rijk/ministeriele-regeling/tijdelijke-energieregeling-markt-en-innovatie/BWBR0024452
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Tijdelijke energieregeling markt en innovatie BWBR0024452 ministeriele-regeling geldend 2009-11-11 https://wetten.overheid.nl/BWBR0024452 Tijdelijke energieregeling markt en innovatie

Tijdelijke energieregeling markt en innovatie

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

    *Minister:* de Minister van Economische Zaken;

    *ondernemer in de landbouwsector:* een ondernemer die activiteiten verricht op het gebied van de productie, verwerking en afzet van landbouwproducten als bedoeld in bijlage 1 bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met uitzondering van ondernemers in de visserij- en aquacultuursector en in de bosbouwsector;

    *referentiekosten:* kosten voor een investering ten behoeve van een in Nederland gangbaar systeem, apparaat of techniek die in technisch opzicht vergelijkbaar is met een in Nederland uit te voeren project maar waarmee niet hetzelfde niveau van milieubescherming kan worden bereikt als met het uit te voeren project, terwijl, in geval van een uit te voeren project voor hernieuwbare energie, de capaciteit voor de opwekking van energie van dat project ten minste overeenkomt met die van de eerstbedoelde investering.

Artikel 1.2

Op subsidies op grond van deze regeling zijn de bepalingen van het Kaderbesluit EZ-subsidies van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 5 en 9 en andere bepalingen voor zover deze in de volgende hoofdstukken buiten toepassing worden verklaard.

Artikel 1.3

1.

De subsidie bedraagt voor zover activiteiten vallen onder bijlage 1, het percentage van de subsidiabele kosten zoals aangegeven in de bijlage, tenzij is aangegeven dat:

a. a. de subsidie valt onder een de-minimis verordening, b. b. de subsidie aangemerkt wordt als steun als bedoeld in deel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening of c. c. de subsidie geen steun is in de zin van artikel 87 en 88 van het EG-verdrag.

2. Indien de hoogte van de subsidie volgt uit de bijlage en verschillende percentages van toepassing zijn, bedraagt de subsidie het gewogen gemiddelde van deze percentages.

Artikel 1.4

1. Het rapport van feitelijke bevindingen, bedoeld in artikel 12, derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, wordt opgesteld overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in bijlage 2.

2. Als rapport als bedoeld in artikel 12, vierde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, wordt aangewezen een afschrift van het rapport van feitelijke bevindingen van een externe accountant inzake de actueel gebruikte methode voor berekening van de personeelskosten en indirecte kosten dat is opgesteld in het kader van verordening (EG) nr. 1906/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 december 2006 tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor verspreiding van onderzoeksresultaten (20072013) (PbEU L 391) en, indien de subsidie-ontvanger daarover beschikt, een afschrift van de goedkeuring door de Europese Commissie van dat rapport.

Artikel 1.5

1. Het percentage, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, bedraagt 50%.

2. Het uurtarief, bedoeld in artikel 13, tweede lid, en artikel 14 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, bedraagt € 35.

Artikel 1.6

1. Indien dit artikel van toepassing is verklaard zijn de artikelen 11 tot en met 14 van het Kaderbesluit EZ-subsidies niet van toepassing.

2. Voor subsidie komen in aanmerking de extra investeringskosten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de voor subsidie in aanmerking komende maatregel. Punt 80 tot en met 84 van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (PbEU 2008, C 82) worden hierbij in acht genomen.

3.

Extra investeringskosten als bedoeld in het tweede lid hebben betrekking op:

a. a. kosten van verwerving of op andere titel dan verwerving in gebruik verkregen bedrijfsterreinen; b. b. kosten van verwerving, huurkoop of lease van bedrijfsgebouwen en daartoe te rekenen centrale voorzieningen; c. c. kosten van aangeschafte machines en apparatuur; d. d. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen; e. e. kosten van onderhoud en inspectie, administratie en beheer, ontmanteling, onvoorziene reparaties, verplichte milieumonitoring en verzekeringen; f. f. kosten van geleidelijk opstarten en in gebruik nemen van het project en daartoe te rekenen productiekosten; g. g. kosten van tenaamstelling, verwerving en instandhouding van rechten van intellectuele eigendom; h. h. aan derden verschuldigde kosten.

4. De hoogte van de subsidiabele extra investeringskosten komt overeen met de som van de per kostensoort berekende investeringskosten van het project verminderd met de referentiekosten, extra opbrengsten en enig ander extra voordeel in de periode tot vijf jaar na de ingebruikname alsmede extra besparingen die met het project gemoeid zijn.

5.

Onder de kostensoorten, genoemd in het tweede lid, onderdeel a tot en met d, wordt verstaan:

a. a. wat betreft bedrijfsterreinen: de koopsom en overdrachtskosten met uitzondering van overdrachtsbelasting of de gekapitaliseerde erfpachtcanon exclusief de kosten van vestiging van de erfpacht, indien de grond van een gemeente of enig ander van overheidswege opgericht lichaam in erfpacht is verkregen; b. b. wat betreft bedrijfsgebouwen en daartoe te rekenen centrale voorzieningen: de koopsom en de overdrachtskosten of de aan derden verschuldigde bouwkosten met uitzondering van de financieringskosten en de overdrachtsbelasting; c. c. wat betreft machines en apparatuur voor zover deze na afloop van het project voor dezelfde doeleinden worden ingezet als beoogd met het project en blijven bijdragen aan een duurzame energiehuishouding: kosten voor de aanschaf ervan; d. d. wat betreft machines en apparatuur voor zover deze na afloop van het project voor andere doeleinden worden ingezet dan beoogd met het project of niet meer bijdragen aan een duurzame energiehuishouding: kosten voor de aanschaf ervan, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de aan het project toe te rekenen afschrijvingskosten, berekend op basis van de historische aanschafprijzen en de door de belastingdienst geaccepteerde afschrijvingstermijnen, met uitzondering van mogelijkheden tot vervroegde afschrijving, of lease-termijnen, met uitzondering van financieringskosten, en gebaseerd op de bedrijfseconomische levensduur; e. e. wat betreft materialen en hulpmiddelen: het verbruik ervan, gebaseerd op historische aanschafprijzen.

