rijk/ministeriele-regeling/subsidieregeling-vraagfinanciering-hoger-onderwijs/BWBR0037056
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Subsidieregeling vraagfinanciering hoger onderwijs BWBR0037056 ministeriele-regeling geldend 2015-10-06 https://wetten.overheid.nl/BWBR0037056 Subsidieregeling vraagfinanciering hoger onderwijs

Subsidieregeling vraagfinanciering hoger onderwijs

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • Ad-programma: Ad-programma als bedoeld in artikel 7.8a van de wet of waarvoor een toets nieuwe opleiding als bedoeld in artikel 5a.13 van de wet is aangevraagd;
  • bacheloropleiding: bacheloropleiding als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel a, van de wet, tenzij het tegendeel blijkt, of waarvoor een toets nieuwe opleiding als bedoeld in artikel 5a.11 van de wet is aangevraagd;
  • bekostigde hogeschool: hogeschool als bedoeld in artikel 1.8 van de wet;
  • collegegeld: instellingscollegegeld als bedoeld in artikel 7.46 van de wet voor studenten die deelnemen aan een module;
  • deeltijds Ad-programma: Ad-programma dat deeltijds is ingericht;
  • deeltijdse bacheloropleiding: bacheloropleiding die deeltijds is ingericht als bedoeld in artikel 7.7, eerste lid, van de wet;
  • duaal Ad-programma: Ad-programma dat duaal is ingericht;
  • duale bacheloropleiding: bacheloropleiding die duaal is ingericht als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, van de wet;
  • experiment vraagfinanciering hoger onderwijs: het eventueel met ingang van het collegejaar 20162017 te starten experiment op het terrein van vraagfinanciering;
  • graad: graad Bachelor als bedoeld in artikel 7.10a, tweede lid, van de wet;
  • hoger beroepsonderwijs: hoger beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel d, van de wet;
  • hogescholen: hogescholen als bedoeld in artikel 1,2, onderdeel a, van de wet en rechtspersonen voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel b, van de wet die hoger beroepsonderwijs verzorgen;
  • minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
  • module: module als bedoeld in artikel 3, tweede lid;
  • opleiding: opleiding als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel m, van de wet;
  • rechtspersoon voor hoger onderwijs: rechtspersoon als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel aa, van de wet;
  • sector: onderdeel als bedoeld in artikel 3.1 van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008;
  • studiejaar: tijdvak dat aanvangt op 1 september en eindigt op 31 augustus van het daaropvolgende jaar;
  • studiepunt: studiepunt als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de wet;
  • verlaagd collegegeld: verlaagd collegegeld als bedoeld in artikel 6;
  • voucher: aanspraak op subsidie ten behoeve van de vermindering van collegegeld, bedoeld in artikel 3, derde lid;
  • wet: Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
  • wettelijk collegegeld: wettelijk collegegeld als bedoeld in artikel 7.45a van de wet.

Artikel 2

De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS is van toepassing op subsidieverstrekking op grond van deze regeling, met uitzondering van de artikelen 3.3 tot en met 3.5, 4.1, 4.3 en de hoofdstukken 6, 7 en 8 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

Artikel 3

1.

De minister kan aan hogescholen subsidie verstrekken voor:

a. a. het aanbieden van duale of deeltijdse bacheloropleidingen als bedoeld in bijlage 1 dan wel duale of deeltijdse Ad-programmas als bedoeld in bijlage 1 in de sectoren gezondheidszorg, gedrag & maatschappij, techniek en sectoroverstijgend voor zover het een ICT-bacheloropleiding betreft, en b. b. het verlenen van een graad aan een student die deze graad heeft behaald door het volgen van modules.

2.

De minister verstrekt subsidie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, voor het aanbieden van bacheloropleidingen of Ad-programmas die vestigingsplaatsonafhankelijk kunnen worden aangeboden en in modules van 30 studiepunten worden aangeboden aan een student die:

a. a. nieuw in een bacheloropleiding of ad-programma instroomt vanaf de start van het experiment vraagfinanciering tot en met 31 augustus 2019, b. b. niet meer dan één opleiding of Ad-programma volgt waarvoor de student wettelijk collegegeld of verlaagd collegegeld is verschuldigd, en c. c. onverminderd artikel 7.45a, tweede lid, van de wet, voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel 7.45a, eerste lid, van de wet.

3.

De te verstrekken subsidie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt verstrekt in de vorm van een voucher en betreft steeds ten hoogste € 1.250, per student per module met dien verstande dat:

a. a. een student ten hoogste acht modules kan volgen met subsidie tot 31 augustus 2024, b. b. de studiepunten behorend bij de voorafgaande module van betreffende bacheloropleiding of Ad-programma zijn behaald of de hogeschool heeft vastgesteld dat voldoende studievoortgang is geboekt, en c. c. bij niet meer dan twee opeenvolgende modules van dezelfde bacheloropleiding of hetzelfde Ad-programma de studiepunten niet volledig zijn behaald.

