40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2015 | BWBR0036245 | ministeriele-regeling | geldend | 2015-03-31 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0036245 | Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2015 |
Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2015
Paragraaf 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
– –
*algemene uitvoeringsregeling:* de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie;
– –
*allesvergisting:* de biologische afbraakreacties van biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2008, met uitzondering van de nummers 410, 420, 500, 550 tot en met 559, waarvan de biogasopbrengst van de ingaande stroom tenminste 25 Nm3 aardgasequivalent per ton bedraagt;
– –
*besluit:* het Besluit stimulering duurzame energieproductie;
– –
*doublet:* combinatie die ten minste bestaat uit één productieput en één injectieput;
– –
*hernieuwbaar gas hub:* een verzameling van productie-installaties voor de productie van hernieuwbaar gas waarvoor voor de invoeding van het hernieuwbaar gas op een gasnet gezamenlijk een of meerdere aansluitingen worden gebruikt, waarmee gezamenlijk hernieuwbare warmte wordt geproduceerd die nuttig wordt gebruikt of waarmee gezamenlijk hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd die op een elektriciteitsnet of installatie, met uitzondering van de productie-installatie, wordt ingevoed;
– –
*minister:* de Minister van Economische Zaken;
– –
*netto P50-waarde vollasturen:* het aantal vollasturen waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%;
– –
*nominaal vermogen:* het maximale vermogen van de productie-installatie dat onder nominale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit en/of hernieuwbare warmte en/of hernieuwbaar gas en wat door de leverancier gegarandeerd wordt bij continu gebruik. In het geval van geothermische productie-installaties dient het nominaal vermogen te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van ten minste 50%;
– –
*NTA 8003: 2008:* de Nederlandse Technische Afspraak 8003, Classificatie van biomassa voor energietoepassing, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidde op 31 december 2008;
– –
*nuttig aangewende warmte:* de warmte die vrijkomt uit hernieuwbare energiebronnen en die wordt aangewend voor:
a.
gebouwklimatisering van de binnenruimten van gebouwen;
b.
tapwaterverwarming en verwarming van water dat wordt ingezet in bedrijfsprocessen, met uitzondering van het gebruik als voedingswater voor een productie-installatie waarmee elektriciteit wordt opgewekt;
c.
verwarming in industriële processen en van tuinbouwkassen, met uitzondering van:
1°.
de inzet in een turbine of organische rankine cyclus waarmee elektriciteit wordt opgewekt;
2°.
de inzet bij aardgasexpansie;
3°.
het drogen en verwarmen van inputstromen van een productie-installatie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief het voorverwarmen van verbrandingslucht;
4°.
de inzet voor rookgasreiniging en waterzuivering van een productie-installatie;
5°.
de verwarming van een installatie of een onderdeel daarvan, waarmee energie of een energiedrager wordt geproduceerd;
6°.
de verwarming van opslagtanks van grondstoffen en producten die gebruikt worden om energie mee op te wekken;
d.
klimaatregeling van koelcellen en industriële koelingstoepasssingen;
e.
levering aan een warmtenet, mits de producent aannemelijk kan maken dat de warmte gebruikt wordt voor een van de toepassingen bedoeld onder a tot en met d;
a. a. gebouwklimatisering van de binnenruimten van gebouwen; b. b. tapwaterverwarming en verwarming van water dat wordt ingezet in bedrijfsprocessen, met uitzondering van het gebruik als voedingswater voor een productie-installatie waarmee elektriciteit wordt opgewekt; c. c. verwarming in industriële processen en van tuinbouwkassen, met uitzondering van:
1°.
de inzet in een turbine of organische rankine cyclus waarmee elektriciteit wordt opgewekt;
2°.
de inzet bij aardgasexpansie;
3°.
het drogen en verwarmen van inputstromen van een productie-installatie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief het voorverwarmen van verbrandingslucht;
4°.
de inzet voor rookgasreiniging en waterzuivering van een productie-installatie;
5°.
de verwarming van een installatie of een onderdeel daarvan, waarmee energie of een energiedrager wordt geproduceerd;
6°.
de verwarming van opslagtanks van grondstoffen en producten die gebruikt worden om energie mee op te wekken;
1°. 1°. de inzet in een turbine of organische rankine cyclus waarmee elektriciteit wordt opgewekt; 2°. 2°. de inzet bij aardgasexpansie; 3°. 3°. het drogen en verwarmen van inputstromen van een productie-installatie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief het voorverwarmen van verbrandingslucht; 4°. 4°. de inzet voor rookgasreiniging en waterzuivering van een productie-installatie; 5°. 5°. de verwarming van een installatie of een onderdeel daarvan, waarmee energie of een energiedrager wordt geproduceerd; 6°. 6°. de verwarming van opslagtanks van grondstoffen en producten die gebruikt worden om energie mee op te wekken; d. d. klimaatregeling van koelcellen en industriële koelingstoepasssingen; e. e. levering aan een warmtenet, mits de producent aannemelijk kan maken dat de warmte gebruikt wordt voor een van de toepassingen bedoeld onder a tot en met d; – –
*richtlijn hernieuwbare energie:*
richtlijn nr. 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 2009, L 140);
– –
*thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa:* de omzetting van vaste of vloeibare biomassa door middel van:
1°.
