rijk/ministeriele-regeling/regeling-groenprojecten-2002/BWBR0013274
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling groenprojecten 2002 BWBR0013274 ministeriele-regeling geldend 2002-01-04 https://wetten.overheid.nl/BWBR0013274 Regeling groenprojecten 2002

Regeling groenprojecten 2002

Artikel 1

1. Deze regeling geeft uitvoering aan artikel 5.14, derde lid, onderdeel a, en zesde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 met betrekking tot de aanwijzing van en verklaring voor projecten welke in Nederland zijn gelegen.

2. In deze regeling wordt verstaan onder:

3.

Tot het projectvermogen voor woningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, worden niet gerekend:

1º 1º het vermogen dat nodig is voor de financiering van de grond waarop de desbetreffende woningen zijn gelegen; 2º 2º het vermogen dat bedoeld is voor de financiering van onderhoud, instandhouding of verbetering van woningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 1° of 2°, en 3º 3º het vermogen dat nodig is voor de financiering van onderhoud van woningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 3°.

4. Tot het projectvermogen voor een Groen Label Kas als bedoeld in artikel 2, onderdeel g wordt niet gerekend het vermogen dat nodig is voor de financiering van de grond, kosten voor goederen waarop niet wordt afgeschreven, tuinbouwgewassen, transportsystemen en kosten voor onderhoud.

Artikel 2

1.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan, in overeenstemming met de Minister van Financiën en na overleg met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Economische Zaken, een verklaring afgeven voor:

a. a. projecten, bestaande uit aaneengesloten gebieden met een oppervlakte van ten minste vijf hectare, die gericht zijn op de ontwikkeling en de instandhouding van bos en andere houtopstanden, met uitzondering van vruchtbomen, windsingels, wegbeplantingen en bomen die bestemd zijn om te dienen als kerstbomen en kweekgoed; b. b. projecten die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van natuur- en landschappelijke waarden in:

        1º
         gebieden die als beschermd natuurmonument of als staatsnatuurmonument zijn aangewezen op grond van de Natuurbeschermingswet, of
      
      
        2º
         gebieden die in het Structuurschema Groene Ruimte zijn aangemerkt als gebieden behoud en herstel bestaande landschapskwaliteit en waarvoor een gebiedsperspectief waardevol cultuurlandschap geldt;

1º 1º gebieden die als beschermd natuurmonument of als staatsnatuurmonument zijn aangewezen op grond van de Natuurbeschermingswet, of 2º 2º gebieden die in het Structuurschema Groene Ruimte zijn aangemerkt als gebieden behoud en herstel bestaande landschapskwaliteit en waarvoor een gebiedsperspectief waardevol cultuurlandschap geldt; c. c. projecten die zijn gericht op de ontwikkeling en instandhouding van:

        1º
         natuur- en landschappelijke waarden van landgoederen die als zodanig zijn aangemerkt krachtens artikel 2 van de Natuurschoonwet 1928, of
      
      
        2º
         natuur- en landschappelijke waarden blijkens een landinrichtingsplan als bedoeld in de Landinrichtingswet, een plan van voorzieningen als bedoeld in de Reconstructiewet Midden-Delfland of een herinrichtingsplan als bedoeld in de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën;

1º 1º natuur- en landschappelijke waarden van landgoederen die als zodanig zijn aangemerkt krachtens artikel 2 van de Natuurschoonwet 1928, of 2º 2º natuur- en landschappelijke waarden blijkens een landinrichtingsplan als bedoeld in de Landinrichtingswet, een plan van voorzieningen als bedoeld in de Reconstructiewet Midden-Delfland of een herinrichtingsplan als bedoeld in de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën; d. d. projecten:

        1º
         in een natuurgebied die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 en voor wat betreft bos en houtopstanden tevens voldoen aan de projectomschrijving van onderdeel a;
      
      
        2º
         in een beheers-, probleem-, natuur- of landschapsgebied die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer en voor wat betreft bos en houtopstanden tevens voldoen aan de projectomschrijving van onderdeel a;
      
      
        3º
         van publiekrechtelijke rechtspersonen of van instellingen als bedoeld in de Regeling bijdragen particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden in gebieden waarvoor een begrenzingenplan is vastgesteld als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling;
      
      
        4º
         die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de Tijdelijke regeling particulier natuurbeheer;
      
      
        5º
         in een beheers- of reservaatgebied die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en waarvoor een beheersovereenkomst is gesloten als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling, of
      
      
        6º
         in een probleemgebied die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en waarvoor een beheersovereenkomst is gesloten als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling;

1º 1º in een natuurgebied die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 en voor wat betreft bos en houtopstanden tevens voldoen aan de projectomschrijving van onderdeel a; 2º 2º in een beheers-, probleem-, natuur- of landschapsgebied die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer en voor wat betreft bos en houtopstanden tevens voldoen aan de projectomschrijving van onderdeel a; 3º 3º van publiekrechtelijke rechtspersonen of van instellingen als bedoeld in de Regeling bijdragen particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden in gebieden waarvoor een begrenzingenplan is vastgesteld als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling; 4º 4º die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de Tijdelijke regeling particulier natuurbeheer; 5º 5º in een beheers- of reservaatgebied die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en waarvoor een beheersovereenkomst is gesloten als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling, of 6º 6º in een probleemgebied die zijn gericht op de ontwikkeling en de instandhouding van nieuwe natuur- en landschappelijke waarden en waarvoor een beheersovereenkomst is gesloten als bedoeld in de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling; e. e. projecten die zijn gericht op:

        1º
         het produceren of verwerken van plantaardige landbouwproducten volgens de voorschriften van het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode;
      
      
        2º
         het produceren of verwerken van dierlijke landbouwproducten volgens de voorschriften van het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode, of
      
      
        3º
         het bedrijfsmatig telen van gewassen in een Groen Label Kas Niveau II 2002;

1º 1º het produceren of verwerken van plantaardige landbouwproducten volgens de voorschriften van het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode; 2º 2º het produceren of verwerken van dierlijke landbouwproducten volgens de voorschriften van het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode, of 3º 3º het bedrijfsmatig telen van gewassen in een Groen Label Kas Niveau II 2002; f. f. projecten die zijn gericht op de industriële verwerking van landbouwgrondstoffen tot producten die niet geschikt zijn voor menselijke of dierlijke consumptie, indien die producten in Nederland nog niet gangbaar zijn en die projecten leiden tot een vermindering van de aantasting van het milieu; g. g. projecten die zijn gericht op:

        1º
         het opwekken van elektriciteit uit hout en energierijke gewassen;
      
      
        2º
         het opwekken van elektrische energie door middel van een windturbine die - voor zover deze normen daarop van toepassing zijn - is gecertificeerd volgens NEN 6096/2 indien certificatie heeft plaatsgevonden voor 1 april 2000, of volgens NVN 11400-0, indien certificatie heeft plaatsgevonden op of na 1 april 2000;
      
      
        3º
         het opwekken van elektrische energie met behulp van fotovoltaïsche cellen;
      
      
        4º
         het gebruik van thermische zonne-energie door middel van zonnecollectoren;
      
      
        5º
         het winnen van aardwarmte;
      
      
        6º
         het opwekken van elektrische energie uit waterkracht;
      
      
        7º
         het met behulp van warmtepompen met een Seasonal Performance Factor van ten minste 1,2 opwaarderen van laagwaardige warmte naar hoogwaardige warmte op een zodanige wijze dat de hoogwaardige warmte nuttig wordt aangewend;
      
      
        8º
         warmte-, onderscheidenlijk koudeopslag, in een aquifer gedurende ten minste een maand, of;
      
      
        9º
         het aanleggen van warmtedistributienetten en het bouwen van centrale bijstookketels en warmtebuffers ten behoeve van stadsverwarmingsprojecten en de verwarming van tuinbouwkassen die thermische energie benutten van energie van elektriciteitsopwekkingsinstallaties;

1º 1º het opwekken van elektriciteit uit hout en energierijke gewassen; 2º 2º het opwekken van elektrische energie door middel van een windturbine die - voor zover deze normen daarop van toepassing zijn - is gecertificeerd volgens NEN 6096/2 indien certificatie heeft plaatsgevonden voor 1 april 2000, of volgens NVN 11400-0, indien certificatie heeft plaatsgevonden op of na 1 april 2000; 3º 3º het opwekken van elektrische energie met behulp van fotovoltaïsche cellen; 4º 4º het gebruik van thermische zonne-energie door middel van zonnecollectoren; 5º 5º het winnen van aardwarmte; 6º 6º het opwekken van elektrische energie uit waterkracht; 7º 7º het met behulp van warmtepompen met een Seasonal Performance Factor van ten minste 1,2 opwaarderen van laagwaardige warmte naar hoogwaardige warmte op een zodanige wijze dat de hoogwaardige warmte nuttig wordt aangewend; 8º 8º warmte-, onderscheidenlijk koudeopslag, in een aquifer gedurende ten minste een maand, of; 9º 9º het aanleggen van warmtedistributienetten en het bouwen van centrale bijstookketels en warmtebuffers ten behoeve van stadsverwarmingsprojecten en de verwarming van tuinbouwkassen die thermische energie benutten van energie van elektriciteitsopwekkingsinstallaties; h. h. projecten die zijn gericht op:

        1º
         het realiseren van nieuw te bouwen woningen die voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zullen staan aan een of meer natuurlijke personen en die voldoen aan de basiseisen, zoals die zijn gesteld in bijlage 1a en tevens minimaal 150 punten behalen volgens de in die bijlage vermelde systematiek;
      
      
        2º
         het door herbestemming van niet-woningen realiseren van nieuwe woningen die voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zullen staan aan een of meer natuurlijke personen en die voldoen aan de basiseisen, zoals die zijn gesteld in bijlage 1a en tevens minimaal 150 punten behalen volgens de in die bijlage vermelde systematiek, of
      
      
        3º
        het renoveren van bestaande woningen die zijn gebouwd voor 1980 en die voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zullen staan aan een of meer natuurlijke personen en die voldoen aan de basiseisen zoals die zijn gesteld in bijlage 1b, en tevens minimaal 125 punten behalen volgens de in die bijlage vermelde systematiek;

1º 1º het realiseren van nieuw te bouwen woningen die voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zullen staan aan een of meer natuurlijke personen en die voldoen aan de basiseisen, zoals die zijn gesteld in bijlage 1a en tevens minimaal 150 punten behalen volgens de in die bijlage vermelde systematiek; 2º 2º het door herbestemming van niet-woningen realiseren van nieuwe woningen die voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zullen staan aan een of meer natuurlijke personen en die voldoen aan de basiseisen, zoals die zijn gesteld in bijlage 1a en tevens minimaal 150 punten behalen volgens de in die bijlage vermelde systematiek, of 3º 3º het renoveren van bestaande woningen die zijn gebouwd voor 1980 en die voortdurend als hoofdverblijf ter beschikking zullen staan aan een of meer natuurlijke personen en die voldoen aan de basiseisen zoals die zijn gesteld in bijlage 1b, en tevens minimaal 125 punten behalen volgens de in die bijlage vermelde systematiek; i. i. projecten die zijn gericht op de realisatie van vrijgelegen dan wel verhoogde fietspaden die verhard zijn met asfalt en die:

        1º
         de directe verbinding vormen tussen woonkernen met meer dan 50.000 inwoners en de direct omringende woonkernen, gelegen zijn buiten de bebouwde kom en reistijd verminderend zijn;
      
      
        2º
         de directe verbinding vormen tussen Vinex-locaties en de direct omringende woonkernen en gelegen zijn buiten de bebouwde kom;
      
      
        3º
         de directe bereikbaarheid van transferia bevorderen, of
      
      
        4º
         knelpunten opheffen in het recreatieve landelijk fietsroutenet als aangegeven in het Structuurschema Groene Ruimte en die gelegen zijn buiten de bebouwde kom, dan wel buiten de bebouwde kom gelegen zijn en de directe verbinding vormen tussen een woonkern, waaronder begrepen een verblijfsrecreatieconcentratie, en dat landelijk net;

1º 1º de directe verbinding vormen tussen woonkernen met meer dan 50.000 inwoners en de direct omringende woonkernen, gelegen zijn buiten de bebouwde kom en reistijd verminderend zijn; 2º 2º de directe verbinding vormen tussen Vinex-locaties en de direct omringende woonkernen en gelegen zijn buiten de bebouwde kom; 3º 3º de directe bereikbaarheid van transferia bevorderen, of 4º 4º knelpunten opheffen in het recreatieve landelijk fietsroutenet als aangegeven in het Structuurschema Groene Ruimte en die gelegen zijn buiten de bebouwde kom, dan wel buiten de bebouwde kom gelegen zijn en de directe verbinding vormen tussen een woonkern, waaronder begrepen een verblijfsrecreatieconcentratie, en dat landelijk net; j. j. projecten die zijn gericht op het vrijwillig saneren van verontreinigde (water)bodems ter zake waarvan overeenkomstig artikel 29 van de Wet op de bodembescherming is beslist dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging en overeenkomstig artikel 39, tweede lid, van die wet goedkeuring is gegeven aan het saneringsplan en waaraan naar zijn oordeel voorrang moet worden verleend; k. k. andere projecten die naar zijn oordeel in het belang zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos.

