40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen | BWBR0037088 | AMvB | geldend | 2023-03-30 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0037088 | Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen |
Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen
Paragraaf 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. a.
*erkenning:* beschikking van Onze Minister waarbij wordt vastgesteld dat een instelling voor het afgeven van een certificaat voldoet aan de bij of krachtens dit besluit geldende voorwaarden;
b. b.
*F-gassenverordening:*
Verordening (EU) 2024/573 van het Europees Parlement en de Raad van 7 februari 2024 betreffende gefluoreerde broeikasgassen, tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 517/2014;
c. c.
*Onze Minister:* Onze Minister van Klimaat en Groene Groei;
d. d.
*Verordening ozonlaagafbrekende stoffen:*
Verordening (EU) 2024/590 van het Europees Parlement en de Raad van 7 februari 2024 betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1005/2009;
e. e.
*marktdeelnemer:* marktdeelnemer als bedoeld in artikel 3, onderdeel 13, van de EU-verordening markttoezicht;
f. f.
*aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij:* aanbieder van een dienst zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241).
Artikel 2
Dit besluit en de daarop berustende bepalingen zijn mede van toepassing op handelingen verricht binnen de exclusieve economische zone.
Artikel 2a
Voor de toepassing van dit besluit wordt een eigenaar aangewezen als zijnde eveneens verantwoordelijk voor de verplichtingen van een exploitant indien hij de feitelijke macht over het technisch functioneren van de onder de F-gassenverordening vallende producten, apparatuur of inrichtingen contractueel heeft overgedragen aan een dienstverlener.
Paragraaf 2. Gefluoreerde broeikasgassen
Artikel 3
Onze Minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 4, 7, 8, 11, 13, 14, 15, 16, 17, 19, 20, 22, 23, 24, 28, 29 en 31 van de F-gassenverordening.
Artikel 4
Het is verboden te handelen in strijd met de volgende bepalingen van de F-gassenverordening:
a. a. artikel 4; b. b. artikel 5, eerste lid, in verbinding met artikel 5, tweede tot en met vierde lid en zesde lid. Dit verbod is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 5, eerste lid, tweede, derde en vierde alinea en vijfde lid van de F-gassenverordening; c. c. artikel 6; d. d. artikel 7, eerste lid, in verbinding met artikel 7, tweede lid; e. e. artikel 7, derde lid, in verbinding met artikel 11, zesde lid; f. f. artikel 7, vierde lid, in verbinding met artikel 11, zevende lid; g. g. artikel 7, vijfde lid; h. h. artikel 8, eerste lid, in verbinding met artikel 8, tweede, derde, vierde en vijfde lid; i. i. artikel 8, zesde tot en met elfde lid; j. j. artikel 10, eerste, tweede en twaalfde lid; k. k. artikel 11, eerste lid, eerste alinea. Dit verbod is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 11, eerste lid, tweede, vierde en vijfde alinea en tweede lid, van de F-gassenverordening; l. l. artikel 11, eerste lid, derde alinea, eerste volzin, in verbinding met artikel 11, eerste lid, eerste alinea en met bijlage IV. Dit verbod is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 11, eerste lid, derde alinea, tweede en derde volzin, van de F-gassenverordening; m. m. artikel 11, derde lid, eerste alinea, eerste en tweede volzin, in verbinding met artikel 11, derde lid, tweede alinea. Dit verbod is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 11, derde lid, eerste alinea, derde volzin, van de F-gassenverordening; n. n. artikel 11, vierde lid, zesde lid, eerste alinea, zevende en achtste lid; o. o. artikel 12, eerste lid en derde lid, derde alinea, in verbinding met artikel 12, derde lid, eerste en tweede alinea, en vierde lid; p. p. artikel 12, tweede lid, in verbinding met artikel 11, vijfde lid, en artikel 16, vierde lid; q. q. artikel 12, vijfde tot en met dertiende, vijftiende en zestiende lid; r. r. artikel 12, veertiende lid, eerste alinea, in verbinding met artikel 12, achtste tot en met twaalfde lid; s. s. artikel 13, eerste, tweede, achtste en achttiende lid; t. t. artikel 13, derde lid, eerste alinea. Dit verbod is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 13, derde lid, tweede, derde en vierde alinea, van de F-gassenverordening; u. u. artikel 13, vierde lid, eerste alinea. Dit verbod is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 13, vierde lid, tweede