40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling vergoeding gemengde kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002 | BWBR0013221 | ministeriele-regeling | geldend | 2002-01-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0013221 | Regeling vergoeding gemengde kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002 |
Regeling vergoeding gemengde kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002
Hoofdstuk 1. Regels inzake de vergoeding van gemengde kosten
Artikel 1
De vergoeding die de werknemer ontvangt ter zake van kosten - lasten en afschrijvingen op goederen daaronder begrepen - die verband houden met de hierna genoemde posten, wordt geacht niet te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking:
a. a. telefoonabonnementen behoudens voorzover het betreft het tweede en volgende telefoonabonnement van de werknemer waarvan het zakelijk karakter van meer dan bijkomend belang is; b. b. kleding, met uitzondering van werkkleding; c. c. persoonlijke verzorging van de werknemer, tenzij het een werknemer betreft die optreedt als artiest of als presentator of die als beroep een tak van sport beoefent; d. d. personeelsverenigingen en dergelijke; e. e. geldboeten opgelegd door een Nederlandse strafrechter en geldsommen betaald aan de Staat ter voorkoming van strafvervolging in Nederland of ter voldoening aan een voorwaarde verbonden aan een besluit tot gratieverlening, alsmede administratieve sancties opgelegd ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.
Artikel 2
1.
De vergoeding die de werknemer ontvangt ter zake van het gezamenlijke bedrag van de kosten - lasten en afschrijvingen op goederen daaronder begrepen - die verband houden met een hierna genoemde post, wordt geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voorzover de vergoeding niet meer beloopt dan de aangegeven normering:
a. a. verhuizing: de kosten van het overbrengen van de inboedel, vermeerderd met 12 procent van het jaarloon of het tot jaarloon herleide bedrag van het in het kalenderjaar genoten loon uit de dienstbetrekking in verband waarmee de werknemer verhuist, doch met niet meer dan € 5445; b. b. huisvesting van de werknemer buiten zijn woonplaats: het werkelijke bedrag gedurende ten hoogste twee jaren.
2.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt het loon in aanmerking genomen met inachtneming van het volgende:
a. a.
artikel 6, eerste lid, onderdeel j, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering vindt geen toepassing;
b. b. tantièmes en toevallige bijzondere beloningen alsmede tot het loon behorende aanspraken worden niet in aanmerking genomen.
3.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, verhuist de werknemer in ieder geval in het kader van de dienstbetrekking ingeval hij binnen twee jaar na de aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking of na overplaatsing binnen de bestaande dienstbetrekking:
a. a. verhuist naar een woning binnen een afstand van 10 kilometer van de nieuwe plaats van zijn dienstbetrekking terwijl hij op een afstand groter dan 10 kilometer van deze plaats woonde; of b. b. door verhuizing de afstand tussen zijn woning en de plaats van zijn dienstbetrekking met ten minste 50 percent en ten minste 10 kilometer bekort.
4. Onder de afstand, bedoeld in het derde lid, wordt verstaan de afstand gemeten langs de meest gebruikelijke weg.
Artikel 3
1.
De schriftelijke regeling, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel z, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering voorziet ten minste in een gedagtekende overeenkomst, waarin opgave wordt gedaan van:
a. a. naam en adres van de werknemer en de werkgever; b. b. de dag of dagen in de week waarop de werknemer in de werkruimte, bedoeld in het tweede lid, pleegt te werken.
2. De inrichting van de werkruimte in de woning, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel z, onder 2
Hoofdstuk 2. Regels inzake de waardering van loon in natura en van vergoedingen en verstrekkingen
Artikel 4
1. Indien op grond van dit hoofdstuk een verstrekking vanaf een bepaald bedrag een verstrekking is in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel k van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en daar beneden niet, wordt een dergelijke verstrekking tot dit bedrag tot het loon gerekend.
2. Indien een in dit hoofdstuk opgenomen artikel zowel betrekking heeft op de waardering van een vergoeding als van een verstrekking, geldt, indien een bedrag is opgenomen dat niet als vergoeding of verstrekking in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering wordt aangemerkt, dat bedrag voor vergoedingen en verstrekkingen tezamen.