verbranding,
2°.
een andere thermische behandeling dan bedoeld onder 1° ingeval de producten daarvan vervolgens worden verbrand of
3°.
de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling;
1°. 1°. verbranding, 2°. 2°. een andere thermische behandeling dan bedoeld onder 1° ingeval de producten daarvan vervolgens worden verbrand of 3°. 3°. de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling; – –
*valhoogte:* het verschil in waterpeil voor en achter de installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van waterkracht waarbij het maximaal elektrisch ontwerpvermogen van de turbine of de generator wordt gerealiseerd;
– –
*vergisting en co-vergisting van dierlijke mest:* de biologische afbraakreacties van in hoofdzaak verpompbare vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren, al dan niet aangevuld met een of meer producten genoemd in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, waarbij het restant na vergisting als meststof mag worden verhandeld;
– –
*vergisting van meer dan 95% dierlijke mest:* de biologische afbraakreacties van verpompbare vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren, waarbij minder dan 5% van de massa toegevoegde stoffen per kalenderjaar een andere stof, genoemd in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, is dan verpompbare vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren, waarbij het restant na vergisting als meststof mag worden verhandeld.
Paragraaf 2. Algemene bepalingen
Artikel 2
1. Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas en hernieuwbare warmte op grond van de artikelen 4, 6, 8, 10, 12, 14, 16, 18, 20, 22, 24, 26, eerste lid, 28, eerste lid, 30, eerste lid, 32, eerste lid, 34, eerste lid, 36, 38, 40, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 46, 48, eerste lid, 50, eerste lid, 52, eerste lid, 54, 56 en 62, die is aangevraagd in de periode van 31 maart 2015, 09:00 uur, tot 17 december 2015, 17:00 uur, bedraagt € 3.500.000.000,–.
2. De minister verdeelt het bedrag, genoemd in het eerste lid, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
3. Per categorie productie-installaties kan in de periode, genoemd in het eerste lid, per adres waarop een productie-installatie wordt geplaatst maximaal één aanvraag worden ingediend.
4. De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas of hernieuwbare warmte door een productie-installatie van een categorie als bedoeld in het eerste lid indien geen toestemming van de eigenaar van de beoogde locatie is verkregen voor het plaatsen van de productie-installatie.
5. Een subsidie als bedoeld in het eerste lid van meer dan € 400.000.000,– wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen zes weken na afgifte van deze beschikking een uitvoeringsovereenkomst overeenkomstig de overeenkomst opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1 tot stand is gekomen tussen de Staat en de subsidie-aanvrager.
6. Indien voor dezelfde periode, of gedeeltelijk voor dezelfde periode, meerdere beschikkingen zijn afgegeven voor dezelfde productie-installatie en dezelfde soort hernieuwbare energie, worden voor de toepassing van het vijfde lid de subsidies die de subsidie-ontvanger ontvangt, bedoeld in artikel 15 of 48 van het besluit, van de beschikkingen waarvan de periode waarover subsidie wordt verstrekt nog niet zijn aangevangen bij elkaar opgeteld.
Artikel 3
1. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 26, eerste lid, 34, eerste lid, onderdeel a, 48, eerste lid, 50, eerste lid, en 52, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a van het besluit.
2. Productie-installaties als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c en derde lid, onderdeel c, van het besluit.
3. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 44, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van het besluit.
4. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 26, eerste lid, 48, eerste lid, 50, eerste lid en 52, eerste lid, worden, indien subsidie is verstrekt op grond van artikel 116 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012, artikel 72 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013, artikel 72 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2014 of artikel 44 van deze regeling, aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het besluit.
5. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 4, onderdeel b, 6, 22, 24, 26, eerste lid, 34, eerste lid, 40, eerste lid, 48, eerste lid, 50, eerste lid, 52, eerste lid, 54 en 56, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van het besluit.
6. Productie-installaties als bedoeld in artikel 44, eerste lid, worden, indien subsidie is verstrekt op grond van de regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008, aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, en vierde lid van het besluit.
7. Productie-installaties als bedoeld in artikel 44, eerste lid, worden, indien subsidie is verstrekt op grond van de MEP of OV-MEP, aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van het besluit.
8. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 4, 6, 8, 10, 12, 14, 16, 18 en 20 worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 15, derde, vierde en zesde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.
9. Productie-installaties als bedoeld in artikel 62, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 15, zesde lid, van het besluit.
10. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 22, 24, 26, eerste lid, 28, eerste lid, en 56 worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, derde en vierde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 32, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.
11. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 22 en 26, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, zesde lid van het besluit.
12. Productie-installaties als bedoeld in artikel 54, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, zevende lid van het besluit.
13. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 30, eerste lid, 32, eerste lid, 36, 38, 40, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 46, 48, eerste lid, 50, eerste lid, 52, eerste lid, 54, en 56, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 48, derde en vierde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 48, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.
14. Productie-installaties als bedoeld in artikel 34, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 48, derde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal kWh dat het volgende jaar voor subsidie in aanmerking komt kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 48, derde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt zonder het daarbij opgetelde verschil in kWh vanwege minder geproduceerde kWh in voorgaande jaren. Het verschil in kWh dat bij het aantal kWh dat het volgende jaar voor subsidie in aanmerking komt kan worden opgeteld, kan alleen in dit volgende jaar worden benut en kan pas worden benut als het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt volledig is benut.
15. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 34, eerste lid, 38, 42, eerste lid, 48, eerste lid, 50, eerste lid, 54, en 56, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 48, zevende lid van het besluit.
16. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 8, 10, 12, 14, 22, 26, eerste lid, 48, eerste lid, 52, eerste lid, 54, en 62 worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van het besluit.
17. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 4, 6, 16, 18, 20, 24, 28, eerste lid, 30, eerste lid, 32, eerste lid, 34, eerste lid, 36, 38, 40, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, 46, 50 en 56, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 56, eerste lid, derde volzin, van het besluit.
Paragraaf 3. Categorieën
Paragraaf 3.1. Hernieuwbare elektriciteit
Paragraaf 3.1.1. Waterkracht
Artikel 4
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee door middel van hydro-mechanisch-elektrische omzetting hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd uit potentiële dan wel kinetische energie van stromend water dat niet specifiek ten behoeve van de elektriciteitsproductie omhoog is gepompt:
a. a. in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter, of b. b. in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter,
die ingrijpend zijn gerenoveerd en waarbij ten minste de turbines nieuw zijn.
Artikel 5
1. Subsidie als bedoeld in artikel 4 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 4, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.1.2. Afvalwater- of rioolwaterzuiveringsinstallaties
Artikel 6
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd uit gas dat vrijkomt ten gevolge van biologische afbraakreacties bij de zuivering van huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater en afvloeiend hemelwater, gebruik makende van thermische drukhydrolyse, waarbij ten minste het deel van de productie-installatie, dat bedoeld is voor thermische drukhydrolyse nieuw is.
Artikel 7
1. Subsidie als bedoeld in artikel 6 wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 6, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.1.3. Wind op land winddifferentiatie
Artikel 8
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie die niet is opgericht in de territoriale zee, in de Nederlandse exclusieve economische zone of op een locatie waar op het moment van aanvragen een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie staat of heeft gestaan met een hoger vermogen, tenzij bij de vervanging van één of meerdere windturbines het vermogen per windturbine ten minste 1 MW toeneemt, welke wordt gerealiseerd in een gemeente die in de lijst in bijlage 2 een windsnelheid heeft van:
a. a. ≥ 8,0 m/s, b. b. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s, c. c. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s, of d. d. < 7,0 m/s.
Artikel 9
1. Subsidie als bedoeld in artikel 8 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 8, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.1.4. Wind op land één op één vervanging
Artikel 10
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie die is opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie staat of heeft gestaan die op het moment van aanvragen minimaal 10 jaar daarvoor in gebruik is genomen, en die niet is opgericht in de territoriale zee of in de Nederlandse exclusieve economische zone, welke wordt gerealiseerd in een gemeente die in de lijst in bijlage 2 een windsnelheid heeft van:
a. a. ≥ 8,0 m/s, b. b. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s, c. c. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s, of d. d. < 7,0 m/s.
Artikel 11
1. Subsidie als bedoeld in artikel 10 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 10, binnen 2 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.1.5. Wind op verbindende waterkeringen
Artikel 12
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie die is opgericht binnen de beschermingszones van een verbindende waterkering als bedoeld in paragraaf 2.7 van bijlage 1 van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen en die niet is opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie staat of heeft gestaan met een hoger vermogen tenzij bij de vervanging van één of meerdere windturbines het vermogen per windturbine ten minste 1 MW toeneemt, welke wordt gerealiseerd in een gemeente die in de lijst in bijlage 2 een windsnelheid heeft van:
a. a. ≥ 8,0 m/s, b. b. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s, c. c. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s, of d. d. < 7,0 m/s.
