40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling aanstellingseisen politie 2023 | BWBR0047833 | ministeriele-regeling | geldend | 2023-01-31 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0047833 | Regeling aanstellingseisen politie 2023 |
Regeling aanstellingseisen politie 2023
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
-
- ambtenaar in opleiding: * de ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie;
-
- aspirant: * de aspirant, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie;
-
- bevoegd gezag: * de korpschef;
-
- cognitieve capaciteiten: * abstracte, verbale en numerieke redeneervermogen;
-
- NLQF: * Nederlands kwalificatieraamwerk gebaseerd op het European Qualifications Framework, het Europees raamwerk van de Europese Unie waarin alle kwalificaties van diploma’s en certificaten onderverdeeld zijn in het kader van leven lang leren;
-
- politieopleiding: * politieopleiding als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel s, van de Politiewet 2012;
-
- politieopleidingen op een vergelijkbaar mbo-niveau: * opleidingen gericht op de uitoefening van de politietaak, waarvoor in de kwalificatiestructuur, bedoeld in artikel 87 van de Politiewet 2012, de kwalificaties zijn vastgesteld en ten bewijze waarvan na een met goed gevolg afgelegd examen een diploma wordt uitgereikt ten bewijze van de behaalde kwalificatie op een niveau dat overeenkomt met een niveau als bedoeld in artikel 7.2.2, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
-
- politieopleiding op het niveau van het hoger onderwijs: * opleidingen gericht op de uitoefening van de politietaak, waarvoor in de kwalificatiestructuur, bedoeld in artikel 87 van de Politiewet 2012, de kwalificaties zijn vastgesteld en ten bewijze waarvan na een met goed gevolg afgelegd examen een diploma wordt uitgereikt ten bewijze van de behaalde kwalificatie op een niveau dat op grond van artikel 7.10a of artikel 7.10b van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek recht geeft op het voeren van de graad Associate degree, Bachelor of Master;
-
- vakgebied: * vakgebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie;
-
- vrijwillige ambtenaar in opleiding: * de ambtenaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie;
-
- vrijwilliger-aspirant: * de ambtenaar, bedoeld in artikel 1, van het Besluit algemene rechtspositie politie.
Artikel 2
De minimumleeftijd voor aanstelling bedraagt 18 jaar.
Artikel 3
1. De kandidaat aspirant of de kandidaat vrijwilliger-aspirant is op het moment van aanstelling in het bezit van het rijbewijs B.
2. De kandidaat ambtenaar in opleiding of de kandidaat vrijwillige ambtenaar in opleiding is op het moment van aanstelling in het bezit van het rijbewijs B, indien de functie, waarin de kandidaat na het voltooien van de opleiding wordt geplaatst of wordt ingezet, vergt dat diegene met enige regelmaat als bestuurder van een personenauto optreedt.
3. Het bevoegd gezag draagt ervoor zorg dat de eis van het rijbewijs B, bedoeld in het tweede lid, voor kandidaten met dezelfde functie of met dezelfde inzet uniform wordt toegepast.
4. In afwijking van het eerste lid geldt voor kandidaat aspiranten die tussen 1 november 2023 en 31 december 2023 instromen in de politieopleiding en voor kandidaat aspiranten die in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van het rijbewijs op grond van de Regeling tegemoetkoming rijbewijs aspiranten, dat het rijbewijs B moet zijn behaald binnen negen maanden na het moment van aanstelling.
Artikel 4
1. De kandidaat aspirant of de kandidaat vrijwilliger-aspirant die een politieopleiding op een vergelijkbaar mbo-niveau gaat volgen voldoet ten minste aan de vooropleidingseisen, bedoeld in de artikelen 7.4.7. en 8.2.1 en 8.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
2. De kandidaat aspirant of de kandidaat vrijwilliger-aspirant die een politieopleiding op het niveau van het hoger onderwijs gaat volgen voldoet ten minste aan de vooropleidingseisen, bedoeld in de artikelen 7.24 tot en met 7.28 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
3. Kandidaten die niet voldoen aan de in het eerste of tweede lid gestelde eisen krijgen de gelegenheid om een toelatingstoets af te leggen. Indien deze toets met goed gevolg wordt afgelegd, voldoet de kandidaat aan de eisen met betrekking tot het vooropleidingsniveau.
4. Tenzij het een interne kandidaat betreft, worden er bij de kandidaat kosten ten bedrage van € 50,– in rekening gebracht voor het afleggen van de toelatingstoets.
5. Bij aanstelling van de kandidaat worden de kosten van de toelatingstoets vergoed op basis van een declaratie van de kandidaat.
6. Het bevoegd gezag kan van het vierde lid afwijken indien het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet billijk is kosten in rekening te brengen.
