40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling varkensleveringen | BWBR0011101 | ministeriele-regeling | geldend | 2000-01-21 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0011101 | Regeling varkensleveringen |
Regeling varkensleveringen
Hoofdstuk 1. : Definities
Artikel 1
1. In deze regeling wordt verstaan onder:
2. Deze regeling berust mede op artikel 36 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.
Hoofdstuk 2. : Verlenen en intrekken van de aanwijzing
Artikel 2
De minister wijst op aanvraag van de exploitant diens varkenshouderijbedrijf aan als een A-bedrijf, indien:
a. a. op het varkenshouderijbedrijf vrouwelijke varkens worden gehouden voor het bedrijfsmatig produceren van biggen; b. b. varkens die op het varkenshouderijbedrijf worden aangevoerd, worden gehuisvest in een van de rest van het varkenshouderijbedrijf afgescheiden toevoegstal, waarvan inrichting en gebruik voldoen aan de in bijlage I bij deze regeling opgenomen voorschriften, totdat uit een door een dierenarts na vier weken na aanvoer overeenkomstig bijlage II uitgevoerd serologisch onderzoek blijkt dat in de toevoegstal geen varkens zijn aangetroffen waarvan het bloed antilichamen tegen klassieke varkenspest bevat; c. c. bij het ontbreken van een toevoegstal als bedoeld in onderdeel b, tot zes weken na de laatste aanvoer van varkens geen varkens worden afgevoerd anders dan, hetzij rechtstreeks, hetzij via een verzamelcentrum, naar het slachthuis; d. d. op het varkenshouderijbedrijf een voorziening voor reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen voor varkens aanwezig is als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s; e. e. de exploitant van het varkenshouderijbedrijf artikel 67, tweede lid, en artikel 79 van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s naleeft; f. f. de exploitant voldoet aan alle, de herkomst van de op het varkenshouderijbedrijf aanwezige varkens betreffende, krachtens artikel 96 van de wet gestelde regels; g. g. op het varkenshouderijbedrijf een douche aanwezig is, die is gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de ingang van het varkenshouderijbedrijf en waarvan bezoekers van het varkenshouderijbedrijf voorafgaand aan het betreden van de stallen gebruik maken; h. h. het varkenshouderijbedrijf is voorzien van een erfafscheiding waardoor het betreden van het varkenshouderijbedrijf zonder de medewerking van de exploitant niet mogelijk is; i. i. de exploitant van het varkenshouderijbedrijf de gegevens met betrekking tot groepsmedicatie in het logboek, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Diergeneesmiddelenwet vastlegt; j. j. de exploitant van het varkenshouderijbedrijf, in geval van medicatie, de varkens die de medicatie hebben ondergaan niet eerder van het varkenshouderijbedrijf afvoert of doet afvoeren dan na twee weken na het beëindigen van de medicatie; k. k. de exploitant van het varkenshouderijbedrijf bij de aanvraag en vervolgens eenmaal per vier weken een verklaring van een dierenarts overlegt waarin deze verklaart dat het in bijlage II bepaalde aantal op het varkenshouderijbedrijf aanwezige varkens met een gewicht van ten minste 30 kg serologisch is onderzocht en dat geen varkens zijn aangetroffen waarvan het bloed antilichamen tegen klassieke varkenspest bevat, en l. l. de exploitant van het varkenshouderijbedrijf bij de aanvraag en vervolgens met een tussenpoos van vier maanden een volgens het model in bijlage III opgesteld bedrijfsrapport overlegt van een geaccrediteerde keuringsinstantie waaruit blijkt dat het varkenshouderijbedrijf is getoetst aan de in de onderdelen a tot en met j gestelde voorwaarden.
Artikel 3
De minister wijst op aanvraag van de exploitant diens varkenshouderijbedrijf aan als een B-bedrijf, indien op het varkenshouderijbedrijf vrouwelijke varkens worden gehouden voor het bedrijfsmatig produceren van biggen.