Artikel 5
De op grond van dit hoofdstuk in aanmerking te nemen waarde of het op grond van dit hoofdstuk in aanmerking te nemen bedrag van het gedeelte van de vergoeding of verstrekking, dat niet een vergoeding of verstrekking is in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, wordt verminderd met het bedrag dat de werknemer ter zake in rekening wordt gebracht, met dien verstande dat de aldus berekende waarde of het aldus berekende bedrag ten minste op nihil wordt gesteld.
Artikel 6
De waarde van een niet ter beurze genoteerd aandelenoptierecht wordt gesteld overeenkomstig artikel 20 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.
Artikel 7
De waarde in het economisch verkeer van verstrekkingen van ten hoogste € 272,00 per jaar en ten hoogste € 136 per verstrekking als bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel h, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt op nihil gesteld.
Artikel 8
De waarde van aan de werknemer verstrekte achtergestelde vliegvervoerbewijzen door luchtvaartmaatschappijen en aanverwante bedrijven als bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel i, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt op nihil gesteld.
Artikel 9
De waarde van kleding voor een kind dat werkzaam is in de onderneming van zijn ouder wordt gesteld op € 30,50 per maand (€ 7,00 per week; € 1,40 per dag).
Artikel 10
1. Vergoedingen ter zake van werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in de woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, worden geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voorzover deze niet meer bedragen dan 20% van de huur dan wel van de huurwaarde van de woning, met inbegrip van de werkruimte. Ingeval van een werkruimte in een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt vorenbedoelde huurwaarde bepaald op de voet van artikel 3.19, tweede lid, van die wet.
2.
In afwijking van het eerste lid zijn vergoedingen ter zake van werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in de woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, geen vergoedingen in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, indien:
a. a. ingeval de werknemer tevens soortgelijke werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn belastbare loon, belastbare resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 en winst uit een of meer ondernemingen in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft; b. b. ingeval de werknemer niet tevens soortgelijke werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn belastbare loon, belastbare resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 en winst uit een of meer ondernemingen in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft of niet in belangrijke mate in die werkruimte in die woning verwerft.
3. Verstrekkingen van werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in de woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, worden geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voorzover de waarde in het economisch verkeer niet meer bedraagt dan 20% van de huur dan wel van de huurwaarde van de woning, met inbegrip van de werkruimte. Ingeval van een werkruimte in een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt vorenbedoelde huurwaarde bepaald op de voet van artikel 3.19, tweede lid, van die wet.
4.
In afwijking van het derde lid zijn verstrekkingen van werkruimte, de inrichting daaronder begrepen, in de woning, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer, geen verstrekkingen in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, indien:
a. a. ingeval de werknemer tevens soortgelijke werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn belastbare loon, belastbare resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 en winst uit een of meer ondernemingen in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet hoofdzakelijk in de werkruimte in die woning verwerft; b. b. ingeval de werknemer niet tevens soortgelijke werkruimte buiten die woning ter beschikking heeft, hij het gezamenlijke bedrag van zijn belastbare loon, belastbare resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 en winst uit een of meer ondernemingen in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in die woning verwerft of niet in belangrijke mate in de werkruimte in die woning verwerft.
Artikel 11
1. Vergoedingen ter zake van een recht op vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer dat niet is beperkt tot reizen over een vast traject ten behoeve van woon-werkverkeer, worden geacht een vergoeding te zijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, indien aannemelijk is dat het recht op vrij reizen mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer en voorzover de vergoedingen meer bedragen dan de volgende bedragen: per persoon die van dat recht gebruik kan maken, minderjarige kinderen en pleegkinderen van de werknemer daaronder niet begrepen, € 54,00 per jaar, dan wel, indien recht bestaat op reizen per 1e klas, € 82,00 per jaar.
2. Verstrekkingen ter zake van een recht op vrij reizen per Nederlands openbaar vervoer dat niet is beperkt tot reizen over een vast traject ten behoeve van woon-werkverkeer, worden geacht een verstrekking te zijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, indien aannemelijk is dat het recht op vrij reizen mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer en voorzover de waarde in het economische verkeer van de verstrekkingen meer bedraagt dan de volgende bedragen: per persoon die van dat recht gebruik kan maken, minderjarige kinderen en pleegkinderen van de werknemer daaronder niet begrepen, € 54,00 per jaar, dan wel, indien recht bestaat op reizen per 1e klas, € 82,00 per jaar.
Artikel 12
1.