Artikel 5
De kandidaat ambtenaar in opleiding of de kandidaat vrijwillige ambtenaar in opleiding voldoet ten minste aan het werk- en denkniveau opgenomen in de functiebeschrijving, bedoeld in de Regeling vaststelling LFNP, van de functie waarin de ambtenaar in opleiding of kandidaat vrijwillige ambtenaar in opleiding na het voltooien van de politieopleiding wordt ingezet.
Artikel 6
1. Ter beoordeling van de geschiktheid van de kandidaat voor de toekomstige beroepsuitoefening ondergaat de kandidaat aspirant, de kandidaat vrijwilliger-aspirant, de kandidaat ambtenaar in opleiding of de kandidaat vrijwillige ambtenaar in opleiding een geschiktheidsonderzoek, dat kan bestaan uit verschillende onderdelen.
2. Voor de kandidaat aspirant en de kandidaat vrijwilliger-aspirant bestaat het geschiktheidsonderzoek uit een onderzoek naar de mentale, fysieke en medische geschiktheid van een kandidaat.
3. Voor de kandidaat ambtenaar in opleiding of de kandidaat vrijwillige ambtenaar in opleiding bestaat het geschiktheidsonderzoek, in aanvulling op de toepassing van artikel 7, tweede lid, onderdeel d, van het Besluit algemene rechtspositie politie, uit een onderzoek naar de mentale geschiktheid van een kandidaat.
4. Het onderzoek naar de mentale geschiktheid bestaat uit een onderzoek naar de taalvaardigheid, een onderzoek naar de cognitieve capaciteiten en een onderzoek naar het psychologisch profiel van de kandidaat.
5. De kosten van het geschiktheidsonderzoek komen ten laste van het bevoegd gezag.
6. De kosten van een herbeoordeling als bedoeld in artikel 14, een herkansing als bedoeld in artikel 15 of een herkeuring als bedoeld in artikel 16 komen ten laste van het bevoegd gezag, met uitzondering van de reiskosten.
Hoofdstuk 2. Mentale geschiktheid
Artikel 7
1. De kandidaat moet de Nederlandse taal voldoende vaardig zijn.
2. De Nederlandse taalvaardigheid van de kandidaat wordt beoordeeld aan de hand van diens hoogst genoten en afgeronde Nederlandse opleiding of een Nederlandse taaltoets.
3. Indien de kandidaat aspirant en de kandidaat vrijwilliger-aspirant tenminste een diploma heeft dat toegang geeft tot een politieopleiding op het kwalificatieniveau NLQF 5, NLQF 6 of NLQF 7 wordt de taalvaardigheid zonder meer als voldoende beoordeeld, tenzij het een buitenlands diploma betreft.
4. Indien de kandidaat ambtenaar in opleiding of de kandidaat vrijwillige ambtenaar in opleiding na het voltooien van de politieopleiding wordt geplaatst in een functie waarvoor een hbo of wo werk- en denkniveau geldt wordt de taalvaardigheid zonder meer als voldoende beoordeeld, tenzij het werk- en denkniveau van de kandidaat, bedoeld in artikel 5, enkel berust op een buitenlands diploma.
5. In andere gevallen wordt de taalvaardigheid beoordeeld aan de hand van een Nederlandse taaltoets, waarbij de kandidaat aan taalvaardigheidsniveau B1 dient te voldoen.
6.
Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de Nederlandse taaltoets die gehanteerd wordt:
a. a. gangbaar is om het Nederlandse taalniveau van studenten vast te stellen in het Nederlandse onderwijs; b. b. gebruik maakt van de objectieve criteria van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader en de vereiste taalvaardigheidsniveaus in de termen van dat kader worden uitgedrukt; c. c. onder toezicht wordt afgenomen.
Artikel 8
1. De cognitieve capaciteiten van een kandidaat moeten diegene in staat stellen op het voor de kandidaat geldende functieniveau adequaat te functioneren.
2. De cognitieve capaciteiten van een kandidaat worden gemeten aan de hand van een cognitieve capaciteitentest.
3. De score van de kandidaat wordt vergeleken met de referentiegroep die voor het desbetreffende functieniveau relevant is en moet voldoen aan een minimale percentielscore van 16.
4. Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat de cognitieve capaciteitentest die gehanteerd wordt ten minste als voldoende is beoordeeld op de aspecten Theoretische uitgangspunten, Betrouwbaarheid en Validiteit door de Commissie Testaangelegenheden Nederland en onder toezicht wordt afgenomen.
Artikel 9
1. Een kandidaat moet op basis van het psychologisch profiel van de kandidaat in staat zijn adequaat te functioneren in de beroepspraktijk.
2. Het psychologisch profiel van een kandidaat wordt in kaart gebracht door middel van een psychologisch onderzoek.
3.
