40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling specifieke uitkering transitievergoeding regionale OV-concessies 2023 | BWBR0047891 | ministeriele-regeling | geldend | 2023-02-21 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0047891 | Regeling specifieke uitkering transitievergoeding regionale OV-concessies 2023 |
Regeling specifieke uitkering transitievergoeding regionale OV-concessies 2023
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);
- concessie: regionale vervoersconcessie, genoemd in bijlage 1;
- concessiehouder: vergunninghoudend vervoersbedrijf aan wie een concessie is verleend, genoemd in bijlage 1;
- concessieverlener: tot verlening van een concessie bevoegd gezag, bedoeld in artikel 20, tweede, derde en vierde lid van de Wet personenvervoer 2000, en genoemd in bijlage 1;
- controleverklaring: een schriftelijke verklaring van een registeraccountant of Accountant-Administratieconsulent, bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, inhoudende een oordeel over de juistheid van de kosten, de volledigheid van de opbrengsten en financiële rechtmatigheid daarvan in de aanvraag tot subsidievaststelling;
- dienstregeling: voor een ieder kenbaar schema van reismogelijkheden waarin zijn aangeduid de halteplaatsen waartussen en de tijdstippen waarop openbaar vervoer wordt verricht, zo nodig onder de vermelding of de halteplaatsen of de tijdstippen door de reiziger kunnen worden beïnvloed;
- Minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
- ontvanger: concessieverlener;
- referentiekosten: werkelijke kosten als bedoeld in bijlage 2, die zijn gemaakt bij de uitvoering van een concessie in het jaar 2019, of een later jaar met de meest actuele begroting in het geval dat de ingangsdatum van het concessiecontract later is dan 1 januari 2019, zoals gerapporteerd in de BVOV-monitor van juni 2022, en op het prijspeil van 2023 gebracht door middel van een index conform bijlage 3;
- referentieopbrengsten: referentieopbrengsten als bedoeld in bijlage 2, die zijn gegenereerd bij de uitvoering van een concessie in het jaar 2019, of een later jaar met de meest actuele begroting in het geval dat de ingangsdatum van het concessiecontract later is dan 1 januari 2019, zoals gerapporteerd in de BVOV-monitor van juni 2022, en op het prijspeil van 2023 gebracht door middel van een index conform bijlage 3, waarbij wordt uitgegaan van 82% van de directe reizigersopbrengsten in het jaar 2019 op het prijspeil van 2023 gebracht door middel van een index conform bijlage 3;
- vervoersbedrijf: onderneming die regionaal openbaar vervoer verricht, niet in de hoedanigheid van bestuurder van een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig;
- transitievergoeding: vergoeding aan een concessiehouder en, indien van toepassing, een opbrengstverantwoordelijke concessieverlener, voor een concessie in het regionaal openbaar vervoer in verband met de uitvoering van het openbaar vervoer in de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023;
- vaste exploitatiebijdrage: in de concessie overeengekomen tegemoetkoming aan exploitatiekosten van de concessiehouders door de concessieverlener voor uitvoering van de dienstregeling niet zijnde een prestatieafhankelijke bijdrage of aanvullende subsidies;
- kosten: kosten voor de uitvoering van een concessie in de subsidiabele periode, bedoeld in bijlage 2;
- opbrengsten: opbrengsten bij uitvoering van de concessie in de subsidiabele periode, bedoeld in bijlage 2;
- subsidiabele periode: periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023;
- zuivere winstmarge: winstmarge van een concessie waarbij het resultaat vóór belastingen van de resultatenrekening wordt gedeeld door de opbrengsten uit die resultaatformule. Bij bepalen van de kosten en opbrengsten, worden de kosten en opbrengsten gezuiverd voor posten die betrekking hebben op voorgaande of opvolgende jaren zodat opbrengsten en kosten aan de juiste periode, te weten het kalenderjaar, worden toegerekend.
