rijk/ministeriele-regeling/regeling-specifieke-uitkering-beschikbaarheidsvergoeding-regionale-ov-concessies/BWBR0046827
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling specifieke uitkering beschikbaarheidsvergoeding regionale OV-concessies 2022 BWBR0046827 ministeriele-regeling geldend 2022-07-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0046827 Regeling specifieke uitkering beschikbaarheidsvergoeding regionale OV-concessies 2022

Regeling specifieke uitkering beschikbaarheidsvergoeding regionale OV-concessies 2022

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);
  • beschikbaarheidsvergoeding: vergoeding aan een concessiehouder, en indien van toepassing, een opbrengstverantwoordelijke concessieverlener, in het regionaal openbaar vervoer in verband met de uitvoering van het openbaar vervoer in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 en de specifieke kosten van de concessiehouder in dezelfde periode ter voorkoming van verdere verspreiding van het virus dat COVID-19 veroorzaakt, bedoeld in bijlage 2;
  • concessie: regionale vervoersconcessie, genoemd in bijlage 1;
  • concessiehouder: vergunninghoudende vervoerder aan wie een concessie is verleend, genoemd in bijlage 1;
  • concessieverlener: tot verlening van een concessie bevoegd gezag, bedoeld in artikel 20, tweede, derde en vierde lid van de Wet personenvervoer 2000, en genoemd in bijlage 1;
  • controleverklaring: een schriftelijke verklaring van een registeraccountant of Accountant-Administratieconsulent, bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, inhoudende een oordeel over de juistheid van de kosten, de volledigheid van de opbrengsten en financiële rechtmatigheid daarvan in de aanvraag tot subsidievaststelling;
  • dienstregeling: voor een ieder kenbaar schema van reismogelijkheden waarin zijn aangeduid de halteplaatsen waartussen en de tijdstippen waarop openbaar vervoer wordt verricht, zo nodig onder de vermelding of de halteplaatsen of de tijdstippen door de reiziger kunnen worden beïnvloed;
  • Minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
  • ontvanger: concessieverlener;
  • regionaal openbaar vervoersbedrijf: vervoerder die regionaal openbaar vervoer verricht, niet in de hoedanigheid van bestuurder van een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig;
  • vaste exploitatiebijdrage: in de concessie overeengekomen tegemoetkoming aan exploitatiekosten van de concessiehouders door de concessieverlener voor uitvoering van de dienstregeling niet zijnde een prestatieafhankelijke bijdrage of aanvullende subsidies;
  • subsidiabele periode: periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022;
  • zuivere winstmarge: winstmarge waarbij het resultaat vóór belastingen van de resultatenrekening wordt gedeeld door de opbrengsten uit die resultaatformule.

Artikel 2

Op deze regeling zijn de artikelen 6, eerste lid, 10, eerste tot en met derde lid en vierde lid, onderdelen a, c, f en g, 11, 12, aanhef en onderdelen c tot en met e en g tot en met k, 14, eerste, tweede en vierde lid, 17, eerste lid, aanhef en onderdelen b tot en met c en e tot en met g, 18, 21, 23, tweede, derde en vijfde lid, en 24, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3

De Minister verleent op aanvraag een eenmalige specifieke uitkering per concessie aan de ontvanger, om hem in staat te stellen een beschikbaarheidsvergoeding te verstrekken.

Artikel 4

1. De specifieke uitkering bedraagt 93% van de kosten, bedoeld in bijlage 2, gedurende de subsidiabele periode, verminderd met 100% van de gerealiseerde opbrengsten in de subsidiabele periode die in de berekening van de beschikbaarheidsvergoeding worden meegenomen, bedoeld in bijlage 3.

2. Indien bij de concessie waarvoor een aanvraag wordt ingediend over de subsidiabele periode een positief resultaat is behaald, wordt het meerdere boven nul in mindering gebracht op de specifieke uitkering.