Het psychologisch onderzoek, genoemd in het tweede lid, bestaat uit:
a. a. een psychologisch interview met ingrijpende gebeurtenissen lijst; b. b. een persoonlijkheidsvragenlijst; c. c. een praktijksimulatie.
4. De psycholoog maakt een afweging van de scores op de drie genoemde onderdelen en vormt zich een eindoordeel over de kandidaat, uitgedrukt in scores op de voor de functie en opleidingsniveau relevante competenties, opgenomen in bijlage 1.
5. De competenties worden beoordeeld op een 5-puntsschaal.
6.
De score per competentie leidt tot een somscore. Voor kandidaat aspiranten en kandidaat vrijwilliger-aspiranten is de vereiste minimale somscore:
a. a. 18 voor een politieopleiding op kwalificatieniveau NLQF 4, ten behoeve van aanstelling in het vakgebied GGP of het vakgebied Tactische Opsporing; b. b. 21 voor een politieopleiding op de kwalificatieniveaus NLQF 5, NLQF 6 en NLQF 7 ten behoeve van aanstelling in het vakgebied GGP; c. c. 23 voor een politieopleiding op de kwalificatieniveaus NLQF 5, NLQF 6 en NLQF 7 ten behoeve van aanstelling in het vakgebied Tactische Opsporing.
7.
De kandidaat aspirant en de kandidaat vrijwilliger aspirant ontvangt een negatief advies als:
a. a. de vereiste minimale somscores, genoemd in het zesde lid, niet worden behaald; b. b. de in bijlage 1 genoemde minimale score per competentie niet wordt behaald.
8. De kandidaat ambtenaar in opleiding en de kandidaat vrijwillige ambtenaar wordt enkel op de competentie stressbestendigheid getoetst.
9. De kandidaat ambtenaar in opleiding en kandidaat vrijwillige ambtenaar in opleiding ontvangen een negatief advies als de minimale score van 2 op de competentie stressbestendigheid niet wordt behaald.
10.
Het bevoegd gezag zorgt ervoor dat het psychologisch onderzoek dat gehanteerd wordt:
a. a. wordt afgenomen onder de verantwoordelijkheid van een psycholoog die is aangesloten bij het Nederlands Instituut voor Psychologen; b. b. testen bevat die zoveel mogelijk voldoen aan de beoordelingscriteria van de Commissie Testaangelegenheden Nederland voor psychologische testen.
Hoofdstuk 3. Fysieke geschiktheid
Artikel 10
1. De kandidaat moet fysiek motorisch voldoende in staat zijn om de fysieke taken behorend bij de beroepspraktijk naar behoren te kunnen uitvoeren.
2. De fysiek motorische capaciteiten van een kandidaat worden beoordeeld aan de hand van een fysiek motorisch onderzoek.
3. In het fysiek motorisch onderzoek moet de kandidaat een circuit met hindernissen afleggen binnen de in bijlage 2 genoemde minimale normtijd, gerelateerd aan de leeftijd en het geslacht van de kandidaat. Het circuit bestaat uit onderdelen die zijn uitgezet in een binnenruimte en zijn gebaseerd op de achtervolging te voet, het onder controle brengen van een verdachte en het handmatig verplaatsen van zware objecten.
Hoofdstuk 4. Medische geschiktheid
Artikel 11
1. Nadat alle overige beoordelingen van de geschiktheid van de kandidaat hebben plaatsgevonden en het bevoegd gezag op grond daarvan voornemens is de kandidaat aan te stellen, worden de kandidaat aspirant of de kandidaat vrijwilliger-aspirant door het bevoegd gezag onderworpen aan een medisch onderzoek met inachtneming van de eisen in bijlage 3 bij deze regeling.
2. De inhoud van het medisch onderzoek wordt afgestemd op de overige onderdelen van het reeds doorlopen geschiktheidsonderzoek.
3. Het medisch onderzoek wordt ingericht en uitgevoerd conform de Wet op de medische keuringen, het Besluit aanstellingskeuringen, de Arbowet, het Arbobesluit en de Arboregeling.
4. Het medisch onderzoek wordt uitgevoerd door een bedrijfsarts, geregistreerd in een register als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, niet zijnde de behandelend arts van de kandidaat.
Hoofdstuk 5. Uitkomst onderzoeken en mogelijkheid tot herkansing
Artikel 12
1. De uitkomsten van de verschillende onderdelen van het geschiktheidsonderzoek worden de kandidaat zo snel mogelijk na het voltooien van het desbetreffende onderzoek meegedeeld.
2. De positieve uitslag van het geschiktheidsonderzoek blijft twee jaar geldig.
3. Indien de uitslag van het geschiktheidsonderzoek onvoldoende is, blijft deze uitslag drie maanden gelden.
4. In afwijking van het derde lid blijft een onvoldoende uitslag op het psychologische profiel van de kandidaat een jaar gelden, waarbij de bewaartermijn van het onderliggende dossier twee jaar bedraagt.