Artikel 2
Op deze regeling zijn de artikelen 6, eerste lid, 10, eerste tot en met derde lid en vierde lid, onderdelen a, c, f en g, 11, 12, aanhef en onderdelen c tot en met e en g tot en met k, 14, eerste, tweede en vierde lid, 17, eerste lid, aanhef en onderdelen b tot en met c en e tot en met g, 18, 21, 23, tweede, derde en vijfde lid, en 24, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3
De Minister verleent op aanvraag een eenmalige specifieke uitkering per concessie aan de ontvanger, om hem in staat te stellen een transitievergoeding voor de subsidiabele periode uit te keren.
Artikel 4
1. De specifieke uitkering wordt berekend door de kosten te verminderen met de opbrengsten, waarbij de uitkering niet hoger wordt vastgesteld dan het in het tweede lid vermelde maximale bedrag.
2. Het maximale bedrag van deze specifieke uitkering bedraagt twee derde van het bedrag dat als volgt wordt berekend: 93% van de referentiekosten van een concessie, minus de referentieopbrengsten van een concessie.
3. Indien voor een concessie in het jaar 2019 een zuivere winstmarge van 2% of minder is gerealiseerd, wordt bij de berekening bedoeld in het tweede lid uitgegaan van 95% in plaats van 93% van de referentiekosten. Indien een concessie op of later dan 1 januari 2019 in werking is getreden, is de zuivere winstmarge van de meest actuele begroting waaraan de referentiekosten en -opbrengsten zijn ontleend, de toetssteen.
4. Indien een concessie in werking is getreden na 1 januari 2019, worden bij de berekening in het tweede lid, in plaats van de referentiekosten en referentieopbrengsten, de kosten en opbrengsten van de meest actuele begroting van die concessie gebruikt. Indien noodzakelijk worden deze kosten en opbrengsten geïndexeerd naar het prijspeil van het jaar 2023. In de meest actuele begroting wordt geen rekening gehouden met de gevolgen van COVID-19 of het bestaan van deze specifieke uitkering.
5. Indien bij de concessie waarvoor een aanvraag wordt ingediend over de subsidiabele periode een positief resultaat is behaald, wordt het meerdere boven nul in mindering gebracht op de specifieke uitkering.
Artikel 5
1. Voor de specifieke uitkering op grond van deze regeling is in totaal een bedrag beschikbaar van € 104 miljoen.
2. Indien het totaal beschikbare bedrag ontoereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen te kunnen toewijzen, wordt het meerdere boven € 104 miljoen, naar rato in mindering gebracht op het maximale bedrag per concessie, berekend conform artikel 4, tweede en derde lid.
Artikel 6
1. Een aanvraag van een specifieke uitkering wordt elektronisch, per concessie en uiterlijk op 1 april 2023 ingediend. Deze termijn kan door de minister op verzoek worden verlengd tot een daarbij vastgestelde datum indien de uiterste datum voor indiening niet mogelijk blijkt.
2.
In de aanvraag worden in aanvulling op het bepaalde in artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit subsidies I en M in ieder geval vermeld:
a. a. de periode waarop de aanvraag betrekking heeft; b. b. de verwachte kosten en de verwachte opbrengsten van een concessie; c. c. de referentiekosten en de referentieopbrengsten, dan wel de meest actuele begroting, bedoeld in artikel 4, derde lid; d. d. of een verhoging van de specifieke uitkering wordt aangevraagd, als bedoeld in artikel 4, derde lid.
3.
De aanvraag gaat vergezeld van:
a. a. een verklaring van de ontvanger dat de concessiehouder een aanvraag heeft ingediend voor een transitievergoeding en een kopie van de door die concessiehouder ingediende aanvraag, dan wel ingeval een opbrengstverantwoordelijke concessieverlener aanvrager en ontvanger is, een kopie van die aanvraag aangevuld met een door de concessiehouder ondertekende opgave van de kosten, bedoeld in bijlage 2 en, indien aanwezig, bijlage 3; b. b. een verklaring van de ontvanger dat hij aan de transitievergoeding of aan te passen concessie ten minste de voorwaarden zal verbinden, bedoeld in artikel 7, vijfde lid; en c. c. een plan per concessie, opgesteld door de aanvrager. Het plan bevat een toelichting op hoe de kosten voor het uitvoeren van de dienstregeling in 2024 gedekt worden door de opbrengsten.