Artikel 4
De minister wijst op aanvraag van de exploitant diens varkenshouderijbedrijf aan als een C-bedrijf, indien
a. a. het varkenshouderijbedrijf voldoet aan artikel 2, onderdelen d tot en met k, en b. b. de exploitant van het varkenshouderijbedrijf bij de aanvraag en vervolgens met een tussenpose van vier maanden een volgens het model in bijlage III opgesteld bedrijfsrapport overlegt van een geaccrediteerde keuringsinstantie waaruit blijkt dat het varkenshouderijbedrijf is getoetst aan de in artikel 2, onderdelen d tot en met j, gestelde voorwaarden.
Artikel 5
1.
De minister kan de aanwijzing als A-bedrijf, B-bedrijf of C-bedrijf met onmiddellijke ingang schorsen voor een bepaalde termijn, indien:
a. a. het varkenshouderijbedrijf niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikelen 2, 3, onderscheidenlijk 4, en veterinaire belangen de schorsing rechtvaardigen, dan wel b. b. blijkt dat in een periode van twaalf maanden de exploitant van een varkenshouderijbedrijf meer dan eenmaal varkens van het varkenshouderijbedrijf afvoert of doet afvoeren, dan wel op het varkenshouderijbedrijf ontvangt of aanvoert, zonder dat wordt voldaan aan de artikelen 9, 10, onderscheidenlijk 11.
2. De minister kan de schorsing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, telkens verlengen voor een termijn van ten hoogste vier weken.
3. In geval van schorsing van de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 9, 10 en 11 niet van toepassing.
4.
De minister kan de aanwijzing als A-bedrijf, B-bedrijf of C-bedrijf intrekken, indien:
a. a. blijkt dat het varkenshouderijbedrijf niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikelen 2, 3, onderscheidenlijk 4, terwijl de exploitant van het varkenshouderijbedrijf in de gelegenheid is gesteld binnen een bepaalde termijn alsnog aan de eisen te voldoen en deze termijn inmiddels is verstreken, dan wel b. b. na afloop van de schorsing, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, blijkt dat het varkenshouderijbedrijf nog steeds niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikelen 2, 3, onderscheidenlijk 4; c. c. blijkt dat in een periode van twaalf maanden na het besluit tot schorsen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, de exploitant van een varkenshouderijbedrijf opnieuw varkens van het varkenshouderijbedrijf afvoert of doet afvoeren, dan wel op het varkenshouderijbedrijf ontvangt of aanvoert, zonder dat wordt voldaan aan de artikelen 9, 10, onderscheidenlijk 11.
Artikel 6
Aanvragen, verklaringen en bedrijfsrapporten als bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 worden ingediend bij het I&RVL.
Hoofdstuk 3. Varkensleveringen
Artikel 7
Het is de exploitant van een varkenshouderijbedrijf verboden een of meer varkens te vervoeren van of naar, af te voeren of te doen afvoeren van een varkenshouderijbedrijf of een verzamelcentrum, dan wel te ontvangen of aan te voeren op een varkenshouderijbedrijf.
Artikel 8
Het verbod, bedoeld in artikel 7, is niet van toepassing op het vervoeren, afvoeren of doen afvoeren van:
a. a. een of meer varkens van een varkenshouderijbedrijf naar een slachthuis, hetzij rechtstreeks, hetzij via een verzamelcentrum, mits de varkens zijn gemerkt als slachtvarkens en uit het vervoersdocument, bedoeld in artikel 74, achtste lid, van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s blijkt dat sprake is van vervoer van slachtdieren; b. b. een of meer mannelijke varkens van een varkenshouderijbedrijf naar een quarantaineruimte; c. c. een of meer varkens van een varkenshouderijbedrijf naar een onderzoeksinstituut; d. d. ten hoogste vier varkens per levering van een varkenshouderijbedrijf naar een locatie waar varkens worden gehouden voor recreatieve of educatieve doeleinden, of e. e. een of meer varkens van een varkenshouderijbedrijf, niet zijnde een D-bedrijf, naar een varkenshouderijbedrijf buiten Nederland, hetzij rechtstreeks, hetzij via een verzamelcentrum.