2. De in het eerste lid, onderdeel g, onder 2°, gegeven verwijzing naar NVN-norm 11400-0, onderscheidenlijk NEN-norm 6096/2, heeft betrekking op de laatst uitgegeven NVN-norm, onderscheidenlijk NEN-norm, met de daarop uitgegeven aanvullingen en correctiebladen. Een uitgegeven aanvulling, onderscheidenlijk correctieblad, wordt eerst van toepassing op 1 januari van het jaar volgende op dat waarin de uitgifte heeft plaatsgevonden.

Artikel 3

1.

Een verklaring wordt niet afgegeven op aanvragen voor:

a. a. een bestaand project; b. b. een project waarvan het projectvermogen minder bedraagt dan € 22.689; c. c. een project waarvan het niet aannemelijk is dat het enig eigen rendement, subsidies van overheden en convenantsmiddelen daaronder begrepen, heeft; d. d. een project waarvan het te verwachten economisch rendement in verhouding tot het risico en het milieubelang zodanig is dat het zonder toepassing van deze regeling tot stand kan komen; e. e. een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 1° of 2°, indien per kalenderjaar reeds voor 5000 woningen een verklaring is afgegeven; f. f. een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 3°, indien per kalenderjaar reeds voor 5000 woningen een verklaring is afgegeven; g. g. een project betreffende een woning als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, onder 1° of 2°, waarvan de totale kosten van het verkrijgen in eigendom meer dan € 272.268 bedragen.

2. Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing met betrekking tot de in artikel 2, onderdeel i, bedoelde projecten.

Artikel 4

1.

Een verklaring kan slechts worden aangevraagd door en afgegeven aan:

a. a. een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 52 van die wet, of b. b. een beleggingsinstelling die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 18 van de Wet toezicht beleggingsinstellingen.

2. De aanvraag voor projecten bedoeld in artikel 2, onderdelen a tot en met f, dient te worden ingediend bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en voor de overige projecten bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu bv.

3. Voor projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, kan een verklaring slechts worden aangevraagd indien op de dag van indiening van een aanvraag tot afgifte van een verklaring nog geen aanvang met de uitvoering van de werkzaamheden is gemaakt.

4. Voor projecten waarvoor reeds eerder een verklaring is afgegeven kan een nieuwe aanvraag eerst drie jaar voor de afloop van de geldende verklaring worden ingediend.

5. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een formulier dat door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op aanvraag beschikbaar wordt gesteld.

6. Aan een aanvrager kan worden verzocht nadere gegevens te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het project.

7. Aan een aanvrager kan worden verzocht een accountantsverklaring te overleggen, waaruit de juistheid of aannemelijkheid van de in de aanvraag vermelde gegevens blijkt.

Artikel 5

1. De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer beslist, in overeenstemming met de Minister van Financiën en na overleg met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Minister van Verkeer en Waterstaat, op een aanvraag binnen acht weken na de indiening ervan.

2. Een afschrift van het besluit wordt gezonden aan de projectbeheerder.

Artikel 6

1.

De verklaring kan maximaal negen maanden na afgifte van de verklaring in werking treden en niet langer gelden dan de verwachte levensduur van het project en dan een duur van ten hoogste:

a. a. tien jaren; b. b. dertig jaren, indien:

        1º
         het een project betreft als bedoeld in artikel 2, onderdelen a, b, c, of d, en
      
      
        2º
         het een project betreft waarvoor na 31 december 1997 een aanvraag tot afgifte van een verklaring is ingediend.

1º 1º het een project betreft als bedoeld in artikel 2, onderdelen a, b, c, of d, en 2º 2º het een project betreft waarvoor na 31 december 1997 een aanvraag tot afgifte van een verklaring is ingediend.

2. De verklaring vermeldt de aard van het project, het projectvermogen, de datum waarop de verklaring in werking treedt en de periode waarvoor de verklaring geldt.

3. Voor de toepassing van deze regeling komt voor een woning als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, ten hoogste een bedrag van € 34.034 voor een verklaring in aanmerking.

4.

Voor de toepassing van deze regeling komt ter zake van een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, onder 5° en 6°, voor een verklaring in aanmerking een bedrag van:

1º 1º ten hoogste € 2.268 per hectare indien het project betrekking heeft op passief beheer; 2º 2º ten hoogste € 4.538 per hectare indien het project betrekking heeft op licht beheer; 3º 3º ten hoogste € 6.808 per hectare indien het project betrekking heeft op zwaar beheer.

5.