4. In afwijking van het derde lid betreft de subsidie minder dan € 1.250, als het collegegeld lager is dan dit bedrag. De voucher is dan evenveel waard als het collegegeld.

5. De subsidie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bedraagt € 3.333, per graad. Deze subsidie wordt ten hoogste een keer per student als bedoeld in het tweede lid verstrekt.

Artikel 4

De minister verstrekt subsidie als bedoeld in artikel 3 onder de voorwaarden dat:

a. a. de aanvrager afziet van diens aanspraak op bekostiging voor het betreffende hoger onderwijs, bedoeld in artikel 1.9 van de wet voor zover het de studentgebonden financiering, bedoeld in artikel 4.7 van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 betreft; b. b. de aanvrager bereid is deel te nemen aan een in 2016 te starten experiment op het terrein van vraagfinanciering.

Artikel 5

1. De minister verstrekt subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, tot en met ten hoogste 31 augustus 2024.

2. De minister verstrekt subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, voor graden als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, die tijdens de looptijd van het experiment zijn verleend en waarvoor tot en met 1 februari 2025 aanvragen zijn ingediend.

Artikel 6

1. De subsidie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, wordt besteed aan de verlaging van het collegegeld dat moet worden betaald door een student als bedoeld in artikel 3 met een bedrag van ten hoogste € 1.250,.

2. Indien de middelen verkregen door de inschrijving van een student met een voucher door de hogeschool ondoelmatig worden aangewend, kan het door de student ingezette vouchertegoed worden teruggevorderd van de hogeschool. Van ondoelmatige aanwending is in ieder geval sprake indien de student met een voucher op enigerlei wijze wordt gecompenseerd.

3. Indien de situatie, bedoeld in het tweede lid, zich anders dan incidenteel voordoet, kan de minister de vouchertegoeden die de hogeschool als gevolg van inschrijvingen door studenten met een voucher heeft ontvangen, terugvorderen van de hogeschool.

Artikel 7

1. Een hogeschool die bereid is deel te nemen aan een eventueel per 1 september 2016 te starten experiment op het terrein van vraagfinanciering, dient uiterlijk 15 oktober 2015 een aanvraag in voor een subsidie als bedoeld in artikel 3.

2. Een hogeschool die bereid is deel te nemen aan het experiment vraagfinanciering per 1 september 2017 dient een aanvraag in voor een subsidie als bedoeld in artikel 3 voor 1 februari 2017.

3. Een hogeschool die bereid is deel te nemen aan het experiment vraagfinanciering per 1 september 2018 dient een aanvraag in voor een subsidie als bedoeld in artikel 3 voor 1 februari 2018.

4. De aanvraag van een bekostigde hogeschool wordt ingediend overeenkomstig het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2.

5. De aanvraag van een rechtspersoon voor hoger onderwijs wordt ingediend overeenkomstig het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 3.

6. De aanvraag van een hogeschool omvat een toelichting op het overleg dat heeft plaatsgevonden met werkgeversorganisaties over onderwijsbehoeften van werkgevers en werknemers en het daarbij passende onderwijsaanbod en cofinanciering.

7. Per post wordt de aanvraag ingediend bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, directie HO&S, postbus 16375, 2500 BJ Den Haag. Elektronische indiening vindt plaats via het e-mailadres experiment vraagfinanciering-ho@minocw.nl.

Artikel 8

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidie worden geweigerd indien:

a. a. de bekostigde hogeschool voor het hoger beroepsonderwijs, waarvoor subsidie is gevraagd, niet afziet van de aanspraak op de bekostiging, bedoeld in artikel 1.9 van de wet voor zover het de studentgebonden financiering, bedoeld in artikel 4.7 van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 betreft, b. b. in de sector gezondheidszorg, gedrag & maatschappij (Zorg en Welzijn) of in de sector techniek en sectoroverstijgend voor zover het een ICT-bacheloropleiding betreft (Techniek en ICT) minder dan drie bekostigde hogescholen een aanvraag hebben ingediend en in aanmerking komen voor een subsidie als bedoeld in artikel 3, c. c. in de betreffende sector geen representatieve verhouding is tussen bacheloropleidingen en Ad-programmas gegeven op een bekostigde hogeschool en een rechtspersoon voor hoger onderwijs, d. d. de bacheloropleiding of het Ad-programma niet is geaccrediteerd, een herstelperiode toegekend heeft gekregen of geen onderwerp is van een toets nieuwe opleiding, of e. e. de aanvraag een andere opleiding dan een opleiding als bedoeld in bijlage 1 betreft.