Artikel 8a
Indien voor het vervoer van varkens naar een lidstaat of een derde land, nadat deze reeds van een varkenshouderijbedrijf zijn afgevoerd, ingevolge artikel 59, tweede lid, onderdeel e, van de wet in samenhang met artikel 6, eerste lid, van het Besluit dierenvervoer 1994 geen certificaat wordt afgegeven, is het de exploitant van het varkenshouderijbedrijf van herkomst in afwijking van artikel 7 toegestaan, deze varkens op de dag dat dit certificaat geweigerd wordt weer op zijn bedrijf te ontvangen of aan te voeren en, na gedeeltelijk lossing, de niet geloste varkens vervolgens wederom van zijn bedrijf te vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren.
Artikel 9
1.
In afwijking van artikel 7 is het de exploitant van een A-bedrijf toegestaan een of meer varkens naar dat bedrijf te vervoeren of te doen vervoeren en op dat bedrijf aan te voeren en te ontvangen, voorzover:
a. a. vrouwelijke varkens worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf, C-bedrijf of varkenshouderijbedrijf buiten Nederland; b. b. mannelijke varkens worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf, C-bedrijf, varkenshouderijbedrijf buiten Nederland, spermawincentrum of quarantaineruimte; c. c. in een periode van ten minste zes weken voorafgaand aan de dag van aanvoer geen varkens op het A-bedrijf zijn aangevoerd, en d. d. de aangevoerde varkens na aanvoer worden gehouden in een toevoegstal als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, totdat uit het in artikel 2, onderdeel b, bedoelde serologisch onderzoek blijkt dat geen varkens zijn aangetroffen waarvan het bloed antilichamen tegen klassieke varkenspest bevat, dan wel binnen zes weken na aanvoer geen varkens worden afgevoerd anders dan rechtstreeks naar een slachthuis.
2.
In afwijking van artikel 7 is het de exploitant van een A-bedrijf toegestaan een of meer varkens van dat bedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, voorzover:
a. a. varkens worden afgevoerd naar A-bedrijven, B-bedrijven, D-bedrijven, of b. b. varkens worden afgevoerd naar ten hoogste één cluster.
3. De exploitant van het A-bedrijf kan in een periode van twaalf maanden eenmaal een ander aanvoeradres kiezen ter vervanging van het aanvoeradres, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk b.
Artikel 10
1.
In afwijking van artikel 7 is het de exploitant van een B-bedrijf toegestaan een of meer varkens naar dat bedrijf te vervoeren of te doen vervoeren en op dat bedrijf aan te voeren en te ontvangen, voorzover:
a. a. vrouwelijke varkens worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf, C-bedrijf of varkenshouderijbedrijf buiten Nederland; b. b. mannelijke varkens worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf, C-bedrijf, varkenshouderijbedrijf buiten Nederland, spermawincentrum of quarantaineruimte; c. c. de aan te voeren varkens een gewicht hebben van ten minste 25 kg per dier, en d. d. de periode tussen het aanvoeren van varkens ten minste zes weken bedraagt.
2. In afwijking van artikel 7 is het de exploitant van een B-bedrijf toegestaan een of meer varkens van dat bedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, voorzover in een periode van vier weken slechts varkens worden afgevoerd naar ten hoogste vier D-bedrijven en in een periode van twaalf maanden slechts varkens worden afgevoerd naar ten hoogste twaalf D-bedrijven.
3. Indien de exploitant van een B-bedrijf varkens vervoert, doet vervoeren, afvoert of doet afvoeren naar een D-bedrijf waarop in een periode van drie weken voorafgaand aan de dag van afvoer van het B-bedrijf op enig tijdstip geen varkens aanwezig waren en de stallen op dat tijdstip zijn gereinigd en ontsmet, terwijl in een periode van twee maanden voor dat tijdstip geen varkens op het D-bedrijf zijn aangevoerd, is deze levering in afwijking van artikel 7 toegestaan, zonder dat deze levering wordt begrepen in de op grond van het tweede lid toegestane leveringen.
4. De exploitant van het B-bedrijf kan in een periode van twaalf maanden eenmaal een ander aanvoeradres kiezen ter vervanging van het aanvoeradres, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk b.
5. Het afvoeren van varkens van een B-bedrijf overeenkomstig het tweede of derde lid is slechts toegestaan voor op het B-bedrijf geboren varkens met een gewicht van ten hoogste 35 kg.