Artikel 13
1. Subsidie als bedoeld in artikel 12 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 12, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.1.6. Wind in meer
Artikel 14
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie die niet is opgericht in de territoriale zee, in de Nederlandse exclusieve economische zone of op een locatie waar op het moment van aanvragen productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie staat of heeft gestaan met een hoger vermogen, tenzij bij de vervanging van één of meerdere windturbines het vermogen per windturbine ten minste 1 MW toeneemt, en waarvan de fundering in het water van een meer van minimaal één vierkante kilometer staat.
Artikel 15
1. Subsidie als bedoeld in artikel 14 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 14, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.1.7. Fotovoltaïsche zonnepanelen
Artikel 16
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 15 kWp, voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht uitsluitend door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen, die is aangesloten op een elektriciteitsnet via een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A.
Artikel 17
1. Subsidie als bedoeld in artikel 16 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 16, binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.1.8. Osmose
Artikel 18
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt gegenereerd door middel van het verschil in zoutconcentratie tussen twee watermassa’s.
Artikel 19
1. Subsidie als bedoeld in artikel 18 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 18, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.1.9. Vrije stromingsenergie en golfenergie
Artikel 20
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee door hydro-mechanisch-elektrische omzetting hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd uit potentiële dan wel kinetische energie van stromend water dat niet specifiek ten behoeve van de elektriciteitsproductie omhoog is gepompt in installaties met een valhoogte kleiner dan 50 centimeter.
Artikel 21
1. Subsidie als bedoeld in artikel 20 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 20, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.2. Hernieuwbaar gas
Paragraaf 3.2.1. Biomassavergisting
Artikel 22
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door:
a. a. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is, b. b. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting en co-vergisting van dierlijke mest, waarbij ten minste de vergister nieuw is, of c. c. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting van meer dan 95% dierlijke mest, waarbij ten minste de vergister nieuw is.
Artikel 23
1. Subsidie als bedoeld in artikel 22 wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 22, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.2.2. Afvalwater- of rioolwaterzuiveringsinstallaties
Artikel 24
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van biologische afbraakreacties bij de zuivering van huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater en afvloeiend hemelwater, waarbij ten minste de opwerkinstallatie waarmee biogas op aardgaskwaliteit wordt gebracht nieuw is.
Artikel 25
1. Subsidie als bedoeld in artikel 24 wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 24, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.2.3. Verlengde levensduur bestaande installaties
Artikel 26
1.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een bestaande productie-installatie waarvoor op grond van de MEP of OV-MEP subsidie van meer dan € 0,– is ontvangen en waarvoor op het moment van aanvraag de subsidieperiode op grond van voorgenoemde subsidieregelingen ten minste 7 jaar daarvoor is aangevangen:
a. a. waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting, of b. b. waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting en co-vergisting van dierlijke mest.
2. Indien de aanvrager, in aanvulling op de subsidie als bedoeld in het eerste lid op grond van de MEP of OV-MEP, subsidie heeft ontvangen op grond van artikel 116 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012, artikel 72 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013, artikel 72 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2014 of artikel 44 van deze regeling, eindigt de subsidieperiode van deze subsidie in ieder geval op het moment dat de subsidieperiode van de subsidie verstrekt op grond van het eerste lid aanvangt.
Artikel 27
1. Subsidie als bedoeld in artikel 26, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt. De periode vangt niet eerder aan dan nadat de aanvraag om subsidie is gedaan, en de subsidieperiode van de subsidie verstrekt op grond van de MEP of OV-MEP, ten minste 10 jaar daarvoor is aangevangen.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 26, eerste lid, binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening opnieuw in gebruik.
Paragraaf 3.2.4. Biomassavergassing
Artikel 28
1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2008, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2008, door middel van vergassing.
2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
Artikel 29
1. Subsidie als bedoeld in artikel 28, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 28, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.3. Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte
Paragraaf 3.3.1. Ketel vaste of vloeibare biomassa warmte
Artikel 30
1.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte door middel van verbranding van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2008, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2008 in een ketel:
a. a. met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 0,5 MW en kleiner dan 5 MW, of b. b. met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MW.
2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
3. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
Artikel 31
1. Subsidie als bedoeld in artikel 30, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 30, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.3.2. Ketel industriële stoom uit houtpellets
Artikel 32
1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van stoom door middel van verbranding van houtpellets geproduceerd uit vaste biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 132 van de NTA 8003: 2008, in een ketel met een vermogen groter dan of gelijk aan 10 MW.