3. De specifieke uitkering kan op aanvraag van de ontvanger worden verhoogd indien bij de concessie waarvoor een aanvraag wordt ingediend in het jaar 2019 een zuivere winstmarge van 2% of minder is gerealiseerd. Indien een concessiecontract op of later dan 1 januari 2019 in werking is getreden, is de zuivere winstmarge van de meest actuele begroting de toetssteen.

4. De verhoging bedraagt twee procentpunt.

5.

Bij de berekening van het resultaat, bedoeld in het tweede lid, worden ten aanzien van de gerealiseerde kosten en opbrengsten in de subsidiabele periode, buiten aanmerking gelaten:

a. a. kosten en opbrengsten die geen betrekking hebben op het regionaal openbaar vervoer als overeengekomen in de vervoersconcessie; b. b. kosten en opbrengsten van activiteiten als overeengekomen in de vervoersconcessie waarbij sprake is van 100% bekostiging door de ontvanger; c. c. prestatieafhankelijke bijdrages overeengekomen in de vervoersconcessie; d. d. ontslagvergoedingen aan de raad van bestuur van een Nederlandse entiteit die belast is met de uitvoering van de concessies voor het openbaar vervoer in Nederland, of ontslagvergoedingen aan personeel die gerelateerd zijn aan een reorganisatie als gevolg van COVID-19; en e. e. een eventuele aanvullende uitkering door een ontvanger ter compensatie van weggevallen reizigersopbrengsten als gevolg van COVID-19.

Artikel 5

1. Een aanvraag van een specifieke uitkering wordt elektronisch, per concessie en uiterlijk op 1 november 2022 ingediend.

2.

In de aanvraag wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M in ieder geval vermeld:

a. a. de periode waarop de aanvraag betrekking heeft; b. b. de geschatte reizigersinkomsten en andere opbrengsten van de concessiehouder in de uitvoering van het openbaar vervoer in de subsidiabele periode, bedoeld in bijlage 3; c. c. de daadwerkelijke kosten van de concessiehouder voor de uitvoering van het regionaal openbaar vervoer in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019, of indien een concessie in werking is getreden op of na 1 januari 2019, de kosten van de meest actuele begroting van de concessie die niet is beïnvloed door COVID-19 of het bestaan van de beschikbaarheidsvergoeding, op het prijspeil van het jaar 2022; d. d. de geschatte specifieke kosten van de concessiehouder in de subsidiabele periode ter voorkoming van verdere verspreiding van het virus dat COVID-19 veroorzaakt, bedoeld in bijlage 2; en e. e. of een verhoging van de specifieke uitkering als bedoeld in artikel 4, derde lid, wordt aangevraagd.

3.

De aanvraag gaat vergezeld van:

a. a. een verklaring van de ontvanger dat de concessiehouder een aanvraag heeft ingediend voor de beschikbaarheidsvergoeding en een kopie van de door die concessiehouder ingediende aanvraag dan wel ingeval een opbrengstverantwoordelijke concessieverlener aanvrager en ontvanger is, een kopie van die aanvraag aangevuld met een door de concessiehouder ondertekende opgave van de kosten, bedoeld in bijlage 2; en b. b. een verklaring van de ontvanger dat hij aan de subsidie of aan te passen concessie ten minste de voorwaarden zal verbinden, bedoeld in artikel 6, vijfde lid.

Artikel 6

1. De ontvanger besteedt de specifieke uitkering uitsluitend aan het doel, bedoeld in artikel 3.

2. De ontvanger handhaaft de vaste exploitatiebijdrage voor 2022 aan de concessiehouder op het niveau van 2021, dan wel van het geplande niveau van 2022 dat was vastgesteld vóór het begin van de beperkende maatregelen ter voorkoming van de verspreiding van het virus dat COVID-19 veroorzaakt en wordt niet gecorrigeerd voor daadwerkelijke productie.

3. Indien de ontvanger een opbrengstverantwoordelijke concessieverlener is, handhaaft de ontvanger de exploitatiebijdrage van 2019, op het prijspeil van 2022. Indien de concessie op of later dan 1 januari 2019 in werking is getreden, handhaaft de ontvanger de exploitatiebijdrage van het eerste jaar van de inwerkingtreding van de concessie, op het prijspeil van 2022.

