rijk/ministeriele-regeling/instellingsbesluit-commissie-macrodoelmatigheid-mbo/BWBR0036973
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Instellingsbesluit Commissie macrodoelmatigheid mbo BWBR0036973 ministeriele-regeling geldend 2018-09-18 https://wetten.overheid.nl/BWBR0036973 Instellingsbesluit Commissie macrodoelmatigheid mbo

Instellingsbesluit Commissie macrodoelmatigheid mbo

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. a.

    *wet:*
    Wet educatie en beroepsonderwijs;

b. b.

    *minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

c. c.

    *commissie:* de commissie, bedoeld in artikel 2 van dit besluit;

d. d.

    *zorgplicht arbeidsmarktperspectief:* de zorgplicht bedoeld in artikel 6.1.3, eerste lid, van de wet;

e. e.

    *zorgplicht doelmatigheid:* de zorgplicht bedoeld in artikel 6.1.3, derde lid, van de wet;

f. f.

    *beleidsregel:* de Beleidsregel macrodoelmatigheid beroepsonderwijs;

g. g.

    *NVAO:* Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie.

Artikel 2

1. Er is een Commissie macrodoelmatigheid mbo.

2.

De commissie heeft tot taak:

a. a. om op verzoek van de minister een onderzoek in te stellen naar de naleving van de zorgplicht doelmatigheid dan wel de zorgplicht arbeidsmarktperspectief; b. b. op basis van het onderzoek naar naleving van de zorgplicht doelmatigheid of de zorgplicht arbeidsmarktperspectief de minister te adviseren over het nemen van maatregelen; c. c. op verzoek van de minister thematisch het opleidingenaanbod in het beroepsonderwijs door te lichten in verband met de naleving van de zorgplicht arbeidsmarktperspectief en zorgplicht doelmatigheid en op basis van deze doorlichting de minister te adviseren; d. d. het uitbrengen van advies aan de minister ten aanzien van de goedkeuring voor een fusie, waarvoor een aanvraag is ingediend op grond van artikel 2.1.4 van de wet, waarbij de commissie een aanvraag beoordeelt aan de hand van de criteria, bedoeld in artikel 5 van de Regeling en beleidsregels fusietoets in het onderwijs 2017; e. e. de minister te adviseren ten aanzien van het toekennen van een aanspraak op bekostiging en het recht op diplomering, bedoeld in artikel 1.3.1, derde lid, onderdeel a, onderscheidenlijk vierde lid, ten aanzien van een unieke, kleinschalige beroepsopleiding die dreigt te verdwijnen maar van belang blijft voor de arbeidsmarkt, voor een periode van 5 jaren aan één instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet.

3. De commissie voert de taak bedoeld in het tweede lid, onder d, uit voor aanvragen die zijn ingediend bij de minister op of na 1 augustus 2017.

Artikel 3

1. De commissie wordt ingesteld met ingang van 1 september 2015.

2. De commissie bestaat uit een voorzitter en vijf andere leden.

3. De commissie benoemt uit haar midden een vice-voorzitter die bij afwezigheid van de voorzitter in diens rechten treedt.

4. De voorzitter en de andere leden worden door de minister benoemd.

5. De benoeming geschiedt voor de duur van ten hoogste vier jaar. Herbenoeming is eenmaal mogelijk.

6. De voorzitter en overige leden kunnen worden geschorst en ontslagen door de minister.

7. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen.

Artikel 4

Tot de leden van de commissie worden benoemd:

a. a. de heer A. Paling, MBA, tevens voorzitter; b. b. mevrouw J.M. Nunnely; c. c. de heer C.M.A. van Rosmalen; d. d. mevrouw mr. M. ten Hoonte; e. e. mevrouw prof. dr. ir. M.C. Versantvoort; en f. f. de heer dr. ir. B.J. Kip.

Artikel 5

1. De commissie wordt ondersteund door een secretariaat.

2. Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de voorzitter van de commissie.

3. In het secretariaat wordt voorzien door de minister. Het secretariaat is ondergebracht bij de NVAO.

Artikel 6

1. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast.

2. De commissie legt jaarlijks voor 1 oktober een werkplan voor het volgend kalenderjaar en een begroting tot uitvoering van dit werkplan voor aan de minister. De begroting behoeft goedkeuring van de minister. Uitgaven buiten de begroting worden tevoren per geval ter goedkeuring voorgelegd aan de minister.

3. De commissie brengt jaarlijks aan de minister voor 1 juli een verslag over de uitvoering van haar werkzaamheden in het voorafgaand kalenderjaar en een financieel verslag uit.

4. De commissie kan ter voorbereiding op de totstandkoming van een advies als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a tot en met c en e, nadere informatie vragen aan de betrokken instelling of instellingen. Ter voorbereiding op de totstandkoming van een advies als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, kan de commissie nadere informatie vragen aan de aanvrager.

5. Indien bij een aanvraag tot goedkeuring van een fusie als bedoeld in artikel 2.1.4 van de wet, waarvoor de commissie door de minister om advies is gevraagd onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt voor de beoordeling van die aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, kan de voorzitter aanvragers uitnodigen om de aanvraag aan te vullen met de ontbrekende gegevens en de beslistermijn, bedoeld in artikel 4:15, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht namens de minister opschorten.