alinea, en zesde lid van de F-gassenverordening; v. v. artikel 13, vijfde lid, eerste alinea. Dit verbod is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 13, vijfde lid, tweede en derde alinea, en zesde lid, van de F-gassenverordening; w. w. artikel 13, zevende lid, eerste alinea. Dit verbod is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 13, zevende lid, derde alinea, van de F-gassenverordening; x. x. artikel 13, negende lid. Dit verbod is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 13, tiende tot en met zeventiende lid, van de F-gassenverordening; y. y. artikel 13, negentiende lid in verbinding met artikel 13, twintigste lid; z. z. artikel 14, tweede lid. Dit verbod is niet van toepassing in het geval, genoemd in artikel 14, vijfde lid, eerste volzin, van de F-gassenverordening; aa. aa. artikel 16, eerste lid, in verbinding met artikel 16, vijfde en zesde lid, artikel 17 en artikel 21, vierde lid. Dit verbod is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 16, tweede lid en vierde lid, van de F-gassenverordening; ab. ab. artikel 19, eerste lid, in verbinding met artikel 19, tweede, derde en vijfde lid, en artikel 21, vierde lid. Dit verbod is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 19, zesde lid, van de F-gassenverordening; ac. ac. artikel 20, vierde lid, in verbinding met artikel 18, derde lid, eerste alinea; ad. ad. artikel 21, eerste lid, tweede alinea, en derde lid, tweede volzin; ae. ae. artikel 22, eerste lid, eerste alinea. Dit verbod is niet van toepassing in de gevallen, genoemd in artikel 22, eerste lid, tweede alinea, van de F-gassenverordening; af. af. artikel 22, derde lid, eerste alinea. Dit verbod is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 22, derde lid, tweede alinea, en vierde lid, van de F-gassenverordening; ag. ag. artikel 22, vijfde lid; ah. ah. artikel 23, derde, zesde tot en met achtste lid, tiende lid, tweede alinea en twaalfde lid, derde alinea; ai. ai. artikel 25, eerste lid, in verbinding met artikel 25, vierde lid. Dit verbod is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 25, derde en vijfde lid, van de F-gassenverordening; en aj. aj. artikel 26.
Artikel 5
1. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2174 van de Europese Commissie van 2 september 2024.
2. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2 tot en met 7 van verordening (EG) nr. 1497/2007 van de Europese Commissie van 18 december 2007 (PbEU L 333).
3. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 2 tot en met 4, 5, eerste en derde lid, 6, 7, eerste en tweede lid, in verbinding met artikel 7, derde lid, en 8 tot en met 10 van verordening (EG) nr. 1516/2007 van de Europese Commissie van 19 december 2007 (PbEU L 335).
4. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 3, eerste lid, eerste volzin en 5 van Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2215 van de Europese Commissie van 6 september 2024.
5. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 4, eerste lid, en 7, eerste lid, van verordening (EG) nr. 304/2008 van de Europese Commissie van 2 april 2008 (PbEU L 92).
6. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2066 van de Europese Commissie van 17 november 2015 (PbEU L 301).
7. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, van verordening (EG) nr. 306/2008 van de Europese Commissie van 2 april 2008 (PbEU L 92).
8. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, van verordening (EG) nr. 307/2008 van de Europese Commissie van 2 april 2008 (PbEU L 92).
9. Het is verboden te handelen in strijd met artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2195 van de Europese Commissie van 4 september 2024 (PbEU L 318).
10. Het is verboden te handelen in strijd met de artikelen 1 tot en met 4 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/879 (PbEU L 146).
Artikel 6
1. Voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, eerste alinea, van de F-gassenverordening, alsmede voor de terugwinning van gefluoreerde broeikasgassen uit klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2006/40/EG vallen, beschikt een natuurlijk persoon over een certificaat dat is verleend door een instelling die daartoe beschikt over een erkenning.
2. Voor het verrichten van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de F-gassenverordening, beschikt een onderneming over een certificaat dat is verleend door een instelling die daartoe beschikt over een erkenning.
