rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-ten-behoeve-van-het-project-professionalisering-takenpakket-ond/BWBR0009806
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Subsidieregeling ten behoeve van het project professionalisering takenpakket onderwijspersoneel BWBR0009806 ministeriele-regeling geldend 1998-08-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0009806 Subsidieregeling ten behoeve van het project professionalisering takenpakket onderwijspersoneel

Subsidieregeling ten behoeve van het project professionalisering takenpakket onderwijspersoneel

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

1. De minister kent gedurende de subsidieperiode, per kalenderjaar, aan de in artikel 3, derde lid, bedoelde selectie van instellingen of units, een subsidie toe ten behoeve van het project.

2. De subsidieperiode voor de subsidie, bedoeld in het vierde lid, vangt aan op 1 augustus 1998 en eindigt op 31 juli 2000.

3. Het bedrag van de subsidie wordt jaarlijks door de minister bij beschikking tot subsidieverlening verleend.

4. De subsidie bedraagt een tiende deel van de formatie, die bezet wordt door personeelsleden met docerende taken die op de peildatum 1 augustus 1998 tweeNnvijftig jaar of ouder zijn, vermenigvuldigd met de gpl, en berekend naar evenredigheid van het aantal maanden van het betreffende kalenderjaar dat het project wordt uitgevoerd.

5. In verband met de wachtgelduitgaven van de instelling die mogelijk het gevolg zijn van aanstelling van personeel in het kader van het project, ontvangt de instelling een bijdrage. Deze bijdrage wordt berekend door het in het vierde lid bedoelde totaalbedrag over de jaren 1998, 1999 en 2000 voor alle in het kader van deze regeling aan het project deelnemende instellingen, voor de jaren 2000, 2001, 2002, 2003 en 2004 te vermenigvuldigen met respectievelijk 7,68%, 15,56%, 8,98%, 4,14% en 1,03%, en te vermenigvuldigen met het in procenten uitgedrukte aandeel van de betreffende instelling in het project.

6. De minister verleent de subsidie, bedoeld in het vierde lid, uiterlijk acht weken nadat het activiteitenplan van de instelling, bedoeld in artikel 4:61, van de Awb, aan de minister is gezonden.

7. De gpl kan door de minister in de jaren 1999 en 2000 worden aangepast wegens uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.

8. De minister verleent de subsidie, bedoeld in het vijfde lid, in achtereenvolgens de jaren 2000, 2001, 2002, 2003 en 2004.

9. Voor de jaren 2002 tot en met 2004 stelt de minister de bijdrage, bedoeld in het vijfde lid, vast in een bedrag in euro door de uitkomst van de daar beschreven berekening te delen door 2,20371 en de uitkomst daarvan rekenkundig af te rondenop twee cijfers achter de komma.

Artikel 3

1.

Het onderzoeksbureau beoordeelt de aanvragen van de instellingen of units die haar uiterlijk 28 februari 1998 zijn toegezonden op grond van:

a. a. de geografische spreiding; b. b. de leeftijdsopbouw van het personeel van de instelling of unit; c. c. de aanwezigheid van onderwijsondersteunende faciliteiten bij de instelling of unit; d. d. de voor het onderzoek relevante onderscheidende kenmerken van de instelling of unit; e. e. het minimum aantal deelnemers van de instelling of unit, en f. f. het aantal personeelsleden met docerende taken dat op 1 augustus 1998 tweeënvijftig jaar of ouder is.

2. Het onderzoeksbureau adviseert met inachtneming van het eerste lid de mi- nister over een voor het onderzoek relevante selectie van instellingen of units.

3. De minister beslist uiterlijk 30 juni 1998 over de selectie van instellingen of units die voor toepassing van artikel 2 in aanmerking komt en geeft daarbij tevens aan of de instelling of unit wordt aangemerkt als 52-plusinstelling of EOP-instelling.

Artikel 4

Op de subsidie is afdeling 4.2.8 van de Awb van toepassing, met dien verstande dat:

a. a. in afwijking van artikel 4:60, de aanvraag door het bevoegd gezag van de instelling geacht wordt te zijn ingediend voorafgaand aan de in artikel 1, onderdeel e, bedoelde selectie; b. b. het activiteitenplan en de begroting jaarlijks uiterlijk 1 mei van het studiejaar waarin de activiteiten zullen plaatsvinden worden ingediend; c. c. de artikelen 4:64 en 4:71 niet van toepassing zijn; d. d. artikel 4:65 van overeenkomstige toepassing is op subsidies en bekostiging, die door de minister aan de instelling worden verstrekt; e. e. het bepaalde met betrekking tot het activiteitenverslag, bedoeld in artikel 4:80, niet van toepassing is; f. f. het in artikel 4:75 bedoelde financieel verslag wordt opgenomen als bijlage bij de jaarrekening van de instelling, waarvan de in artikel 4:78 bedoelde accountantsverklaring onderdeel uitmaakt.

Artikel 5

1. Het activiteitenplan van de 52-plusinstelling voorziet in vermindering van tien procent van de werkzaamheden binnen de aanstellingsomvang van personeelsleden met docerende taken, die op 1 augustus 1998 tweeënvijftig jaar of ouder waren.

2. De subsidie heeft betrekking op vergoeding van de aanstelling van personeel tot ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 2, vierde lid.

Artikel 6

1. Het bevoegd gezag van de EOP-instelling wendt de subsidie aan voor de aanstelling van personeel in een of meer van de in bijlage 2 genoemde functiecategorieën ter ondersteuning van het personeel in de desbetreffende instelling of unit.

2. De subsidie heeft betrekking op vergoeding van de aanstelling van ondersteunend personeel tot ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 2, vierde lid.

Artikel 7

Het bevoegd gezag van de instelling verleent alle medewerking aan het project en verstrekt aan het in artikel 1, onderdeel d, bedoelde onderzoeksbureau alle noodzakelijk geachte gegevens.

Artikel 8

1. Subsidieverlening geschiedt onder de voorwaarde dat bij de vaststelling of goedkeuring van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

2. Bij het niet vervullen van de voorwaarde worden de op grond van artikel 2 verleende subsidiebedragen verlaagd tot het bedrag van de subsidie dat na de vaststelling of goedkeuring van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen ter beschikking staat, een en ander naar rato van het aantal subsidieaanvragers aan wie subsidie is verleend en van de hoogte van de verleende subsidiebedragen.

Artikel 9

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 10

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 1998.

Artikel 11

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling ten behoeve van het project professionalisering takenpakket onderwijspersoneel.

Bijlage I

Geselecteerde scholen Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Bijlage II

Voor de sector Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie kunnen drie onderwijsondersteunende functies binnen het project Professionalisering van het takenpakket van het onderwijspersoneel in aanmerking komen:

( Leraarassistent

( Activiteitencoördinator

( Sociaal-psychologisch medewerker