Artikel 9

1. De minister besluit voor 14 januari 2016 op de aanvraag, bedoeld in artikel 7, eerste lid.

2. De minister besluit voor 1 mei 2017 op de aanvraag, bedoeld in artikel 7, tweede lid.

3. De minister besluit voor 1 mei 2018 op de aanvraag, bedoeld in artikel 7, derde lid.

Artikel 10

1. Een hogeschool meldt voor 1 september van een jaar de hoogte van het collegegeld voor een module per opleiding of Ad-programma in het studiejaar dat aanvangt op 1 september van dat jaar.

2. De hogeschool schrijft de student pas in nadat het verschuldigde collegegeld voor een module door de student is voldaan.

3. Nadat een student is ingeschreven meldt de rechtspersoon voor hoger onderwijs onverwijld aan de minister naam, geboortedatum, geslacht, adres en woonplaats van de student.

4. De hogeschool besteedt een voucher uitsluitend aan de verlaging van het collegegeld met de waarde van de voucher voor een module dat moet worden betaald door een student als bedoeld in artikel 3.

5. De hogeschool bewaart de onderwijsovereenkomsten die naar verwachting worden gevraagd op grond van het experiment vraagfinanciering hoger onderwijs in ieder geval tot 1 februari 2025.

6. De hogeschool mag het bedrag van de voucher niet in geld uitkeren aan de student.

Artikel 11

1. Voor de melding, bedoeld in artikel 10, eerste lid, wordt gebruik gemaakt van het formulier dat beschikbaar is na inloggen op het zakelijk portaal van de beveiligde website van DUO, onder instellingsinformatie.

2. De gegevens, bedoeld in artikel 10, derde lid, worden op elektronische wijze aan de minister verstrekt via inloggen op het zakelijk portaal van de beveiligde website van DUO.

Artikel 12

1.

De minister betaalt de subsidieontvanger een bedrag van ten hoogste € 1.250, vermenigvuldigd met het aantal bij de minister gemelde inschrijvingen, bedoeld in artikel 3, in het voorafgaande kwartaal dat loopt van:

a. a. september tot en met november; b. b. december tot en met februari; c. c. maart tot en met mei; d. d. juni tot een met augustus.

2.

De betaling van de subsidie, bedoeld in het eerste lid, vindt jaarlijks plaats onderscheidenlijk in de volgende maanden:

a. a. januari; b. b. april; c. c. juli; d. d. oktober.

3.

De minister verstrekt de subsidieontvanger een bedrag ter hoogte van € 3.333, vermenigvuldigd met het aantal bij de minister gemelde verleende graden, bedoeld in artikel 3, in het voorafgaande kwartaal dat loopt van:

a. a. september tot en met november; b. b. december tot en met februari; c. c. maart tot en met mei; d. d. juni tot een met augustus.

4. De betaling van de subsidie, bedoeld in het derde lid, vindt jaarlijks onderscheidenlijk in de maanden, bedoeld in het tweede lid, plaats.

Artikel 13

1. Indien het experiment vraagfinanciering hoger onderwijs niet op 1 september 2016 in werking treedt, kan de minister de subsidieverstrekking op grond van deze regeling beëindigen.

2. Indien een subsidieontvanger de deelname aan het experiment vraagfinanciering hoger onderwijs om welke reden dan ook beëindigt, kan de minister de subsidie op grond van deze regeling geheel of gedeeltelijk intrekken.

3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval de minister het experiment vraagfinanciering bij een subsidieontvanger tussentijds beëindigt.

Artikel 14

1. Voor zover het een bekostigde hogeschool betreft, geschiedt de verantwoording van de subsidie in het jaarverslag overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

2. Tot twee jaar na het jaar van betaling, bedoeld in artikel 12, toont de hogeschool op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan. De hogeschool toont dit in elk geval aan door de onderwijsovereenkomsten die naar verwachting worden gevraagd op grond van het experiment vraagfinanciering hoger onderwijs, door gegevens waaruit blijkt dat de module daadwerkelijk is aangeboden en door gegevens over behaalde studiepunten.

Artikel 15

De minister stelt de subsidie, bedoeld in artikel 3, vast op het moment van betaling als bedoeld in artikel 12.

Artikel 16

Wijzigt de Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs 2014.

Artikel 17

1. De artikelen 1 tot en met 9, 10, eerste tot en met het vierde lid, en zesde lid, 11, 12, 13, eerste lid, 15 en 17 van deze regeling treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin hij wordt geplaatst.

2. De artikelen 10, vijfde lid, 13, tweede en derde lid, 14 en 16 treden in werking op het moment dat het experiment vraagfinanciering hoger onderwijs in werking treedt.

3. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2026.

Artikel 18

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling vraagfinanciering hoger onderwijs.

Bijlage 1. behorend bij de Subsidieregeling vraagfinanciering hoger onderwijs

Bijlage 2. behorend bij de Subsidieregeling vraagfinanciering hoger onderwijs.

Bijlage 3. behorend bij de Subsidieregeling vraagfinanciering hoger onderwijs.