3.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over:
a. a. de eisen aan een natuurlijk persoon en een onderneming voor het verkrijgen en behouden van een certificaat als bedoeld in het eerste en tweede lid; b. b. de gegevens die de certificaten vermelden; c. c. de verlening, schorsing en intrekking van certificaten, alsmede de registratie en openbaarmaking daarvan; d. d. de bij de toepassing van dit besluit in acht te nemen tekst van de krachtens dit besluit genoemde niet-publiekrechtelijke regelingen; e. e. de eisen aan een natuurlijk persoon voor het verkrijgen en behouden van een opleidingsattest als bedoeld in artikel 10, eerste lid, tweede alinea, van de F-gassenverordening.
4. Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van de artikelen 5, zesde lid, en 6, van de F-gassenverordening nadere regels gesteld over de controle op de goede werking van een lekkagedetectiesysteem.
5. Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid geldt niet voor taken en werkzaamheden aan apparatuur waarvoor nog geen eisen als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, zijn gesteld.
Artikel 6a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Paragraaf 3. Ozonlaagafbrekende stoffen
Artikel 7
Onze Minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in de artikelen 8 tot en met 10, 13 tot en met 18, 20, 21, 24 tot en met 27 van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen.
Artikel 8
1.
Het is verboden te handelen in strijd met de volgende bepalingen van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen:
a. a. de artikelen 4, 5, en met gedelegeerde handelingen op grond van artikel 6, tweede, derde en vierde lid. Dit verbod is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 6, eerste lid, de artikelen 7 tot en met 10, artikel 11, eerste lid, of de artikelen 12 tot en met 14 van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen; b. b. artikel 11, tweede lid, in verbinding met artikel 9; c. c. de artikelen 11, derde lid, 15, 16, tweede, derde, vijfde en tiende lid, 17, derde, zesde, zevende en achtste lid, tiende lid, tweede alinea, en elfde lid, tweede alinea; d. d. artikel 19, eerste en vierde lid, en met gedelegeerde handelingen op grond van artikel 19, tweede lid. Dit verbod is niet van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden, genoemd in artikel 19, derde lid, en in uitvoeringshandelingen op grond van artikel 19, vijfde lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen; e. e. artikel 20, eerste tot en met vierde en zesde lid; f. f. artikel 20, vijfde lid, in verbinding met artikel 20, eerste tot en met vierde lid en met gedelegeerde handelingen op grond van artikel 20, zevende lid; g. g. artikel 21, eerste tot en met vijfde lid, en artikel 24, eerste lid.
2. Het is verboden om chloorfluorkoolstoffen- of chloorfluorkoolwaterstoffenhoudende koel- en vriesapparatuur voor handelsdoeleinden voorhanden te hebben die afkomstig is van particuliere huishoudens of van anderen dan particuliere huishoudens voor zover deze apparatuur naar aard en hoeveelheid vergelijkbaar is met die van particuliere huishoudens.
Artikel 9
1. Voor de terugwinning van ozonafbrekende stoffen, bedoeld in artikel 20, eerste, vierde en vijfde lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen en de controle op lekkage, bedoeld in 21, derde lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen, beschikt een natuurlijk persoon over een certificaat dat is verleend door een instelling die daartoe beschikt over een erkenning.
2. Voor installatie, onderhoud of service, reparatie en buitendienststelling van apparatuur of systemen als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen, die ozonafbrekende stoffen bevat, beschikt zowel de natuurlijk persoon die deze werkzaamheden verricht als de onderneming die deze werkzaamheden voor een derde verricht over een certificaat dat is verleend door een instelling die daartoe beschikt over een erkenning.
3.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over:
a. a. de eisen aan een natuurlijk persoon en een onderneming voor het verkrijgen en behouden van een certificaat als bedoeld in het eerste en tweede lid; b. b. de gegevens die de certificaten vermelden; c. c. de verlening, schorsing en intrekking van certificaten, alsmede de registratie en openbaarmaking daarvan; d. d. de bij de toepassing van dit besluit in acht te nemen tekst van de krachtens dit besluit genoemde niet-publiekrechtelijke regelingen.
4. Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van artikel 20, achtste lid, en artikel 21, tweede en vijfde lid, van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen nadere regels worden gesteld. Deze regels kunnen inhouden dat bepalingen van de F-gassenverordening van overeenkomstige toepassing zijn op werkzaamheden als bedoeld in het eerste of tweede lid of andere handelingen als bedoeld in artikel 1 van de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen.
Paragraaf 4. Erkenning van instellingen die natuurlijke personen en ondernemingen certificeren
Artikel 10
1. Onze Minister kan op aanvraag een erkenning verlenen aan een instelling voor het verstrekken van certificaten als bedoeld in de artikelen 6 en 9 aan natuurlijke personen of ondernemingen.
2. De erkenning vermeldt ten minste de naam en het adres van de instelling en de werkzaamheden en taken als bedoeld in de artikelen 6, eerste en tweede lid, en 9, eerste en tweede lid, waarvoor de instelling certificaten kan afgeven.
3. De erkenning wordt voor onbepaalde tijd verleend en is niet overdraagbaar.
Artikel 11
1.
Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:
a. a. de naam en het adres van de aanvrager; b. b. aanduiding van de werkzaamheden en taken als bedoeld in de artikelen 6, eerste en tweede lid, en 9, eerste en tweede lid, waarvoor de aanvrager voornemens is certificaten te verstrekken.
2. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de wijze van indiening van de aanvraag en de bij de aanvraag te verstrekken gegevens.
Artikel 12
1.
Onze Minister verleent de erkenning geheel of gedeeltelijk, indien de desbetreffende instelling:
a. a. heeft voldaan aan de bij of krachtens artikel 11 gestelde vereisten; b. b. niet in staat van faillissement verkeert of geen surseance van betaling heeft verkregen; c. c. geacht kan worden onafhankelijk en onpartijdig te zijn bij de uitvoering van haar werkzaamheden; d. d. de natuurlijke personen en ondernemingen registreert die zij heeft gecertificeerd; e. e. beschikt over personeel dat voor het uitvoeren van de beoordelingen van natuurlijke personen of ondernemingen voldoet aan bij ministeriële regeling vastgestelde eisen; f. f. op een geaggregeerd niveau de gegevens zal bijhouden die ingevolge artikel 7 van de F-gassenverordening plaatsvinden, tenzij de aanvraag alleen betrekking heeft op het certificeren van personen; g. g. voldoet aan bij ministeriële regeling aan instellingen te stellen kwaliteitseisen.
2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het gestelde in het eerste lid, onder c, d en f.
Artikel 13
1. Op verzoek van de erkende instelling kan de erkenning worden gewijzigd.
2. Op het verzoek zijn de artikelen 11 en 12 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 14
1. Een instelling verstrekt geen certificaten als bedoeld in de artikelen 6 en 9 aan natuurlijke personen of ondernemingen zonder daartoe verleende erkenning.
2. Een erkende instelling voldoet aan de bij of krachtens artikel 12, eerste lid, onder c tot en met g, gestelde vereisten.
3. Een erkende instelling certificeert geen natuurlijke personen of ondernemingen, waarmee de instelling organisatorisch, financieel of juridisch verbonden is, tenzij deze verbondenheid alleen voortvloeit uit een tussen partijen ten behoeve van de certificering gesloten overeenkomst van opdracht.
4. Een erkende instelling schorst een door haar verstrekt certificaat of trekt deze in als Onze Minister een daartoe strekkende aanwijzing heeft gegeven omdat de houder van het certificaat in strijd heeft gehandeld met verplichtingen, gesteld bij of krachtens dit besluit, de F-gassenverordening of de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen.
5. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de verplichtingen waaraan erkende instellingen moeten voldoen. Deze regels kunnen betrekking hebben op de tarieven die de erkende instellingen voor het verstrekken van certificaten in rekening brengen.
Artikel 15
1. Onze Minister kan de erkenning van een instelling schorsen, indien de instelling een bij of krachtens dit besluit gestelde verplichting niet nakomt of niet is nagekomen.
2. In geval van schorsing geeft Onze Minister de instelling gedurende een door hem te bepalen periode de gelegenheid de tekortkoming op te heffen.
3. Indien de tekortkoming door de instelling binnen de door Onze Minister gestelde termijn naar het oordeel van Onze Minister is opgeheven, wordt de schorsing van de erkenning opgeheven.
