rijk/circulaire/circulaire-afbakening-tussen-politie-en-justitiekosten-2007/BWBR0020799
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Circulaire afbakening tussen politie- en justitiekosten 2007 BWBR0020799 circulaire geldend 2007-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0020799 Circulaire afbakening tussen politie- en justitiekosten 2007

Circulaire afbakening tussen politie- en justitiekosten 2007

Hierbij zend ik u de nieuwe circulaire over de afbakening tussen politie- en Justitiekosten. Deze circulaire komt in de plaats van de circulaire van 10 mei 2004, kenmerk 5147451/502 die geldig zou zijn tot 31 december 2008. Deze circulaire treedt in werking op 1 januari 2007.

Met deze circulaire leg ik de afspraken vast die in 2006 zijn gemaakt over de budgetoverheveling voor interceptie (tap- en tapgerelateerde tolk- en vertaalkosten en ten aanzien van kosten voor bevraging van n.a.w.- en verkeersgegevens). Het gaat met name om de kosten die voortvloeien uit de toepassing van de artikelen in de Titels IVa en V van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering, zoals die luidden bij de inwerkingtreding van de vorige circulaire per 1 januari 2005.

Per 1 januari 2007 zijn de budgetten voor bovengenoemde kosten van mijn begroting overgeheveld naar de begrotingen van mijn ambtgenoten, voor zover zij verantwoordelijk zijn voor (bijzondere) opsporingsdiensten.

Met deze budgetoverheveling komt er een einde aan de mogelijkheid om de eerder genoemde kosten bij Justitie (het Openbaar Ministerie) in rekening te brengen. Dit geldt voor werkzaamheden die op of na 1 januari 2007 zijn verricht. Tevens herleeft de hoofdregel dat opsporingskosten door de (bijzondere) opsporingsinstanties worden gedragen en de kosten van vervolging door het Openbaar Ministerie.

. Overgangsregeling

Om mijn ambtgenoot van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (verder BZK) in de gelegenheid te stellen de (administratieve) organisatie rond deze nieuwe taak in te (doen) richten is in overleg met het College van procureurs-generaal afgesproken dat ten behoeve van de reguliere politie tot nader order de declaraties voor geleverde diensten van zowel telecomproviders als van de taptolken tijdelijk nog naar het Openbaar Ministerie mogen worden gezonden. U krijgt bericht zodra deze situatie verandert.

Opdrachten van bijzondere opsporingsdiensten, gegeven na 1 januari 2007, dienen bij die diensten zelf in rekening gebracht te worden.

Zowel voor de reguliere politie als voor de bijzondere opsporingsdiensten lijkt het raadzaam om vanaf 1 januari 2007 bij het verlenen van opdrachten expliciet aan te geven waar de leverancier zijn declaratie kan indienen.

. Verschillen met de vorige circulaire

De vorige circulaire ging uitvoerig in op de kosten van interceptie en de daaraan verbonden tolkkosten. Deze passages zijn vervallen.

Tijdens de looptijd van de vorige circulaire is gebleken dat onderdelen van de politie aan bijzondere opsporingsinstanties kosten in rekening brachten voor het verblijf in politiecellen. Hoewel de tekst van de bijlage bij deze circulaire op dit punt helder is, is in overleg met BZK het standpunt als vermeld in de bijlage herbevestigd en is nogmaals uitgedragen dat het niet de bedoeling is dat doorberekening van politiekosten plaatsvindt tussen reguliere- en bijzondere opsporingsdiensten. Voor de volledigheid is dat standpunt in de inleiding opgenomen.

In onderdeel II (Wettelijk kader) is voor de volledigheid in een voetnoot de wettelijke omschrijving voor het begrip opsporingsonderzoek opgenomen, zoals die staat in artikel 132a Sv.

In onderdeel III is in de passage die gaat over het transport van inbeslaggenomen voorwerpen verduidelijkt dat de uitzondering op de regel dat de politie de transportkosten betaalt, slechts ziet op de kosten van het vervoer door derden vanaf het politiebureau naar de bewaarder of vernietiger. De kosten voor het transport van de van de plek van inbeslagneming naar het bureau vallen buiten de uitzondering en zijn reguliere politiekosten.

