40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Instellingsbesluit Evaluatiecommissie KNAW | BWBR0034089 | ministeriele-regeling | geldend | 2013-10-29 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0034089 | Instellingsbesluit Evaluatiecommissie KNAW |
Instellingsbesluit Evaluatiecommissie KNAW
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. a.
*staatssecretaris:* Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
b. b.
*commissie:* commissie als bedoeld in artikel 2; en
c. c.
*KNAW:* De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.
Artikel 2
1. Er is een Evaluatiecommissie KNAW.
2.
De commissie evalueert het navolgende:
a. a. Welke rol speelde de KNAW in de ontwikkelingen en veranderingen in het wetenschapsbestel in de afgelopen jaren en vervulde zij deze rol adequaat? Tegen de achtergrond van deze ontwikkeling is het opportuun de evaluatie van de KNAW niet beperkt te houden tot het functioneren van de instelling zelf. Welke rol zou de KNAW moeten vervullen in het Nederlandse wetenschapsbestel van de komende tien tot twintig jaar, gegeven de wetenschappelijke, maatschappelijke en internationale eisen die aan de Nederlandse wetenschap worden gesteld? Is de KNAW effectief en doelmatig in de vervulling van haar taken? Is in dit kader de wijze waarop de KNAW haar (bestuurlijke) relaties onderhoudt optimaal? b. b. Voor de evaluatie van de KNAW als actor in het Nederlandse wetenschapsbestel is het tevens belangrijk de drie rollen te bezien die de KNAW zelf onderscheidt (Strategisch Plan 2010–2015; uit 2010), namelijk die van Genootschap, adviseur en organisatie verantwoordelijk voor de KNAW-instituten. Per rol zijn onder andere de volgende vragen relevant: Is de samenstelling van het Genootschap adequaat? Hoe pakt een vergelijking met buitenlandse genootschappen uit? Is de KNAW in staat over de volle breedte van het wetenschappelijk werkveld gewichtige adviezen uit te brengen aan de overheid en aan het wetenschapsbestel? Zijn de adviezen effectief? Beheert de KNAW haar instituten effectief en doelmatig? Hoe pakt een internationale vergelijking van de KNAW als institutenorganisatie uit? Is het wenselijk de rol van de KNAW als institutenbeheerder te heroverwegen?
Artikel 3
De commissie wordt ingesteld met ingang van 15 oktober 2013 en wordt opgeheven uiterlijk 1 mei 2014.
Artikel 4
De commissie verstrekt aan de staatssecretaris desgevraagd de door hem gewenste inlichtingen.
Artikel 5
1.
Tot leden van de commissie worden benoemd:
a. a. jonkheer ir. R.J. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, tevens voorzitter, b. b. prof. dr. D.D. Breimer, c. c. prof. dr. ir. L. Gelders, d. d. prof. dr. A. Zeilinger.
2. De commissie wordt bijgestaan door een secretaris, dr. F. Zuijdam. De secretaris is geen lid van de commissie.
3. De benoeming geschiedt voor de duur van het bestaan van de commissie.
4. Bij tussentijds vertrek van een lid of de secretaris kan de staatssecretaris een vervanger benoemen.
Artikel 6
1. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast.
2. De commissie kan zich door andere personen doen bijstaan voor zover dat voor de vervulling van haar taak nodig is, waaronder, op persoonlijke titel, ambtelijke deskundigen.
Artikel 7
De commissie brengt vóór 1 april 2014 haar eindrapport uit aan de staatssecretaris.
Artikel 8
1. De voorzitter en andere leden van de commissie, voor zover niet vallend onder de uitzondering van artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies, ontvangen per vergadering een vergoeding.
2. De vergoeding per vergadering van de leden van de commissie bedraagt 3% van het maximum van salarisschaal 18 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.
3. De vergoeding per vergadering van de voorzitter van de commissie bedraagt 130% van de hoogte van de vergoeding per vergadering die aan de andere leden van de commissie is toegekend.
4. De voorzitter en andere leden van de commissie ontvangen een vergoeding voor reis- en verblijfkosten op de voet van het Reisbesluit binnenland en het Reisbesluit buitenland.
5. Twee of meer vergaderingen op dezelfde dag worden als één vergadering aangemerkt.
Artikel 9
1.
De kosten van de commissie komen, voor zover goedgekeurd, voor rekening van de staatssecretaris. Onder kosten worden in ieder geval verstaan:
a. a. de kosten voor vergaderingen en voor secretariële ondersteuning; b. b. de kosten voor het inschakelen van externe deskundigheid en het laten verrichten van onderzoek en c. c. de kosten voor publicatie van rapportages.
2. De commissie biedt zo spoedig mogelijk na haar instelling een begroting en een planning aan de staatssecretaris aan.
Artikel 10
De commissie biedt de staatssecretaris vóór 1 oktober 2014 een eindverslag aan waarin verslag wordt gedaan van de activiteiten over de periode waarin de commissie werkzaam is geweest. Desgewenst kan de commissie het eindverslag gelijktijdig met het eindrapport indienen.
Artikel 11
Rapporten, notities, verslagen en andere producten die door of namens de commissie worden vervaardigd, worden niet door de commissie openbaar gemaakt, maar uitsluitend aan de staatssecretaris uitgebracht.
Artikel 12
De leden van de commissie werken mee aan het tot stand komen van een overeenkomst indien dit naar het oordeel van de staatssecretaris noodzakelijk is om te komen tot het kosteloos overdragen aan de staatssecretaris van rechten met betrekking tot intellectuele eigendom.
Artikel 13
De commissie draagt zo spoedig mogelijk na beëindiging van haar werkzaamheden of, zo de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zoveel eerder, de bescheiden betreffende die werkzaamheden over aan directie Onderzoek en Wetenschapsbeleid van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Artikel 14
1. Dit besluit treedt met terugwerkende kracht met ingang van 15 oktober 2013 in werking.
2. Dit besluit vervalt met ingang van 1 januari 2015.
Artikel 15
Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Evaluatiecommissie KNAW