Vergoedingen en verstrekkingen ter zake van bedrijfsfitness zijn volledig vergoedingen respectievelijk verstrekkingen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, voorzover:
a. a. deelneming aan bedrijfsfitness geheel of nagenoeg geheel plaatsvindt gedurende de werktijd, en b. b. deelneming aan bedrijfsfitness openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers of openstaat voor alle of nagenoeg alle werknemers met dezelfde arbeidsplaats die niet is gelegen in de woning van een van deze werknemers.
2. Onder bedrijfsfitness als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: conditie- of krachttraining van werknemers welke plaatsvindt onder deskundig toezicht en welke georganiseerd of geïnitieerd wordt door de werkgever.
Artikel 13
Vergoedingen en verstrekkingen ter zake van maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomend belang is zijn, voorzover het aantal maaltijden per kalenderjaar niet meer dan 80 bedraagt, vergoedingen respectievelijk verstrekkingen in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
Artikel 14
1. Vergoedingen ter zake van maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomend belang is worden, voorzover het aantal maaltijden per kalenderjaar meer dan 80 bedraagt en voorzover deze vergoedingen meer bedragen dan € 1,55 voor een ontbijt, € 1,55 voor een koffiemaaltijd en € 3,10 voor een warme maaltijd, geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.
2. Verstrekkingen van maaltijden waarbij het zakelijke karakter van meer dan bijkomend belang is worden, voorzover het aantal maaltijden per kalenderjaar meer dan 80 bedraagt en voorzover de waarde in het economische verkeer van deze verstrekkingen hoger is dan de in het eerste lid genoemde bedragen, geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.
3.
Indien de in het eerste lid en tweede lid bedoelde vergoedingen en verstrekkingen mede betrekking hebben op maaltijden van de gezinsleden van de werknemer worden de in het eerste lid genoemde bedragen verhoogd:
a. a. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt: met 80%; b. b. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt doch de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt: met 50%; c. c. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt: met 30%.
Artikel 15
1.
Vergoedingen ter zake van het genot van een woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking worden aangemerkt als vergoedingen in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, voorzover de vergoeding:
a. a. op jaarbasis meer bedraagt dan 18% van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon uit tegenwoordige dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 bij een overeengekomen vaste arbeidsduur van 36 uren per kalenderweek; of b. b. meer bedraagt dan het op verzoek van de werknemer door de inspecteur der rijksbelastingen bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgestelde bedrag van de besparing.
2.
Verstrekkingen in de vorm van het genot van een woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking worden aangemerkt als verstrekkingen in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, voorzover de waarde in het economische verkeer:
a. a. meer bedraagt dan 18% van het voor de werknemer op jaarbasis geldende loon uit tegenwoordige dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 bij een overeengekomen vaste arbeidsduur van 36 uren per kalenderweek; of b. b. meer bedraagt dan het op verzoek van de werknemer door de inspecteur der rijksbelastingen bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgestelde bedrag van de besparing.
3. De beschikking van de inspecteur der rijksbelastingen, die te allen tijde bij nadere, voor bezwaar vatbare, beschikking kan worden herroepen, vindt toepassing met betrekking tot loontijdvakken die ten tijde van de beschikking nog niet zijn verstreken.
4. Voor de toepassing van dit artikel wordt niet als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 beschouwd de vergoeding ter zake van het genot van een woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking en de verstrekking in de vorm van het genot van een woning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.
Artikel 16
1.
Vergoedingen ter zake van bewassing, energie en water ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking worden aangemerkt als vergoedingen in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering voorzover de vergoeding meer bedraagt dan het volgende bedrag:
a. a. voor bewassing: € 14,50 per maand (€ 3,25 per week, € 0,65 per dag); b. b. voor energie ten behoeve van verwarmingsdoeleinden: € 36,25 per maand (€ 8,25 per week, € 1,65 per dag); c. c. voor energie ten behoeve van kookdoeleinden: € 20,00 per maand (€ 4,50 per week, € 0,90 per dag); d. d. voor energie ten behoeve van andere dan verwarmings- en kookdoeleinden: € 12,50 per maand (€ 3,00 per week, € 0,60 per dag); e. e. voor water: € 6,00 per maand (€ 1,50 per week, € 0,30 per dag).
2. Verstrekkingen in de vorm van bewassing, energie en water ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking worden aangemerkt als verstrekkingen in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het ter zake in het eerste lid genoemde bedrag.
