40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022 | BWBR0038784 | ministeriele-regeling | geldend | 2017-01-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0038784 | Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022 |
Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a.
*alliantie:* alliantie als bedoeld in artikel 2.4;
b. b.
*instelling:* instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Kaderregeling;
c. c.
*instellingssubsidie:* instellingssubsidie als bedoeld in artikel 1.1 van de Kaderregeling met dien verstande dat onder instelling wordt verstaan: maatschappelijke organisatie;
d. d.
*gendergelijkheid:* gelijke behandeling, gelijke rechten en gelijke kansen voor vrouwen en mannen in de Nederlandse samenleving;
e. e.
*Kaderregeling:*
Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
f. f.
*LHBTI:* lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen, transgender personen en personen met een intersekse conditie;
g. g.
*LHBTI-gelijkheid:* gelijke behandeling, gelijke rechten en gelijke kansen voor iedereen in de Nederlandse samenleving ongeacht seksuele oriëntatie, genderidentiteit of geslachtskenmerken;
h. h.
*minister:* Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
i. i.
*maatschappelijke organisatie:* organisatie die voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 2.2;
j. j.
*projectsubsidie:* projectsubsidie als bedoeld in artikel 1.1 van de Kaderregeling;
k. k.
*strategisch partnerschap:* samenwerkingsverband van de minister met een maatschappelijke organisatie of met een alliantie.
Artikel 1.2
1.
Onverminderd artikel 1.7 van de Kaderregeling verstrekt de minister bij projectsubsidies op grond van hoofdstuk 3 van deze regeling loonkosten op basis van een maximaal uurtarief, met dien verstande dat:
a. a. het maximale uurtarief overeenkomt met het kostendekkende tarief per uur van schaal 11 zoals overeengekomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor rijksambtenaren voor de integrale loonkosten in de Handleiding Overheidstarieven van het kalenderjaar waarin de subsidieaanvraag is ontvangen; en b. b. de minister van het maximale uurtarief kan afwijken indien toepassing van het maximale uurtarief tot een onredelijke uitkomst zou leiden.
2. In afwijking van artikel 4.1 van de Kaderregeling besluit de minister op een aanvraag voor instellingssubsidie overeenkomstig de termijnen, genoemd in artikel 2.3.
3. In afwijking van artikel 8.1 van de Kaderregeling wordt subsidie op grond van hoofdstuk 2 van deze regeling voor vijf boekjaren tezamen verleend en over vijf boekjaren tegelijk vastgesteld.
Hoofdstuk 2. Instellingssubsidie
Artikel 2.1
De minister kan aan een maatschappelijke organisatie of aan maatschappelijke organisaties, verenigd in een alliantie en vertegenwoordigd door de penvoerder, met wie een strategisch partnerschap overeengekomen is, instellingssubsidie verlenen voor activiteiten die strekken tot of dienstig zijn aan het realiseren van gendergelijkheid of LHBTI-gelijkheid.
Artikel 2.2
Om in aanmerking te komen voor instellingssubsidie voldoet een maatschappelijke organisatie aan de volgende criteria. De maatschappelijke organisatie:
a. a. is een privaatrechtelijk rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid; b. b. richt zich specifiek op het landelijk bevorderen van gendergelijkheid of LHBTI-gelijkheid, in ieder geval op de terreinen: onderwijs, veiligheid, gezondheid, arbeidsmarkt, media, politiek, recht of leefvormen; c. c. heeft minimaal drie jaar gewerkt aan het landelijk bevorderen van gendergelijkheid en LHBTI-, gelijkheid; d. d. heeft geen winstoogmerk; e. e. verwerft ten minste 10% van zijn inkomsten uit andere bronnen dan door de minister verleende subsidies met dien verstande dat de minister in bijzondere situaties een lager percentage kan toestaan; f. f. heeft kennis van de Nederlandse taal en samenleving; en g. g. is niet in staat van surseance van betaling dan wel heeft geen faillissement aangevraagd.
Artikel 2.3
1. De beoordeling van de aanvragen voor instellingsubsidie vindt plaats in twee fasen.
2. In de eerste fase selecteert de minister de maatschappelijke organisaties of allianties, om een strategisch partnerschap mee aan te gaan en een partnerschapsovereenkomst mee te sluiten.