Voor de toepassing van deze regeling komt ter zake van een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel d, onder 2°, voor een verklaring in aanmerking een bedrag van:

1º 1º ten hoogste € 2.268 per hectare voor projecten als bedoeld in bijlage 19 tot en met 22 en bijlage 31 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer; 2º 2º ten hoogste € 4.538 per hectare voor projecten als bedoeld in bijlage 15 tot en met 17, bijlage 24 tot en met 30, bijlage 32 tot en met 35, bijlage 37, en bijlage 45 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer; 3º 3º ten hoogste € 6.808 per hectare voor projecten als bedoeld in bijlage 6 tot en met 14; bijlagen 18, 23 en bijlagen 41 tot en met 43 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer.

6. Voor de toepassing van deze regeling kan het projectvermogen indien het meer bedraagt dan € 34.033.516 tot dat bedrag worden beperkt.

7. De verklaring voor een project als bedoeld in artikel 2, onderdeel e,onder 3°, f, g, h, i, of j, vervalt indien binnen 2 jaar na de dag van afgifte van een verklaring, geen aanvang is gemaakt met de uitvoering der werkzaamheden.

8. In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden opgenomen.

Artikel 7

1.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kan, in overeenstemming met de Minister van Financiën en na overleg met de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Economische Zaken, de verklaring intrekken indien:

a. a. de ter zake verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend waren geweest; b. b. blijkt dat de uitvoering van het project in aanzienlijke mate afwijkt van het project op grond waarvan de verklaring is afgegeven; c. c. blijkt dat de projectbeheerder de vermogenstoestand van het project niet afzonderlijk administreert; d. d. niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in de verklaring zijn opgenomen; e. e. de melding bedoeld in artikel 8 niet onverwijld is geschied.

2. Het besluit tot intrekking kan terugwerkende kracht hebben.

3. Het besluit tot intrekking wordt gezonden aan de aanvrager die ingevolge artikel 4, eerste lid, een aanvraag heeft ingediend.

4. Een afschrift van het besluit wordt gezonden aan de projectbeheerder en aan de inspecteur.

Artikel 8

Indien de uitvoering van een project wordt gewijzigd doet de instelling die kapitaal verschaft ten behoeve van een project waarvoor een verklaring is afgegeven, daarvan onverwijld melding aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Artikel 9

Ten behoeve van de vaststelling van een verklaring en van de daar toe van belang zijnde gegevens en van de daar aan verbonden rechten en plichten is ten aanzien van de kredietinstelling of de beleggingsinstelling, bedoeld in artikel 5.14, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, en de projectbeheerder Hoofdstuk VIII, afdeling 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing, waarbij de aldaar jegens de inspecteur opgelegde verplichtingen mede gelden jegens de door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aangewezen personen.

Artikel 10

Met de in deze regeling bedoelde normen, meetvoorschriften, tests, verklaringen en certificaten, worden gelijkgesteld normen, meetvoorschriften, tests, verklaringen en certificaten die worden toegepast in een andere staat en die ten minste een gelijkwaardig niveau waarborgen dan wel indien het verklaringen en certificaten betreft, deze zijn afgegeven op basis van onderzoekingen die aan ten minste gelijkwaardige eisen voldoen.

Artikel 11

1. De Regeling groenprojecten 2001 wordt ingetrokken.

2. De regeling, genoemd in het eerste lid, blijft van toepassing op projecten waarvoor voor 1 januari 2002 een aanvraag voor de afgifte van een verklaring is ingediend.

3.

Onverminderd artikel 2 kan een verklaring worden afgegeven voor:

a. a. projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel e, onder 3°, van de Regeling groenprojecten 2001, zoals die regeling luidde voor 1 januari 2002, die voldoen aan de eisen die in die regeling aan die projecten werden gesteld, indien een aanvraag daartoe voor 1 februari 2002 wordt ingediend; b. b. projecten als bedoeld in artikel 2, onderdeel h, van de Regeling groenprojecten 2001, zoals die regeling luidde voor 1 januari 2002, die voldoen aan de eisen die in die regeling aan die projecten werden gesteld, indien een aanvraag daartoe voor 1 april 2002 wordt ingediend.

4. Aan een verklaring voor een project als bedoeld in het derde lid, onder a, wordt de voorwaarde verbonden dat voor 1 juli 2002 een begin met de uitvoering van de fysieke werkzaamheden wordt gemaakt.

Artikel 12

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2002.

Artikel 13

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling groenprojecten 2002.

Bijlage 1a. , behorende bij artikel 2, onderdeel h, onder 1° en 2°, van de Regeling groenprojecten 2002 (Maatlat duurzame woningbouw 2002)

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 1b. , behorende bij artikel 2, onderdeel h, onder 3°, van de Regeling groenprojecten 2002 (Maatlat duurzame renovatie 2002)

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 2. , behorende bij artikel 1, onderdeel g, van de Regeling groenprojecten