In de gevallen dat voorwerpen echter vanaf de plaats van inbeslagneming door een derde rechtstreeks worden vervoerd naar de vernietiger kunnen de transportkosten voor het hele traject bij Justitie in rekening worden gebracht. Hoewel dit al in een voetnoot stond bleek hier in de praktijk onduidelijkheid over te bestaan, zodat de formulering is aangescherpt. Zolang het Landelijk Beslaghuis nog niet in werking is, zal deze uitzondering gelden.

Onderdeel IV is letterlijk overgenomen uit de vorige circulaire. Eventuele wensen voor verandering en of aanvulling van dit onderdeel van de circulaire kunnen in een volgende ronde aan bod komen.

Hier en daar zijn redactionele wijzigingen aangebracht, die echter de inhoud van de boodschap niet raken.

I. Inleiding

Bij de verdeling van de kosten van opsporing en vervolging geldt als uitgangspunt dat de kosten van opsporing voor rekening komen van de opsporingsinstanties en de kosten van vervolging voor rekening komen van het Openbaar Ministerie. Op het hier genoemde uitgangspunt geldt inmiddels nog voor één soort opsporingskosten een uitzondering. Deze uitzondering betreft de kosten van transport en taxatie van inbeslaggenomen voorwerpen, welke kosten onder bepaalde voorwaarden door Justitie aan de opsporingsinstanties worden vergoed. Onder punt III ga ik daar nader op in.

Het voorgaande betekent dat alle kosten die de regiopolitie, het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) en bijzondere opsporingsinstanties maken ter uitvoering van de taken op grond van de Politiewet 1993, respectievelijk bijzondere wetgeving, en het Wetboek van Strafvordering, ten laste komen van de beheerder van het betreffende korps of dienst. De politie1 Onder het begrip politie vallen alle opsporingsambtenaren, tenzij in deze circulaire uitdrukkelijk anders is vermeld. draagt in beginsel alle kosten van opsporing. De politie draagt ook de kosten van werkzaamheden die zij ingevolge het bij of krachtens wettelijk voorschrift bepaalde behoort te verrichten ter uitvoering van rechterlijke beslissingen. Toezeggingen van justitiële autoriteiten in strijd met dit beginsel zullen dan ook niet kunnen worden gehonoreerd.2 Het openbaar ministerie heeft op grond van artikel 148 Sv het gezag over de opsporing. Dit betekent dat het openbaar ministerie, onverlet de beheersverantwoordelijkheid van de korpsbeheerder, beslist over de te onderzoeken zaken en de te gebruiken opsporingsbevoegdheden, met dien verstande dat voor zeer ingrijpende bevoegdheden een machtiging van de rechter-commissaris is vereist (MvT bijzondere opsporingsbevoegdheden).

Een tweede soort kosten waar deze circulaire aandacht aan besteedt, zijn de kosten voor het verblijf in politiecellen. Het gaat hier in feite niet om opsporingskosten, maar wel om kosten die de politie maakt en die (onder voorwaarden) bij Justitie (de Dienst Justitiële Inrichtingen, DJI) kunnen worden gedeclareerd. Deze kosten zijn beschreven in de bijlage\3 Dit onderdeel van de circulaire is in beheer bij de Dienst Justitiële Inrichtingen. Voor vragen over vergoedingen voor verblijf in politiecellen kunt u zich wenden tot de DJI..

Tijdens de looptijd van de vorige circulaire is gebleken dat politieregios aan bijzondere opsporingsinstanties kosten in rekening brachten voor het verblijf in politiecellen. In overleg met BZK is het standpunt ingenomen en uitgedragen dat het niet de bedoeling is dat doorberekening van politiekosten plaats vindt tussen reguliere- en bijzondere opsporingsdiensten.