Artikel 7
1. De ontvanger besteedt de specifieke uitkering uitsluitend aan het doel, bedoeld in artikel 3.
2. Indien de ontvanger een aanvraag indient voor een opbrengstverantwoordelijke concessie, handhaaft de ontvanger gedurende de subsidiabele periode de vaste exploitatiebijdrage ten minste op het niveau van 2022, dan wel op het niveau waarbij geen sprake is van invloed van de COVID-19-pandemie dan wel de transitie, op het prijspeil van 2023. De vaste exploitatievergoeding wordt dus niet gecorrigeerd voor aangepaste productie om reden van de pandemie dan wel de transitie.
3. Indien de ontvanger een aanvraag indient voor een concessie met een kostencontract, keert de ontvanger in de subsidiabele periode de netto exploitatiebijdrage uit over het jaar 2019, dan wel, indien de concessie na 1 januari 2019 in werking is getreden, over het eerste jaar van de looptijd van de concessie, op het prijspeil van 2023. De netto exploitatiebijdrage is niet gecorrigeerd voor invloed van de COVID-19-pandemie, dan wel de transitie.
4. De ontvanger wijzigt, voor zover noodzakelijk, de vervoersconcessie om de uitkering van de transitievergoeding mogelijk te maken.
5.
De ontvanger verstrekt een transitievergoeding onder ten minste de volgende voorwaarden:
a. a. de concessiehouder voert in de subsidiabele periode een dienstregeling uit zoals overeengekomen met de ontvanger. Uitgangspunt van de dienstregeling is dat deze voldoende, veilig en betrouwbaar openbaar vervoer biedt en dat de kosten en opbrengsten in balans zijn. Deze voorwaarde is niet van toepassing indien er als gevolg van een pandemie beperkende maatregelen worden ingevoerd voor het gebruik van het openbaar vervoer die een vermindering van het reizigersaantal tot gevolg hebben; b. b. de concessiehouder overlegt ten behoeve van de verantwoording een definitieve opgave van de inkomsten, andere ontvangsten en kosten die in aanmerking komen voor de transitievergoeding met een controleverklaring, en indien een verhoging van de specifieke uitkering wordt aangevraagd als bedoeld in artikel 4, derde lid, een verklaring dat in 2019, dan wel in de meest actuele begroting, een winstmarge is gerealiseerd van 2% of minder; c. c. bij de beoordeling van een verzoek aan de Informatiehuishouding OV-Informatie door of namens de Minister, zal de concessiehouder niet toetsen op bedrijfsvertrouwelijkheid; d. d. het bepaalde in het zesde tot en met het tiende lid.
6.
Er wordt geen transitievergoeding verstrekt indien in of naar aanleiding van het jaar 2023:
a. a. bonussen worden verstrekt aan raad van bestuur en directie binnen een Nederlandse entiteit die belast is met de uitvoering van de concessies voor het openbaar vervoer in Nederland en deel uitmaakt van de groep waar het vervoerbedrijf deel van uitmaakt als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; b. b. een uitkering van dividend wordt verstrekt aan de aandeelhouders in het vervoersbedrijf van de concessiehouder of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze bepaling heeft geen betrekking op uitkeringen van:
i.
een buitenlandse dochtermaatschappij aan een moedermaatschappij; of
ii.
een moedermaatschappij aan een aandeelhouder, indien daarbij geen middelen van de Nederlandse entiteit zijn betrokken;
i. i. een buitenlandse dochtermaatschappij aan een moedermaatschappij; of ii. ii. een moedermaatschappij aan een aandeelhouder, indien daarbij geen middelen van de Nederlandse entiteit zijn betrokken; c. c. een ontslagvergoeding wordt verstrekt aan de raad van bestuur binnen een Nederlandse entiteit die belast is met de uitvoering van concessies voor het openbaar vervoer in Nederland die de norm overschrijdt van maximaal één jaarsalaris en een opzegtermijn van maximaal zes maanden.
