rijk/ministeriele-regeling/regeling-vaststelling-bedragen-2010-ex-artikelen-2-en-3-besluit-bekostiging-fina/BWBR0027139
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Regeling vaststelling bedragen 2010 ex artikelen 2 en 3 Besluit bekostiging financieel toezicht BWBR0027139 ministeriele-regeling geldend 2010-02-02 https://wetten.overheid.nl/BWBR0027139 Regeling vaststelling bedragen 2010 ex artikelen 2 en 3 Besluit bekostiging financieel toezicht

Regeling vaststelling bedragen 2010 ex artikelen 2 en 3 Besluit bekostiging financieel toezicht

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. a.

    *wet:*
    Wet op het financieel toezicht;

b. b.

    *besluit:*
    Besluit bekostiging financieel toezicht;

c. c.

    *DNB:* De Nederlandsche Bank N.V.;

d. d.

    *AFM:* Stichting Autoriteit Financiële Markten.

Artikel 2

1.

Het bedrag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het besluit wordt vastgesteld op:

a. a. € 5.000 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van betaaldienstverlener als bedoeld in artikel 2:3a, eerste lid, van de wet; b. b. € 1.800 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van betaaldienstverlener als bedoeld in artikel 2:3a, eerste lid, van de wet indien de aanvrager een rechtspersoon is als bedoeld in artikel VII, eerste lid, van de wet van 15 oktober 2009 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, het Burgerlijk Wetboek en de Wet inzake geldtransactiekantoren en intrekking van de Wet op het grensoverschrijdend betalingsverkeer ter implementatie van richtlijn nr. 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende betalingsdiensten in de interne markt en tot wijziging van de Richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van Richtlijn 97/5/EG (PbEU L 319)(Stb. 436); c. c. € 36.500 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van clearinginstelling als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, van de wet; d. d. € 36.500 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van clearinginstelling vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor als bedoeld in artikel 2:6, eerste lid, van de wet; e. e. € 36.500 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van bank of elektronischgeldinstelling als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, van de wet waarop het bepaalde ten aanzien van de solvabiliteit, de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 3:269 van de wet, en de liquiditeit op basis van subconsolidatie of op individuele basis van toepassing is; f. f. € 23.700 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van bank of elektronischgeldinstellng als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, van de wet, anders dan bedoeld onder e; g. g. € 0 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van kredietinstelling vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor als bedoeld in artikel 2:16, eerste lid, van de wet; h. h. € 36.500 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van bank of elektronischgeldinstelling vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, van de wet waarop het bepaalde ten aanzien van de solvabiliteit, de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 3:269 van de wet, en de liquiditeit op basis van subconsolidatie of op individuele basis van toepassing is; i. i. € 23.700 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van bank of elektronischgeldinstelling vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor als bedoeld in artikel 2:20, eerste lid, van de wet, anders dan bedoeld onder h; j. j. € 18.200 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van herverzekeraar als bedoeld in artikel 2:26a, eerste lid, van de wet; k. k. € 14.600 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van herverzekeraar vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor als bedoeld in artikel 2:26d, van de wet; l. l. € 18.200 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, van de wet; m. m. € 0 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor als bedoeld in artikel 2:36, eerste lid, van de wet; n. n. € 14.600 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor als bedoeld in artikel 2:40 van de wet; o. o. € 1.800 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar als bedoeld in artikel 2:48, eerste lid, van de wet; p. p. € 1.500 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van natura-uitvaartverzekeraar vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor als bedoeld in artikel 2:50, eerste lid, van de wet; q. q. € 18.200 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van entiteit voor risico-acceptatie als bedoeld in artikel 2:54a, eerste lid, van de wet; r. r. € 14.600 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning voor de uitoefening van het bedrijf van entiteit voor risico-acceptatie als bedoeld in artikel 2:54d, eerste lid, van de wet; s. s. € 7.800 voor de behandeling van een aanvraag tot wijziging van een vergunning als bedoeld in onderdeel j, k, l, n, q of r; t. t. € 36.500 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de wet indien het bepaalde ten aanzien van de solvabiliteit, de bedrijfsvoering, bedoeld in artikel 3:269 van de wet, en de liquiditeit op basis van subconsolidatie of op individuele basis van toepassing is; u. u. € 23.700 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de wet, anders dan bedoeld onder t.

2.

