rijk/ministeriele-regeling/openstellingsbesluit-rigo-2005/BWBR0018042
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Openstellingsbesluit RIGO 2005 BWBR0018042 ministeriele-regeling geldend 2005-02-27 https://wetten.overheid.nl/BWBR0018042 Openstellingsbesluit RIGO 2005

Openstellingsbesluit RIGO 2005

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder regeling: Regeling innovatie groen onderwijs.

Artikel 2

De instellingen, genoemd in artikel 1, onder b, van de regeling, kunnen met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 1 april 2005 aanvragen tot subsidieverlening indienen op grond van de regeling.

Artikel 3

Aanvragen tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de regeling, kunnen worden ingediend voor projecten die passen binnen één van de volgende categorieën:

a. a. kenniscirculatie met aantoonbare bijdrage aan de ontwikkeling van sectoren waarvoor het beleid van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit relevant is, en aan de innovatie van het initiële onderwijs; b. b. vernieuwing van groene opleidingen naar vorm en inhoud.

Artikel 4

Aanvragen tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de regeling, ten aanzien van de categorieën, genoemd in artikel 3, kunnen worden ingediend voor projecten die aansluiten bij één van de volgende beleidsthemas:

a. a. vitale, duurzame land- en tuinbouw; b. b. natuur en landschap; c. c. ruimte op het platteland; d. d. de V van voedselkwaliteit.

Artikel 5

1. Met betrekking tot de aanvraagperiode, genoemd in artikel 2, bedraagt het subsidieplafond, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de regeling, € 4.000.000,00 per categorie als bedoeld in artikel 3, eerste lid.

2. In geval van onderuitputting in een categorie komt het restant beschikbaar voor de andere categorie.

3.

De hoogte van het subsidiebedrag per project bedraagt maximaal:

a. a. € 100.000,00 voor projecten vallend binnen de categorie, genoemd in artikel 3, onderdeel a; b. b. € 300.000,00 voor projecten vallend binnen de categorie, genoemd in artikel 3, onderdeel b.

Artikel 6

De duur van de subsidieverlening is maximaal:

a. a. anderhalf jaar voor projecten vallend binnen de categorie, genoemd in artikel 3, onderdeel a; b. b. tweeënhalf jaar voor projecten vallend binnen de categorie, genoemd in artikel 3, onderdeel b.

Artikel 7

De hoogte van het subsidiepercentage met betrekking tot de vergoeding van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 6 van de regeling, is maximaal:

a. a. 75% voor projecten vallend binnen de categorie, genoemd in artikel 3, onderdeel a; b. b. 50% voor projecten vallend binnen de categorie, genoemd in artikel 3, onderdeel b.

Artikel 8

De minister beoordeelt de aanvragen voor projecten naast de criteria omschreven in artikel 9, eerste lid, van de regeling, tevens aan de hand van de volgende criteria:

a. a. Voor wat betreft de categorie, genoemd in artikel 3, onderdeel a: de meerwaarde voor het kennissysteem van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit als geheel, in het bijzonder blijkend uit:

      1.
      de mate waarin het project concrete resultaten en effecten tracht te bewerkstelligen voor de doelgroepen;
    
    
      2.
      de mate waarin de doelgroepen een bijdrage leveren aan de uitvoering van het project;
    
    
      3.
      de relevantie voor of betrokkenheid van het initiële onderwijs bij het project;
    
    
      4.
      de betrokkenheid van de relevante expertise;
    
    
      5.
      de mate waarin het project bijdraagt aan de invulling of het gebruik van de in ontwikkeling zijnde landelijke infrastructuur.
    1. de mate waarin het project concrete resultaten en effecten tracht te bewerkstelligen voor de doelgroepen;
      
    1. de mate waarin de doelgroepen een bijdrage leveren aan de uitvoering van het project;
      
    1. de relevantie voor of betrokkenheid van het initiële onderwijs bij het project;
      
    1. de betrokkenheid van de relevante expertise;
      
    1. de mate waarin het project bijdraagt aan de invulling of het gebruik van de in ontwikkeling zijnde landelijke infrastructuur.
      

b. b. Voor wat betreft de categorie, genoemd in artikel 3, onderdeel b: de meerwaarde voor het groene onderwijs als geheel, in het bijzonder blijkend uit:

      1.
      de mate waarin het project bijdraagt aan de ontwikkeling of implementatie van competentiegericht leren, waar mogelijk ondersteund door informatie- en communicatietechnologie;
    
    
      2.
      de mate waarin het project bijdraagt aan inhoudelijke vernieuwing van de groene opleidingen en de relevantie daarvan voor het beleid van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
    
    
      3.
      de mate waarin het project bijdraagt aan doorlopende leerlijnen of leerarrangementen;
    
    
      4.
      de mate waarin de doelgroepen een bijdrage leveren aan de uitvoering van het project;
    
    
      5.
      de mate waarin het project bijdraagt aan de invulling of het gebruik van de in ontwikkeling zijnde landelijke infrastructuur.
    1. de mate waarin het project bijdraagt aan de ontwikkeling of implementatie van competentiegericht leren, waar mogelijk ondersteund door informatie- en communicatietechnologie;
      
    1. de mate waarin het project bijdraagt aan inhoudelijke vernieuwing van de groene opleidingen en de relevantie daarvan voor het beleid van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
      
    1. de mate waarin het project bijdraagt aan doorlopende leerlijnen of leerarrangementen;
      
    1. de mate waarin de doelgroepen een bijdrage leveren aan de uitvoering van het project;
      
    1. de mate waarin het project bijdraagt aan de invulling of het gebruik van de in ontwikkeling zijnde landelijke infrastructuur.
      

Artikel 9

De maximale hoogte van de voorschotten, bedoeld in artikel 12 van de regeling, bedraagt:

a. a. bij projecten waarbij de duur van de subsidieverlening niet langer dan anderhalf jaar is: 80% van het totale subsidiebedrag; b. b. bij projecten waarbij de duur van de subsidieverlening langer dan anderhalf jaar is: 40% van het totale subsidiebedrag in 2005, 40% in 2006.

Artikel 10

Wijzigt de Regeling innovatie groen onderwijs.

Artikel 11

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Artikel 12

Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit RIGO 2005.