40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A 2005 | BWBR0018523 | ministeriele-regeling | geldend | 2005-07-17 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0018523 | Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A 2005 |
Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A 2005
Paragraaf 1. Algemene Bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a. het besluit: het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A; b. b. brandstofdebiet: de hoeveelheid brandstof per tijdseenheid, uitgedrukt in kilogram, kubieke meter of liter per uur.
Paragraaf 2. Meetmethoden
Artikel 2
Een continue meting van een grootheid, genoemd in tabel A in de bij deze regeling behorende bijlage, wordt uitgevoerd overeenkomstig de in die tabel voor die grootheid aangewezen norm.
Artikel 3
In afwijking van artikel 2 kan bij het continu meten van de concentratie van stikstofoxiden worden volstaan met het continu meten van de concentratie van stikstofmonoxide in het rookgas indien een kalibratie is uitgevoerd ten opzichte van de meting van de totale concentratie stikstofoxiden in het rookgas.
Artikel 4
Een afzonderlijke meting en een parallelmeting van een grootheid, genoemd in tabel B in de bij deze regeling behorende bijlage, worden uitgevoerd overeenkomstig de in die tabel voor die grootheid aangewezen norm.
Artikel 5
De kwaliteit van metingen wordt geborgd overeenkomstig de in tabel C in de bij deze regeling behorende bijlage aangewezen normen.
Artikel 6
1. De bepaling van het stikstofgehalte, het asgehalte en de stookwaarde van brandstoffen geschiedt overeenkomstig de in tabel D in de bij deze regeling behorende bijlage aangewezen normen.
2. Voor de vaststelling van het zwavelgehalte van een brandstof zijn de voorschriften van het Besluit bepalingsmethode zwavelgehalte brandstoffen van overeenkomstige toepassing.
Artikel 7
Met de krachtens deze regeling aangewezen normen worden gelijkgesteld normen die worden vastgesteld of aangewezen in een andere lidstaat van de Europese Unie, Turkije dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de in de bij deze regeling behorende bijlage aangewezen normen wordt nagestreefd.
Artikel 8
In afwijking van de voor de meting van het rookgasdebiet in tabel A en B in de bij deze regeling behorende bijlage voorgeschreven meetnorm mag het rookgasdebiet worden berekend aan de hand van het brandstofdebiet, de brandstofsamenstelling en de zuurstofconcentratie in het rookgas.
Artikel 9
Bij een meting worden tevens alle parameters die noodzakelijk zijn om vast te stellen of aan de ingevolge het besluit van toepassing zijnde emissie-eis is voldaan, gelijktijdig gemeten.
Artikel 10
Indien bij continue metingen meer dan eenderde deel van de gemeten concentraties waaruit een gemiddelde wordt berekend, ontbreekt, wordt het op basis van die waarden gemeten gemiddelde buiten beschouwing gelaten bij de toetsing aan de van toepassing zijnde emissie-eis.
Artikel 11
Het omrekenen van gemeten concentraties naar de te toetsen waarden geschiedt volgens de gangbare meetpraktijk.
Artikel 12
Bij een stookinstallatie worden de voorzieningen aangebracht die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de krachtens het besluit en deze regeling voorgeschreven metingen.
Artikel 13
Indien de bij een stookinstallatie geïnstalleerde meetapparatuur voor continue metingen niet goed functioneert:
a. a. worden de nodige maatregelen genomen opdat die apparatuur zo spoedig mogelijk weer goed functioneert; b. b. wordt de werking van de rookgasreinigingsinstallatie niet verminderd, tenzij dit op technische gronden onvermijdelijk is; c. c. wordt, zodra deze situatie langer duurt dan 24 uur, het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk hiervan op de hoogte gesteld.
Artikel 14
1. Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken van tevoren op de hoogte gesteld van de datum en het tijdstip waarop een afzonderlijke meting of een parallelmeting zal worden uitgevoerd.
2. Indien een afzonderlijke meting of parallelmeting geen doorgang vindt, wordt het bevoegd gezag uiterlijk op de datum, bedoeld in het eerste lid, hiervan op de hoogte gesteld.
Artikel 15
1. Een afzonderlijke meting bestaat uit een serie van tenminste drie deelmetingen.
2. De duur van een deelmeting bedraagt een half uur. Wanneer het meettechnisch niet mogelijk is de deelmeting in die tijd uit te voeren, mag de deelmeting ten hoogste twee uur bedragen.
3. De duur van een parallelmeting die wordt uitgevoerd ten behoeve van de kalibratie of verificatie van de meetapparatuur voor continue metingen, bedraagt tenminste een half uur.
Artikel 16
1. Bij toepassing van artikel 36, tweede lid, van het besluit wordt een serie van negen deelmetingen uitgevoerd.
2. De serie van negen deelmetingen, bedoeld in het eerste lid, wordt binnen een periode van een week uitgevoerd. Artikel 17, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3.
Bij de metingen, bedoeld in het eerste lid, gelden de emissie-eisen als in acht genomen, indien:
a. a. het gemiddelde van de verkregen meetuitkomsten lager ligt dan de waarde van de emissie-eis, en b. b. acht van de negen meetuitkomsten, bedoeld in het eerste lid, lager liggen dan de waarde van de emissie-eis.
Artikel 17
1. Bij een continue meting worden de meetresultaten continu geregistreerd.
2.
