rijk/ministeriele-regeling/regeling-incidentele-middelen-voor-achterstallig-onderhoud-van-scholen-voor-voor/BWBR0010463
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling incidentele middelen voor achterstallig onderhoud van scholen voor voortgezet onderwijs (vo) BWBR0010463 ministeriele-regeling geldend 1999-06-05 https://wetten.overheid.nl/BWBR0010463 Regeling incidentele middelen voor achterstallig onderhoud van scholen voor voortgezet onderwijs (vo)

Regeling incidentele middelen voor achterstallig onderhoud van scholen voor voortgezet onderwijs (vo)

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a. school of scholengemeenschap: een uit 's Rijks kas bekostigde school of scholengemeenschap als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs, met uitzondering van een school of scholengemeenschap die onderdeel is van een reeds op 31 december 1996 bestaande scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede een school of afdeling als bedoeld in artikel II van de Wet van 25 mei 1998 (Stb. 337); b. b. gebouw van de hoofdvestiging: de permanente bouw en de noodbouw van de hoofdvestiging van de school of scholengemeenschap volgens het postadres van de school, zoals geregistreerd bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; c. c. gebouw van de nevenvestiging: de permanente bouw en de noodbouw van de nevenvestiging, nevenvestigingen of dislocatie van de school of scholengemeenschap met uitzondering van de nevenvestiging en dislocatie voortkomend uit het speciaal voortgezet onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden en moeilijk lerende kinderen; d. d. werkelijk aantal m²: het aantal m² vloeroppervlak van het gebouw van de hoofdvestiging of van het gebouw van de nevenvestiging of nevenvestigingen zoals op 15 september 1996 geregistreerd bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; e. e. normatief aantal m²: het aantal m² vloeroppervlak van het gebouw van de hoofdvestiging of van het gebouw van de nevenvestiging of nevenvestigingen, berekent volgens de bijlage bij deze regeling, waarbij het aantal leerlingen op 1 oktober 1997 bepalend is.

Paragraaf 2. Regeling incidentele middelen voor onderhoud van scholen voor voortgezet onderwijs (vo)

Artikel 2

1.

Onze minister kent aan het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap een aanvullende exploitatiekostenvergoeding toe in verband met achterstallig onderhoud aan het gebouw van de hoofdvestiging of aan het gebouw van de nevenvestiging, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen:

a. a. bouw in de periode voor 1 januari 1976, b. b. bouw in de periode van 1 januari 1976 tot en met 31 december 1986 en c. c. bouw in de periode vanaf 1 januari 1987.

2.

De aanvullende vergoeding wordt berekend volgens artikel 4 en bedraagt per werkelijke m²:

a. a. ƒ 36,80, voor zover het betreft de in het eerste lid onder a genoemde periode, b. b. ƒ 33,08, voor zover het betreft de in het eerste lid onder b genoemde periode, en c. c. ƒ 7,04, voor zover het betreft de in het eerste lid onder c genoemde periode.

Artikel 3

1.

Het bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap komt niet in aanmerking voor de vergoeding, bedoeld in artikel 2, indien:

a. a. het betreft een school voor voorbereidend beroepsonderwijs met uitsluitend een afdeling landbouw en natuurlijke omgeving; b. b. op grond van artikel 107 van de Wet op het voortgezet onderwijs de school of scholengemeenschap voor zover het openbaar onderwijs betreft wordt opgeheven of ten aanzien van die school of scholengemeenschap voor zover het bijzonder onderwijs betreft de aanspraak op bekostiging verloren gaat. c. c. het betreft een afdeling leerwegondersteunend onderwijs, een afdeling praktijkonderwijs en een school voor praktijkonderwijs, voortkomend uit het speciaal voortgezet onderwijs.

2. Het bevoegd gezag komt bij opheffing van de school of scholengemeenschap na uitkering van de eerste, tweede, derde of vierde tranche, bedoeld in artikel 5, tweede lid, niet in aanmerking voor verdere vergoeding vanaf het tijdstip waarop de bekostiging wordt beëindigd.

Artikel 4

1. Indien het gezamenlijke werkelijke aantal m² van het gebouw van de hoofdvestiging en het gebouw van de nevenvestiging kleiner is dan het normatieve aantal m² van de school of scholengemeenschap, berust de toekenning van de aanvullende vergoeding op dit gezamenlijke werkelijke aantal m². De aanvullende vergoeding wordt berekend door de van toepassing zijnde bedragen, genoemd in artikel 2, tweede lid, onder a tot en met c, te vermenigvuldigen met de desbetreffende werkelijke aantallen m², en de uitkomsten bij elkaar op te tellen.

2.

Indien het gezamenlijke werkelijke aantal m² van het gebouw van de hoofdvestiging en het gebouw van de nevenvestiging groter is dan het normatieve aantal m² van de school of scholengemeenschap, berust de toekenning van de aanvullende vergoeding:

a. a. op het werkelijke aantal m² van uitsluitend de hoofdvestiging in die periode vanaf 1 januari 1987 tot ten hoogste het totale normatieve aantal m² bedoeld in artikel 1 onder e, en indien vervolgens een normatief aantal m² zou resteren, b. b. tevens op het totale werkelijke aantal m² in de periode van 1 januari 1976 tot en met 31 december 1986, tot ten hoogste het onder a bedoelde resterende normatieve aantal m², en indien vervolgens een normatief aantal m² zou resteren, c. c. tevens op het totale werkelijke aantal m² in de periode voor 1 januari 1976, tot ten hoogste het onder b bedoelde resterende normatieve aantal m².

3. Het eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing op het tweede lid.

4. Indien na toepassing van het tweede lid een normatief aantal m² resteert, wordt voor de nevenvestiging van de in dat lid bedoelde school of scholengemeenschap, op de grondslag van dat normatieve aantal een aanvullende vergoeding berekend met overeenkomstige toepassing van het tweede lid, en van het eerste lid, tweede volzin.

Artikel 5

1. De minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen zendt het bevoegd gezag uiterlijk half juni 1999 een beschikking omtrent de toekenning van de vergoeding, bedoeld in artikel 2. Voor de toekenning hoeft geen aanvraag te worden ingediend.

2. Van het bedrag dat aan de school of scholengemeenschap wordt toegekend, wordt in 1999 37,7%, in 2000 15,2% en 15,7% en in 2001 en 2003 jaarlijks 15,7 % betaald. De betaling voor 1999 vindt plaats in juni 1999, die voor 2000 in januari 2000 en november 2000, die voor 2001 in november 2001 en die voor 2003 in januari 2003.

Paragraaf 3. Slotbepalingen

Artikel 6

Deze regeling zal met de toelichting in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel 7

Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de dag van publicatie van Uitleg OCenW-Regelingen waarin deze regeling is geplaatst.

Artikel 8

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling incidentele middelen voor achterstallig onderhoud van scholen voor voortgezet onderwijs (vo)

Bijlage