7. In de periode van de ingangsdatum van deze regeling tot en met 31 december 2023 kopen de concessiehouder, zijn raad van bestuur, bestuur en directie binnen een Nederlandse entiteit die belast is met de uitvoering van de concessies voor het openbaar vervoer in Nederland geen aandelen in het vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
8. Het vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, neemt de transitievergoeding op in het fiscale resultaat over het jaar 2023.
9.
Het vervoersbedrijf of de groep waar het vervoersbedrijf deel van uitmaakt, als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek:
a. a. was vóór 31 december 2022 geen onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; en b. b. is geen onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering van steun uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
10. De ontvanger en de concessiehouder verlenen medewerking aan een door of namens de Minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de Minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor het nemen van een besluit over het verstrekken van de specifieke uitkering, de vaststelling van de rechtmatigheid daarvan, tot tien jaar na de datum van vaststelling van de specifieke uitkering, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden.
Artikel 8
1. Gelijktijdig met het besluit tot verlening van de specifieke uitkering verleent de Minister aan de ontvanger een voorschot van 80% van de specifieke uitkering.
2. Een beschikking tot subsidieverstrekking wordt gegeven binnen dertien weken gerekend vanaf 1 april 2023. Het voorschot wordt binnen zes weken na afgeven van de beschikking uitgekeerd.
3. Door middel van een aanvullende aanvraag kan de ontvanger met ingang van 1 januari 2024, zodra een nagenoeg definitieve opgave van de kosten en opbrengsten gedurende de subsidiabele periode beschikbaar is, verzoeken om een aanvullend voorschot tot 95% van de met de verstrekte gegevens berekende voorgenomen vast te stellen specifieke uitkering. Het aanvullend voorschot is gemaximeerd op de hoogte van de toegekende specifieke uitkering.
4. Bij een aanvullende aanvraag is artikel 5, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9
De ontvanger legt verantwoording af over de besteding van een specifieke uitkering conform artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet uiterlijk 15 juli 2025.
Artikel 10
1. De Minister stelt een specifieke uitkering uiterlijk op 31 december 2025 overeenkomstig de beschikking tot verlening vast.
2.
De specifieke uitkering kan op een lager bedrag worden vastgesteld indien:
a. a. de specifieke uitkering niet of niet volledig overeenkomstig het doel van deze regeling is besteed; b. b. niet of niet volledig is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 7; of c. c. niet of niet volledig is voldaan aan de verplichting tot verantwoording, bedoeld in artikel 9.
3. De vaststelling vindt plaats op basis van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet.
Artikel 11
De Minister publiceert voor 31 december 2025 een verslag over de doelmatigheid, de doeltreffendheid en andere effecten van de specifieke uitkering in de praktijk.
Artikel 12
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij, met uitzondering van artikel 7, terug tot en met 1 januari 2023.
2. Deze regeling vervalt met ingang 1 januari 2024 met dien verstande dat zij van toepassing blijft op uitkeringen die voor die datum zijn verleend.
Artikel 13
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering transitievergoeding regionale OV-concessies 2023.
Bijlage 1. Concessies, concessieverleners en concessiehouders; behorend bij
In onderstaande tabel zijn alleen de concessiecontracten opgenomen die aan de orde zijn in 2023. Deze contracten zijn ingegaan voor of op 1 januari 2023, of starten in 2023.
^1 Of diens opvolger in geval van concessiewisseling gedurende de subsidiabele periode.
^2 Per 11-12-2022 nieuwe contractperiode, een noodconcessie
Bijlage 2. Kosten en opbrengsten die worden meegenomen in de berekening van de specifieke uitkering; behorend bij de
Bijlage 3. Index; behorend bij
Toegepaste index om de kosten en opbrengsten vanaf het jaar 2019 van het oorspronkelijke prijspeil op het prijspeil van het jaar 2023 te brengen.
Bijlage . Technische notitie Transitievergoeding OV 2023
Status: F1.1
Datum: 24-01-2023
In deze notitie wordt de methode uitgewerkt waarmee de transitievergoeding openbaar vervoer voor 2023 (TVOV 2023) wordt bepaald. De notitie bevat daartoe een beschrijving van hetgeen nodig is voor de aanvraag, de wijze van berekening en een processchets van aanvraag tot definitieve verrekening.