40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Wijzigingsbesluit Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (1) | BWBR0005232 | AMvB | geldend | 1990-04-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0005232 | Wijzigingsbesluit Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (1) |
Wijzigingsbesluit Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (1)
Hoofdstuk I. Wijziging van het
Artikel I
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel II
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel III
1. Voor zover de artikelen I en II aanleiding geven tot het wijzigen van de bedragen van toelagen, toegekend met toepassing van artikel 19 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1948 (Stb. J 261), die ingevolge het bepaalde in artikel 13 van de Overgangsregeling Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (Stb. 1983, 572) nog worden gehandhaafd, geschiedt zulks door Onze Minister, hoofd van het daarbij betrokken departement van algemeen bestuur, met inachtneming van de daarvoor door Onze Minister van Binnenlandse Zaken te geven richtlijnen.
2. Voor zover de artikelen I en II aanleiding geven tot het wijzigen van bijzondere regelingen getroffen met toepassing van artikel 26, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, geschiedt dit bij gemeenschappelijke beschikking van Onze Minister, hoofd van het daarbij betrokken departement van algemeen bestuur, en van Onze Minister van Binnenlandse Zaken.
Artikel IV
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Artikel V
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Hoofdstuk II. Toekenning van een eenmalige uitkering in 1990 aan burgerlijk rijkspersoneel en ander personeel
Artikel VI
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. a. het Bezoldigingsbesluit: het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984; b. b. belanghebbende: degene, die behoort tot een der in artikel VII genoemde categorieën functionarissen, met dien verstande dat men niet als belanghebbende wordt aangemerkt voor de tijd welke men ingevolge een wettelijke verplichting als militair in werkelijke dienst is voor eerste oefening en in verband daarmee slechts een deel van zijn bezoldiging of loon geniet, dat gelijk is aan het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en dat niet als belanghebbende wordt aangemerkt degene, die een nevenbetrekking vervult welke niet herleid kan worden tot een deeltijdbetrekking; c. c. peildatum: 1 april 1990.
Artikel VII
De in artikel VI, onder b, bedoelde functionarissen zijn:
a. a. de ambtenaren in de zin van het Bezoldigingsbesluit en zij, voor wie krachtens artikel 26 van dat besluit een bezoldigingsregeling is vastgesteld; b. b. de werknemers in de zin van het Arbeidsovereenkomstenbesluit (Stb. 1931, 354), wier loon is vastgesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 12, eerste lid, onder b, c of d van dat besluit; c. c. de burgemeesters van één of meer gemeenten, alsmede degenen die op grond van artikel 84, derde lid, van de gemeentewet met de vervanging van het ambt zijn belast; d. d. de functionarissen voor wie de bezoldiging is geregeld in de Wet van 11 september 1964, Stb. 387; e. e. de rechterlijke ambtenaren wier bezoldiging is geregeld in de Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren (Stb. 1972, 464); f. f. de functionarissen voor wie de bezoldiging is geregeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet bezoldiging Nationale ombudsman (Stb. 1981, 603); g. g. de ambtenaren en werknemers wier bezoldiging is geregeld in de artikelen 48 en 120 van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (Stb. 1986, 611); h. h. de belanghebbende in de zin van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 (Stb. 319), de Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag (Stb. 1966, 286), de Uitkeringsregeling 1966 (Stb. 408), de Tijdelijke regeling WWV-vervangende uitkering (Stb. 1987, 400) zoals die luidde op 1 april 1990, de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden (Stb. 1984, 273); i. i. de gewezen noodwachter die op grond van het bepaalde in de artikelen 16 en 17 van de Intrekkingswet BB (Stb. 1986, 312) een wachtgeld of een uitkering geniet.
Artikel VIII
1. Aan degenen die op de peildatum de hoedanigheid van belanghebbenden bezitten wordt een eenmalige uitkering verleend van f 250,-.
2. Voor de belanghebbende die op de peildatum een deelbetrekking vervult of een nevenbetrekking welke is te herleiden tot een deelbetrekking, wordt de uitkering in dezelfde verhouding lager vastgesteld als de aan de bedoelde betrekking verbonden bezoldiging zich verhoudt tot die, verbonden aan de betrekking met een volledige werktijd.
3. De eenmalige uitkering van een belanghebbende genoemd in artikel VII, sub g en h, wordt vastgesteld naar rato van het van toepassing zijnde wachtgeld- of uitkeringspercentage en naar rato van de omvang van de werktijd in de voormalige dienstbetrekking ten opzichte van de volledige werktijd. De eenmalige uitkering van deze belanghebbenden wordt voorts lager vastgesteld indien het wachtgeld of de uitkering op grond van een anticumulatiebepaling lager is vastgesteld in verband met inkomsten uit een ambtelijke dienstbetrekking of uit hoofde van een invaliditeitspensioen, in de mate waarin de hoogte van het na toepassing van die anticumulatiebepaling vastgestelde wachtgeld of de uitkering zich verhoudt tot het wachtgeld of de uitkering vóór de anticumulatie.
4. Voor de belanghebbende, die op de peildatum wegens ziekte, schorsing of verlof anders dan wegens militaire dienst, een deel van zijn bezoldiging of loon geniet, wordt de uitkering naar evenredigheid op een lager bedrag vastgesteld.
Artikel IX
1. Hij die na zijn ontslag uit hoofde van ziekte aan hoofdstuk VI van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (Stb. 1931, 248), dan wel aan daarmede overeenkomende voorzieningen in andere rechtspositieregelingen, aanspraak kan ontlenen op bezoldiging of loon, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk behandeld alsof hij in dienst is gebleven.
2. De in dit hoofdstuk bedoelde uitkering wordt aangewezen als een uitkering bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet van 17 juli 1923, Stb. 364.
Hoofdstuk III. Wijziging van de Bezoldigingsregeling leerling-verpleegkundigen en leerling-ziekenverzorgenden in samenhang met een onderdeel van de cao-ziekenhuiswezen 1 april 1990-1 april 1992
Artikel X
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.
Hoofdstuk IV. Slotbepalingen
Artikel XI
De bij artikel I, onder B en C aangebrachte wijzigingen in de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel en de in hoofdstuk II bedoelde uitkering dragen een algemeen karakter.
Artikel XII
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 1990, met uitzondering van artikel X dat terugwerkt tot en met 1 september 1990.