3. Een maatschappelijke organisatie of maatschappelijke organisaties, verenigd in een alliantie, die in aanmerking wil onderscheidenlijk willen komen voor instellingssubsidie, dient onderscheidenlijk dienen een aanvraag in middels een verzoek om een strategisch partnerschap aan te gaan, met het aanvraagformulier opgenomen in de bijlage bij deze regeling.
4. De verzoeken voor strategisch partnerschap kunnen worden gedaan tot en met 1 maart 2017. De minister selecteert de maatschappelijke organisaties of allianties uiterlijk 1 mei 2017.
5. In de tweede fase beslist de minister over verlening van instellingssubsidie op grond van een op basis van de partnerschapsovereenkomst opgesteld activiteitenplan en begroting.
6. De uitwerking van de aanvraag met het activiteitenplan en de begroting kunnen worden ingediend van 20 juni 2017 tot en met 20 september 2017. De minister beslist uiterlijk op 20 december 2017 over de verlening van instellingssubsidie.
Artikel 2.4
1. Een alliantie is een samenwerkingsverband van ten minste twee en ten hoogste vier maatschappelijke organisaties die met het oog op hun samenwerking een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten. De samenwerkingsovereenkomst bevat een beschrijving van de wijze waarop elk van de partijen bijdraagt aan de werkzaamheden van de alliantie en van de wijze waarop de besluitvorming in de alliantie plaatsvindt.
2. De minister kan toestaan dat een alliantie bestaat uit meer dan vier maatschappelijke organisaties.
Artikel 2.5
1. Indien subsidie wordt aangevraagd door een alliantie, treedt een van de maatschappelijke organisaties op als vertegenwoordiger namens de alliantie. Deze maatschappelijke organisatie is penvoerder.
2. Subsidie wordt aangevraagd door, verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder.
3. Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke maatschappelijke organisatie in de alliantie feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.
4. De maatschappelijke organisaties in de alliantie verklaren in de samenwerkingsovereenkomst dat de penvoerder gemachtigd is om hen in het kader van de subsidieverstrekking in en buiten rechte te vertegenwoordigen. Zij verklaren bovendien dat alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de verantwoording door de penvoerder van de besteding van de subsidie op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt.
5. Een maatschappelijke organisatie kan slechts binnen twee allianties penvoerder zijn.
Artikel 2.6
1. Na afloop van de eerste fase stelt de minister een subsidieplafond vast per aangegaan strategisch partnerschap.
2. De subsidieplafonds, die onderling in hoogte kunnen verschillen, worden bekend gemaakt in de Staatscourant.
Artikel 2.7
1. De minister selecteert ten hoogste acht maatschappelijke organisaties of allianties om een strategisch partnerschap mee aan te gaan. De selectie vindt plaats op basis van een vergelijking van geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van deze regeling. De minister maakt uiterlijk 1 januari 2017 het beoordelingskader bekend.
2.
De minister kan, op basis van een vergelijking van geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van deze regeling, een andere maatschappelijke organisatie of alliantie selecteren om een strategisch partnerschap mee aan te gaan indien:
a. a. een maatschappelijke organisatie of alliantie de aanvraag voor het aangaan van een strategisch partnerschap intrekt; b. b. met een maatschappelijke organisatie of alliantie geen partnerschapsovereenkomst tot stand komt; of c. c. de minister instellingssubsidie afwijst.
Artikel 2.8
1. De minister beoordeelt de geschiktheid voor strategisch partnerschap aan de hand van de criteria, genoemd in artikel 2.2, en een track record en een theory of change.
2.
Bij het aangaan van strategisch partnerschappen streeft de minister naar een evenwichtige spreiding van maatschappelijke organisaties dan wel allianties over:
a. a. de doelstellingen van deze regeling; b. b. de functies van de maatschappelijke organisaties; en c. c. gendergelijkheid of LHBTI-gelijkheid.