Artikel 11
1. In afwijking van artikel 7 is het de exploitant van een C-bedrijf toegestaan een of meer varkens naar dat bedrijf te vervoeren of te doen vervoeren en op dat bedrijf aan te voeren en te ontvangen, voorzover varkens worden aangevoerd afkomstig van ten hoogste één A-bedrijf of varkenshouderijbedrijf buiten Nederland.
2.
In afwijking van artikel 7 is het de exploitant van een C-bedrijf toegestaan een of meer varkens van dat bedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, voorzover:
a. a. varkens worden afgevoerd naar een A-bedrijf, of b. b. in een periode van twaalf maanden slechts varkens worden afgevoerd naar ten hoogste 30 B-bedrijven en D-bedrijven gezamenlijk, dan wel
1e. 1e. wanneer het C-bedrijf deel uitmaakt van een cluster van twee C-bedrijven, in een periode van twaalf maanden door het cluster slechts varkens worden afgevoerd naar ten hoogste 26 B-bedrijven en D-bedrijven gezamenlijk; 2e. 2e. wanneer het C-bedrijf deel uitmaakt van een cluster van drie C-bedrijven, in een periode van twaalf maanden door het cluster slechts varkens worden afgevoerd naar ten hoogste 22 B-bedrijven en D-bedrijven gezamenlijk.
3. Het afvoeren van varkens van een C-bedrijf naar een D-bedrijf overeenkomstig het tweede lid is slechts toegestaan voor varkens met een gewicht van ten minste 80 kg.
4. De exploitant van een A-bedrijf doet bij de aanvraag, bedoeld in artikel 2, opgave van de samenstelling van het cluster als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b. De exploitanten van de betreffende C-bedrijven medeondertekenen deze opgave. De opgave bevat de verdeling onder de betreffende C-bedrijven van het aantal afvoeradressen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1e of 2e. Het is de exploitant van een C-bedrijf slechts toegestaan een of meer varkens van dat bedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1e of 2e, indien daarmee het aantal bij de verdeling aan dat bedrijf toebedeelde afleveradressen niet wordt overschreden.
5. De samenstelling van een cluster en de verdeling van het aantal afvoeradressen kunnen in een periode van twaalf maanden eenmaal worden gewijzigd. Een wijziging van de samenstelling van het cluster en de verdeling van het aantal afvoeradressen wordt bij het I&RVL gemeld voorafgaand aan de toepassing van de wijziging. De melding wordt ondertekend door de exploitanten van het A-bedrijf en de betreffende C-bedrijven.
Artikel 12
1. In afwijking van artikel 7 is het de exploitant van een D-bedrijf toegestaan een of meer varkens naar dat bedrijf te vervoeren of te doen vervoeren en op dat bedrijf aan te voeren en te ontvangen, voorzover in een periode van de zestien weken slechts varkens worden aangevoerd, afkomstig van ten hoogste drie A-bedrijven, B-bedrijven, C-bedrijven, varkenshouderijbedrijven buiten Nederland of verzamelcentra gezamenlijk, waarvan ten hoogste één verzamelcentrum.
2. Indien op het D-bedrijf in een periode van drie weken voorafgaand aan de dag van aanvoer op enig tijdstip geen varkens aanwezig waren en de stallen op dat tijdstip zijn gereinigd en ontsmet, terwijl in een periode van twee maanden voor dat tijdstip geen varkens op het D-bedrijf zijn aangevoerd, is het in afwijking van het eerste lid de exploitant van een D-bedrijf toegestaan een of meer varkens naar dat bedrijf te vervoeren of te doen vervoeren en op dat bedrijf aan te voeren en te ontvangen, voorzover in een periode van de zestien weken slechts varkens worden aangevoerd, afkomstig van ten hoogste zes A-bedrijven, B-bedrijven, C-bedrijven, varkenshouderijbedrijven buiten Nederland of verzamelcentra gezamenlijk, waarvan ten hoogste één verzamelcentrum.
Artikel 13
1.