2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
3. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat in voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.
Artikel 33
1. Subsidie als bedoeld in artikel 32, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 32, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.3.3. Meestook van biomassa in kolencentrales
Artikel 34
1.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biomassa geproduceerd door een productie-installatie met een nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 100 MW voor de productie van elektriciteit door middel van kolen,
a. a. waarbij gebruik wordt gemaakt van een bestaande installatie waarvoor op grond van de MEP subsidie van meer dan € 0,– is ontvangen, waarin biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 132 van de NTA 8003: 2008 wordt meegestookt, of biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 132 en 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2008 wordt vergast en waarvan het aannemelijk is dat deze ten minste voor de duur van de subsidieperiode kan blijven produceren, of b. b. waarin biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 132 van de NTA 8003: 2008 wordt meegestookt, waarbij de delen van de productie-installatie die uitsluitend gebruikt worden voor de meestook van biomassa nieuw zijn, en waarvan het aannemelijk is dat deze ten minste voor de duur van de subsidieperiode kan blijven produceren.
2. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biomassa geproduceerd door een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, voor maximaal 15% van de gerealiseerde jaarlijkse hernieuwbare energieproductie biomassa als bedoeld in NTA 8003: 2008, met uitzondering van de nummers 100, 101, 150 tot en met 179.
3. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
4. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa, niet zijnde vloeibare biomassa, voldoet aan artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.
5. Indien sprake is van productie van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte verstrekt de minister subsidie voor de geproduceerde hernieuwbare elektriciteit en 15% van de geproduceerde en nuttig aangewende hernieuwbare warmte.
6. De maximale productie, bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte op grond van het eerste lid, die is aangevraagd in de periode van 31 maart 2015, 09:00 uur, tot 17 december 2015, 17:00 uur, bedraagt 55.555.555.555 kWh.
Artikel 35
1. Subsidie als bedoeld in artikel 34, eerste lid, wordt voor een periode van 8 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 34, eerste lid, binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik of opnieuw in gebruik voor de meestook van biomassa.
Paragraaf 3.3.4. Geothermie warmte
Artikel 36
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door:
a. a. een productie-installatie, bestaande uit één of meerdere doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meerdere geothermische bronnen met een diepte van minimaal 500 meter. b. b. een productie-installatie, bestaande uit één of meerdere doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meerdere geothermische bronnen met een diepte van minimaal 3500 meter.
Artikel 37
1. Subsidie als bedoeld in artikel 36 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 36, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.3.5. Geothermie gecombineerde opwekking
Artikel 38
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie, bestaande uit één of meerdere doubletten, voor de productie van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uitsluitend door middel van een of meerdere geothermische bronnen met een diepte van minimaal 500 meter, waarbij het nominaal elektrisch vermogen ten minste 5% van de som van het nominale warmte en elektrisch vermogen bedraagt.
Artikel 39
1. Subsidie als bedoeld in artikel 38 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 38, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.3.6. Ketel vloeibare biomassa warmte
Artikel 40
1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 0,5 MW voor de productie van warmte door middel van verbranding van vloeibare biomassa als bedoeld in de nummers 500, 550 t/m 573, 587, 592, 594, 596 en 802 van de NTA 8003: 2008 in een ketel.
2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
Artikel 41
1. Subsidie als bedoeld in artikel 40, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 40, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.3.7. Thermische conversie biomassa gecombineerde opwekking
Artikel 42
1.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2008, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2008:
a. a. met een nominaal elektrisch vermogen groter dan 10 MW en kleiner dan of gelijk aan 100 MW en waarbij het nominaal elektrisch vermogen ten minste 10% van de som van het nominale warmte en elektrisch vermogen bedraagt, of b. b. met een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 10 MW en waarbij het nominaal elektrisch vermogen ten minste 6% van de som van het nominale warmte en elektrisch vermogen bedraagt.
2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
3. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
Artikel 43
1. Subsidie als bedoeld in artikel 42, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 42, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.3.8. Bestaande toepassing biomassa uitbreiding warmte
Artikel 44
1.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor de productie van hernieuwbare warmte die voor het eerst nuttig wordt aangewend aan een producent van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte die de hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte produceert door middel van:
a. a. een productie-installatie waarmee elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting; b. b. een productie-installatie waarmee elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting en co-vergisting van dierlijke mest of door middel van vergisting op een landbouwbedrijf van uitsluitend plantaardige stoffen vermeld onder de categorieën A tot en met G1 onder categorie 1 van Bijlage Aa, onderdeel IV van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, of c. c. een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa.