3. De minister kan bij de beoordeling van de theory of change en het track record externe deskundigen betrekken.
Artikel 2.9
1. Het track record van een maatschappelijke organisatie omvat een beschrijving van de ervaring en de bereikte resultaten van de maatschappelijke organisatie op het terrein van het landelijk bevorderen van gendergelijkheid of LHBTI-gelijkheid.
2.
Het track record bevat ten minste drie en ten hoogste vijf voorbeelden uit de laatste drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2017. Indien de aanvraag wordt gedaan door maatschappelijke organisaties, verenigd in een alliantie, bevat het track record:
a. a. in ieder geval een voorbeeld van elke maatschappelijke organisatie; en b. b. niet meer voorbeelden dan het aantal maatschappelijke organisaties indien de alliantie uit meer dan vijf maatschappelijke organisaties bestaat.
3.
Uit de voorbeelden van het track record blijkt dat de maatschappelijke organisatie blijk geeft van:
a. a. expertise en effectiviteit; b. b. flexibiliteit en lerend vermogen; c. c. innovatiekracht; d. d. transparantie en verantwoording; e. e. inclusiviteit; en f. f. duurzaamheid van de gekozen aanpak.
Artikel 2.10
De theory of change beschrijft hoe de maatschappelijke organisatie of de alliantie de doelen op lange termijn behaalt. De theory of change omvat ten minste:
a. a. een strategische doelstelling en de tussenliggende stappen om die te bereiken; b. b. de onderliggende analyse en aannames; c. c. een beschrijving van de relevante actoren; d. d. een beschrijving van de functie of functies van de maatschappelijke organisatie of maatschappelijke organisaties in de alliantie; e. e. meetbare indicatoren; f. f. een risicoanalyse; en g. g. een indicatieve begroting met een globale verdeling van kosten per doel of functie.
Artikel 2.11
De subsidieontvanger behoeft de toestemming van de minister voor rechtshandelingen als bedoeld in artikel 4:71, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 3. Projectsubsidie
Artikel 3.1
De minister kan aan een instelling projectsubsidie verstrekken voor de kosten van de uitvoering van een project dat in de Nederlandse samenleving in belangrijke mate bijdraagt aan het realiseren van gendergelijkheid of LHBTI-gelijkheid, voor zover passend binnen het kabinetsbeleid betreffende gendergelijkheid en LHBTI-gelijkheid.
Artikel 3.2
1. Het subsidieplafond voor projectsubsidies is gelijk aan het bedrag voor de programma-uitgaven, opgenomen in de ten tijde van de aanvraag geldende Rijksbegroting OCW, artikel 25 Emancipatie.
2. De minister kan subsidieplafonds vaststellen voor categorieën projectsubsidies.
Artikel 3.3
In aanvulling op artikel 3.4 van de Kaderregeling bevat het activiteitenplan een beschrijving van de wijze waarop de resultaten van de gesubsidieerde activiteiten na afloop van de uitvoering geborgd worden.
Artikel 3.4
De subsidie wordt verdeeld in de volgorde van ontvangst van de aanvragen.
Artikel 3.5
1. Subsidieontvangers ontvangen een voorschot tot ten hoogste 80% van het verleende subsidiebedrag.
2. De minister kan van het eerste lid afwijken indien subsidieontvanger een extra liquiditeitsbehoefte aantoont.
Artikel 3.6
De subsidie kan, onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, worden geweigerd
indien op grond van deze regeling reeds subsidie of opdracht voor soortgelijke activiteiten is verleend aan de aanvragende of een andere partij.
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen
Artikel 4.1
De Subsidieregeling emancipatie 2011 wordt ingetrokken.
Artikel 4.2
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017.
2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2022.
Artikel 4.3
Deze regeling wordt aangehaald als Subsidieregeling gender- en LHBTI-gelijkheid 2017–2022.
Bijlage . behorend bij
Formulier fase 1 Aanvraag instellingssubsidie
Verzoek strategisch partnerschap
Inhoudsopgave
Onderstaande volgorde houdt u aan met vermelding van eventuele sub paragrafen en bijbehorende paginanummers.
I. Algemene informatie aanvrager
II. Drempelcriteria
III. Afsluiting: ondertekening
IV. Verplicht mee te sturen bijlagen