II. Wettelijk kader

De afbakening tussen politie- en Justitiekosten wordt beheerst door de Politiewet 1993 (voor wat betreft de bijzondere opsporingsinstanties door bijzondere wetgeving) en de Wet tarieven in strafzaken, het Besluit tarieven in strafzaken 2003 en de Ministeriële regeling tarieven in strafzaken 2003. Dat wettelijke kader geeft antwoord op de vraag welke kosten in het kader van de opsporing5 Artikel 132a Sv. zegt: Onder het opsporingsonderzoek wordt verstaan het onderzoek onder leiding van de officier van justitie naar aanleiding van een redelijk vermoeden dat een strafbaar feit is begaan of dat in georganiseerd verband misdrijven worden beraamd of gepleegd, als omschreven in artikel 67, eerste lid, die gezien hun aard of samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. en vervolging van strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen door de politie moeten worden gedragen en welke kosten door Justitie. In de inleiding is al aangegeven dat er een uitzondering is op het wettelijke kader.

Voor wat betreft de regionale politie bepaalt artikel 44 van de Politiewet 1993 dat door de Minister van BZK jaarlijks voor de uitvoering van de politietaak aan de regio's bijdragen beschikbaar worden gesteld. De kosten voor het KLPD komen inmiddels ook ten laste van mijn ambtgenoot van BZK, die ingevolge artikel 38, derde lid, van de Politiewet 1993 als beheerder van dit korps is aangewezen (Stb. 1999, 575).

De Wet, het Besluit- en de Ministeriële regeling tarieven in strafzaken 2003 zijn alleen van toepassing op kosten voor werkzaamheden en tijdverzuim in opdracht of verzoek van rechterlijke autoriteiten (dus ook het Openbaar Ministerie) in de gerechtelijke fase gemaakt (zie ook H.R. 27 juni 1986, nr. 12985). Dat betekent echter niet dat alle kosten die in die fase worden gemaakt ten laste van Justitie komen. Immers, ook in de gerechtelijke fase kunnen kosten worden gemaakt, die - hoewel de werkzaamheden waaruit zij voortvloeien in opdracht van rechterlijke autoriteiten worden verricht - naar hun aard kosten van opsporing zijn. Artikel 1, lid 2 jo. Lid 1, van de Wet tarieven in strafzaken bepaalt namelijk dat de vergoedingen weliswaar op de voet van die Wet worden vastgesteld, doch dat zij slechts ten laste van 's Rijks kas (in dit geval Justitie) komen voor zover bij bijzondere wetten niet anders is bepaald.

In de onderdelen III en IV zijn respectievelijk genoemd de kosten verbonden aan het transport van inbeslaggenomen voorwerpen en de kosten van (gemeentelijke) lijkschouw. De onderliggende wettelijke bepalingen zijn het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen en de Wet op de lijkbezorging.

Wetteksten zijn in deze circulaire cursief weergegeven.

III. Ten laste van Justitie komende (opsporings)kosten

Op grond van beleidsoverwegingen is besloten dat onder bepaalde voorwaarden de kosten voor vervoer en taxatie van inbeslaggenomen voorwerpen6 Meer informatie over het onderwerp strafrechtelijk beslag is opgenomen in het Handboek beslag en ontneming, dat via internet is te raadplegen. http://www.justitie.nl/images/Handboek%20Beslag%20en%20ontneming_tcm74-39123[1]_tcm34-9073.pdf niet ten laste van de politie blijven, maar bij Justitie in rekening kunnen worden gebracht.

. Vervoer en taxatie van inbeslaggenomen voorwerpen

De inbeslagneming van voorwerpen behoort tot de reguliere politietaak. De daaraan verbonden kosten zijn voor rekening van de politie.7 De kosten van overbrenging van inbeslaggenomen voorwerpen van de plaats van inbeslagneming naar het politiebureau of een opslagplaats van de politie blijven ten laste van de politie. Ook eventuele daar aan de opslag van de voorwerpen verbonden kosten blijven ten laste van de politie. Als het voorwerp van een zodanige aard en omvang is dat de politie het zelf kan of had kunnen overbrengen, worden de kosten van een ingeschakelde derde niet door Justitie vergoed. De uitzondering die hier is gemaakt geldt voor het transport van omvangrijke of bijzondere partijen (hoeveelheid en aard) inbeslaggenomen voorwerpen, waarvoor de inschakeling van een derde (b.v. een transportbedrijf) noodzakelijk is. Onder bijzondere partijen vallen die goederen die niet zonder meer door een ieder mogen worden vervoerd. Dit doet zich onder andere voor bij vuurwerk.

Het gaat bij deze uitzondering om de kosten van het transport vanaf het politiebureau (politieopslagplaats) naar de bewaarder (of de door de bewaarder aangewezen opslagplaats) of in sommige gevallen rechtstreeks naar de vernietiger. Op de kosten van de vernietiging is artikel 15, lid 4, van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen (BIV) van kracht, dat bepaalt:

De vernietiging geschiedt voor rekening en verantwoording van de bewaarder of de opsporingsambtenaar aan wie de machtiging is verleend. Met hetgeen na de vernietiging verkoopwaarde heeft, wordt gehandeld als met voorwerpen waarvoor machtiging tot vervreemding is verleend.

De passage of de opsporingsambtenaar aan wie de machtiging is verleend lijkt op gespannen voet te staan met artikel 13, lid 3, van het Besluit BIV. Dat bepaalt:

Indien machtiging tot vernietiging of vervreemding is verleend aan de opsporingsambtenaar die het voorwerp onder zich heeft, stelt deze het voorwerp onverwijld ter beschikking van de daarvoor in artikel 1 aangewezen bewaarder. Indien dit de griffier is, stelt de opsporingsambtenaar het voorwerp ter beschikking van het Hoofd van Domeinen Roerende Zaken.

Er zullen echter situaties zijn waarin de opsporingsambtenaar inbeslaggenomen voorwerpen onder zich heeft en deze rechtstreeks naar de vernietiger brengt. In die gevallen geldt artikel 15, vierde lid van het Besluit BIV.

De kosten van taxatie van een inbeslaggenomen voorwerp, waarvoor de officier van Justitie of het gerecht in eerste aanleg machtiging heeft verleend tot vernietiging, prijsgeven of bestemming tot een ander doel dan het onderzoek, komen ten laste van Justitie, voor zover de taxatie op grond van artikel 14, lid 2, van het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen diende plaats te vinden en heeft plaatsgevonden door een persoon, die geacht kan worden op de hoogte te zijn van de marktprijzen van dergelijke voorwerpen.

IV. Nog wat afbakeningsperikelen

Uit de praktijk komen regelmatig vragen wie in bepaalde situaties de kosten moet dragen voor verleende diensten. Hieronder volgt een overigens niet limitatieve opsomming van de verschillende diensten en voor wiens rekening de daarmee gemoeide kosten komen.

Aan de orde komen:

IV. 1. IV. 1. Eerste hulpverlening aan verkeersslachtoffers en aan andere personen aan wie letsel is toegebracht IV. 2. IV. 2. Kosten van onderzoek en behandeling van geïntoxiceerden IV. 3. IV. 3. Kosten van onderzoek en afgifte van een verklaring omtrent de conclusies van dat onderzoek door een (behandelend) geneeskundige IV. 4. IV. 4. Kosten van bloedproeven IV. 5. IV. 5. Herstel van schade bij doorzoeking, bij het binnentreden van een woning tegen de wil van de bewoner of bij arrestatie van verdachten of veroordeelden IV. 6. IV. 6. Kosten van lijkschouwing

IV.1. Eerste hulpverlening aan verkeersslachtoffers en aan andere personen aan wie letsel is toegebracht

De verlening van eerste hulp aan personen die bij een verkeersongeval of door andere oorzaken gewond zijn is geen opsporingsactiviteit maar een activiteit in het kader van de hulpverlening als bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 1993. Om deze reden kunnen de kosten van eerste hulpverlening aan deze personen niet bij Justitie in rekening worden gebracht. Voor zover de betrokkene of zijn ziektekostenverzekering voor deze kosten geen verhaal biedt, blijven de kosten ten laste van de politie.

IV.2. Kosten van onderzoek en behandeling van geïntoxiceerden

Ook deze kosten kunnen, aangezien zij geen kosten van opsporing van strafbare feiten zijn maar als kosten van hulpverlening zijn aan te merken, niet ten laste van Justitie worden gebracht. Als de geïntoxiceerde noch diens ziektekostenverzekering verhaal biedt, blijven de kosten ten laste van de politie.

IV.3. Kosten van onderzoek en afgifte van een verklaring omtrent de conclusies van dat onderzoek door een (behandelend) geneeskundige

Deze kosten, gemaakt ten dienste van de completering van een proces-verbaal terzake van een strafbaar feit waarbij letsel is toegebracht, dienen door de politie te worden gedragen.

Als echter een justitiële autoriteit rechtstreeks aan een behandelende geneeskundige om afgifte van een hier bedoelde verklaring vraagt (bijvoorbeeld omdat die geneeskundige ten tijde van het afsluiten van het proces-verbaal blijkens zijn toen aan de politie afgegeven verklaring nog geen uitsluitsel kon geven over de aard en de ernst van het letsel van het slachtoffer, diens kansen op geheel of gedeeltelijk herstel en de duur daarvan), komen de kosten voor rekening van Justitie. Deze kosten worden vergoed op grond van artikel 2 lid 1, onder c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003.

IV.4. Kosten van bloedproeven

Deze kosten komen, aangezien zij in het kader van een opsporingsonderzoek worden gemaakt, ten laste van de politie.

IV.5. Kosten van schade bij doorzoeking, bij het binnentreden van een woning of bij arrestatie van verdachten of veroordeelden

Bij herstel van schade ten gevolge van doorzoekingen, het binnentreden van een woning tegen de wil van de bewoner of arrestatie van verdachten of veroordeelden zijn er doorgaans twee categorieën van verzoekers van schadevergoeding: (ex-) verdachten en derden. Van belang is of het gaat om de rechtmatige toepassing van dwangmiddelen of onrechtmatige toepassing van dwangmiddelen.

Bij de rechtmatige toepassing van dwangmiddelen blijft de normale schade die hierdoor wordt veroorzaakt in beginsel ten laste van degene die de schade lijdt. Echter, jegens derden is het OM aansprakelijk voor die schade ten gevolge van het rechtmatig toepassen van dwangmiddelen die niet valt onder het maatschappelijk- of bedrijfsrisico van de onschuldige derde (HR 30 maart 2001, LJN-nummer: AB0801 Zaaknr: C00/083HR).

Voor schade ten gevolge van onzorgvuldig of buitenproportioneel handelen bij de rechtmatige toepassing van dwangmiddelen (bijvoorbeeld het forceren van een voordeur terwijl de achterdeur open is) is de politie aansprakelijk. Onder onzorgvuldig handelen dient onder omstandigheden ook te worden begrepen het onbeheerd en zonder deugdelijk hang- en sluitwerk achterlaten door de opsporingsambtenaar van een betreden plaats. De kosten van het eerste noodzakelijke herstel van de schade komen, gelet op de van de politie vereiste zorgvuldigheid bij de uitvoering, in eerste instantie voor rekening van de politie. De politie kan trachten deze kosten te verhalen op de verdachte.

Bij de onrechtmatige toepassing van dwangmiddelen is de overheid aansprakelijk voor schade die daardoor ontstaat.

In de verdeling tussen politie en Justitie is het OM aansprakelijk voor schade van onrechtmatig optreden indien het optreden is gebaseerd op een onrechtmatig bevel van de officier tot toepassing van het dwangmiddel. Dit is bijvoorbeeld het geval als het bevel niet voldoet aan strafvorderlijke normen en er bijvoorbeeld, naar achteraf moet worden vastgesteld, geen sprake is van een verdenking.

De politie is, evenals in het geval van rechtmatige toepassing van dwangmiddelen, aansprakelijk voor schade die ontstaat ten gevolge van onzorgvuldig of buitenproportioneel handelen bij de uitvoering van het (onrechtmatige) bevel. Daarnaast is de politie aansprakelijk voor schade die ontstaat ten gevolge van onrechtmatig handelen van de politie zónder dat daaraan een bevel van de officier van Justitie ten grondslag ligt. Bij dit laatste kan het gaan om het geval een opsporingsambtenaar een woning betreedt zonder dat door de officier een machtiging daartoe is gegeven. De schade ten gevolge van een dergelijk onrechtmatig binnentreden komt ten laste van de politie.