2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid, onderdeel c, draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
Artikel 45
1. Subsidie als bedoeld in artikel 44, eerste lid, wordt voor een periode van 5 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger draagt er zorg voor dat de hernieuwbare warmte, opgewekt door de productie-installatie, bedoeld in artikel 44, eerste lid, nuttig wordt gebruikt binnen 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening.
Paragraaf 3.3.9. Zonthermie
Artikel 46
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte uit zonne-energie, waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van afgedekte collectoren voorzien van een transparante isolerende laag, met een totale apertuuroppervlakte van 100 m^2 of meer.
Artikel 47
1. Subsidie als bedoeld in artikel 46 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 46 binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.3.10. Verlengde levensduur vergisting van biomassa gecombineerde opwekking
Artikel 48
1.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit, geproduceerd door een bestaande productie-installatie waarvoor op grond van de MEP of OV-MEP subsidie van meer dan € 0,– is ontvangen en waarvoor op het moment van aanvraag de subsidieperiode op grond van voorgenoemde subsidieregelingen ten minste 7 jaar daarvoor is aangevangen:
a. a. waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting en waarbij het nominaal elektrisch vermogen ten minste 20% van de som van het nominale warmte en elektrisch vermogen bedraagt; of b. b. waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting en co-vergisting van dierlijke mest en waarbij het nominaal elektrisch vermogen ten minste 20% van de som van het nominale warmte en elektrisch vermogen bedraagt.
2. Indien de aanvrager in aanvulling op de subsidie op grond van de MEP of OV-MEP, subsidie heeft ontvangen op grond van artikel 116 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012, artikel 72 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013, artikel 72 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2014, of artikel 44 van deze regeling, eindigt de subsidieperiode van deze subsidie in ieder geval op het moment dat de subsidieperiode van de subsidie verstrekt op grond van het eerste lid aanvangt.
Artikel 49
1. Subsidie als bedoeld in artikel 48, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt, de periode vangt niet eerder aan dan nadat de aanvraag om subsidie is gedaan, en de subsidieperiode van de subsidie verstrekt op grond van de MEP of OV-MEP, ten minste 10 jaar daarvoor is aangevangen.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 48, eerste lid, binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening opnieuw in gebruik.
Paragraaf 3.3.11. Verlengde levensduur thermische conversie van biomassa
Artikel 50
1.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit, geproduceerd door een bestaande productie-installatie waarvoor op grond van de MEP subsidie van meer dan € 0,– is ontvangen voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 50 MW en voor de productie van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa en waarbij het nominaal elektrisch vermogen ten minste 6% van de som van het nominale warmte en elektrisch vermogen bedraagt, en waarvoor op het moment van de start van de subsidieperiode van de subsidie, de resterende subsidieperiode op grond van de MEP
a. a. minder dan 1 volledig jaar bedraagt of nihil is, b. b. tenminste 1 volledig jaar bedraagt, c. c. tenminste 2 volledige jaren bedraagt, d. d. tenminste 3 volledige jaren bedraagt, e. e. tenminste 4 volledige jaren bedraagt, of f. f. tenminste 5 volledige jaren bedraagt.
2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid, draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.
3. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid, draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.
4. Indien de aanvrager in aanvulling op de subsidie op grond van de MEP of OV-MEP, subsidie heeft ontvangen op grond van artikel 116 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012, artikel 72 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013, artikel 72 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2014, of artikel 44 van deze regeling, eindigt de subsidieperiode van deze subsidie in ieder geval op het moment dat de subsidieperiode van de subsidie verstrekt op grond van het eerste lid aanvangt.
Artikel 51
1. Subsidie als bedoeld in artikel 50, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt, de subsidieperiode van de subsidie verstrekt op grond van de MEP, eindigt op het moment dat deze subsidieperiode aanvangt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 50, eerste lid, binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening opnieuw in gebruik.
Paragraaf 3.3.12. Verlengde levensduur biomassa warmte
Artikel 52
1.
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, geproduceerd door een bestaande productie-installatie waarvoor op grond van de MEP of OV-MEP subsidie van meer dan € 0,– is ontvangen en waarvoor op het moment van aanvraag de subsidieperiode op grond van voorgenoemde artikelen ten minste 7 jaar daarvoor is aangevangen:
a. a. waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting, of b. b. waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting en co-vergisting van dierlijke mest.
2. Indien de aanvrager in aanvulling op de subsidie op grond van de MEP of OV-MEP, subsidie heeft ontvangen op grond van artikel 116 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2012, artikel 72 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2013, artikel 72 van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2014, of artikel 44 van deze regeling, eindigt de subsidieperiode van deze subsidie in ieder geval op het moment dat de subsidieperiode van de subsidie verstrekt op grond van het eerste lid aanvangt.
