rijk/wet/wijzigingswet-wet-educatie-en-beroepsonderwijs-regeling-decentralisatie-wachtgel/BWBR0009749
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Wijzigingswet Wet educatie en beroepsonderwijs (Regeling decentralisatie wachtgelduitgaven bve) BWBR0009749 wet geldend 1998-08-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0009749 Wijzigingswet Wet educatie en beroepsonderwijs (Regeling decentralisatie wachtgelduitgaven bve)

Wijzigingswet Wet educatie en beroepsonderwijs (Regeling decentralisatie wachtgelduitgaven bve)

Artikel I

Wijzigt de Wet educatie en beroepsonderwijs.

Artikel IA

1. Tot het tijdstip waarop de algemene maatregelen van bestuur op grond van de artikelen 2.2.1 en 2.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs in werking treden, wordt binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen, jaarlijks de toevoeging aan de rijksbijdrage en de vermindering van de rijksbijdrage in verband met de kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel als bedoeld in de artikelen 2.2.1, derde lid, onder i, respectievelijk vijfde lid, 2.2.12, en 2.4.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgesteld bij ministeriële regeling.

2. Een in het eerste lid bedoelde ministeriële regeling wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. De regeling treedt niet in werking dan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken en niet door of namens een van beide Kamers de wens wordt te kennen gegeven dat het in die regeling geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld. Alsdan wordt een daartoe strekkend wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ingediend.

Artikel II

In afwijking van artikel 19 van de Tijdelijke wet arbeidsbemiddeling onderwijs zoals luidend op 31 december 1995 en in afwijking van artikel XII van de wet van 9 maart 1995, houdende wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de budgettering van ten laste van het Rijk komende werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden in het onderwijs, alsmede de instelling van een participatiefonds ten behoeve van de beheersing van de werkloosheidsuitkeringen of herplaatsingswachtgelden (budgettering wachtgelden en instelling participatiefonds; Stb. 1995, 155) heeft de toepassing van de artikelen uit eerstgenoemde wet inzake een vermindering van de rijksvergoeding betrekking op de periode tot 1 augustus 1998.

Artikel III

1. Op geschillen die op grond van artikel 4.4.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals luidend op 31 juli 1998, op die datum in beroep aanhangig zijn of na die datum binnen de beroepstermijn aanhangig zijn gemaakt, blijven de op die datum geldende regelingen van toepassing. De eerste volzin is hangende het beroep van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid tot het intrekken en vervangen van beslissingen die tot de aldaar bedoelde geschillen hebben geleid.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op geschillen ten aanzien van beslissingen van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij ter zake van het vaststellen van rijksbijdragen voor zover verband houdend met de kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid, van instellingen als bedoeld in artikel 1.3.1, van agrarische innovatie- en praktijkcentra als bedoeld in artikel 1.3.4 en van landelijke organen als bedoeld in artikel 1.5.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.

Artikel IV

1. De rechtspersoon, bedoeld in artikel 4.4.3, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals luidend op 31 juli 1998, dient voor 1 juli 1999 een verslag in als bedoeld in dat artikellid, met dien verstande dat de periode waarover verslag wordt uitgebracht, aanvangt op 1 januari 1998 en eindigt op 1 augustus 1998.

2. Artikel 4.4.3, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals luidend op 31 juli 1998, is van overeenkomstige toepassing op het in het eerste lid bedoelde verslag, met dien verstande dat verzending geschiedt voor 1 september 1999.

Artikel V

De rechtspersoon, bedoeld in artikel 4.4.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals luidend op 31 juli 1998:

a. a. handelt aanvragen als bedoeld in artikel 2.5.8, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals luidend op 31 juli 1998, die betrekking hebben op ontslagen die uiterlijk op 31 juli 1998 worden geëffectueerd, af volgens de op 31 juli 1998 ter zake geldende regels; b. b. laat aanvragen als bedoeld in onderdeel a die voor 1 augustus 1998 zijn ingediend en betrekking hebben op ontslagen die na 31 juli 1998 worden geëffectueerd, buiten verdere behandeling.

Artikel VI

1. De rechtspersoon, bedoeld in artikel 4.4.2, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals luidend op 31 juli 1998, stelt per 1 augustus 1998 vast hoeveel hij in de periode 1 augustus 1995 tot 1 augustus 1998 aan bijdragen als bedoeld in artikel 4.4.2, tweede lid, zoals luidend op 31 juli 1998, heeft ontvangen van instellingen als bedoeld in artikel 1.3.1, van agrarische innovatie- en praktijkcentra als bedoeld in artikel 1.3.4, en van landelijke organen als bedoeld in artikel 1.5.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs. Vervolgens stelt genoemde rechtspersoon vast hoeveel hij in de periode 1 augustus 1995 tot 1 augustus 1998 ten behoeve van gewezen personeel van een van de in de eerste volzin bedoelde onderwijsinstanties heeft vergoed aan de instantie die de werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid verstrekt. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een verschil tussen de in de eerste respectievelijk tweede volzin bedoelde inkomsten respectievelijk uitgaven wordt verrekend volgens bij deze regeling vast te stellen regels.

2. De in het eerste lid bedoelde onderwijsinstanties ontvangen na 1 augustus 1998 geen rijksvergoeding meer ten behoeve van de bijdragen die zij tot die datum op grond van artikel 4.4.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals luidend op 31 juli 1998, aan de rechtspersoon genoemd in het eerste lid moeten voldoen.

Artikel VII

1. De werkingsduur van beslissingen van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij tot vermindering van de rijksbijdrage op grond van artikel 2.5.8, eerste en vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zoals luidend op 31 juli 1998, heeft betrekking op de periode tot 1 augustus 1998.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op beslissingen van de aldaar genoemde ministers tot vermindering van de rijksbijdrage op grond van:

a. a.

      artikel 96o, eerste en derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor zover het betreft het middelbaar beroepsonderwijs, het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs en het vormingswerk voor jeugdigen,

b. b. de artikelen 3.49, eerste en derde lid, 3.66, eerste lid onder a en tweede lid, van de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs, en c. c. artikel 61, tweede lid, van de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991, zoals luidend voor 1 januari 1996.

3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op beslissingen van de aldaar genoemde ministers over de periode van 1 april 1994 tot 1 augustus 1995 tot vermindering van de rijksbijdrage in verband met vermijdbare ontslagen aan scholen en instellingen bekostigd op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs voor zover het betreft het middelbaar beroepsonderwijs, het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs respectievelijk het vormingswerk voor jeugdigen, de Wet op het cursorisch beroepsonderwijs en de Kaderwet Volwasseneneducatie 1991, alle zoals luidend voor 1 augustus 1995.

Artikel VIII

1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

2. Het besluit, bedoeld in het eerste lid, kan, voor zover noodzakelijk, andere tijdstippen vaststellen dan genoemd in de artikelen II tot en met VII.