Artikel 17
1. Vergoedingen ter zake van inwoning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking worden aangemerkt als vergoedingen in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering voorzover de vergoeding meer bedraagt dan € 136,50 per maand (€ 31,50 per week, € 6,30 per dag).
2. Verstrekkingen in de vorm van inwoning ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking worden aangemerkt als verstrekkingen in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het ter zake in het eerste lid genoemde bedrag.
3.
Indien de in het eerste lid en tweede lid bedoelde vergoedingen en verstrekkingen mede betrekking hebben op inwoning door de gezinsleden van de werknemer worden de in het eerste lid genoemde bedragen verhoogd:
a. a. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt: met 80%; b. b. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt doch de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt: met 50%; c. c. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt: met 30%.
Artikel 18
1. Vergoedingen ter zake van het recht op vermindering tot maximaal 50% van de prijs van vervoerbewijzen voor het reizen per Nederlands openbaar vervoer in hoofdzaak buiten de ochtendspits (voordeelurenkaart) worden, indien aannemelijk is dat de voordeelurenkaart mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer, aangemerkt als vergoedingen in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
2. Verstrekkingen van het recht op vermindering tot maximaal 50% van de prijs van vervoerbewijzen voor het reizen per Nederlands openbaar vervoer in hoofdzaak buiten de ochtendspits (voordeelurenkaart) worden, indien aannemelijk is dat de voordeelurenkaart mede dient ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking of voor woon-werkverkeer, aangemerkt als verstrekkingen in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
Artikel 19
1. Vergoedingen ter zake van de aanschaf van een fiets worden, voorzover de vergoeding meer bedraagt dan € 68,00 en niet meer bedraagt dan € 749 en aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan, geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.
2. De verstrekking van een fiets wordt geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan € 68,00 en niet hoger is dan € 749, mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan.
3. De terbeschikkingstelling van een fiets met een catalogusprijs welke niet hoger is dan € 749 inclusief omzetbelasting wordt geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, mits aan de in het vierde lid genoemde voorwaarden is voldaan.
4.
De voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid geldende voorwaarden zijn:
a. a. de werknemer maakt op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer gebruik van de fiets; b. b. in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren is ter zake van de aanschaf van een fiets geen vergoeding, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering betaald, en c. c. in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren is geen fiets verstrekt dan wel ter beschikking gesteld die wordt aangemerkt als verstrekking, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
5. In afwijking in zoverre van het tweede lid behoort de verstrekking van een fiets met een catalogusprijs die niet hoger is dan € 749,00 inclusief omzetbelasting, die reeds vijf jaren voor woon-werkverkeer ter beschikking was gesteld, mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer gebruik van de fiets blijft maken, tot een verstrekking bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
6. Vergoedingen ter zake van met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer, worden geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voorzover de waarde van deze zaken in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren tezamen niet meer bedraagt dan € 250, alsmede de vergoeding ter zake van een fietsverzekering, mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer gebruik maakt van de fiets.
7. Verstrekkingen van met een fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer, worden geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voorzover de waarde van deze zaken in het kalenderjaar en de twee voorafgaande kalenderjaren tezamen niet meer bedraagt dan € 250, alsmede de verstrekking van een fietsverzekering, mits de werknemer op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van woon-werkverkeer gebruik maakt van de fiets.
Artikel 20
1. Vergoedingen ter zake van een telefoonabonnement van de werknemer, dat voorziet in meerdere aansluitingen of nummers en waarvan het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is, worden geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voorzover de vergoeding meer bedraagt dan € 19,95 per maand, (€ 4,50 per week, € 0,90 per dag).
2. Verstrekkingen van een telefoonabonnement aan de werknemer, dat voorziet in meerdere aansluitingen of nummers en waarvan het zakelijke karakter van meer dan bijkomstig belang is, worden geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het ter zake in het eerste lid genoemde bedrag.
Artikel 21
1. Vergoedingen ter zake van een mede voor de dienstbetrekking gebruikte telefoon, worden geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voorzover de kosten van de telefoon meer bedragen dan € 22,69 per maand, (€ 5,22 per week, € 1,04 per dag).
2. Verstrekking van een mede voor de dienstbetrekking gebruikte telefoon, wordt geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan de in het eerste lid genoemde bedragen.
3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien de waarde in het economische verkeer van het gebruik van de telefoon anders dan ten behoeve van de dienstbetrekking meer bedraagt dat € 454 op jaarbasis.