Tevens worden hierbij geregistreerd:
a. a. de voor de componenten toegepaste meetmethodes; b. b. voor zover van toepassing: de vastgestelde uitworpkarakteristiek alsmede de voor de parameters van de uitworpkarakteristiek toegepaste meetmethodes; c. c. de bedrijfscondities van de stookinstallatie, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de vaststelling of aan de van toepassing zijnde emissie-eis wordt voldaan.
Artikel 18
De ingevolge artikel 17 geregistreerde gegevens worden op een dusdanige wijze uitgewerkt dat het bevoegd gezag kan beoordelen of in overeenstemming met het besluit en deze regeling is gehandeld.
Artikel 19
1. Indien bij een stookinstallatie een rookgasontzwavelingsinstallatie is geïnstalleerd, wordt het ontzwavelingspercentage dagelijks bepaald op basis van het etmaalgemiddelde van de met de brandstof toegevoerde massahoeveelheid zwavelverbindingen, berekend als zwavel, en het etmaalgemiddelde van de met het rookgas uitgeworpen massahoeveelheid zwavelverbindingen, berekend als zwavel.
2. Bij een stookinstallatie voor kolen mag, indien dat nodig is voor de berekening van het ontzwavelingspercentage, de hoeveelheid zwavelverbindingen in de as worden gemeten met een methode in overeenstemming met de algemeen aanvaarde meetpraktijk, of worden gelijkgesteld aan 5% van de hoeveelheid zwavelverbindingen in de kolen, berekend als zwavel.
Artikel 20
1.
De raming van de totale uitgeworpen massahoeveelheid zwaveldioxide, bedoeld in artikel 43a, tweede lid, van het besluit, geschiedt:
a. a. indien de uitworp van een stookinstallatie wordt bepaald door een afzonderlijke meting: op basis van de in een kalenderjaar gemiddelde belasting en het aantal bedrijfsuren van de stookinstallatie, alsmede van het resultaat van de meest recente afzonderlijke meting die ter voldoening aan het besluit is uitgevoerd; b. b. indien de uitworp van een stookinstallatie wordt bepaald met toepassing van artikel 33 of 37, tweede lid, van het besluit: op basis van de in het kalenderjaar ingezette hoeveelheid van elke brandstof en het zwavelgehalte daarvan.
2. Met betrekking tot de raming van de uitgeworpen massahoeveelheid stikstofdioxide en stof, bedoeld in artikel 43a, tweede lid, van het besluit, is het eerste lid, onder a, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 21
1. De meetresultaten en bedrijfscondities van de ter voldoening aan de voorschriften van het besluit en deze regeling uitgevoerde afzonderlijke metingen en parallelmetingen en de bewerking daarvan worden in een rapport vastgelegd. Deze vastlegging wordt op een dusdanige wijze uitgevoerd dat het bevoegd gezag kan beoordelen of in overeenstemming met het besluit en deze regeling is gehandeld.
2. Het in het eerste lid bedoelde rapport wordt binnen drie maanden nadat een afzonderlijke meting of parallelmeting is uitgevoerd, aan het bevoegd gezag gezonden.
Artikel 22
Indien geen gebruik wordt gemaakt van de resultaten van een afzonderlijke meting of een parallelmeting, wordt dit met opgave van redenen gemeld aan het bevoegd gezag. Bij deze melding worden die meetresultaten gevoegd.
Artikel 23
1.
Voor de herleiding van de uitworp van zuigermotoren, gasturbines en gasturbine-installaties naar ISO-luchtcondities, bedoeld in de artikelen 20, 20a, 23 en 23a van het besluit, wordt de volgende formule toegepast:
E = E_m ∙ √(101,3/P_m) ∙ (T_m/288)^-1,53 ∙ e^19(Xm - 0,0063),
waarbij wordt verstaan onder:
E = stikstofoxidenuitworp (g/GJ) herleid tot ISO-luchtcondities;
E_m = gemeten stikstofoxidenuitworp (g/GJ);
P_m = gemeten atmosferische druk bij de inlaat van de compressor (kPa);
T_m = temperatuur van de inlaatlucht (Kelvin);
x_m = gemeten vochtgehalte van de inlaatlucht (in kg water per kg droge lucht).
2. In afwijking van het eerste lid mag een andere formule worden toegepast indien kan worden aangetoond dat toepassing daarvan een nauwkeuriger resultaat oplevert dan toepassing van de in het eerste lid bedoelde formule.
Artikel 24
1.
Bij een zuigermotor mag, in afwijking van artikel 23:
a. a. indien tijdens een afzonderlijke meting de temperatuur van de aangezogen lucht lager is dan 288 Kelvin en de vochtigheid van de aangezogen lucht hoger is dan 0,0063 kg water per kg lucht, de gemeten waarde worden gelijkgesteld aan de naar ISO-luchtcondities gecorrigeerde waarde; b. b. in andere gevallen dan die, bedoeld onder a: 95% van de gemeten waarde worden gelijkgesteld aan de naar ISO-luchtcondities gecorrigeerde waarde.
2. In afwijking van het eerste lid mag de herleiding naar ISO-luchtcondities geschieden op een andere wijze, indien kan worden aangetoond dat zulks een nauwkeuriger resultaat oplevert dan toepassing van het eerste lid.
Paragraaf 3. Slotbepalingen
Artikel 25
De in de bij deze regeling behorende bijlage aangewezen normen alsmede de aanvullingen en correctiebladen met betrekking tot deze normen worden ter inzage gelegd bij de bibliotheek van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te Den Haag.
Artikel 26
De Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A wordt ingetrokken.
Artikel 27
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 28
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A 2005.