4. Het besluit tot schorsing vermeldt de termijn gedurende welke de schorsing van kracht is. Deze termijn is ten hoogste twee jaar.
Artikel 16
1.
Onze Minister kan de erkenning van een instelling intrekken indien:
a. a. de instelling hierom verzoekt; b. b. de instelling naar het oordeel van Onze Minister ernstig tekort is geschoten bij de naleving van een bij of krachtens dit besluit gestelde verplichting; c. c. de erkenning ingevolge artikel 15, eerste lid, is geschorst en de tekortkoming niet binnen de in artikel 15, tweede lid, bedoelde termijn is opgeheven, of d. d. aan de instelling surseance van betaling is verleend of de instelling in staat van faillissement verkeert.
2. De instelling stelt de ondernemingen die zij heeft gecertificeerd onmiddellijk op de hoogte van het besluit van Onze Minister tot intrekking van de erkenning.
3. Na intrekking van de erkenning blijven de door de instelling aan ondernemingen afgegeven certificaten gedurende ten hoogste een jaar geldig.
Paragraaf 5. Wederzijdse erkenning
Artikel 17
Met een erkenning wordt gelijkgesteld een erkenning, afgegeven door een daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
Paragraaf 5a. Uitvoering van
Artikel 17a
1. Het is marktdeelnemers verboden ten aanzien van producten die vallen onder de F-gassenverordening en de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen te handelen in strijd met artikel 7, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2019/1020.
2. Het is een aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij verboden ten aanzien van producten die vallen onder de F-gassenverordening en de Verordening ozonlaagafbrekende stoffen te handelen in strijd met artikel 7, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2019/1020.
Paragraaf 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 18
1. In aanvulling op de artikelen 6, eerste en tweede lid, en 9, eerste en tweede lid, blijft het bepaalde bij en krachtens artikel 4, eerste tot en met het vierde lid, van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer en artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen, zoals deze bepalingen luidden onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit, gedurende zes maanden na inwerkingtreding van dit besluit van kracht.
2. Een krachtens artikel 4, eerste lid, van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen en artikel 5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen, zoals deze bepalingen luidden onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit, verleend diploma wordt gelijkgesteld met een certificaat voor een natuurlijk persoon als bedoeld in de artikelen 6, eerste lid, en 9, eerste en tweede lid.
3. Een krachtens artikel 4, tweede lid, van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen en artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen, zoals deze bepalingen luidden onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit, verleend bedrijfscertificaat wordt gedurende ten hoogste twee jaren na inwerkingtreding van dit besluit gelijk gesteld met een certificaat voor een onderneming als bedoeld in de artikelen 6, tweede lid, en 9, tweede lid.
4. Een aanwijzing die is verleend krachtens artikel 4, derde lid, van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer dan wel artikel 5, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen, zoals die artikelleden luidden onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van het onderhavige besluit, wordt gedurende twee jaren na inwerkingtreding van dit besluit gelijk gesteld met een erkenning.
5. Met een certificaat voor een natuurlijk persoon als bedoeld in artikel 6, eerste lid, voor de uitvoering van de taken waarbij uitsluitend ammoniak, een brandbaar koudemiddel of kooldioxide als natuurlijk koudemiddel betrokken is, wordt tot uiterlijk 12 maart 2029 gelijkgesteld een geldig vakbekwaamheidsbewijs afgegeven op grond van een examen waarvoor de eindtermen minimaal gelijkwaardig waren aan de minimumeisen zoals beschreven in de betreffende uitvoeringshandeling op grond van artikel 10, achtste lid, van de F-gassenverordening, voor zover het taken en apparatuur betreft waarvoor het vakbekwaamheidsbewijs geldt.
Artikel 19
Wijzigt het Besluit OM-afdoening.
Artikel 20
Wijzigt het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Artikel 21
Wijzigt het Besluit algemene regels milieu mijnbouw.
Artikel 22
De volgende besluiten worden ingetrokken:
a. a.
Besluit broeikasgassen in apparatuur op schepen milieubeheer;
b. b.
Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer;
c. c.
Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen.
Artikel 23
Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.
Artikel 24
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen.