rijk/amvb/besluit-dierlijke-producten/BWBR0032335
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Besluit dierlijke producten BWBR0032335 AMvB geldend 2021-03-24 https://wetten.overheid.nl/BWBR0032335 Besluit dierlijke producten

Besluit dierlijke producten

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    *Benelux-beschikking over gekwalificeerde personen:* beschikking van het Benelux Comité van Ministers van 18 december 2019 betreffende de algemene wederzijdse erkenning van de hoedanigheid van gekwalificeerd persoon op het gebied van gezondheid en hygiëne van vrij wild (Benelux Publicatieblad 1, 2020);

    *boerderijmelk:* rauwe melk die door een melkveehouder kennelijk bestemd is voor aflevering anders dan aan consumenten;

    *gekwalificeerd persoon:* persoon als bedoeld in bijlage III, sectie IV, hoofdstuk I, van verordening (EG) nr. 853/2004;

    *kaas:* product dat wordt verkregen door stremming van melk waaraan al dan niet melkbestanddelen zijn toegevoegd of onttrokken, de verwijdering van wei en de rijping tot voor de consumptie gereed product;

    *leverantie van boerderijmelk:* de transactie waarbij een melkveehouder boerderijmelk ter beschikking van de ontvanger van boerderijmelk stelt en deze de desbetreffende melk in ontvangst neemt met het kennelijke doel deze te bewerken, te verwerken of te verhandelen;

    *melk:* door het melken van één of meer koeien, geiten, schapen of buffelkoeien verkregen product, zonder dat daaraan stoffen worden toegevoegd of onttrokken;

    *melkveehouder:* de natuurlijke of rechtspersoon die bedrijfsmatig melkkoeien of melkgeiten houdt;

    *ontvanger van boerderijmelk:* de natuurlijke of rechtspersoon die op jaarbasis 500.000 kg of meer boerderijmelk bedrijfsmatig ontvangt van één of meer in Nederland gevestigde melkveehouders en ter zake betalingen aan de desbetreffende melkveehouders verricht, met uitzondering van boerderijzuivelbereiders;

    *rauwe melk:* product dat wordt afgescheiden door de melkklier van één of meer koeien of geiten en dat niet verwarmd is tot boven 40°C en dat evenmin een behandeling met een gelijkwaardig effect heeft ondergaan;

    *Stichting COKZ:* Stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken te Leusden;

    *Stichting Skal:* Stichting Skal te Zwolle;

    *Verordening (EU) nr. 952/2013:* Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2013, L 269);

    *verordening (EG) nr. 853/2004:* verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (PbEU 2004 L 139);

    *verordening (EU) nr. 1375/2015:* Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1375 van de Commissie van 10 augustus 2015 tot vaststelling van specifieke voorschriften voor de officiële controles op Trichinella in vlees (PbEU 2015, L 212);

    *verordening (EU) nr. 2016/429:* verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid («diergezondheidswetgeving») (PbEU 2016, L 84);

    *verordening (EU) nr. 2017/625:* verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (Pb EU 2017 L 95);

    *verordening (EU) 2018/848:*
    verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PbEU 2018, L 150);

    *wet:*
    Wet dieren;

    *zuivelproduct:*
  
  
    
      1°.
      een product dat uitsluitend is verkregen uit melk, met dien verstande dat stoffen die voor de bereiding ervan noodzakelijk zijn, mogen worden toegevoegd, mits deze stoffen niet worden gebruikt voor de volledige of gedeeltelijke vervanging van één van de bestanddelen van melk, en
    
    
      2°.
      een product dat is samengesteld uit melk, dat wil zeggen een product waarvan geen enkel element in de plaats komt van een melkbestanddeel of bedoeld is om daarvoor in de plaats te komen en waarvan de melk een essentieel bestanddeel is, hetzij door de hoeveelheid, hetzij omdat het effect kenmerkend is voor deze producten.

1°. 1°. een product dat uitsluitend is verkregen uit melk, met dien verstande dat stoffen die voor de bereiding ervan noodzakelijk zijn, mogen worden toegevoegd, mits deze stoffen niet worden gebruikt voor de volledige of gedeeltelijke vervanging van één van de bestanddelen van melk, en 2°. 2°. een product dat is samengesteld uit melk, dat wil zeggen een product waarvan geen enkel element in de plaats komt van een melkbestanddeel of bedoeld is om daarvoor in de plaats te komen en waarvan de melk een essentieel bestanddeel is, hetzij door de hoeveelheid, hetzij omdat het effect kenmerkend is voor deze producten.

Hoofdstuk 1a. Buiten of binnen Nederland brengen van dierlijke producten

Artikel 1a.1

1. Ingeval artikel 243, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 van toepassing is en de regelgeving of de bevoegde autoriteit van het derde land waarvoor dierlijke producten zijn bestemd, vereist dat de dierlijke producten voldoen aan door het derde land gestelde vereisten, wordt een officieel certificaat afgegeven door Onze Minister waaruit blijkt dat aan deze eisen is voldaan.

2. Ingeval de regelgeving of de bevoegde autoriteit van een derde land, bedoeld in het eerste lid, een bepaalde gezondheidsstatus vereist van dierlijke producten, maar geen eisen stelt aan de laboratoria waarin en de wijze waarop laboratoriumanalyses, -tests en -diagnoses worden uitgevoerd, vinden deze plaats in een daartoe door Onze Minister erkend laboratorium.

3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid ingeval er voor het onderzoek met betrekking tot een bepaalde gezondheidsstatus geen laboratorium is erkend.

Artikel 1a.2

Ingeval artikel 234, derde lid, van verordening (EU) nr. 2016/429 van toepassing is, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over het binnen Nederland brengen van voor menselijke consumptie bestemde dierlijke producten en levende producten met betrekking tot:

a. a. de gezondheidsstatus van die producten; b. b. de begeleidende documenten die die producten vergezellen.

Hoofdstuk 2. Voor menselijke consumptie bestemde dierlijke producten

Paragraaf 1. Vleeskeuring

Artikel 2.1

1. Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van EU-verordeningen of EU-besluiten regels gesteld over de productie en de levering van vlees na het doden van dieren met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdeel a, en artikel 3.2, tweede lid, onderdelen a tot en met l, van de wet, voor zover die EU-rechtshandelingen verplichten tot invulling van een onderdeel van die rechtshandelingen.

2. Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van EU-verordeningen of EU-besluiten regels worden gesteld over de productie van vlees na het doden van dieren met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, onderdelen a tot en met l, van de wet, voor zover die EU-rechtshandelingen de ruimte bieden om een bepaalde handeling of toestand toe te staan of te verbieden.

Artikel 2.2

Rechtstreekse levering van kleine hoeveelheden vlees van op het bedrijf geslacht pluimvee of op het bedrijf geslachte lagomorfen als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel d, van verordening (EG) nr. 853/2004 en de productie van dat vlees vindt zodanig plaats dat:

a. a. geen verontreiniging plaats kan hebben met voor de gezondheid van de mens schadelijke hoeveelheden van stoffen, of met organismen of virussen die voor die gezondheid onder redelijkerwijs te verwachten omstandigheden schadelijk kunnen zijn of worden, en b. b. onder a bedoelde organismen zich niet zodanig kunnen vermeerderen of zodanige toxinen kunnen vormen dat zij voor de gezondheid van de mens schadelijk kunnen zijn.

Artikel 2.3

1. Het is verboden bij rechtstreekse levering als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel e, van verordening (EG) nr. 853/2004 van grof vrij wild te handelen in strijd met bijlage III, sectie IV, hoofdstuk II, onderdelen 1, 2, 4 en 5, van die verordening.

2. Het is verboden bij rechtstreekse levering als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel e, van verordening (EG) nr. 853/2004 van klein vrij wild te handelen in strijd met bijlage III, sectie IV, hoofdstuk III, onderdelen 1, 2 en 4, van die verordening.

3. Het onderzoek, bedoeld in bijlage III, sectie IV, hoofdstuk II, onderdeel 2, en hoofdstuk III, onderdeel 1, van verordening (EG) nr. 853/2004, wordt uitgevoerd door een gekwalificeerd persoon.

Artikel 2.4

1. Bij rechtstreekse levering als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van een karkas van een wild zwijn neemt de gekwalificeerde persoon tijdens het onderzoek, bedoeld in het derde lid van dat artikel, een monster als bedoeld in artikel 2, tweede lid, tweede alinea, van verordening (EU) nr. 1375/2015.

2. De bemonstering en het onderzoek van het monster vinden plaats overeenkomstig bijlage I, hoofdstuk I, onderdeel 1, onderdeel 2, onder c, tweede alinea, onderdeel 3, onder I en II, en bijlage III, aanhef en onderdelen a, d, en f, van verordening (EU) nr. 1375/2015.

3. De gekwalificeerde persoon brengt op een karkas van een wild zwijn een uniek merk aan en vermeldt dat merk bij de gegevens die behoren bij het monster, bedoeld in het eerste lid.

4. Een karkas van een wild zwijn of een deel daarvan wordt slechts in de handel gebracht bij een negatieve uitslag van het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, en gaat bij levering vergezeld van een kopie van de uitslag van het onderzoek of een elektronisch bewijs waaruit de uitslag van het onderzoek blijkt.

5. Bij een positieve uitslag van het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, is het karkas van het wilde zwijn of alle delen daarvan ongeschikt voor consumptie.

6. De uitslag van het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, wordt ten minste drie jaar bewaard door degene die het monster voor onderzoek heeft aangeboden.

Artikel 2.5

1. De exploitant van een levensmiddelenbedrijf kan herkeuring aanvragen ingeval hij zich met een beslissing met betrekking tot het vlees als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van verordening (EU) nr. 2017/625, afkomstig van als een als landbouwhuisdier gehouden hoefdier niet kan verenigen.

2. Bij de herkeuring wordt de beslissing met betrekking tot het vlees, bedoeld in het eerste lid, heroverwogen.

3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag, de beslissing op de aanvraag en de uitvoering van een herkeuring.

Artikel 2.5a

1.

Een gekwalificeerd persoon die in Nederland een opleiding heeft afgerond die voldoet aan bijlage III, sectie IV, hoofdstuk I, onderdeel 4, van verordening (EG) nr. 853/2004, niet zijnde een gekwalificeerd persoon met de Belgische of Luxemburgse nationaliteit die in het eigen land bevoegd is te handelen als gekwalificeerd persoon, registreert zich in een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld register met de volgende gegevens:

a. a. naam; b. b. adres en woonplaats; c. c. geboortedatum; d. d. telefoonnummer; e. e. e-mailadres; en f. f. het unieke nummer, en de maand en jaar van afgifte van het bewijs dat met goed gevolg een opleiding is afgerond die voldoet aan bijlage III, sectie IV, hoofdstuk I, onderdeel 4, van verordening (EG) nr. 853/2004.

2.

Een gekwalificeerd persoon meldt in het register:

a. a. het unieke nummer, en de maand en jaar van afgifte van het bewijs van bijscholing ten aanzien van de kennis, bedoeld in bijlage III, sectie IV, hoofdstuk I, onderdeel 1, van verordening (EG) nr. 853/2004; en b. b. elke wijziging van gegevens als bedoeld in onderdeel a, en in het eerste lid, onderdelen a tot en met e.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid:

a. a. verzoekt een in Nederland werkzaam gekwalificeerd persoon, niet zijnde een gekwalificeerd persoon met de Belgische of Luxemburgse nationaliteit die in het eigen land bevoegd is te handelen als gekwalificeerd persoon, die niet beschikt over een bewijs als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, maar wel aantoonbaar beschikt over de kennis, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, Onze Minister hem op te nemen in het register, bedoeld in het eerste lid, aanhef, met de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e; en b. b. meldt de gekwalificeerde persoon, bedoeld in onderdeel a, in het register elke wijziging van zijn gegevens als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met e.

4.

Onze Minister haalt een registratie als bedoeld in het eerste lid door, indien de gekwalificeerde persoon:

a. a. niet langer als zodanig werkzaam is; b. b. niet meer beschikt over voldoende kennis als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a; c. c. daar zelf toe verzoekt; d. d. is overleden; e. e. op grond van artikel 138, tweede lid, van verordening (EU) nr. 2017/625, gelast is zijn werkzaamheden als gekwalificeerde persoon gedurende een passende periode stop te zetten; of f. f. niet tijdig de gegevens, bedoeld in het tweede lid of het derde lid, onderdeel b, in het register meldt.

5. Een doorhaling als bedoeld in het vierde lid geschiedt niet eerder dan nadat de gekwalificeerde persoon in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijzen omtrent de doorhaling naar eigen keuze mondeling of schriftelijk naar voren te brengen.

6.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:

a. a. de wijze van registratie van de gegevens, bedoeld in het eerste en derde lid, onderdeel a, alsmede de wijze van melding van de gegevens, bedoeld in het tweede en derde lid, onderdeel b; b. b. de bewaartermijn van de gegevens, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid; c. c. de termijn waarbinnen een gekwalificeerd persoon de registratie, bedoeld in het eerste en derde lid, onderdeel a, of de melding, bedoeld in het tweede en derde lid, onderdeel b, doet.

7. Ter uitvoering van de Benelux-beschikking over gekwalificeerde personen verstrekt Onze Minister desgevraagd de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c en f, of, wanneer het gaat om een gekwalificeerde persoon als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, aan de bevoegde autoriteiten van België en Luxemburg. Wanneer door of namens de Benelux Unie een register van gekwalificeerde personen is opgezet, verstrekt Onze Minister de gegevens ook in het kader van het opnemen van deze gegevens in dat register.

8. Onze Minister, en een organisatie verantwoordelijk voor de afgifte van de bewijzen, bedoeld in het eerste lid onderdeel f, en het tweede lid, onderdeel a, verstrekken elkaar de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met c en f, en het tweede lid, onderdeel a. Deze gegevensverwerking heeft als doel te bepalen of de door de gekwalificeerde persoon geregistreerde gegevens correct zijn.

Paragraaf 2. Kwaliteit van levensmiddelen van dierlijke oorsprong

Artikel 2.6

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ter uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen met betrekking tot:

a. a. de biologische productie van dierlijke producten; b. b. de bescherming van kwaliteitsaanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen van dierlijke oorsprong; c. c. handelsnormen voor dierlijke producten; d. d. volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding bestemd voor derde landen.

Artikel 2.7

1. Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van voorschriften in EU-verordeningen of EU-besluiten als bedoeld in artikel 2.6 regels gesteld met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdelen a tot en met c en e tot en met l, van de wet, voor zover die EU-rechtshandelingen verplichten tot invulling van een onderdeel van die rechtshandelingen.

2. Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van voorschriften in EU-verordeningen of EU-besluiten als bedoeld in artikel 2.6 regels worden gesteld met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdelen a tot en met c en e tot en met l, van de wet, voor zover die EU-rechtshandelingen de ruimte bieden om een bepaalde handeling of toestand toe te staan of te verbieden.

Artikel 2.8

1.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

a. a. benamingen voor kaas; b. b. de kwaliteit, de hoedanigheid en de keuring van kaas waarvoor benamingen als bedoeld in onderdeel a zijn vastgesteld.

2. Het is verboden kaas te bereiden die bestemd is om onder de daarvoor krachtens het eerste lid vastgestelde benaming in de handel te worden gebracht, of kaas onder de daarvoor krachtens het eerste lid vastgestelde benaming te verhandelen, tenzij is voldaan aan de krachtens dat lid gestelde regels.

3. Het is verboden voor kaas anders dan kaas waarvoor krachtens het eerste lid regels zijn gesteld benamingen te gebruiken die een zodanige gelijkenis vertonen met de benamingen die krachtens dat lid zijn vastgesteld dat daardoor verwarring kan ontstaan.

4.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op:

a. a. producten die in een lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte zijn geproduceerd en daar rechtmatig in de handel zijn gebracht; b. b. producten geplaatst onder een douaneregeling als bedoeld in artikel 5, zestiende lid, van Verordening (EU) nr. 952/2013.

Artikel 2.8a

1. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de voorwaarden voor het gebruik van vermeldingen bij het in de handel brengen van pluimveevlees van in Nederland gehouden en geslachte dieren.

2.

De in het eerste lid bedoelde regels kunnen betrekking hebben op de volgende vermeldingen, ter aanduiding van het houderijsysteem:

a. a. «Scharrel ... binnengehouden»; b. b. «Scharrel ... met uitloop»; c. c. «Boerenscharrel ... met uitloop» of «Hoeve ... met uitloop»; d. d. «Boerenscharrel ... met vrije uitloop» of «Hoeve ... met vrije uitloop».

Artikel 2.8b

1. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de leverantie van boerderijmelk.

2. Het is ontvangers van boerderijmelk verboden boerderijmelk in ontvangst te nemen als voor de desbetreffende leverantie van boerderijmelk niet wordt voldaan aan de krachtens het eerste lid gestelde regels.

3.

De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op onder meer:

a. a. de registratie van ontvangers van boerderijmelk; b. b. de hoedanigheid van de boerderijmelk; c. c. de bemonstering van de boerderijmelk en het bewaren van de monsters; d. d. de bepaling van de hoeveelheid, kwaliteit, samenstelling en hoedanigheid van de boerderijmelk; e. e. het vervoer van de boerderijmelk en de vervoermiddelen; f. f. het bijhouden van een administratie.

Artikel 2.8c

Vervallen

Artikel 2.9

1.

Op de uitvoering van het toezicht en de keuring, bedoeld in de artikelen 2.10 en 2.11, door de instellingen, bedoeld in die artikelen, zijn van overeenkomstige toepassing:

a. a. de artikelen 8 tot en met 10, 11, eerste en vierde tot en met zevende lid, en 13 tot en met 13y van de Landbouwkwaliteitswet; b. b. het Tuchtrechtbesluit Landbouwkwaliteitswet.

2. Op de uitvoering van het toezicht op de naleving van regels over de kwaliteit van levensmiddelen van dierlijke oorsprong door Onze Minister, is artikel 11, tweede en vierde tot en met zevende lid, van de Landbouwkwaliteitswet van overeenkomstige toepassing.

3. Artikel 14 van de Landbouwkwaliteitswet is van overeenkomstige toepassing op een recht van een houder van een kwaliteitsaanduiding van een landbouwproduct of levensmiddel van dierlijke oorsprong als bedoeld in artikel 2.6.

Artikel 2.10

Ten aanzien van onderwerpen die bij ministeriële regeling worden aangewezen zijn de Stichting COKZ en, overeenkomstig artikelen 15 en 16, tweede lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007, de Stichting Skal:

a. a. belast met het toezicht op de naleving van regels over de kwaliteit van levensmiddelen van dierlijke oorsprong en de keuring van die levensmiddelen of met het toezicht op die keuring; b. b. bevoegd tot het uitreiken van bewijsstukken ten aanzien van de kwaliteit van dierlijke producten, indien daarover bij die ministeriële regeling regels zijn gesteld.

Artikel 2.11

1. Stichting COKZ kan ten behoeve van de uitvoer van zuivelproducten, zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding certificaten betreffende de kwaliteitskenmerken van die producten afgeven indien het COKZ na onderzoek heeft geconstateerd dat de producten de desbetreffende kwaliteitskenmerken hebben.

2.

De certificaten, bedoeld in het eerste lid, worden slechts afgegeven wanneer daarom is verzocht:

a. a. op grond van de eisen van het land van bestemming, niet zijnde lidstaat van de Europese Unie of partij bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; b. b. op grond van de eisen van een lidstaat van de Europese Unie of partij bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte met het oog op wederuitvoer naar een land als bedoeld in onderdeel a of c. c. in verband met bijzondere omstandigheden.

3. De afgifte van certificaten in gevallen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, behoeft voorafgaande instemming van Onze Minister.

Hoofdstuk 3. Niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke producten

Paragraaf 1. Dierlijke bijproducten

Artikel 3.1

1. Bij ministeriële regeling worden ter uitvoering van EU-verordeningen of EU-besluiten regels gesteld over dierlijke bijproducten met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdelen a tot en met c, e tot en met i en k tot en met n, van de wet, voor zover die EU-rechtshandelingen verplichten tot invulling van een onderdeel van die rechtshandelingen.

2. Bij ministeriële regeling kunnen ter uitvoering van EU-verordeningen of EU-besluiten regels worden gesteld over dierlijke bijproducten met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdelen a tot en met c, e tot en met i en k tot en met n, van de wet, voor zover die EU-rechtshandelingen de ruimte bieden om een bepaalde handeling of toestand toe te staan of te verbieden.

Artikel 3.2

1. Ingeval van overmacht als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de wet kan Onze Minister, al dan niet op verzoek van de ondernemer voor wie een werkgebied als bedoeld in artikel 3.3 van de wet is vastgesteld, een of meer andere ondernemers tijdelijk aanwijzen of toestaan om de in dat werkgebied aanwezige dierlijke bijproducten als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van de wet geheel of gedeeltelijk te verwerken.

2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt de hoogte van de tarieven vastgesteld die voor de werkzaamheden, bedoeld in dat lid, in rekening worden gebracht.

3. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 3.3

1. Een ondernemer stelt tarieven vast voor de vergoeding, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de wet.

2. De totale opbrengst van de tarieven die de ondernemer vaststelt ter vergoeding van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, van de wet, bedraagt niet meer dan de kosten die de ondernemer maakt bij de uitvoering van die werkzaamheden, verminderd met de opbrengst van die producten of daarvan afgeleide producten.

3.

De kosten, bedoeld in het tweede lid, kunnen betrekking hebben op:

a. a. de kosten die de ondernemer maakt bij het verrichten van de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden; b. b. een percentage van de vermogenskosten over de boekwaarde van het geïnvesteerde vermogen in de productiecapaciteit die en het werkkapitaal dat wordt ingezet voor het verrichten van de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden.

4. Indien de gemaakte kosten in de periode waarin de tarieven, bedoeld in het tweede lid, van toepassing zijn geweest, afwijken van de geraamde kosten, komt in afwijking van het tweede lid een percentage van het verschil ten bate dan wel ten laste van de ondernemer.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot:

a. a. de hoogte van het percentage, bedoeld in het derde lid, onderdeel b; b. b. de kosten waarop het vierde lid van toepassing is en de hoogte van het percentage, bedoeld in dat lid.

Artikel 3.4

1. De tarieven worden per kalenderjaar vastgesteld.

2. De tarieven, alsmede wijzigingen daarvan, behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

3. De goedkeuring kan worden onthouden indien de tarieven hoger zijn dan noodzakelijk, uitgaande van een redelijke toerekening van de totale kosten en opbrengsten, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid.

4. Indien de vanaf een kalenderjaar te berekenen tarieven niet voor 1 januari van dat jaar zijn goedgekeurd, kan Onze Minister de tarieven vaststellen.

5. Ten behoeve van de goedkeuring verschaft de ondernemer alle noodzakelijke informatie, welke informatie vergezeld gaat van een controleverklaring, opgesteld door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

6. Van een besluit tot goedkeuring of tot vaststelling van de tarieven wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 3.5

Indien de kosten voor het verwerken of verwijderen van dierlijke bijproducten als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van de wet in een bepaald geval aantoonbaar aanmerkelijk hoger zijn dan de kosten, bedoeld in artikel 3.2, derde lid, onderdeel a, kan de ondernemer de extra kosten in rekening brengen bij de aanbieder van die producten.

Paragraaf 2. Levende dierlijke producten

Artikel 3.6

1. Bij ministeriële regeling kunnen onderdelen van het bij of krachtens verordening (EU) nr. 2016/429 bepaalde ten aanzien van het winnen, het produceren, het behandelen, de opslag of de handel van levende producten van runderen, varkens of paardachtigen van overeenkomstige toepassing worden verklaard op het winnen, het produceren, het behandelen, de opslag of de handel van die producten als die uitsluitend binnen Nederland worden verplaats.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen over verplaatsingen van levende producten van runderen, varkens of paardachtigen die uitsluitend binnen Nederland plaatsvinden, regels worden gesteld met betrekking tot:

a. a. de eisen die aan een inrichting voor levende producten worden gesteld; b. b. de bedrijfsvoering van een inrichting voor levende producten; c. c. het bijhouden en bewaren van een administratie ten aanzien van de inrichting, de aanwezigheid van donordieren, de productie en de aanwezigheid van levende producten; d. d. de diergezondheidstatus van donordieren of levende producten; e. e. de verpakking van levende producten; f. f. het vervoer van en de handel in levende producten en de begeleidende documenten daarbij.

Hoofdstuk 4. Overige bepalingen

Artikel 4.1

Het recht zoals dat gold voor 1 juli 2012 blijft van toepassing op:

a. a. bezwaar- en beroepsprocedures naar aanleiding van besluiten genomen voor 1 juli 2012 op grond van artikel 13 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 zoals dat artikel luidde voor die datum of genomen op grond van onderdeel b of c van dit artikel; b. b. de oplegging en inning van tarieven naar aanleiding van handelingen verricht voor 1 juli 2012 op grond van artikel 13 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 zoals dat artikel luidde voor die datum, en c. c. de toepassing van tuchtrecht naar aanleiding van toezicht uitgevoerd voor 1 juli 2012 op grond van artikel 13 van het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007 zoals dat artikel luidde voor die datum.

Artikel 4.2

Het Landbouwkwaliteitsbesluit zuivelproducten wordt ingetrokken.

Artikel 4.3

Wijzigt het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007.

Artikel 4.4

Wijzigt het Warenwetbesluit Zuivel.

Artikel 4.5

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 4.6

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit dierlijke producten.