In gevallen waarin de politie of het OM in een (gerechtelijke) procedure wordt betrokken ter vergoeding van schade waarvoor zij niet aansprakelijk zijn, zal het verzoek om schadevergoeding worden doorgezonden aan de ander. In het geval zowel het OM als de politie aansprakelijk zijn voor een deel van de schade (bijvoorbeeld bij een machtiging binnentreden op een verkeerd adres waarbij buitensporig veel schade is veroorzaakt door de politie) dient overleg plaats te vinden. In het geval van een veroordelend civiel vonnis, bestaat voor de tot betaling veroordeelde politieregio/Staat de mogelijkheid tot het nemen van regres op de draagplichtige rechtspersoon.

IV.6. Kosten van lijkschouwing/gemeentelijke lijkschouw

In de praktijk heerst veel onduidelijkheid over de vraag wie de kosten van (gemeentelijke) lijkschouw draagt. Ter toelichting moge het volgende dienen.

Aan de orde komen:

IV. 6.1. IV. 6.1. Natuurlijke dood IV. 6.2. IV. 6.2. Twijfel aan de natuurlijke dood IV. 6.3. IV. 6.3. Vermoeden van niet natuurlijke dood IV. 6.4. IV. 6.4. Lijkvinding IV. 6.5. IV. 6.5. Levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding

IV. 6.1. Natuurlijke dood

In de meeste situaties (meer dan 90%) zal de behandelende arts een natuurlijke dood vaststellen (zie noot 11). In deze gevallen blijft de gemeentelijke lijkschouwer buiten beeld. Het bezoek van de behandelende arts aan de overledene behoort tot de reguliere zorg binnen de arts-patiënt-relatie.

IV. 6.2. Twijfel aan de natuurlijke dood

In de gevallen waarin de behandelende arts er niet van overtuigd is dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak, moet hij de gemeentelijke lijkschouwer inschakelen. (Het gaat hier niet om situaties van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding; zie daarover punt IV. 6.5).

De gemeentelijke lijkschouwer kan alsnog tot een natuurlijke dood concluderen of zijn twijfel aan de natuurlijke doodsoorzaak hebben. In het eerste geval verricht hij de wettelijk voorgeschreven administratieve verrichtingen (zie de Wet op de lijkbezorging: Wlb). In het tweede geval (bij twijfel) brengt hij verslag uit aan de OvJ en waarschuwt hij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Formeel eindigt daarmee de primaire taak van de gemeentelijke lijkschouwer. De kosten voor deze werkzaamheden van de gemeentelijke lijkschouwer komen ten laste van de gemeente.

Het is gekunsteld om de schouw die leidt tot een verslag aan de OvJ als meer (pre)justitieel te beschouwen dan de schouw die leidt tot afgifte van een verklaring van overlijden. De schouwactiviteit is immers niet principieel verschillend en er is ook niet tijdens de schouw een moment te bepalen waarop het accent verschuift van openbare orde naar opsporing. Dat betekent dat de uitslag van de schouw geen indicatie vormt voor de toerekening van de kosten. Het is aan de gemeenten om te bezien op welke wijze zij over deze taken en de betaling daarvan werkbare afspraken maken met betrokken lijkschouwers en de politie.

Nabestaanden die niet hebben gevraagd om de interventie van de gemeentelijke lijkschouwer, mogen niet met de kosten daarvan worden geconfronteerd.

IV. 6.3. Vermoeden van niet natuurlijke dood

De gemeentelijke lijkschouwer stelt de Officier van Justitie in kennis van zijn twijfel over de natuurlijke doodsoorzaak. De zaak is verdacht en een opsporingsonderzoek start op dat moment.

De eerste betrokkenheid van de OvJ bij deze zaak, is die vanuit zijn rol op basis van de Wlb. Op enig moment moet de OvJ een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 12 Wlb afgeven. Zonder die verklaring van geen bezwaar kan de ambtenaar van de burgerlijke stand geen verlof tot begraven of verbranden geven.