6. De commissie kan in voorkomende gevallen onderzoek laten uitvoeren of expertise van derden inroepen, voor zover dat valt binnen de goedgekeurde begroting.

Artikel 7

1. Waar het gaat om de taken, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a tot en met c, legt de commissie haar oordeel naar aanleiding van een onderzoek vast in een rapport.

2. De commissie zendt uiterlijk 13 weken na het starten van het onderzoek dit rapport aan de minister. Indien het rapport niet binnen 13 weken kan worden toegezonden, stelt de commissie de minister daarvan in kennis. De minister bepaalt in overleg met de commissie de termijn waarbinnen het rapport alsnog toegezonden dient te worden.

3. Alvorens dit rapport vast te stellen en de minister te adviseren, stelt de commissie het bevoegd gezag van de betrokken instelling of instellingen in de gelegenheid kennis te nemen van het ontwerprapport. Indien het ontwerprapport feitelijke onjuistheden bevat kan het bevoegd gezag van de betrokken instelling of instellingen deze binnen de gestelde termijn kenbaar maken aan de commissie. Wanneer het ontwerprapport daartoe aanleiding geeft kan het bevoegd gezag van de betrokken instelling of instellingen aangeven aan welke aanbeveling(en) uit het ontwerprapport het navolging zal geven.

4. Na de gestelde termijn wordt het rapport vastgesteld. Eventueel door het bevoegd gezag overgenomen aanbevelingen uit het ontwerprapport worden in het vast te stellen rapport vermeld.

Artikel 7a

1. Waar het gaat om de taken, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel d, legt de commissie haar oordeel naar aanleiding van een onderzoek vast in een advies aan de minister.

2. De commissie zendt uiterlijk 8 weken na ontvangst van de volledige aanvraag voor goedkeuring van een fusie dit advies aan de minister. Indien het advies niet binnen 8 weken kan worden toegezonden, stelt de commissie de minister daarvan in kennis. De minister bepaalt in overleg met de commissie de termijn waarbinnen het rapport alsnog toegezonden dient te worden.

Artikel 7b

1. Waar het gaat om de taken, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel e, legt de commissie haar oordeel naar aanleiding van een onderzoek vast in een advies aan de minister.

2. De commissie zendt uiterlijk 8 weken na ontvangst van het signaal, bedoeld in artikel 8 van de beleidsregel dit advies aan de minister. Indien het advies niet binnen 8 weken kan worden toegezonden, stelt de commissie de minister daarvan in kennis. De minister bepaalt in overleg met de commissie de termijn waarbinnen het rapport alsnog aan de minister wordt toegezonden.

Artikel 8

1. De commissie verstrekt aan de minister desgevraagd de door hem gewenste inlichtingen.

2. De commissie doet verslag van haar werkzaamheden aan de minister in een jaarlijks te publiceren verslag.

Artikel 9

1. De commissie neemt geheimhouding in acht ten aanzien van alle informatie die in het kader van dit besluit bekend wordt en waarvan het karakter als vertrouwelijk is aan te merken.

2. De commissie zorgt ervoor dat door een ieder die betrokken is bij de werkzaamheden van de commissie, geheimhouding in acht wordt genomen ten aanzien van alle informatie die in het kader van dit besluit bekend wordt en waarvan het karakter als vertrouwelijk is aan te merken.

Artikel 10

1.

De kosten van de commissie komen, voor zover goedgekeurd op basis van artikel 6, tweede lid, voor rekening van de minister. Onder kosten worden in ieder geval verstaan:

a. a. de kosten voor de faciliteiten van vergaderingen en voor secretariële ondersteuning, b. b. de kosten voor het inschakelen van externe deskundigheid en het laten verrichten van onderzoek, en c. c. de kosten voor publicatie van rapportages.

2. De voorzitter en de andere leden ontvangen een vaste vergoeding per maand. De toepasselijke salarisschaal voor de voorzitter en de andere leden is het maximum van schaal 18 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. De arbeidsduurfactor voor de voorzitter, de vicevoorzitter en de andere leden is respectievelijk maximaal 0,081, 0,0675 en 0,054.

3. De voorzitter en de andere leden van de commissie ontvangen een vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig hetgeen daarover is overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren. Deze vergoeding wordt door het secretariaat van de commissie afgehandeld.

Artikel 11

1. Rapporten, notities, verslagen, adviezen en andere producten die door of namens de commissie worden vervaardigd of vergaard in het kader van de taken, bedoeld in artikel 2, tweede lid, worden uitsluitend aan de minister uitgebracht of overgedragen.

2. De minister besluit tot openbaarmaking van producten die door of namens de commissie zijn vervaardigd in het kader van de taken, bedoeld in artikel 2.

3. In opdracht van de minister plaatst de commissie vervolgens de openbaar te maken producten op de website.

Artikel 12

De commissie draagt zo spoedig mogelijk na beëindiging van haar werkzaamheden of, zo de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zoveel eerder, de bescheiden betreffende die werkzaamheden over aan het archief van de Directie MBO van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Artikel 13

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 september 2015. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 augustus 2015, treedt het besluit in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 september 2015.

Artikel 14

Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Commissie macrodoelmatigheid mbo.