Artikel 22
1. Vergoedingen ter zake van een tweede of een volgende telefoon van de werknemer die geheel of nagenoeg geheel ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking wordt gebruikt, zijn vergoedingen in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
2. De verstrekking van een tweede of een volgende telefoon aan de werknemer die geheel of nagenoeg geheel ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking wordt gebruikt, is een verstrekking in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
Artikel 23
1. Vergoedingen ter zake van de aanschaf bij de werkgever dan wel bij een met de werkgever verbonden vennootschap van branche-eigen producten van het bedrijf van de werkgever dan wel van het bedrijf van een met de werkgever verbonden vennootschap, bedoeld in artikel 10a, zevende lid, van de Wet op de Loonbelasting 1964, worden geacht te strekken tot bestijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking tot een bedrag van ten hoogste 20% van de waarde in het economische verkeer van deze producten met een maximum van € 450 per kalenderjaar.
2. Verstrekkingen van branche-eigen producten van het bedrijf van de werkgever dan wel van het bedrijf van een met de werkgever verbonden vennootschap, bedoeld in artikel 10a, zevende lid, van de Wet op de Loonbelasting 1964, worden geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking tot een bedrag van ten hoogste 20% van de waarde in het economische verkeer van deze producten met een maximum van € 450 per kalenderjaar.
3. De in het eerste en tweede lid genoemde bedragen worden verhoogd met de voor de twee voorafgaande kalenderjaren geldende bedragen, voorzover deze bedragen nog niet zijn benut. De vorige volzin is niet van toepassing indien de dienstbetrekking in het desbetreffende kalenderjaar niet bestond.
4. Dit artikel is niet van toepassing met betrekking tot geldleningen.
Artikel 24
1. Vergoedingen, in redelijkheid, ter zake van personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen waaraan de deelname openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid, worden aangemerkt als vergoedingen in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering voorzover de vergoedingen meer bedragen dan de laagste van de waarde in het economische verkeer van de voorzieningen en de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen; deze kosten worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het overigens in dit hoofdstuk bepaalde.
2. In afwijking van het eerste lid behoren vergoedingen, voorzover de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen een bedrag van € 340,00 per kalenderjaar niet overtreffen, tot de vergoedingen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering. Ingeval een personeelsvoorziening betrekking heeft op een jubileum van de werkgever, wordt het bedrag van € 340,00 verhoogd tot € 454,00.
3. Verstrekkingen, in redelijkheid, van personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen, waaraan de deelname openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers of voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid, worden aangemerkt als verstrekkingen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering voorzover de waarde van de verstrekkingen hoger is dan de laagste van de waarde in het economische verkeer van de voorzieningen en de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen; deze kosten worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het overigens in dit hoofdstuk bepaalde.
4. In afwijking van het derde lid behoren verstrekkingen, voorzover de kosten die rechtstreeks verband houden met die voorzieningen een bedrag van € 340,00 per kalenderjaar niet overtreffen, tot de verstrekkingen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering. Ingeval een personeelsvoorziening betrekking heeft op een jubileum van de werkgever, wordt het bedrag van € 340,00 verhoogd tot € 454,00.
Artikel 24a
Vergoedingen of verstrekkingen die direct samenhangen met verplichtingen van de werkgever op grond van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 worden geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, tenzij de werknemer hierdoor een aanmerkelijke privé-besparing geniet.
Artikel 25
1. De vergoedingen ter zake van premies voor een ongevallenverzekering indien de verzekerde uitkering uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de vervulling van de dienstbetrekking worden volledig geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.
2. De verstrekkingen in de vorm van een aanspraak op een ongevallenverzekering indien de verzekerde uitkering uitsluitend betrekking heeft op ongevallen tijdens de vervulling van de dienstbetrekking worden geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.
Artikel 26
De vergoedingen en verstrekkingen ter zake van outplacement van de werknemer worden volledig geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.
Artikel 27
1. Verstrekkingen van beroepsmatige kinderopvang worden, ingeval de kinderopvang niet bij de werknemer thuis plaatsvindt, aangemerkt als verstrekkingen in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel k van de Coördinatiewet Sociale Verzekering voorzover de waarde in het economische verkeer hoger is dan het, met overeenkomstige toepassing van artikel 1 van de Regeling houdende het als loon in aanmerking te nemen deel van de vergoedingen kosten kinderopvang, te berekenen bedrag.
