlage bij een verdeelmaatstaf een bron is vermeld, kunnen Onze Ministers het aantal eenheden ontlenen aan een opgave van het vermelde orgaan of de vermelde instantie.

2. De vaststelling van het aantal eenheden per verdeelmaatstaf voor een provincie geschiedt naar de toestand op 1 januari van het uitkeringsjaar waarover het aantal wordt vastgesteld, tenzij in de bijlage een peildatum bij een verdeelmaatstaf is vermeld. In dat geval geschiedt de vaststelling naar de toestand op deze datum.

3. Indien op grond van het tweede lid een peildatum moet worden gehanteerd die ligt vóór de datum van instelling van de provincie of vóór de datum waarop de grenzen van de provincie zijn gewijzigd, stellen Onze Ministers het aantal eenheden vast op basis van een redelijke schatting van de toestand zoals die op de peildatum zou zijn geweest als de instelling of wijziging op die datum reeds was ingegaan.

Paragraaf 2.3. Bijzondere bepalingen in verband met enkele verdeelmaatstaven

Artikel 9

1. Bij de bepaling van het totaal van de in een kalenderjaar ontvangen hoofdsommen van de motorrijtuigenbelasting, wordt het tarief van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 gehanteerd, zoals dat geldt op 1 april 1995. De verhoging van de belasting, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van die wet en de vermindering van de belasting, bedoeld in de artikelen 28 en 68 van die wet, blijven buiten beschouwing.

2. In afwijking van het eerste lid wordt voor de periode tot 1 april 1997 bij de bepaling van het totaal van de in een kalenderjaar ontvangen hoofdsommen van de motorrijtuigenbelasting, het tarief van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 gehanteerd, zoals dat luidde bij aanvang van het kalenderjaar 1980. De vermeerdering van belasting, bedoeld in artikel 6 van die wet en het vaste bedrag, genoemd in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van die wet, blijven buiten beschouwing.

Artikel 10

1. De omgevingsadressendichtheid van een adres is het aantal adressen in de omgeving van het adres, gedeeld door het oppervlak in vierkante kilometers van de omgeving.

2. De omgeving van een adres wordt gevormd door het rastervierkant, waarin het adres is gelegen en de twaalf meest nabijgelegen rastervierkanten.

Artikel 11

1. Onze Ministers stellen het aantal kilometers gewogen weglengte van de wegen in beheer bij de provincie vast, door het aantal kilometers weglengte van de wegen die in beheer zijn bij de provincie te vermenigvuldigen met een wegingsfactor die een maat is voor de kosten per kilometer van het onderhoud van de wegen in de provincie, in verhouding met die kosten in alle provincies.

2. Op de voorbereiding van het besluit, bedoeld in het eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Hoofdstuk III. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Paragraaf 3.1. Overgangsmaatregelen in verband met de herverdeling

Artikel 12

1. De algemene uitkering over de jaren 1998 tot en met 2000, zoals deze voor een provincie wordt vastgesteld overeenkomstig hoofdstuk 2 van de Financiële-verhoudingswet, wordt vermeerderd of verminderd met een bedrag overeenkomstig de kolommen 1 tot en met 3 in de tabel die als bijlage 3 bij deze wet is gevoegd.

2. De algemene uitkering over de jaren 2001 en volgende, zoals deze voor een provincie wordt vastgesteld overeenkomstig hoofdstuk 2 van de Financiële-verhoudingswet, wordt vermeerderd of verminderd met een bedrag overeenkomstig kolom 4 in de tabel die als bijlage 3 bij deze wet is gevoegd.

3. De bedragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden vermenigvuldigd met het quotiënt van de uitkeringsfactor over het uitkeringsjaar en de uitkeringsfactor over het jaar 1998. De uitkeringsfactor is het quotiënt van het voor de algemene uitkering beschikbare bedrag en de som van de uitkeringsbases.

Paragraaf 3.2. Overige bepalingen

Artikel 13

1. De vaststelling van een uitkering uit het provinciefonds over de uitkeringsjaren voor de inwerkingtreding van deze wet en de rechtsgedingen die daarop betrekking hebben, geschieden volgens de wettelijke regels, zoals deze luidden voor inwerkingtreding van deze wet.

2. Indien de over de uitkeringsjaren vóór de inwerkingtreding van deze wet verrichte betalingen aan een provincie hoger of lager zijn dan de voor die uitkeringsjaren vastgestelde uitkeringen wordt het verschil teruggevorderd of uitbetaald. Het verschil komt ten goede aan of ten laste van het provinciefonds.

3. Het Besluit rivierdijkversterking/hoofdwaterkeringen Provinciefonds berust na de inwerkingtreding van deze wet op artikel 13 van de Financiële-verhoudingswet. Op dit besluit is artikel 13, derde lid, van de Financiële-verhoudingswet niet van toepassing.

Artikel 14

De tekst van de Financiële-verhoudingswet wordt in het Staatsblad geplaatst.

Artikel 15

1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

2. De tweede volzin van artikel 13, derde lid, vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Bijlage 1. De verdeelmaatstaven (bijlage bij artikel 7, eerste lid)

Bijlage 2. De bedragen per eenheid over het uitkeringsjaar 1998 (bijlage bij artikel 7, tweede lid, als gewijzigd bij ministeriele regeling van 29 maart 1999, nr FO99/U58445, Stcrt. 1999, 71)

Bijlage 3. Overgangsmaatregelen in verband met de herverdeling (bijlage bij