40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling aanwijzing gebieden, terreinen en planten aardappelmoeheid | BWBR0006595 | ministeriele-regeling | geldend | 2009-09-23 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0006595 | Regeling aanwijzing gebieden, terreinen en planten aardappelmoeheid |
Regeling aanwijzing gebieden, terreinen en planten aardappelmoeheid
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
Paragraaf 2. Aanwijzingen
Artikel 2
1. In afwijking van artikel 5 van het besluit is de teelt van planten slechts toegestaan op grond waarvoor de gebruikersgerechtigde in het bezit van een geldige onderzoeksverklaring van een aangewezen instantie, waaruit blijkt dat die grond vrij is bevonden van besmetting met het aardappelcystenaaltje.
2. Als planten bedoeld in het eerste lid worden aangewezen bedrijfsmatig en in de open grond geteelde aardappelen die kennelijk worden geteeld met het doel de gehele plant of ondergrondse delen of de nateelt daarvan voor wederuitplant in het verkeer te brengen.
Artikel 3
1. Als gebieden en terreinen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a, van het besluit worden aangewezen de gebieden, welke zijn aangeduid op door de Minister gewaarmerkte kaarten of lijsten.
2.
De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, wordt opgeheven, indien
a. a. ten genoegen van een ambtenaar van de Plantenziektenkundige Dienst wordt aangetoond, dat de grond vrij is van een besmetting met het aardappelcystenaaltje, of b. b. een ambtenaar van de Plantenziektenkundige Dienst na een periode van 12 jaar na de aanwijzing geen besmetting meer vaststelt.
Artikel 4
Gebieden en terreinen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, mogen worden beteeld met A.M.-resistente rassen, mits ten genoegen van een ambtenaar van de Plantenziektenkundige Dienst kan worden aangetoond dat het betreffende ras resistent is tegen de besmetting op het betreffende gebied of terrein en de planten tevens met de ondergrondse delen worden gerooid en niet zijn bestemd om te worden uitgeplant.
Artikel 5
1. Als tuinen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel b, van het besluit worden aangewezen de tuinen, die liggen in de gebieden, genoemd in artikel 7.
2. In de in het eerste lid aangewezen tuinen is, in afwijking van het verbod gesteld in artikel 6, eerste lid, van het besluit, de teelt van de in artikel 6 genoemde planten met uitzondering van de aardappel toegestaan, behalve op in dat gebied gelegen gebieden en terreinen, welke als besmet zijn of worden aangewezen overeenkomstig artikel 3, eerste lid.
Artikel 6
Als planten bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel c, van het besluit die gevaar kunnen opleveren voor de verspreiding of vermeerdering van het aardappelcystenaaltje worden aangewezen aardappel en tomaat, alsmede bedrijfsmatig en in de open grond geteelde planten voorzover die kennelijk worden geteeld met het doel de gehele of gescheurde plant of ondergrondse delen daarvan uit te planten of voor wederuitplant in het verkeer te brengen.
Paragraaf 3. Vrijstellingen
Artikel 7
Van het verbod, gesteld in artikel 5, eerste lid, van het besluit, wordt vrijstelling verleend ten aanzien van de gebieden welke op kaarten met topografische achtergrond, behorende bij deze regeling, worden aangegeven.
Artikel 8
Van het verbod, gesteld in artikel 6, eerste lid, van het besluit wordt voor de teelt van de in artikel 6 genoemde planten, vrijstelling verleend, indien:
a. a. deze teelt reeds was aangevangen voor de dag waarop de aanwijzing van het gebied of het terrein van kracht wordt, met inachtneming van de voorliggende voorschriften:
1.
voor het rooien van deze planten dient ten minste 48 uren van te voren schriftelijk toestemming te worden gevraagd aan het districtshoofd van de Plantenziektenkundige Dienst binnen wiens ressort de planten worden geteeld;
2.
het rooien van deze planten geschiedt na toestemming als bedoeld in onderdeel 1 en met inachtneming van de daaromtrent door de Minister gegeven aanwijzingen, of
-
-
voor het rooien van deze planten dient ten minste 48 uren van te voren schriftelijk toestemming te worden gevraagd aan het districtshoofd van de Plantenziektenkundige Dienst binnen wiens ressort de planten worden geteeld;
-
-
-
het rooien van deze planten geschiedt na toestemming als bedoeld in onderdeel 1 en met inachtneming van de daaromtrent door de Minister gegeven aanwijzingen, of
-
b. b. voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 4.
Artikel 9
Van het in artikel 6, eerste lid, van het besluit gestelde verbod tot het bewaren van aardappelen op zodanige wijze dat zij in aanraking komen met de grond van de aangewezen gebieden en terreinen wordt vrijstelling verleend voor niet voor wederuitplant bestemde aardappelknollen.
Paragraaf 4. Overige bepalingen
Artikel 10
Het bepaalde in de artikelen 4, 8 en 9 is niet van toepassing binnen de gebieden, genoemd in artikel 7.
Artikel 11
De volgende regelingen worden ingetrokken:
a. a. Beschikking toepassing artikel 1a Besluit bestrijding aardappelmoeheid; b. b. Beschikking van de Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening van 14 april 1955, no. L/PA 375 (Stcrt. 74); c. c. Beschikking van de Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening van 24 november 1958, no. J 3373 (Stcrt. 229); d. d. Beschikking van de Minister van Landbouw en Visserij van 13 januari 1967; e. e. Beschikking van de Minister van Landbouw en Visserij van 30 juni 1961, no. L/PD 537; f. f. Beschikking van de Minister van Landbouw en Visserij van 1 oktober 1965, no. J. 2663; g. g. Beschikking van de Minister van Landbouw en Visserij van 11 december 1967; h. h. Regeling aardappelteeltverbod Boskoop e.o.; i. i. Beschikking ontheffing teeltverbod aardappelen op besmette grond 1971; j. j. Beschikking van de Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening van 29 oktober 1955, no. L/PA 670; k. k. Regeling houdende ontheffing van het bepaalde in artikel 1, eerste lid, Besluit bestrijding aardappelmoeheid voor gebieden in Noord-Holland; l. l. Beschikking aardappelteelt in tuinen 1973; m. m. Regeling aardappelmoeheid 1992.
Artikel 12
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant, waarin zij wordt geplaatst.
2.
Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling aanwijzing gebieden, terreinen en planten aardappelmoeheid.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Bijlage
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit te ’s-Gravenhage, de Plantenziektenkundige Dienst te Wageningen en is gepubliceerd op www.minlnv.nl/pd.