2. Ingeval de werkgever niet zelf de kinderopvang verricht is het eerste lid slechts van toepassing indien hij beschikt over de in artikel 1, vierde lid, van de Regeling houdende het als loon in aanmerking te nemen deel van de vergoedingen kosten kinderopvang vermelde bescheiden.
3. Artikel 1, vijfde lid, van de Regeling houdende het als loon in aanmerking te nemen deel van de vergoedingen kosten kinderopvang is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 28
Verstrekkingen van huisvesting aan boord van schepen en baggermateriaal, op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten, worden geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voorzover de waarde in het economische verkeer van die verstrekking hoger is dan het bedrag aangegeven in de volgende tabel:
Artikel 29
Voor de toepassing van artikel 17 en artikel 28 worden in het bedrag van inwoning dan wel in het bedrag van huisvesting geacht te zijn begrepen de bedragen van bewassing, energie en water, bedoeld in artikel 16.
Artikel 30
1. In afwijking van het bepaalde in artikel 14, worden verstrekkingen van kost aan boord van schepen en baggermateriaal en op boorplatforms, voorzover de waarde in het economische verkeer van de kost hoger is dan € 4,45 per dag, aangemerkt als verstrekking als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
2.
Indien de in het eerste lid bedoelde verstrekkingen tevens betrekking hebben op gezinsleden van de werknemer wordt het in het eerste lid genoemde bedrag verhoogd:
a. a. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt: met 80%; b. b. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt doch de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt: met 50%; c. c. voor ieder gezinslid dat bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt: met 30%.
Artikel 31
De verstrekking van het in werktijd mee-eten van werknemers in de geestelijke en lichamelijke gezondheids- of welzijnszorg met de hen toevertrouwde patiënten, pupillen of bewoners, indien zij dit verplicht zijn op basis van de arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling op grond van opvoedkundige of therapeutische overwegingen of overwegingen van resocialiserende aard, is een verstrekking, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
Artikel 32
Verstrekkingen in de vorm van maaltijden in bedrijfskantines of andere soortgelijke ruimten op de plaats waar de arbeid wordt verricht, worden geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voorzover de waarde in het economische verkeer van die maaltijden hoger is dan € 2,00 voor een ontbijt, € 2,00 voor een koffiemaaltijd en € 3,80 voor een warme maaltijd.
Artikel 33
De verstrekking van buiten de woning van de werknemer tijdens de vervulling van de dienstbetrekking gedragen kleding die blijft op de plaats waar de arbeid wordt verricht, is een verstrekking als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
Artikel 34
1. Vergoedingen ter zake van consumpties tijdens de werktijd die geen deel uitmaken van een maaltijd behoren in ieder geval tot de vergoedingen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, indien zij € 3 per gewerkte week (€ 0,60 per gewerkte dag) niet te boven gaan.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien tijdens de werktijd consumpties, die geen deel uitmaken van een maaltijd, worden verstrekt.
Artikel 35
Voor de kalenderjaren 2001 en 2002 behoort de verstrekking aan de werknemer van een dagbladuitgeversbedrijf van een abonnement op een dagblad dat door dat bedrijf wordt uitgegeven tot een verstrekking als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel k, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.
Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 36
1. Voor het kalenderjaar 2001 worden onder de in artikel 19, tweede en derde lid, bedoelde verstrekkingen tevens begrepen een op de voet van artikel 6 van de Regeling waardering loon in natura 2000 (resp. 1999 en 1998) in de kalenderjaren 1998, 1999 en 2000 op € 68,00 (f 150,00) respectievelijk nihil gestelde waarde van een verstrekte dan wel ter beschikking gestelde fiets.
2. Voor het kalenderjaar 2002 worden onder de in artikel 19, tweede en derde lid, bedoelde verstrekkingen tevens begrepen een op de voet van artikel 6 van de Regeling waardering loon in natura 2000 (resp. 1999 en 1998) in de kalenderjaren 1999 en 2000 op € 68,00 (f 150,00) respectievelijk nihil gestelde waarde van een verstrekte dan wel ter beschikking gestelde fiets.