Het verbod, bedoeld in artikel 7, is niet van toepassing op het, hetzij rechtstreeks, hetzij via een Nederlands verzamelcentrum, aanvoeren en ontvangen op een varkenshouderijbedrijf van een of meer varkens afkomstig van een varkenshouderijbedrijf of verzamelcentrum buiten Nederland, voorzover:
a. a. de varkens voldoen aan alle van toepassing zijnde communautaire en overige internationale veterinaire voorschriften; b. b. de exploitant van het varkenshouderijbedrijf waarop de varkens worden ontvangen, ten minste één werkdag vóór de periode van 48 uur waarbinnen de voorgenomen ontvangst zal plaatsvinden, die voorgenomen ontvangst bij het I&RVL meldt, door middel van een per fax verzonden door het I&RVL verstrekt volledig ingevuld formulier, dan wel via het voice response systeem van het I&RVL, dan wel, indien het I&RVL met deze wijze van melden vooraf heeft ingestemd, via electronische data interchange; c. c. bij de melding als bedoeld in onderdeel b de gegevens worden verstrekt die moeten zijn opgenomen in het gezondheidscertificaat van bijlage F, model 2, van richtlijn nr. 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PbEG L 121), dan wel artikel 11 van richtlijn nr. 72/462/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1972 inzake gezondheidsvraagstukken en veterinairrechtelijke vraagstukken bij de invoer van runderen, varkens, schapen en geiten, van vers vlees of vleesprodukten uit derde landen (PbEG L 302); d. d. de exploitant van het varkenshouderijbedrijf medewerking verleent aan bestemmingscontrole van de varkens op zijn bedrijf overeenkomstig artikel 5 van richtlijn nr. 90/425/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautair handelsverkeer in bepaalde levende dieren en produkten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PbEG L 224); e. e. de varkens geen onderdeel hebben gevormd van een beslag dat in een periode van een jaar voorafgaand aan de ontvangst van de varkens vanuit Nederland buiten Nederland is gebracht.
2. Een levering als bedoeld in het eerste lid wordt in mindering gebracht op het aantal op grond van de artikelen 9, eerste lid, 10, eerste lid, 11, eerste lid, onderscheidenlijk 12 op een varkenshouderijbedrijf toegestane leveringen.
3. Op een levering als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen 9, eerste lid, onderdelen c en d en 10, eerste lid, onderdelen c en d, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 14
Leveringen van varkens door of aan een varkenshouderijbedrijf of aan een verzamelcentrum waarvan de exploitatie nadien blijvend is gestaakt, worden niet begrepen onder de op grond van de artikelen 9, eerste lid, onderdelen a en b, 10, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, 11, eerste lid, en tweede lid, onderdeel b, en 12, eerste en tweede lid, toegestane leveringen, indien door de levering door of aan het bedrijf waarvan de exploitatie blijvend is gestaakt het in genoemde artikelen opgenomen maximum aantal toegestane leveringen wordt bereikt.
Artikel 15
1.
In afwijking van artikel 7 is het de exploitant toegestaan een of meer vrouwelijke varkens die worden gehouden voor het bedrijfsmatig produceren van biggen van zijn varkenshouderijbedrijf te vervoeren, doen vervoeren, af te voeren of te doen afvoeren, indien:
a. a. de exploitant van het varkenshouderijbedrijf zijn bedrijf beëindigt; b. b. de vrouwelijke varkens worden afgevoerd naar ten hoogste twee A-bedrijven, B-bedrijven of D-bedrijven; c. c. zes weken voorafgaand aan het afvoeren geen varkens op het varkenshouderijbedrijf zijn aangevoerd, en d. d. uiterlijk twee weken vóór de datum waarop de varkens worden afgevoerd uit een door een dierenarts uitgevoerd serologisch onderzoek op ten minste twaalf op het varkenshouderijbedrijf aanwezige vrouwelijke varkens blijkt dat de aanwezige varkens niet zijn besmet met klassieke varkenspest.
2. Bij toepassing van het eerste lid is het in afwijking van artikel 7, de exploitanten van de A-bedrijven, B-bedrijven of D-bedrijven, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, toegestaan de vrouwelijke varkens te ontvangen en aan te voeren.