Artikel 53
1. Subsidie als bedoeld in artikel 52, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt, de periode vangt niet eerder aan dan nadat de aanvraag om subsidie is gedaan, en de subsidieperiode van de subsidie verstrekt op grond van de MEP of OV-MEP, ten minste 10 jaar daarvoor is aangevangen.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 52, eerste lid, binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.3.13. Biomassavergisting hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit
Artikel 54
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door:
a. a. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is; b. b. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting en co-vergisting van dierlijke mest, waarbij ten minste de vergister nieuw is; c. c. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch vermogen ten minste 20% van de som van het nominale warmte en elektrisch vermogen bedraagt; d. d. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting en co-vergisting van dierlijke mest, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch vermogen ten minste 20% van de som van het nominale warmte en elektrisch vermogen bedraagt, e. e. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting van meer dan 95% dierlijke mest, waarbij ten minste de vergister nieuw is, of f. f. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van vergisting van meer dan 95% dierlijke mest, waarbij ten minste de vergister nieuw is.
Artikel 55
1. Subsidie als bedoeld in artikel 54 wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 54, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 3.3.14. Rioolwaterzuiveringsinstallaties thermofiele gisting van secundair slib
Artikel 56
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van biologische afbraakreacties bij de thermofiele zuivering van uitsluitend secundair slib, waarbij sprake is van een centrale productie-installatie waarvoor secundair slib grotendeels extern wordt aangevoerd van een of meerdere andere RWZI’s en waarbij tenminste de vergister zelf nieuw is.
Artikel 57
1. Subsidie als bedoeld in artikel 56 wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 56, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Paragraaf 4. Fasebedragen
Artikel 58
Voor de fase genoemd in de eerste kolom van onderstaande tabel wordt:
a. a. de periode waarbinnen de aanvragen binnen moeten zijn vastgesteld van de datum genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel tot de datum genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel van de daarop volgende fase, de negende fase eindigt op 17 december 2015, 17:00 uur, b. b. het fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in de artikelen 10 en 43a van het besluit, voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte en gecombineerde opwekking, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, c. c. het fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in artikel 27 van het besluit, voor de productie van hernieuwbaar gas, vastgesteld op het in de vierde kolom genoemde bedrag. Voor de vergelijking van de fasebedragen, bedoeld in artikel 58, tweede lid, van het besluit bedraagt het fasebedrag het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag.
Paragraaf 5. Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen
Paragraaf 5.1. Hernieuwbare elektriciteit
Artikel 59
Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt,
a. a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de derde kolom genoemde bedrag, b. b. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren, c. c. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit de basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, en d. d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2015 vastgesteld op:
–
voor wat betreft de elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, en
–
voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit op € 0 per kWh.
– – voor wat betreft de elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, en – – voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit op € 0 per kWh.
Paragraaf 5.2. Hernieuwbaar gas
Artikel 60
1.
Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt,
a. a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbaar gas, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, b. b. voor de productie van hernieuwbaar gas het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren, c. c. voor de productie van hernieuwbaar gas de basisgasprijs, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, en d. d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2015 vastgesteld op:
–
voor wat betreft de energieprijs, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, en
–
voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b, van het besluit op € 0 per kWh.
– – voor wat betreft de energieprijs, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, en – – voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b, van het besluit op € 0 per kWh.
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 |
|---|---|---|---|---|---|
| Artikel regeling | Categorie | Basis-bedrag in eur/kWh | Vollasturen | Basisenergie-prijs in eur/kWh | Voorlopig correctie-bedrag 2015 in eur/kWh |
| artikel 22, onderdeel a | Allesvergisting (hernieuwbaar gas) | 0,063 | 8.000 | 0,020 | 0,025 |
| artikel 22, onderdeel b | Vergisting en covergisting van dierlijke mest (hernieuwbaar gas) | 0,077 | 8.000 | 0,020 | 0,025 |
| artikel 22, onderdeel c | Vergisting van meer dan 95% dierlijke mest (hernieuwbaar gas) | Vrije categorie | 8.000 | 0,020 | 0,025 |
| Artikel 24 | AWZI/RWZI-groen gas | 0,034 | 8.000 | 0,020 | 0,025 |
| artikel 26, eerste lid, onderdeel a | Verlengde levensduur allesvergisting (hernieuwbaar gas) | 0,064 | 8.000 | 0,020 | 0,025 |
| artikel 26, eerste lid, onderdeel b | Verlengde levensduur vergisting en covergisting van dierlijke mest (hernieuwbaar gas) | 0,073 | 8.000 | 0,020 | 0,025 |
| Artikel 28, eerste lid | Biomassavergassing (≥95% biogeen) | Vrije categorie | 7.500 | 0,020 | 0,025 |
2. Het basisbedrag wordt voor de toepassing van artikel 58, tweede lid, van het besluit, voor een productie-installatie als bedoeld in de artikelen 22, 24, en 26, eerste lid, vastgesteld op het in de derde kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel genoemde bedrag, gedeeld door een correctiefactor van 0,785 en afgerond op drie decimalen achter de komma.