3. Voor het kalenderjaar 2003 worden onder de in artikel 19, tweede en derde lid, bedoelde verstrekkingen tevens begrepen de op de voet van artikel 6 van de Regeling waardering loon in natura 2000 (resp. 1999 en 1998) in de kalenderjaar 2000 op € 68,00 (f 150,00) respectievelijk nihil gestelde waarde van een verstrekte dan wel ter beschikking gestelde fiets.
4. Voor het kalenderjaar 2001 worden onder de in artikel 19, zesde en zevende lid, bedoelde vergoedingen en verstrekkingen tevens begrepen de op de voet van artikel 6 van de Regeling waardering loon in natura 2000 (resp. 1999 en 1998) in de kalenderjaren 1999 en 2000 op nihil gestelde waarde van de met een fiets samenhangende zaken die dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer.
5. Voor het kalenderjaar 2002 worden onder de in artikel 19, zesde en zevende lid, bedoelde vergoedingen en verstrekkingen tevens begrepen de op de voet van artikel 6 van de Regeling waardering loon in natura 2000 (resp. 1999 en 1998) in het kalenderjaar 2000 op nihil gestelde waarde van de met een fiets samenhangende zaken die dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer.
Artikel 36a
1. Voor het kalenderjaar 2002 en voor de eerste zes kalendermaanden van 2003 wordt de verstrekking van een aan alle of alle onder een zelfde categorie vallende werknemers van de werkgever ter beschikking gesteld recht op vrij reizen met Nederlands openbaar vervoer dat niet is beperkt tot reizen over een vast traject ten behoeve van woon-werkverkeer geacht te strekken tot bestrijding van kosten ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking, voorzover de waarde in het economische verkeer van de verstrekking hoger is dan de volgende bedragen: per persoon die van dat recht gebruik kan maken, minderjarige kinderen en pleegkinderen van de werknemer daaronder niet begrepen, € 54,00 per jaar, dan wel, indien recht bestaat op reizen per 1e klas, € 82,00 per jaar.
2. Het eerste lid is slechts van toepassing indien reeds in het kalenderjaar 2000 een recht als bedoeld in het eerste lid ter beschikking is gesteld aan alle of alle onder dezelfde categorie vallende werknemers van de werkgever.
Artikel 36b
1. Naar keuze van de werkgever blijft artikel 23 zoals dat artikel luidde op 31 december 2002 in het kalenderjaar 2003 van toepassing in plaats van artikel 23 zoals dat luidde op 1 januari 2003.
2. Voor de toepassing van artikel 23, derde lid, eerste volzin, wordt aangenomen dat voor de jaren 2001 en 2002 een bedrag van € 450 heeft gegolden.
3. Voor de toepassing van artikel 23, derde lid, eerste volzin, wordt aangenomen dat voor de jaren 2002 en 2003 een bedrag van € 450 heeft gegolden, indien de werkgever met toepassing van het eerste lid heeft gekozen voor de toepassing in het kalenderjaar 2003 van artikel 23 zoals dat artikel luidde op 31 december 2002.
4. De toepassing van artikel 23 zoals dat luidt op grond van de Regeling herziening waardering producten uit eigen bedrijf, leidt niet tot een wijziging van op de datum van inwerkingtreding van die regeling reeds vastgestelde daglonen op grond van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid.
Artikel 37
1. De Regeling vergoeding gemengde kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2001 wordt ingetrokken.
2. De bepalingen van de regeling, genoemd in het eerste lid, blijven van kracht ten aanzien van premiebetalingstijdvakken die zijn gelegen tussen 31 december 2000 en 1 januari 2002.
3. De Regeling waardering loon in natura 2000, zoals die regeling luidde op 31 december 2000, blijft van toepassing op de persoon wiens recht op ziekengeld op grond van de Ziektewet, op uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering respectievelijk op uitkering op grond van de Werkloosheidswet, is ontstaan voor 31 december 2000, met betrekking tot dat recht.
4. De bepalingen van de regeling, genoemd in het derde lid, en van de regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 december 1989, nr. 89/7154 (Stcrt. 252), houdende regels inzake bestrijding van kosten tot verwerving van loon (Vergoeding voor gemengde kosten), zoals die regelingen luiden op 31 december 2000, blijven van kracht ten aanzien van premiebetalingstijdvakken die zijn gelegen tussen 31 december 1999 en 1 januari 2001.
Artikel 38
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2002. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2001, treedt zij in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 januari 2002.
Artikel 39
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vergoeding gemengde kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en verstrekkingen 2002.