Het bedrag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het besluit wordt vastgesteld op:

a. a. € 3.600 voor de behandeling van de aanvraag tot verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 2:23, tweede lid, van de wet; b. b. € 3.600 voor de behandeling van de aanvraag tot verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 2:26b, vijfde lid, van de wet; c. c. € 3.600 voor de behandeling van de aanvraag tot verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 2:26e, derde lid, van de wet; d. d. € 3.600 voor de behandeling van de aanvraag tot verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 2:54b, vierde lid, van de wet; e. e. € 3.600 voor de behandeling van de aanvraag tot verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 2:54e, derde lid, van de wet; f. f. € 3.600 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 3:2, derde lid, van de wet; g. g. € 3.600 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 3:5, vierde lid, van de wet; h. h. € 3.600 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 3:6, vierde lid, van de wet; i. i. € 3.600 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 3:7, vierde lid, van de wet.

3.

Het bedrag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het besluit wordt vastgesteld op:

a. a. € 5.000 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, indien DNB voor de behandeling van de aanvraag niet meer dan 150 uur nodig heeft; b. b. € 30.500 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, indien DNB voor de behandeling van de aanvraag meer dan 150 uur nodig heeft; c. c. € 1.600 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de wet; d. d. € 1.600 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de wet; e. e. € 5.000 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de wet, indien DNB voor de behandeling van de aanvraag niet meer dan 150 uur nodig heeft; f. f. € 30.500 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de wet, indien DNB voor de behandeling van de aanvraag meer dan 150 uur nodig heeft; g. g. € 5.000 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de wet, indien DNB voor de behandeling van de aanvraag niet meer dan 150 uur nodig heeft; h. h. € 30.500 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de wet, indien DNB voor de behandeling van de aanvraag meer dan 150 uur nodig heeft; i. i. € 5.000 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:96, eerste lid, van de wet, indien DNB voor de behandeling van de aanvraag niet meer dan 150 uur nodig heeft; j. j. € 30.500 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:96, eerste lid, van de wet, indien DNB voor de behandeling van de aanvraag meer dan 150 uur nodig heeft; k. k. € 5.000 voor de behandeling van een aanvraag tot het doen van een mededeling als bedoeld in artikel 3:108, vierde lid, van de wet, indien DNB voor de behandeling van de aanvraag niet meer dan 150 uur nodig heeft; l. l. € 30.500 voor de behandeling van een aanvraag tot het doen van een mededeling als bedoeld in artikel 3:108, vierde lid, van de wet, indien DNB voor de behandeling van de aanvraag meer dan 150 uur nodig heeft.

4. Het bedrag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van het besluit, voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110, eerste lid, van de wet wordt vastgesteld op € 36.500.

5.

Het bedrag, bedoeld in artikel 2, vierde lid van het besluit wordt vastgesteld op:

a. a. € 5000 voor de advisering van de Minister van Financiën bij de aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:97 van de wet, indien DNB voor de behandeling van de aanvraag minder dan 150 uur nodig heeft. b. b. € 30.500 voor de advisering van de Minister van Financiën bij de aanvraag tot verlening van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:97 van de wet, indien DNB voor de behandeling van de aanvraag meer dan 150 uur nodig heeft.

Artikel 3

1.

Het bedrag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het besluit, wordt vastgesteld op:

a. a. € 17.250. voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2:55, eerste lid, van de wet; b. b. € 2.700 voor de behandeling van een verzoek om wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 2:55, eerste lid, van de wet; c. c. € 2.300 voor de behandeling voor een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2:60, eerste lid, van de wet; d. d. € 250 voor de behandeling voor een verzoek om wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 2:60, eerste lid, van de wet; e. e. € 4.100 voor de behandeling voor een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2:65, eerste lid, van de wet; f. f. € 2.250 voor de behandeling voor een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2:65, tweede lid, van de wet; g. g. € 2.700 voor de behandeling van een verzoek om wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 2:65, eerste lid, van de wet; h. h. € 2.300 voor de behandeling voor een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2:75, eerste lid, van de wet voor een adviseur die niet is aangesloten bij een door de toezichthouder erkend stelsel van zelftoezicht als bedoeld in artikel 12 van het besluit; i. i. € 825 voor de behandeling voor een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2:75, eerste lid, van de wet voor een adviseur die is aangesloten bij een door de toezichthouder erkend stelsel van zelftoezicht als bedoeld in artikel 12 van het besluit; j. j. € 250 voor de behandeling van een verzoek om wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 2:75, eerste lid, van de wet; k. k. € 2.050 voor de behandeling voor een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2:75, eerste lid, van de wet voor een adviseur die niet is aangesloten bij een door de AFM erkend stelsel van zelftoezicht als bedoeld in artikel 12 van het besluit en bij de vergunningaanvraag een door de AFM aanvaarde voorbeeldbeschrijving van de bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 4:15 van de wet voegt; l. l. € 2.300 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2:80, eerste lid, van de wet voor een bemiddelaar die niet is aangesloten bij een door de AFM erkend stelsel van zelftoezicht als bedoeld in artikel 12 van het besluit; m. m. € 825 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2:80, eerste lid, van de wet voor een bemiddelaar die is aangesloten bij een door de AFM erkend stelsel van zelftoezicht als bedoeld in artikel 12 van het besluit; n. n. € 250 voor de behandeling van een verzoek om wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 2:80, eerste lid, van de wet; o. o. € 2.050 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2:80, eerste lid, van de wet voor een bemiddelaar die niet is aangesloten bij een door de AFM erkend stelsel van zelftoezicht als bedoeld in artikel 12 van het besluit en bij de vergunningaanvraag een door AFM aanvaarde voorbeeldbeschrijving van de bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 4:15 van de wet voegt; p. p. € 2.300 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2:86, eerste lid, van de wet voor een herverzekeringsbemiddelaar die niet is aangesloten bij een door de AFM erkend stelsel van zelftoezicht als bedoeld in artikel 12 van het besluit; q. q. € 825 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2:86, eerste lid, van de wet voor een herverzekeringsbemiddelaar die is aangesloten bij een door de AFM erkend stelsel van zelftoezicht als bedoeld in artikel 12 van het besluit; r. r. € 250 voor de behandeling van een verzoek om wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 2:86, eerste lid, van de wet; s. s. € 2.050 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2:86, eerste lid, van de wet voor een herverzekeringsbemiddelaar die niet is aangesloten bij een door de AFM erkend stelsel van zelftoezicht als bedoeld in artikel 12 van het besluit en bij de vergunningaanvraag een door AFM aanvaarde voorbeeldbeschrijving van de bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 4.15 van de wet voegt; t. t. € 2.300 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2:92, eerste lid, van de wet voor een gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent die niet is aangesloten bij een door de AFM erkend stelsel van zelftoezicht als bedoeld in artikel 12 van het besluit; u. u. € 825 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2:92, eerste lid, van de wet voor een gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent die is aangesloten bij een door de AFM erkend stelsel van zelftoezicht als bedoeld in artikel 12 van het besluit; v. v. € 250 voor de behandeling van een verzoek om wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 2:92, eerste lid, van de wet; w. w. € 2.050 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2:92, eerste lid, van de wet voor een gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent die niet is aangesloten bij een door de AFM erkend stelsel van zelftoezicht als bedoeld in artikel 12 van het besluit en bij de vergunningaanvraag een door AFM aanvaarde voorbeeldbeschrijving van de bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 4:15 van de wet voegt; x. x. € 4.100 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2:96, eerste lid, van de wet, niet zijnde een aanvraag als bedoeld onder y, z of aa; y. y. € 4.100 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2:96, eerste lid, van de wet, voor het in de uitoefening van beroep of bedrijf handelen voor eigen rekening; z. z. € 172 per uur dat er werkzaamheden worden verricht tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2:96, eerste lid, van de wet, voor het in de uitoefening van beroep of bedrijf exploiteren van een multilaterale handelsfaciliteit, met een maximum van € 100.000; aa. aa. €2.300 voor de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2:96, eerste lid, van de wet, voor zover het betreft een beleggingsonderneming die ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Vrijstellingsregeling Wft, is vrijgesteld van artikel 2:99, eerste lid, onderdelen c, d en f tot en met j, van de wet; bb. bb. € 250 voor de wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 2:96, eerste lid, van de wet, voor zover het betreft een beleggingsonderneming die ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Vrijstellingsregeling Wft is vrijgesteld van artikel 2:99, eerste lid, onderdelen c, d en f tot en met j, van de wet; cc. cc. € 2.700 voor de behandeling van een verzoek om wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 2:96, eerste lid, van de wet, die niet strekt tot het in de uitoefening van beroep of bedrijf handelen voor eigen rekening of het in de uitoefening van beroep of bedrijf exploiteren van een multilaterale handelsfaciliteit; dd. dd. € 172 per uur dat er werkzaamheden worden verricht voor de behandeling van een verzoek om wijziging van een vergunning als bedoeld in onderdeel x in die zin dat deze mede zal strekken tot het in de uitoefening van een beroep of bedrijf exploiteren van een multilaterale handelsfaciliteit, met een maximum van € 100.000; ee. ee. € 2.700 voor de behandeling van een verzoek om wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 2:96, eerste lid, van de wet die strekt tot het in de uitoefening van een beroep of bedrijf exploiteren van een multilaterale handelsfaciliteit; ff. ff. € 2.700 voor de behandeling van een verzoek om wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 2:96, eerste lid, van de wet die strekt tot het in de uitoefening van beroep of bedrijf handelen voor eigen rekening; gg. gg. € 172 per uur dat er werkzaamheden worden verricht voor de behandeling van een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, van de wet, met een maximum van € 150.000; hh. hh. € 172 per uur dat er werkzaamheden worden verricht voor de behandeling van een verzoek om wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, van de wet, in die zin dat deze mede zal strekken tot het in de uitoefening van beroep of bedrijf exploiteren van een multilaterale handelsfaciliteit, met een maximum van € 150.000.