Artikel 13
1. De kandidaat waarvan de uitslag van het psychologisch onderzoek, bedoeld in artikel 9, onvoldoende is, kan verzoeken om een toelichtend gesprek met de psycholoog onder wiens verantwoordelijkheid het desbetreffende onderzoek heeft plaatsgevonden. Binnen twee weken na dit verzoek vindt dit gesprek plaats.
2. Indien de kandidaat van mening is dat er bij het onderzoek fouten zijn gemaakt in de procedure of dat er sprake is van feitelijke onjuistheden, kan de kandidaat een met redenen omkleed verzoek doen om de resultaten van het psychologisch onderzoek en het verloop van de procedure opnieuw te laten beoordelen.
3. De kandidaat maakt de wens tot een herbeoordeling binnen zes weken na het toelichtend gesprek, bedoeld in het eerste lid, met redenen omkleed aan het bevoegd gezag kenbaar.
4. Ingeval van herbeoordeling wordt de door het bevoegd gezag te nemen beslissing ten aanzien van de aanstelling uitgesteld totdat de uitslag van de herbeoordeling aan het bevoegd gezag is meegedeeld.
5. De herbeoordeling geschiedt door een andere psycholoog dan die het oorspronkelijke onderzoek heeft uitgevoerd.
Artikel 14
1. Indien de uitslag van het fysiek motorisch onderzoek onvoldoende is, kan het bevoegd gezag de kandidaat binnen twee weken na de mededeling, bedoeld in artikel 12, eerste lid, uitnodigen opnieuw een fysiek motorisch onderzoek te ondergaan.
2. Dit tweede fysiek motorisch onderzoek vindt binnen drie maanden na de mededeling plaats.
3. Ingeval van herkansing wordt de door het bevoegd gezag te nemen beslissing ten aanzien van de aanstelling uitgesteld totdat de uitslag van de herkansing aan het bevoegd gezag is meegedeeld.
Artikel 15
1. Als aan de uitslag van het medisch onderzoek een negatieve gevolgtrekking dan wel een positieve gevolgtrekking onder bepaalde bedenkingen wordt verbonden, heeft de kandidaat recht op een herkeuring.
2. De kandidaat maakt de wens tot een herkeuring binnen twee weken na de mededeling in artikel 12, eerste lid, met redenen omkleed aan het bevoegd gezag kenbaar.
3. Ingeval van herkeuring wordt de door het bevoegd gezag te nemen beslissing ten aanzien van de aanstelling uitgesteld totdat de uitslag van de herkeuring aan het bevoegd gezag is meegedeeld.
4. De herkeuring geschiedt door een commissie van drie geneeskundigen. Het bevoegd gezag en de kandidaat wijzen elk een geneeskundige aan voor de commissie. Deze geneeskundigen wijzen een derde geneeskundige voor de commissie aan. De geneeskundige die het medisch onderzoek heeft verricht en de behandelend arts van de kandidaat maken geen deel uit van de commissie.
Artikel 16
Niet tot aanstelling kan worden overgegaan indien de kandidaat:
a. a. op een van de voor de kandidaat vereiste onderdelen van het onderzoek naar de mentale geschiktheid het minimale vereiste niveau niet heeft behaald, b. b. binnen het fysiek motorisch onderzoek niet aan de minimale normen heeft voldaan, of c. c. bij het medisch onderzoek niet aan de vereisten heeft voldaan.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 17
De Regeling aanstellingseisen politie 2002 wordt ingetrokken.
Artikel 18
Deze regeling treedt in werking met ingang van 31 januari 2023.
Artikel 19
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanstellingseisen politie 2023.
Bijlage 1
Bijlage 2
Voor het fysiek motorisch onderzoek moet de kandidaat een circuit met hindernissen afleggen waarbij de volgende minimale normtijden gelden:
Het circuit bevat de volgende onderdelen:
Het circuit wordt uitgezet in een binnenruimte met een minimale afmeting van 9 x 18 meter waarbij aan alle kanten een vrije ruimte aanwezig is van minimaal 0,5 meter.
Gesommeerd over het gehele circuit rent en sprint de kandidaat 226,5 meter, duwt deze een kar van 200 kilogram over 18 meter (verdeeld over 3 rondes) en trekt hij/zij deze kar 12 meter (verdeeld over 2 rondes). Verder wordt tillend een gewicht van 5 kilogram over een afstand van ± 3 meter per keer verplaatst (verdeeld over 3 rondes met een frequentie van 6 maal per ronde).
Bijlage 3
De kandidaat aspirant en de kandidaat vrijwilliger-aspirant worden onderworpen aan een medische keuring, gerelateerd aan de te verrichten taken en werkzaamheden.