Hoofdstuk 4. : Melding van de varkensleveringen
Artikel 16
1. De exploitant van het varkenshouderijbedrijf waarvan varkens worden afgevoerd, meldt ten minste één werkdag vóór de periode van 48 uur waarbinnen de voorgenomen levering zal plaatsvinden, die voorgenomen levering bij het I&RVL, door middel van een per fax verzonden door het I&RVL verstrekt volledig ingevuld formulier, dan wel via het voice response systeem van het I&RVL, dan wel, indien het I&RVL met deze wijze van melden vooraf heeft ingestemd, via electronische data interchange.
2. De exploitant van het varkenshouderijbedrijf waarvan varkens worden afgevoerd, dan wel diens vervoerder, toont tijdens het vervoer op eerste vordering van een op grond van artikel 114, eerste lid, van de wet aangewezen toezichthouder de bevestigde melding levering varkens, bedoeld in het eerste lid.
3. Indien de melding, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op de levering van varkens aan een D-bedrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, onderscheidenlijk een D-bedrijf als bedoeld in artikel 12, tweede lid, gaat de melding vergezeld van een door een geaccrediteerde keuringsinstantie opgesteld rapport waaruit blijkt dat het D-bedrijf voldoet aan artikel 10, derde lid. Bij ontbreken van een rapport van een geaccrediteerde keuringsinstantie geldt de melding als een melding ten behoeve van het vervoer van varkens, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 12, eerste lid.
4. De bevestigde melding levering varkens wordt door de ontvanger van de varkens op het varkenshouderijbedrijf bewaard tot zes maanden na de datum waarop de varkens op het varkenshouderijbedrijf zijn ontvangen.
5. De exploitant van het varkenshouderijbedrijf die bij het I&RVL een voorgenomen levering heeft gemeld, zendt de bevestigde melding levering varkens binnen één week aan het I&RVL terug, indien de levering waarop de melding betrekking heeft niet heeft plaats gehad, dan wel indien het aantal geleverde varkens afwijkt van het gemelde aantal. De exploitant doet daarbij opgave van het feitelijk geleverde aantal varkens.
6. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het vervoer, de afvoer, de ontvangst en de aflevering van varkens, bedoeld in artikel 8, onderdeel a.
7. In afwijking van het eerste lid geschiedt de melding bij aanvoer van varkens uit het buitenland, door de exploitant van het varkenshouderijbedrijf waarheen varkens worden aangevoerd. Het tweede lid is niet van toepassing.
8. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op het wederom vervoeren, afvoeren of doen afvoeren van de niet geloste varkens als bedoeld in artikel 8a.
Artikel 17
1. De exploitant van een varkenshouderijbedrijf weigert de ontvangst van varkens indien bij de aanvoer een bevestigde melding levering varkens met betrekking tot deze aanvoer ontbreekt.
2. Een vervoerder weigert het vervoer van de varkens indien een bevestigde melding levering varkens met betrekking tot dit vervoer ontbreekt, tenzij de varkens zijn gemerkt als slachtvarkens en uit het vervoersdocument, bedoeld in artikel 74, achtste lid, van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s blijkt dat sprake is van vervoer van slachtvarkens.
3. De exploitant van een verzamelcentrum weigert de ontvangst van varkens indien een bevestigde melding levering varkens met betrekking tot deze aanvoer ontbreekt, tenzij de varkens zijn gemerkt als slachtvarkens en uit het vervoersdocument, bedoeld in artikel 74, achtste lid, van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s blijkt dat sprake is van vervoer van slachtvarkens.
Hoofdstuk 5. : Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 18
Vervallen
Artikel 19
Vervallen
Artikel 20
De Regeling vervoersbeperkingen varkens wordt ingetrokken.
Artikel
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde maand na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
2. In afwijking van het eerste lid treden de artikelen 2, 3, 4, 11, vierde lid, 18 en 19, eerste, vierde en zesde lid, in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel 22
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling varkensleveringen.
Bijlage I. Eisen aan een toevoegstal als bedoeld in
A) inrichtingseisen:
B) managementeisen:
Bijlage II. Aantallen te onderzoeken varkens op A-bedrijven en C-bedrijven als bedoeld in
Bijlage III. Model bedrijfsrapport als bedoeld in
[afbeelding]