rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-intergenerationeel-wonen/BWBR0048391
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Subsidieregeling intergenerationeel wonen BWBR0048391 ministeriele-regeling geldend 2023-07-15 https://wetten.overheid.nl/BWBR0048391 Subsidieregeling intergenerationeel wonen

Subsidieregeling intergenerationeel wonen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • begeleider: persoon die in dienst van of in opdracht van een verhuurder een jongere ondersteuning biedt bij diens bijdrage aan de cohesie en sociale interactie in de geclusterde woonvorm bestemd voor ouderen;
  • DAEB: dienst van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
  • DAEB de-minimisverklaring: verklaring als bedoeld in artikel 3 van de Verordening (EU) nr. 360/2012 van de Commissie van 25 april 2012 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PbEU 2012, L 114/8);
  • geclusterde woonvorm: vijf of meer woningen als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel 3, van de Woningwet, gelegen in Nederland, die fysiek verbonden zijn, dan wel daarmee vergelijkbaar;
  • handelsregister: handelsregister als bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007;
  • huurcommissie: huurcommissie, bedoeld in artikel 3a Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte;
  • huurprijscheck: berekeningswijze waarmee de maximale kale huurprijs van een woonruimte kan worden berekend, opgesteld door de huurcommissie en vindbaar op https://www.huurcommissie.nl/huurcommissie-helpt/huurprijscheck-zelfstandige-woonruimte of https://www.huurcommissie.nl/huurcommissie-helpt/huurprijscheck-onzelfstandige-woonruimte;
  • jongere: persoon met een leeftijd vanaf 18 tot en met 30 jaar;
  • Kaderregeling: Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
  • kale huurprijs: de prijs die is verschuldigd voor het enkele gebruik van de woonruimte, zonder bijkomende kosten voor nutsvoorzieningen en servicekosten, bedoeld in artikel 237, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
  • minister: de Minister voor Langdurige Zorg en Sport;
  • ouderen: personen van 55 jaar en ouder;
  • SBI-code: code van de Standaard Bedrijfsindeling zoals gehanteerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek waarmee de economische hoofd- of nevenactiviteit van een bedrijf wordt weergegeven in het handelsregister;
  • verhuurder: privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die verhuurder is van een geclusterde woonvorm bestemd voor ouderen;
  • woonruimte: een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige woning, als bedoeld in artikel 234 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel als niet zelfstandige woning wordt verhuurd.

Artikel 2

Op deze regeling is artikel 10.1 van de Kaderregeling niet van toepassing.

Artikel 3

1.

De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een verhuurder voor:

a. a. het verhuren van een woonruimte aan jongeren in een geclusterde woonvorm die bestemd is voor bewoning door ouderen; en b. b. enkel in aanvulling op de activiteit, bedoeld onder a, het faciliteren van een begeleider voor de jongere woonachtig in een woonruimte in een geclusterde woonvorm bestemd voor ouderen.

2.

De hoogte van de subsidie bedraagt:

a. a. voor activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder a, per jongere per woonruimte per maand:

        1°.
        € 200,; of
      
      
        2°.
        1/12 van het bedrag per kalenderjaar van de vergoeding voor vrijwilligers zoals omschreven in artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Het gaat dan om het bedrag per kalenderjaar dat van toepassing is op het eerste jaar dat de subsidiabele activiteiten, bedoeld in het eerste lid, waarvoor de subsidie wordt verstrekt aanvangen;

1°. 1°. € 200,; of 2°. 2°. 1/12 van het bedrag per kalenderjaar van de vergoeding voor vrijwilligers zoals omschreven in artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Het gaat dan om het bedrag per kalenderjaar dat van toepassing is op het eerste jaar dat de subsidiabele activiteiten, bedoeld in het eerste lid, waarvoor de subsidie wordt verstrekt aanvangen; b. b. voor activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, € 70 per uur voor de begeleiding van de jongere tot ten hoogste 4 uur per jongere per maand; en c. c. maximaal € 1.000.000 per verhuurder per periode bedoeld in artikel 6, tweede lid.

Artikel 4

1. Indien de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld tot ten hoogste het bedrag waarvan de hoogte door de minister bij de verlening is genoemd, overeenkomstig artikel 1.5, onder a, onder 2°, van de Kaderregeling.