Kosten die in het kader van het opsporingsonderzoek worden gemaakt (denk aan transportkosten, de kosten voor het mortuarium, onderzoekskosten), zullen naar hun aard verdeeld moeten worden tussen de politie10 Reguliere taak van de politie is om opsporingsonderzoek te doen, met de daarbij behorende kosten. en de gemeente(n)11 Artikel 4 (Wlb) Burgemeester en wethouders verschaffen gelegenheid tot het doen schouwen van lijken. Zij benoemen een of meer gemeentelijke lijkschouwers. Ook hier geldt dat er een praktische afspraak tussen politie en gemeente(n) moet worden gemaakt.

Het stoffelijk overschot wordt, zo dit voor onderzoek de oorspronkelijke gemeente had verlaten, op kosten van de overheid (politie / NFI) terug gebracht naar een in overleg met de nabestaanden gekozen mortuarium. Zijn er geen nabestaanden, dan gaat het stoffelijk overschot terug naar de gemeente van overlijden.

Als de OvJ zijn verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven, komen de nabestaanden weer in beeld, ook wat betreft de kosten. Nabestaanden hebben nu eenmaal de zorg voor de overledene. Als er geen nabestaanden zijn, biedt de Wlb (art. 21) uitkomst.

In het opsporingsonderzoek kan een verdergaande behoefte zijn aan forensisch-medische informatie dan die welke vereist is voor de primaire conclusie van de gemeentelijke lijkschouwer aangaande de aard van het overlijden. Die informatie kan worden geleverd door de gemeentelijke lijkschouwer, maar ook door een andere forensische arts. Betreft het een andere arts dan de lijkschouwer, dan declareert hij zijn werkzaamheden bij depolitie. Betreft het de gemeentelijke lijkschouwer, dan gelden de afspraken die tussen gemeente(n) en politie zijn gemaakt.

IV. 6.4. Lijkvinding

Bij lijkvinding zal altijd de politie betrokken worden. Vaak zal niet (direct) duidelijk zijn wie de behandelende arts was en wordt de gemeentelijke lijkschouwer ingeschakeld. Ook hier moet de vraag worden beantwoord of er sprake is van een natuurlijke dood of vermoedelijk niet.

Is er sprake van een natuurlijke dood, dan is het een zaak voor de politie / gemeente om de nabestaanden te achterhalen, die voor de lijkbezorging kunnen zorgen. Zijn nabestaanden niet (tijdig) te vinden, dan voorziet de gemeente in de lijkbezorging.13 Artikel 20 en 21 Wlb: Ingeval niemand maatregelen neemt tot lijkschouwing of lijkbezorging overeenkomstig de wet, waarschuwt degene, die het lijk onder zijn berusting heeft, de burgemeester en wel uiterlijk op de derde dag na het overlijden. Indien niemand voorziet in de lijkschouwing en lijkbezorging overeenkomstig de wet, draagt de burgemeester daarvoor zorg.Artikel 22 Wlb: De kosten, verbonden aan de bezorging van lijken waarvoor de burgemeester zorg draagt, daaronder begrepen lijken die uit zee worden aangebracht, komen ten laste van de gemeente. Voor zover zij door de bij de lijken gevonden, niet klaarblijkelijk aan anderen toebehorende goederen of gelden niet kunnen worden gedekt, kan de gemeente die kosten verhalen op de nalatenschap en, bij ongenoegzaamheid van deze, op de bloed- en aanverwanten, die krachtens de artikelen 392-396 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest, dan wel de reder indien en voor zover kosten van de lijkbezorging op grond van artikel 416 Wetboek van Koophandel voor diens rekening komen. Hoofdstuk VII van de Algemene bijstandswet is voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Is er een vermoeden van een niet natuurlijke dood, dan bewandelt de gemeentelijke lijkschouwer de gebruikelijke wegen. Voor de tijdens het

onderzoek te maken kosten geldt het zelfde als hierboven is beschreven in IV.6.2 en IV.6.3.