2.

Het bedrag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het besluit wordt vastgesteld op:

a. a. €  3.150 voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in artikel 2:55, tweede lid, van de wet; b. b. €  2.450 voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in artikel 2:60, tweede lid, van de wet; c. c. €  3.100 voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in artikel 2:65, derde lid, van de wet; d. d. €  2.450 voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in artikel 2:75, tweede lid, van de wet; e. e. €  2.450 voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in artikel 2:80, tweede of derde lid, van de wet; f. f. €  2.450 voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in artikel 2:86, tweede lid, van de wet; g. g. €  2.450 voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in artikel 2:92, tweede lid, van de wet; h. h. €  3.100 voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in artikel 2:96, tweede lid, van de wet, niet zijnde een aanvraag als bedoeld onder i of j; i. i. € 3.100 voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in artikel 2:96, tweede lid, van de wet voor het in de uitoefening van beroep of bedrijf handelen voor eigen rekening; j. j. € 172 per uur dat er werkzaamheden worden verricht voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in artikel 2:96, tweede lid, van de wet voor het in de uitoefening van beroep of bedrijf exploiteren van een multilaterale handelsfaciliteit, met een maximum van € 100.000; k. k. € 2.450 voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in artikel 2:96, tweede lid, van de wet, voor zover het betreft een beleggingsonderneming die ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Vrijstellingsregeling Wft is vrijgesteld van artikel 2:99, eerste lid, onderdelen c, d en f tot en met j, van de wet; l. l. € 1.800 voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, van de wet; m. m. € 172 per uur dat er werkzaamheden worden verricht voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in artikel 5:26, derde lid, van de wet, met een maximum van € 150.000.

3.

Het bedrag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het besluit wordt vastgesteld op:

a. a. € 172 per uur dat er werkzaamheden worden verricht voor de behandeling van een aanvraag van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 5:32d, eerste lid, van de wet, met een maximum van € 150.000; b. b. € 172 per uur dat er werkzaamheden worden verricht voor een wijziging van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 5:32d, eerste lid, van de wet, met een maximum van € 150.000.

4.

Het bedrag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van het besluit wordt vastgesteld op:

a. a. €  10.500 voor de behandeling van een aanvraag tot goedkeuring van een prospectus dat bestaat uit een enkel document als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid, onderdeel a, van de wet en dat betrekking heeft op effecten met een aandelenkarakter, niet zijnde effecten die rechten van deelneming betreffen in een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de wet die niet op verzoek van de houder ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald; b. b. €  6.300 voor de behandeling van een aanvraag tot goedkeuring van het registratiedocument van een prospectus dat bestaat uit drie afzonderlijke documenten als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid, onderdeel b, van de wet en dat betrekking heeft op effecten met een aandelenkarakter, niet zijnde effecten die rechten van deelneming betreffen in een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de wet die niet op verzoek van de houder ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald; c. c. € 4.200 voor de behandeling van een aanvraag tot goedkeuring van de verrichtingsnota en de samenvatting van een prospectus dat bestaat uit drie afzonderlijke documenten als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid, onderdeel b, van de wet en dat betrekking heeft op effecten met een aandelenkarakter, niet zijnde effecten die rechten van deelneming betreffen in een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de wet die niet op verzoek van de houder ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald; d. d. € 3.500 voor de behandeling van een aanvraag tot goedkeuring van een prospectus dat bestaat uit een enkel document, bedoeld in artikel 5:15, eerste lid, onderdeel a, van de wet en dat betrekking heeft op effecten zonder aandelenkarakter of effecten die rechten van deelneming betreffen in een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de wet die niet op verzoek van de houder ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald; e. e. € 2.100 voor de behandeling van een aanvraag tot goedkeuring van het registratiedocument van een prospectus dat bestaat uit drie afzonderlijke documenten als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid, onderdeel b, van de wet en dat betrekking heeft op effecten zonder aandelenkarakter of effecten die rechten van deelneming betreffen in een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de wet die niet op verzoek van de houder ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald; f. f. € 1.400 voor de behandeling van een aanvraag tot goedkeuring van de verrichtingsnota en de samenvatting van een prospectus dat bestaat uit drie afzonderlijke documenten als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid, onderdeel b, van de wet en dat betrekking heeft op effecten zonder aandelenkarakter of effecten die rechten van deelneming betreffen in een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de wet die niet op verzoek van de houder ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald; g. g. € 7.700 voor de behandeling van een aanvraag tot goedkeuring van een prospectus dat betrekking heeft op effecten zonder een aandelenkarakter of effecten die rechten van deelneming betreffen in een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de wet die niet op verzoek van de houder ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald en waarvan het registratiedocument op grond van artikel 21, tweede lid, van de prospectusverordening is opgesteld met inachtneming van Bijlage I bij de prospectusverordening; h. h. € 6.300 voor de behandeling van een aanvraag tot goedkeuring van een registratiedocument van een prospectus dat betrekking heeft op effecten zonder een aandelenkarakter of effecten die rechten van deelneming betreffen in een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de wet, die niet op verzoek van de houder ten laste van de activa direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald en dat op grond van artikel 21, tweede lid, van de prospectusverordening is opgesteld met inachtneming van Bijlage I bij de prospectusverordening; i. i. € 1.400 voor de behandeling van een aanvraag tot goedkeuring van een basisprospectus als bedoeld in artikel 5:16 van de wet waarin op grond van artikel 26, vierde lid, van de prospectusverordening wordt verwezen naar een eerder goedgekeurd registratiedocument.

5. Het bedrag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van het besluit voor de behandeling van een aanvraag tot goedkeuring van een document als bedoeld in artikel 5:23, tweede lid, van de wet, wordt vastgesteld op € 750.

Artikel 4

1. Het bedrag, bedoeld in artikel 2, tweede lid van het besluit, wordt vastgesteld op € 0  per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 3:8 van de wet dient te worden vastgesteld. Dit tarief wordt door DNB geheven.

2. Het bedrag, bedoeld in artikel 2, tweede lid van het besluit, wordt vastgesteld op € 0 per persoon van wie de betrouwbaarheid op grond van artikel 3:9 van de wet dient te worden vastgesteld. Dit tarief wordt door DNB geheven.

3. De bedragen, bedoeld in artikel 3, worden vermeerderd met een bedrag van €  1.050 per persoon van wie de betrouwbaarheid op grond van artikel 4:10 van de wet dient te worden vastgesteld ten behoeve van de behandeling van een aanvraag tot verlening van een vergunning of tot de verklaring van geen bezwaar. Dit tarief wordt door de AFM geheven.

4. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, wordt vermeerderd met een bedrag van € 1.900 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 4:9 van de wet dient te worden vastgesteld ten behoeve van de behandeling van de aanvraag tot verlening van de vergunning. Dit tarief wordt door de AFM geheven.

5. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en de onderdelen c, h tot en met w en aa, wordt telkens vermeerderd met een bedrag van € 675 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 4:9 van de wet dient te worden vastgesteld ten behoeve van de behandeling van de aanvraag tot verlening van de vergunning. Dit tarief wordt door de AFM geheven.

6. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel e, wordt vermeerderd met een bedrag van € 1.250 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 4:9 van de wet dient te worden vastgesteld ten behoeve van de behandeling van de aanvraag tot verlening van de vergunning. Dit tarief wordt door de AFM geheven.

7. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdelen x tot en met z en cc tot en met hh, wordt telkens vermeerderd met een bedrag van € 1.250 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 4:9 van de wet dient te worden vastgesteld ten behoeve van de behandeling van de aanvraag tot verlening van de vergunning. Dit tarief wordt door de AFM geheven.