2. Indien de subsidie € 25.000 of meer bedraagt bestaan de te subsidiëren activiteiten uit meetbare prestatie-eenheden en wordt de subsidie vastgesteld op een bedrag per gerealiseerde prestatie-eenheid waarvan de hoogte door de minister bij de verlening is genoemd, voor ten hoogste het maximum aantal prestatie-eenheden dat door de minister bij de verlening is genoemd, overeenkomstig artikel 1.5, onder b, van de Kaderregeling.

Artikel 5

1. De uitvoering van de activiteiten, zoals genoemd in artikel 3, eerste lid, worden aangewezen als een DAEB.

2. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de subsidieaanvrager met de Staat een overeenkomst sluit waarbij de Staat hem belast met en hij zich verplicht tot het verrichten van de DAEB, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 6

1. Subsidie wordt enkel verstrekt aan een verhuurder die op 1 januari van het jaar van het indienen van een aanvraag tot subsidieverlening in het handelsregister stond ingeschreven met een hoofd- of nevenactiviteit met een bijhorende SBI-code die in Bijlage 1 is opgenomen.

2.

De periode voor het uitvoeren van de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid:

a. a. wordt door de verhuurder beoogd uiterlijk aan te vangen binnen drie maanden na het besluit tot subsidieverlening; en b. b. loopt tot en met 31 december van het eerste of het tweede jaar volgend op de datum van het besluit tot subsidieverlening.

3.

Subsidie wordt enkel verstrekt indien:

a. a. de geclusterde woonvorm:

        1°.
        beschikt over vijf of meer separate adressen; of
      
      
        2°.
        bestemd is voor bewoning door personen die recht hebben op zorg in de zin van artikel 3.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg;

1°. 1°. beschikt over vijf of meer separate adressen; of 2°. 2°. bestemd is voor bewoning door personen die recht hebben op zorg in de zin van artikel 3.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg; b. b. de woonruimte wordt verhuurd of zal worden verhuurd aan een jongere die een leeftijd vanaf 18 tot en met 30 jaar heeft op het moment dat de huurovereenkomst wordt gesloten; c. c. gedurende de subsidieperiode voor minimaal twee en maximaal tien jongeren per geclusterde woonvorm een woonruimte beschikbaar is; d. d. een huurovereenkomst voor de woonruimte wordt opgesteld waarin in ieder geval wordt opgenomen:

        1°.
        de geboortedatum van de jongere;
      
      
        2°.
        een omschrijving van de woonruimte, waaronder of het een zelfstandige woning, als bedoeld in artikel 234 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of onzelfstandige woning betreft en het aantal m²;
      
      
        3°.
        de kale huurprijs;
      
      
        4°.
        een waarborg dat de kale huurprijs per maand niet hoger is dan het bedrag dat volgt uit de huurprijscheck verminderd met het bedrag dat wordt ontvangen aan subsidie voor de woonruimte op grond van de regeling; en
      
      
        5°.
        dat de jongere een bijdrage zal leveren aan de cohesie en sociale interactie in de geclusterde woonvorm bestemd voor ouderen en daarbij wordt begeleid door een begeleider.

1°. 1°. de geboortedatum van de jongere; 2°. 2°. een omschrijving van de woonruimte, waaronder of het een zelfstandige woning, als bedoeld in artikel 234 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of onzelfstandige woning betreft en het aantal m²; 3°. 3°. de kale huurprijs; 4°. 4°. een waarborg dat de kale huurprijs per maand niet hoger is dan het bedrag dat volgt uit de huurprijscheck verminderd met het bedrag dat wordt ontvangen aan subsidie voor de woonruimte op grond van de regeling; en 5°. 5°. dat de jongere een bijdrage zal leveren aan de cohesie en sociale interactie in de geclusterde woonvorm bestemd voor ouderen en daarbij wordt begeleid door een begeleider.

4.

Subsidie wordt enkel verstrekt voor activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, voor een begeleider die:

a. a. een op gedrag en maatschappij of zorg en welzijn gerichte middenkaderopleiding of een specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder d en e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs met goed gevolg heeft afgesloten en ten bewijze daarvan een diploma als bedoeld in artikel 7.4.6, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs heeft ontvangen; of b. b. drie jaar relevante werkervaring op het gebied van gedrag en maatschappij of zorg en welzijn heeft.

5. Indien sprake is van subsidiabele activiteiten die zien op meer dan een woonruimte, wordt daarvoor door de verhuurder per periode bedoeld in het tweede lid, één aanvraag ingediend.

