rijk/ministeriele-regeling/regeling-betreffende-uitvoering-bestrijdingsmaatregelen-besmettelijke-dierziekte/BWBR0007936
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling betreffende uitvoering bestrijdingsmaatregelen besmettelijke dierziekten BWBR0007936 ministeriele-regeling geldend 1996-04-13 https://wetten.overheid.nl/BWBR0007936 Regeling betreffende uitvoering bestrijdingsmaatregelen besmettelijke dierziekten

Regeling betreffende uitvoering bestrijdingsmaatregelen besmettelijke dierziekten

Paragraaf 1. : Algemeen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Paragraaf 2. : Kentekenen en waarschuwingsborden

Artikel 2

Als modellen van de waarschuwingsborden, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel c, van de wet, die geplaatst worden ter aanduiding van een gebied waar ingevolge artikel 30 van de wet een verbod tot vervoeren van kracht is, worden vastgesteld de in Bijlage II opgenomen modellen.

Artikel 3

1. Als modellen van de kentekenen, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel d, van de wet, die geplaatst worden bij een gebouw of terrein dat besmet is of van besmetting is verdacht worden vastgesteld de in Bijlage III, onder a, opgenomen modellen.

2. Als model van het kenteken, bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdeel c, dat wordt gehecht aan een bijenwoning, wordt vastgesteld het in Bijlage III, onder b, opgenomen model.

Artikel 4

1. De kentekenen of waarschuwingsborden worden aan de ingang van de besmette of van besmetting verdachte gebouwen en terreinen, aan de bijenwoning of rondom het krachtens artikel 30 van de wet aangewezen gebied aangebracht, gehecht of geplaatst en wel zodanig dat zij duidelijk van de openbare weg af zichtbaar zijn.

2. Waarschuwingsborden kunnen langs de openbare weg vooraangekondigd worden.

Paragraaf 3. : Het onschadelijk maken van of vernietigen van gedode of gestorven, zieke en verdachte dieren en van produkten en voorwerpen, die besmet zijn of ervan worden verdacht gevaar op te leveren voor verspreiding van smetstof

Artikel 5

Het onschadelijk maken, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onderdeel g, en het vernietigen, bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdelen f en g van de wet, geschiedt:

a. a. overeenkomstig de Destructiewet indien er sprake is van hoog-risico-materiaal, tenzij onschadelijkmaking door verbranden of begraven wordt bevolen; b. b. indien er geen sprake is van hoog-risico-materiaal:

      i.
       door verbranden, onderploegen, broeien, vermenging met een ontsmettingsmiddel als bedoeld in artikel 9 of bij mest door verwerken in een mestverwerkingsinrichting, onverminderd de bepalingen van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen op grond waarvan de mest tijdelijk wordt opgeslagen;
    
    
      ii.
       bij melk en melkprodukten en drijfmest mede door verandering van de zuurgraad of
    
    
      iii.
       door droge sterilisatie.

i. i. door verbranden, onderploegen, broeien, vermenging met een ontsmettingsmiddel als bedoeld in artikel 9 of bij mest door verwerken in een mestverwerkingsinrichting, onverminderd de bepalingen van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen op grond waarvan de mest tijdelijk wordt opgeslagen; ii. ii. bij melk en melkprodukten en drijfmest mede door verandering van de zuurgraad of iii. iii. door droge sterilisatie.

Artikel 6

1. Het verbranden, bedoeld in artikel 5, onderdeel a, geschiedt door verbranding tot as ter plaatse of in een verbrandingsoven.

2. Het begraven, bedoeld in artikel 5, onderdeel a, geschiedt op zodanige diepte, dat de afstand van het hoogste gedeelte van hetgeen begraven wordt tot aan de rand van de kuil ten minste een meter bedraagt. De bodem van de kuil en hetgeen begraven wordt, wordt met een laag ongebluste kalk ter dikte van een decimeter bestrooid om tenslotte met een laag aarde tot minimaal aan de rand van de kuil te worden bedekt. Het begraven geschiedt op een geschikt terrein teneinde verontreiniging van het grondwater en iedere andere milieuhinder te beperken.