Een gevonden lijk moet op enig moment worden verwijderd van de vindplaats.14 In de praktijk wordt wel gesproken over de inbeslagneming van het stoffelijk overschot. In juridische zin zou daarvan sprake kunnen zijn, omdat het lijk zou kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. Er moet dan overigens wel sprake zijn van een vermoeden van een niet natuurlijke dood, immers de inbeslagneming kan alleen in het kader van een opsporingsonderzoek naar strafbare feiten. Kijkend naar de wettelijke regelingen m.b.t. de strafrechtelijke inbeslagneming in relatie tot de bepalingen over het vervoer en de bewaring van stoffelijke overschotten, is het gebruik van het begrip inbeslagneming in dit kader niet op zijn plaats. De (wettelijke) bepalingen die gaan over de inbeslagneming spreken alle over de in beslag te nemen voorwerpen Het begrip lijk of lijken zoals omschreven in de Wlb voldoet niet aan de beschrijving van het begrip voorwerp zoals opgenomen in art. 33 a, lid 4, Sr. en art. 94a, lid 5, Sv.: onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten.De t.a.v. het stoffelijk overschot te treffen maatregelen zijn te allen tijde gericht op het verkrijgen van een verlof tot begraving of verbranden. Is dat vanuit een openbare ruimte, dan is dat in elk geval en maatregel van openbare orde, die plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de politie. De daarbij noodzakelijke werkzaamheden kunnen variëren van vrij eenvoudig, tot zeer gecompliceerd. De hieraan verbonden kosten zijn in eerste instantie voor de politie.

Wordt in een woonhuis een lijk gevonden, maar zijn er in dat geval (tijdig) nabestaanden te traceren, dan worden de normale procedures doorlopen. Zijn er geen nabestaanden, of zijn deze niet tijdig te traceren, dan zullen ook in deze situatie maatregelen van openbare orde getroffen dienen te worden door de politie.

De politie kan danwel bij de nabestaanden (zo die er zijn) danwel (ook hier weer afhankelijk van gemaakte afspraken) bij de gemeente kosten in rekening brengen, i.v.m. de plicht die de gemeente kan hebben in de bezorging van lijken te voorzien (zie noot 20). De vraag in welke mate de gemeente vervolgens gebruik wil maken van het recht tot verhaal op de nalatenschap op grond van artikel 22 Wlb, mag in het kader van deze circulaire onbeantwoord blijven.

IV. 6.5. Levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding

Was het overlijden het gevolg van de toepassing van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding, dan geeft de behandelende arts geen verklaring van overlijden af. De behandelende arts doet van de oorzaak van dit overlijden onverwijld mededeling aan de gemeentelijke lijkschouwer. Bij die mededeling voegt de arts een beredeneerd verslag inzake de inachtneming van de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (zie art. 7, tweede lid, Wlb).

Net als bij andere gevallen van een niet natuurlijke dood, informeert de gemeentelijke lijkschouwer de Officier van Justitie en de ambtenaar van de burgerlijke stand. Ten aanzien van de werkzaamheden van de gemeentelijke lijkschouwer verbonden aan het schouwen, het informeren van de Officier van Justitie en de ambtenaar van de burgerlijke stand, is bij de totstandkoming van de euthanasieregelgeving afgesproken dat de declaratie naar Justitie (parket OvJ) wordt gezonden.

Ook brengt de gemeentelijke lijkschouwer door invulling van een formulier onverwijld verslag uit aan de regionale toetsingscommissie bedoeld in artikel 3 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Hij zendt het hiervoor genoemde beredeneerd verslag van de behandelende arts mee (art. 10, tweede lid, Wlb).

Daarmee is de specifieke rol van de gemeentelijke lijkschouwer in deze gevallen ten einde. Ten behoeve van de vergoeding van de gemeentelijke lijkschouwer is in het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (art. 2, eerste lid, onder f) de volgende bepaling opgenomen:

uitwendige lijkschouwing, voor zover het betreft het opmaken van een modelverslag met aandachtspunten naar aanleiding van een melding van een geval van euthanasie of hulpverlening bij zelfdoding door een gemeentelijke lijkschouwer: € 127,06.

V. Betaling van declaraties

De kosten die op grond van deze circulaire ten laste van Justitie komen, dienen uiterlijk binnen drie maanden te worden gedeclareerd. Indien aan deze voorwaarde niet wordt voldaan kan door Justitie geen betaling plaatsvinden.

VI. Slot

Deze circulaire treedt met ingang van 1 januari 2007 in werking. Tot dat moment wordt gehandeld conform de tekst van de circulaire van 10 mei 2004, kenmerk 5147451/502).

Bijlage