4. De ontvanger wijzigt, voor zover noodzakelijk, de vervoersconcessie om de uitkering van de beschikbaarheidsvergoeding mogelijk te maken.

5.

De ontvanger verstrekt de beschikbaarheidsvergoeding onder de volgende voorwaarden:

a. a. de concessiehouder voert in de subsidiabele periode een met de ontvanger overeengekomen dienstregeling uit met inachtneming van de kabinetsrichtlijnen voor het openbaar vervoer. Er is sprake van een passend voorzieningenniveau met een minimaal vergelijkbare omvang als in dezelfde periode van 2021. Deze voorwaarde kent een uitzondering indien in de subsidiabele periode met betrekking tot het beleid ter voorkoming van de verspreiding van het virus dat COVID-19 veroorzaakt sprake is van beperkende maatregelen voor het gebruik van het openbaar vervoer die leiden tot minder reizigers dan in dezelfde periode van 2021; b. b. de concessiehouder overlegt ten behoeve van de verantwoording een definitieve opgave van de inkomsten, andere ontvangsten en kosten die in aanmerking komen voor de beschikbaarheidsvergoeding met een controleverklaring, en indien een verhoging van de specifieke uitkering wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 4, derde lid, een verklaring dat in 2019, dan wel in de meest actuele begroting, een winstmarge is gerealiseerd van 2% of minder; c. c. bij de beoordeling van een verzoek aan de Informatiehuishouding OV-Informatie door of namens de Minister, zal de concessiehouder niet toetsen op bedrijfsvertrouwelijkheid; d. d. het bepaalde in het zesde tot en met het twaalfde lid.

6.

Er wordt geen beschikbaarheidsvergoeding verstrekt indien in of naar aanleiding van het jaar 2022:

a. a. bonussen worden verstrekt aan raad van bestuur, bestuur en directie binnen een Nederlandse entiteit die belast is met de uitvoering van de concessies voor het openbaar vervoer in Nederland en deel uitmaakt van de groep waar het vervoerbedrijf deel van uitmaakt als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; b. b. een uitkering van dividend wordt verstrekt aan de aandeelhouders in het openbaar vervoersbedrijf van de concessiehouder of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze bepaling heeft geen betrekking op uitkeringen van:

        i.
        een buitenlandse dochtermaatschappij aan een moedermaatschappij; of
      
      
        ii.
        een moedermaatschappij aan een aandeelhouder, indien daarbij geen middelen van de Nederlandse entiteit zijn betrokken;

i. i. een buitenlandse dochtermaatschappij aan een moedermaatschappij; of ii. ii. een moedermaatschappij aan een aandeelhouder, indien daarbij geen middelen van de Nederlandse entiteit zijn betrokken; c. c. een ontslagvergoeding wordt verstrekt aan de raad van bestuur binnen een Nederlandse entiteit die belast is met de uitvoering van concessies voor het openbaar vervoer in Nederland die de norm overschrijdt van maximaal één jaarsalaris en een opzegtermijn van maximaal zes maanden.

7. In de periode van de ingangsdatum van deze regeling tot en met 31 december 2022 kopen de concessiehouder, zijn raad van bestuur, bestuur en directie binnen een Nederlandse entiteit die belast is met de uitvoering van de concessies voor het openbaar vervoer in Nederland geen aandelen in het vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

8. Voor zover deze betrekking heeft op bedrijfsactiviteiten waarvoor de beschikbaarheidsvergoeding wordt toegekend, is geen vergoeding ontvangen uit het steun- en herstelpakket voor banen en economie, dan wel wordt de ontvangen vergoeding terugbetaald aan het Rijk.

9. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, neemt de beschikbaarheidsvergoeding op in de fiscale winst over het jaar 2022.

10. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, was vóór 31 december 2021 geen onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

11. Het openbaar vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, is geen onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering van steun uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

12. De ontvanger en de concessiehouder verlenen medewerking aan een door of namens de Minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de Minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor het nemen van een besluit over het verstrekken van de specifieke uitkering, de vaststelling van de rechtmatigheid daarvan, tot tien jaar na de datum van vaststelling van de specifieke uitkering, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden.