Paragraaf 4. : Reiniging en ontsmetting

Artikel 7

1. Aan de ontsmetting gaat reiniging vooraf, behoudens die gevallen waarbij, ter beoordeling van de ambtenaar, wegens besmettingsgevaar voor de personen die met het reinigen zijn belast, voor de reiniging en ontsmetting eerst een voorlopige ontsmetting dient plaats te vinden. De reiniging dient plaats te vinden binnen de door de ambtenaar aangegeven termijn.

2. De reiniging van gebouwen, terreinen, bewaarplaatsen van mest, dieren, voorwerpen en produkten geschiedt op de in de bijlage I beschreven wijze.

3. Onverminderd het tweede lid dient de reiniging en ontsmetting in overeenstemming te zijn met de voor de betreffende dierziekte geldende communautaire bestrijdingsrichtlijn.

Artikel 8

Het ontsmetten van gebouwen, terreinen, bewaarplaatsen van mest, bijenwoningen, dieren, voorwerpen en produkten moet gericht zijn op het effectief en efficient onschadelijk maken van de smetstof, waarbij elk geval op zichzelf dient te worden beoordeeld en geschiedt op de in de bijlage I beschreven wijze.

Artikel 9

Het ontsmetten geschiedt met de volgende middelen:

a. a. hitte in de vorm van:

      1.
       vuur;
    
    
      2.
       hete lucht;
    
    
      3.
       stoom;
    
    
      4.
       kokend water;
    1.  vuur;
      
    1.  hete lucht;
      
    1.  stoom;
      
    1.  kokend water;
      

b. b. ontsmettingsmiddelen die voor dat doel zijn toegelaten op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962; c. c. andere door de Minister vast te stellen ontsmettingsmiddelen.

Paragraaf 5. : Slotbepalingen

Artikel 10

De ambtenaar beslist in elk bijzonder geval op welke wijze het onschadelijk maken, het vernietigen en het reinigen en ontsmetten zal geschieden en welke reinigings- en ontsmettingsmiddelen daarbij moeten worden

gebruikt.

Artikel 11

1. Na afloop van de reiniging vindt controle plaats door de ambtenaar.

2. Het onschadelijk maken, het vernietigen en de ontsmetting geschieden onder leiding en toezicht van de in eerste lid bedoelde personen.

3. De reiniging en ontsmetting wordt door de ambtenaar geregistreerd.

Artikel 12

In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist de ambtenaar.

Artikel 13

De Regeling houdende aanwijzing insectenverdelgingsmiddelen als ontsmettingsmiddel als bedoeld in artikel 10, onderdeel b, subonderdeel 13 van het Besluit van 23 februari 1922, ter uitvoering der artikelen 6, 25, 30, 32 en 57 der Veewet wordt ingetrokken.

Artikel 14

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop artikel 23 van de wet in werking treedt.

Artikel 15

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling betreffende uitvoering bestrijdingsmaatregelen besmettelijke dierziekten.

Bijlage . I

Reinigen van dieren, gebouwen en terreinen, bewaarplaatsen van mest, voorwerpen en produkten

  1. Het reinigen van dieren geschiedt als volgt:

  2. Het reinigen van gebouwen en zich daarin bevindende voorwerpen en van bewaarplaatsen van mest geschiedt als volgt:

  3. Voorwerpen en produkten worden gereinigd door afvegen, afschuren, afkrabben, afschaven, behandeling met een reinigingsmiddel en verder door afspuiten, afwassen of afschrobben met koud of heet water.

  4. Het reinigen van verzamelplaatsen en van wegen en straten geschiedt overeenkomstig artikel 3 van de Regeling betreffende het bijeenbrengen van dieren.

  5. Het reinigen van kweekvijvers geschiedt, nadat water, vis, eieren en gameten zijn verwijderd, overeenkomstig de aanwijzingen van de ambtenaar. Het water ondergaat een behandeling waarmee eventueel aanwezige ziekteverwekkende agentia worden uitgeschakeld.

Bijlage II. Waarschuwingsborden

Wit van kleur met een rode rand en bedrukt met rode letters:

[afbeelding]

Blauw van kleur met een witte opdruk:

[afbeelding]

Bijlage III. modellen kentekenen