8.

Het bedrag, bedoeld in artikel 2, derde lid, van het besluit, wordt vastgesteld op:

a. a. € 1050 per persoon van wie de betrouwbaarheid op grond van artikel 3:9 van de wet dient te worden vastgesteld. Dit tarief wordt door DNB geheven; b. b. €  1400 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 3:8 van de wet dient te worden vastgesteld. Dit tarief wordt door DNB geheven; c. c. €  1.050 voor een toetsing van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:10 van de wet. Dit tarief wordt door de AFM geheven; d. d. €  1.900 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet die het dagelijks beleid bepaalt van een aanbieder van beleggingsobjecten als bedoeld in artikel 2:55, eerste lid, van de wet. Dit tarief wordt door de AFM geheven; e. e. €  1.250 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet die het dagelijks beleid bepaalt van een beheerder of bewaarder als bedoeld in artikel 2:67, eerste lid, van de wet of van een beleggingsmaatschappij als bedoeld in artikel 2:68, eerste lid, van de wet. Dit tarief wordt door de AFM geheven; f. f. €  1.250 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet die het dagelijks beleid bepaalt van een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 2:96 van de wet, voor zover het niet betreft een beleggingsonderneming die ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Vrijstellingsregeling Wft, is vrijgesteld van artikel 2:99, eerste lid, onderdelen c, d en f tot en met j, van de wet. Dit tarief wordt door de AFM geheven; g. g. €  675 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet die het dagelijks beleid bepaalt van een financiële dienstverlener die geen aanbieder van beleggingsobjecten is. Dit tarief wordt door de AFM geheven; h. h. €  675 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet die het dagelijks beleid bepaalt van een beleggingsonderneming die ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Vrijstellingsregeling Wft, is vrijgesteld van artikel 2:99, eerste lid, onderdelen c, d en f tot en met j, van de wet. Dit tarief wordt door de AFM geheven.

Artikel 5

Het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld op:

a. a. € 550 voor een inschrijving door de AFM als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, van de wet van een beleggingsonderneming waarop een vrijstelling van toepassing is. b. b. €  0 voor een inschrijving door DNB als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, van de wet van een clearinginstelling waarop een vrijstelling van toepassing; c. c. € 0 voor een inschrijving door DNB als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, van de wet van een kredietinstelling waarop een vrijstelling van toepassing is; d. d. € 0 voor een inschrijving door DNB als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, van de wet van een verzekeraar, niet zijnde een onderlinge waarborgmaatschappij, waarop een vrijstelling van toepassing is; e. e. € 0 voor een inschrijving door DNB als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, van de wet van een entiteit voor risico-acceptatie waarop een vrijstelling van toepassing is; f. f. € 0 voor een inschrijving door DNB als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, van de wet van een beleggingsinstelling, beleggingsonderneming of beheerder waarop een vrijstelling van toepassing is; g. g. € 1.800 voor de inschrijving door DNB als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 2° van de wet van een onderlinge waarborgmaatschappij die een verklaring als bedoeld in artikel 3 of 4 van het Besluit Reikwijdtebepalingen Wtf heeft aangevraagd; h. h. € 0 voor een inschrijving door DNB als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, van de wet van een betaaldienstverlener waarop een vrijstelling van toepassing is; i. i. €  2.350 voor een inschrijving door de AFM als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°, van de wet, van een buitenlandse instelling voor collectieve belegging in effecten; j. j. € 400 voor een inschrijving door de AFM als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°, van de wet,van een buitenlandse beleggingsonderneming die beleggingsdiensten verleent vanuit een bijkantoor in Nederland; k. k. €  225 voor een inschrijving door de AFM als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°, van de wet, van een buitenlandse beleggingsonderneming zonder bijkantoor in Nederland; l. l. €  900 voor een inschrijving door de AFM als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°, van de wet, van een buitenlandse beleggingsinstelling uit een aangewezen staat; m. m. € 225 voor een inschrijving door de AFM als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°, van de wet, van een buitenlandse bemiddelaar in verzekeringen; n. n. €  175 voor een inschrijving door de AFM als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 6°, van de wet van een bij een aanbieder van krediet aangesloten onderneming; o. o. €  175 voor een inschrijving door de AFM als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 6°, van de wet van een bij een adviseur of bemiddelaar aangesloten onderneming; p. p. €  3.500 voor een inschrijving door de AFM als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 6°, van de wet bij een gelijktijdige digitale aanmelding door een aanbieder van krediet van 20 of meer bij hem aangesloten ondernemingen; q. q. €  3.500 voor een inschrijving door de AFM als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 6°, van de wet bij een gelijktijdige digitale aanmelding door een adviseur of bemiddelaar van 20 of meer bij hem aangesloten ondernemingen; r. r. €  175 voor een inschrijving door de AFM als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 6°, van de wet van een bij een aanbieder van beleggingsobjecten aangesloten onderneming; s. s. € 175 voor een inschrijving door de AFM als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 6° van de wet van een bij een beleggingsonderneming aangesloten onderneming; t. t. € 1.150 voor een inschrijving door de AFM als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, aanhef en onderdeel a, onder 8° of 9°, van de wet; u. u. €  0 voor een inschrijving door DNB als bedoeld in artikel 1:107, derde lid, aanhef en onderdeel j, van de wet van betaaldienstagenten en de bijkantoren van een betaalinstelling.