Artikel 7

1. Gelijktijdig met het besluit tot verlening van de specifieke uitkering verleent de Minister aan de ontvanger een voorschot van 80% van de specifieke uitkering.

2. Het voorschot wordt uiterlijk op 29 december 2022 uitgekeerd.

3. Door middel van een aanvullende aanvraag kan de ontvanger met ingang van 1 januari 2023, zodra een nagenoeg definitieve opgave van gedurende de subsidiabele periode genoten opbrengsten beschikbaar is, verzoeken om een aanvullend voorschot tot 95% van de met de verstrekte gegevens berekende voorgenomen vast te stellen specifieke uitkering. Het aanvullend voorschot is gemaximeerd op de hoogte van de toegekende specifieke uitkering.

4. Bij een aanvullende aanvraag is artikel 5, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8

De ontvanger legt verantwoording af over de besteding van een specifieke uitkering als bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet vóór 16 juli 2024.

Artikel 9

1. De Minister stelt een specifieke uitkering uiterlijk op 31 december 2024 overeenkomstig de beschikking tot verlening vast.

2.

De specifieke uitkering kan op een lager bedrag worden vastgesteld indien:

a. a. de specifieke uitkering niet of niet volledig overeenkomstig het doel van deze regeling is besteed; b. b. niet of niet volledig is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 6; of c. c. niet of niet volledig is voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 8.

3. De vaststelling vindt plaats op basis van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.

Artikel 10

De Minister publiceert voor 31 december 2024 een verslag over de doelmatigheid, de doeltreffendheid en andere effecten van de specifieke uitkering in de praktijk.

Artikel 11

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2. Deze regeling vervalt met ingang 1 januari 2023 met dien verstande dat zij van toepassing blijft op uitkeringen die voor die datum zijn verleend.

Artikel 12

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering beschikbaarheidsvergoeding regionale OV-concessies 2022.

Bijlage 1. Concessies, concessieverleners en concessiehouders

In onderstaande tabel zijn alleen de concessiecontracten opgenomen die aan de orde zijn in 2022. Deze contracten zijn ingegaan voor of op 1-1-2022. Of starten in 2022.

^1 Of diens opvolger in geval van concessiewisseling gedurende de subsidiabele periode.

^2 Op moment van publiceren van deze notitie is de gunning aan EBS nog in bezwaar periode.

Bijlage 2. Kosten van de concessiehouder die in aanmerking komen voor de beschikbaarheidsvergoeding

Het daadwerkelijke kostenniveau van de concessiehouder in verband met de uitvoering van het openbaar vervoer in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019, wordt op prijspeil van 2022 gebracht door toepassing van een index van 12,55%, oftewel te vermenigvuldigen met een factor 1,1255.

Indien de concessie in werking is getreden na 1 januari 2019, worden de kosten van de meest actuele begroting van de concessie die niet is beïnvloed door COVID-19 of het bestaan van de beschikbaarheidsvergoeding eveneens op prijspeil 2022 gebracht. Afhankelijk van de prijspeil/jaar van betreffende actuele begroting worden één of meerdere indices toegepast. Prijspeil 2019 wordt op prijspeil 2021 gebracht door toepassing van een index van 4,27%. De stap van prijspeil 2019 naar 2020 gebeurt door toepassing van een index van 2,89% (oftewel te vermenigvuldigen met een factor 1,0289), van het prijspeil van 2020 naar 2021 door toepassing van een index van 1,34 (oftewel te vermenigvuldigen met een factor 1,0134). De stap van prijspeil 2021 naar 2022 wordt gemaakt met een index van 7,94% (oftewel te vermenigvuldigen met een factor 1,0794). Als die meest actuele begroting reeds op prijspeil 2022 is, is vanzelfsprekend geen indexering meer aan de orde.

Bijlage 3. Gerealiseerde opbrengsten in de subsidiabele periode die in de berekening van de beschikbaarheidsvergoeding worden meegenomen