Paragraaf 5.3. Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte
Artikel 61
Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt,
a. a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare warmte en de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, b. b. voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren, c. c. de basisenergie- of basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 45, eerste lid of artikel 12, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, en d. d. De correcties op het basisbedrag voor subsidie voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel, worden voor 2015 vastgesteld op:
–
voor wat betreft de energie- of elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel a of 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, en
–
voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdelen b en c of 14, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit op € 0 per kWh.
– – voor wat betreft de energie- of elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel a of 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag, en – – voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdelen b en c of 14, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit op € 0 per kWh.
Paragraaf 6. Overgangs- en slotbepalingen
Paragraaf 6.1. Wind op land overgangsbepalingen
Artikel 62
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie die niet is opgericht op een locatie waarvoor op het moment van aanvragen productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie staat of heeft gestaan met een hoger vermogen tenzij bij de vervanging van één of meerdere windturbines het vermogen per windturbine ten minste 1 MW toeneemt, en ten aanzien waarvan voor 1 januari 2015 een ontwerp-inpassingsplan of ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd of de aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend.
Artikel 63
1. Subsidie als bedoeld in artikel 62 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.
2. De subsidie-ontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld artikel 62 binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.
Artikel 64
1.
Voor een productie-installatie als bedoeld in artikel 62 wordt voor de fase genoemd in de eerste kolom van onderstaande tabel:
a. a. periode waarbinnen de aanvragen binnen moeten zijn vastgesteld van de datum genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel tot de datum genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel van de daarop volgende fase, de negende fase eindigt op 17 december 2015, 17:00 uur, b. b. het fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in artikel 10 van het besluit, voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag,
| 1 | 2 | 3 |
|---|---|---|
| Fase | Datum openstelling | Fasebedrag wind op land overgang |
| 1 | 31 maart, 9:00 uur | € 0,0875/kWh |
| 2 | 20 april, 17:00 uur | € 0,100/kWh |
| 3 | 11 mei, 17:00 uur | € 0,1125/kWh |
| 4 | 1 juni, 17:00 uur | n.v.t. |
| 5 | 22 juni, 17:00 uur | n.v.t. |
| 6 | 31 augustus, 17:00 uur | n.v.t. |
| 7 | 21 september, 17:00 uur | n.v.t. |
| 8 | 12 oktober, 17:00 uur | n.v.t. |
| 9 | 9 november, 17:00 uur | n.v.t. |
2. Voor de vergelijking van de fasebedragen, bedoeld in artikel 58, tweede lid, van het besluit bedraagt het fasebedrag het in de derde kolom van de in artikel 58 opgenomen tabel genoemde bedrag.
Artikel 65
1.
Voor een productie-installatie als bedoeld in artikel 62 wordt,
a. a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op € 0,1125 per kWh, b. b. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, het maximaal aantal vollasturen
–
wanneer de aanvraag in de eerste fase is ingediend, vastgesteld op 2.800,
–
wanneer de aanvraag in de tweede fase is ingediend, vastgesteld op 2.160, en
–
wanneer de aanvraag in fase 3 tot en met 9 is ingediend, vastgesteld op 1.840,
– – wanneer de aanvraag in de eerste fase is ingediend, vastgesteld op 2.800, – – wanneer de aanvraag in de tweede fase is ingediend, vastgesteld op 2.160, en – – wanneer de aanvraag in fase 3 tot en met 9 is ingediend, vastgesteld op 1.840, c. c. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit de basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op € 0,037 per kWh, en d. d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2015:
–
voor wat betreft de elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, vastgesteld op € 0,048 per kWh, en
–
voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit vastgesteld op € 0 per kWh.
– – voor wat betreft de elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, vastgesteld op € 0,048 per kWh, en – – voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit vastgesteld op € 0 per kWh.
2. Voor de vergelijking van de basisbedragen, bedoeld in artikel 58, tweede lid, van het besluit, wordt het basisbedrag voor een productie-installatie als bedoeld in artikel 62, vastgesteld op 0,1125, gedeeld door een correctiefactor van 1,25.
Paragraaf 6.2. Slotbepalingen
Artikel 66
De artikelen van deze regeling treden in werking op een door de minister nader te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 67
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2015.