6. Subsidie wordt enkel opnieuw verstrekt aan een verhuurder na afloop van de periode, bedoeld in het tweede lid, van de reeds aan die verhuurder op grond van deze regeling verstrekte subsidie.

Artikel 7

1. Het subsidieplafond bedraagt voor het jaar 2025 € 1.000.000,.

2. De Minister verdeelt het ingevolge het subsidieplafond beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld als datum van ontvangst geldt.

Artikel 8

1. Een aanvraag tot subsidieverlening voor het kalenderjaar 2023 kan worden ingediend van 17 juli 2023 om 9.00 uur tot en met 15 september 2023 om 16.00 uur.

2. Een aanvraag tot subsidieverlening voor subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, die aanvangen in het kalenderjaar 2024 kan worden ingediend van 2 januari 2024 om 9.00 uur tot en met 31 mei 2024 om 16.00 uur.

3. Een aanvraag tot subsidieverlening voor subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, die aanvangen in het kalenderjaar 2025 kan worden ingediend van 18 november 2024 om 09.00 uur tot en met 30 april 2025 om 16.00 uur.

4. Voor de aanvraag, de verklaringen van de verhuurder, bedoeld in het vierde lid en de begroting, wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.

5.

Bij de aanvraag verklaart de verhuurder in een activiteitenplan:

a. a. dat deze voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 6; b. b. ingeval van activiteiten bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, op welke wijze de jongere bijdraagt aan de cohesie en sociale interactie; en c. c. ingeval van activiteiten bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder b, een toelichting op welke wijze de begeleider aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 6, vierde lid, voldoet en op welke wijze de jongere wordt begeleid.

6.

In aanvulling op artikel 3.3 van de Kaderregeling gaat de aanvraag vergezeld van:

a. a. een document waaruit blijkt dat sprake is van een geclusterde woonvorm bestemd voor ouderen dat uiterlijk op 1 januari van het jaar van het indienen van een aanvraag tot subsidieverlening is vastgesteld en door eenieder op basis van openbare informatie verifieerbaar is; b. b. het document dat het resultaat is van een ingevulde huurprijscheck van de woonruimte, per woonruimte; c. c. een door de minister vastgestelde ondertekende overeenkomst voor het vestigen van een dienst van algemeen economisch belang, als bedoeld in artikel 5, tweede lid; en d. d. een door de minister vastgestelde DAEB de-minimisverklaring.

Artikel 9

1. Indien de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt verstrekt de minister bij het besluit tot subsidieverlening een voorschot ter hoogte van 100% van het in de subsidieverlening opgenomen subsidiebedrag, dat in één keer wordt uitbetaald.

2. Indien de subsidie € 25.000 of meer bedraagt verstrekt de minister bij het besluit tot subsidieverlening een voorschot ter hoogte van 50% van het in de subsidieverlening opgenomen subsidiebedrag, dat in één keer wordt uitbetaald.

Artikel 10

1.

Indien sprake is van leegstand van de woonruimte meldt de verhuurder dit schriftelijk in aanvulling op en in afwijking van artikel 5.7, eerste lid, van de Kaderreling:

a. a. bij minder dan drie maanden leegstand:

        1°.
        indien een verleende subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, uiterlijk op de laatste dag van de periode, bedoeld in artikel 6, tweede lid; of
      
      
        2°.
        indien een verleende subsidie € 25.000 of meer bedraagt ten tijde van de aanvraag tot subsidievaststelling;

1°. 1°. indien een verleende subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, uiterlijk op de laatste dag van de periode, bedoeld in artikel 6, tweede lid; of 2°. 2°. indien een verleende subsidie € 25.000 of meer bedraagt ten tijde van de aanvraag tot subsidievaststelling; b. b. bij drie maanden leegstand of meer, onverwijld na afloop van de drie maanden.

2. De betaalde kale huurprijs mag niet hoger zijn dan die in de huurovereenkomst is opgenomen, behoudens verhogingen conform wet- en regelgeving.

Artikel 11

Indien een verleende subsidie € 25.000 of meer bedraagt vraagt de verhuurder vaststelling van de subsidie aan binnen 22 weken na de datum, bedoeld in artikel 6, tweede lid.

Artikel 12

De minister kan een of meer bepalingen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat de desbetreffende bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Artikel 13

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte in de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 november 2030, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op de subsidies die voor deze datum zijn aangevraagd en vastgesteld.

Artikel 14

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling intergenerationeel wonen.

Bijlage 1. SBI-codes als bedoeld in