Artikel 6

Het bedrag, bedoeld in artikel 3, vierde lid, van het besluit, wordt vastgesteld op €  32.000 voor een inschrijving als bedoeld in artikel 124b, eerste lid, van het Besluit prudentiële regels Wft.

Artikel 7

1. Het bedrag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van het besluit, wordt vastgesteld op € 22.200

2. Het bedrag bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van het besluit, wordt vastgesteld op € 4.450

3. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van het besluit, wordt vastgesteld op  0,0074% van het totale bedrag dat door de bieder wordt betaald voor het aantal effecten dat door hem wordt verkregen vanaf de aankondiging van een openbaar bod als bedoeld in artikel 5 van het Besluit openbare biedingen Wft tot het moment van gestanddoening, bedoeld in artikel 16 van dat besluit, of, indien van toepassing, tot het einde van de termijn, bedoeld in artikel 17 van dat besluit, met een maximum van € 630.000.

4. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van het besluit, wordt vastgesteld op € 6.950.

Artikel 8

Het bedrag, bedoeld in artikel 3, derde lid, van het besluit, wordt vastgesteld op:

a. a. € 175 voor aanmelding of wijziging van een aanmelding van een verbonden bemiddelaar als bedoeld in artikel 2:81, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de wet; b. b. €  3.500 bij een aanmelding als bedoeld in artikel 2:81, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de wet bij een gelijktijdige digitale aanmelding van 20 of meer verbonden bemiddelaars.

Artikel 9

1. Aanvragen voor een vergunning als bedoeld in de artikelen 2:75, eerste lid, 2:80, eerste lid, 2:86, eerste lid, of 2:92, eerste lid, van de wet worden voor aanvragers die reeds in het bezit zijn van een vergunning als bedoeld in de artikelen 2:75, eerste lid, 2:80, eerste lid, 2:86, eerste lid, of 2:92, eerste lid, van de wet voor de toepassing van deze regeling aangemerkt als een verzoek om wijziging van de vergunning.

2. Gelijktijdige aanvragen van één aanvrager voor een ontheffing als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdelen d, e, f en g worden voor de toepassing van deze regeling aangemerkt als één verzoek.

Artikel 10

Indien twee of meer aanvragen voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:75, eerste lid, artikel 2:80, eerste lid, artikel 2:86, eerste lid of 2:92, eerste lid, van de wet door dezelfde aanvrager op hetzelfde tijdstip worden ingediend, wordt voor de behandeling van die aanvragen het toepasselijke tarief, genoemd in artikel 3, eerste lid, eenmalig in rekening gebracht.

Artikel 11

1. Het ingevolge deze regeling verschuldigde bedrag wordt verminderd met € 100 indien een aanvraag als bedoeld in artikel 2:60, eerste lid, artikel 2:75, eerste lid, artikel 2:80, eerste lid, artikel 2:86, eerste lid of 2:92, eerste lid van de wet, digitaal wordt ingediend door een aanvrager die niet is aangesloten bij een door de AFM erkend stelsel van zelftoezicht als bedoeld in artikel 12 van het besluit.

2. Bij een gecombineerde aanvraag als bedoeld in artikel 9 wordt de vermindering voor elektronische indiening van de aanvraag eenmalig toegepast.

Artikel 12

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van de artikelen 3, derde lid, en 6 die in werking treden met ingang van 1 augustus 2010.