6.

Onder de kostensoorten, genoemd in het tweede lid, onderdeel e en f, voor zover zij geactiveerd zijn op de fiscale balans, wordt verstaan:

a. a. wat betreft onderhoud en inspectie alsmede beheer en administratie met inbegrip van de rapportages, bedoeld in artikel 39 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, en het eindverslag, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit EZ-subsidies: kosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan het vijfde lid, onderdeel a tot en met e; b. b. wat betreft verzekeringen: kosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan het vijfde lid, onderdeel a tot en met d; c. c. wat betreft onvoorziene reparaties: kosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan het vijfde lid, onderdeel b tot en met d; d. d. wat betreft monitoring: kosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan voortgangscontrole op een project; e. e. wat betreft ontmanteling: kosten ervan voor zover gehele of gedeeltelijke verwijdering van een project in verband met milieubescherming verplicht is, te berekenen over een periode van ten hoogste 20 jaar; f. f. wat betreft het geleidelijk opstarten en in gebruik nemen van een project: kosten ervan die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan capaciteitsverlies en gederfde inkomsten.

7. Van de som van de per kostensoort berekende investeringskosten van het project verminderd met de referentiekosten maken de aan derden verschuldigde kosten, bedoeld in het derde lid, onderdeel h, ten hoogste 50 procent deel uit.

Artikel 1.7

In aanvulling op de artikelen 22 en 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies beslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie:

a. a. indien de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels; b. b. indien het project gericht is op:

      1°.
      de aanpassing aan van toepassing zijnde, of vastgestelde maar nog niet van toepassing zijnde, communautaire normen,
    
    
      2°.
      de aanpassing aan nationale normen die gelijk zijn aan of minder zware eisen stellen dan communautaire normen of
    
    
      3°.
      de aanpassing aan nationale normen bij afwezigheid van communautaire normen, indien de aanpassing heeft plaatsgevonden na de op de in de nationale norm vastgestelde uiterste datum.

1°. 1°. de aanpassing aan van toepassing zijnde, of vastgestelde maar nog niet van toepassing zijnde, communautaire normen, 2°. 2°. de aanpassing aan nationale normen die gelijk zijn aan of minder zware eisen stellen dan communautaire normen of 3°. 3°. de aanpassing aan nationale normen bij afwezigheid van communautaire normen, indien de aanpassing heeft plaatsgevonden na de op de in de nationale norm vastgestelde uiterste datum.

Hoofdstuk 2. Duurzame warmte voor bestaande woningen

Artikel 2.1

1.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

bestaande woning: een ruimte met een woonfunctie, die is opgeleverd en in gebruik genomen voor 1 januari 2008; duurzame warmtemaatregel: het aanschaffen, installeren en in gebruik nemen van een of meer nieuwe dan wel niet eerder gebruikte in bijlage 3 bij deze regeling genoemde technische voorzieningen in een bestaande woning; installatie voor micro-warmtekrachtkoppeling: een installatie voor micro-warmtekrachtkoppeling als bedoeld in bijlage 3, onderdeel 4; lucht/waterwarmtepomp: een lucht/waterwarmtepomp als bedoeld in bijlage 3, onderdeel 3; warmtepomp, niet zijnde een lucht/waterwarmtepomp: een warmtepomp, niet zijnde een lucht/waterwarmtepomp als bedoeld in bijlage 3, onderdeel 2; zonneboiler: een zonneboiler als bedoeld in bijlage 3, onderdeel 1.

2. Met de voorzieningen genoemd in bijlage 3 worden gelijkgesteld de desbetreffende voorzieningen die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Artikel 2.2

1.

De Minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor een duurzame warmtemaatregel aan:

a. a. een eigenaar-bewoner van een bestaande woning, of b. b. een eigenaar-verhuurder van een bestaande woning, die een duurzame warmtemaatregel uitvoert.

2.

Op een subsidie voor een duurzame warmtemaatregel zijn niet van toepassing

      artikel 1.7, onderdeel b, van deze regeling en

de artikelen 10, tweede lid, 11 tot en met 14, 23, onderdeel d, en 36 tot en met 42 van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

3. In afwijking van artikel 45 tot en met 47 van het Kaderbesluit EZ-subsidies wordt geen voorschot verstrekt bij een aanvraag om subsidie met een totaalbedrag van minder dan € 50.000.

Artikel 2.3

1. De hoogte van de subsidie voor zonneboilers, warmtepompen, niet zijnde lucht/waterwarmtepompen, en lucht/waterwarmtepompen wordt berekend door het aantal GJ of kW_th te bepalen volgens de methode, opgenomen in bijlage 4, en dit getal te vermenigvuldigen met het bedrag, opgenomen in bijlage 5.

2. De hoogte van de subsidie voor zonneboilers die naast een bijdrage aan warm tapwater ook een bijdrage leveren aan de ruimteverwarming, wordt gebaseerd op de bijdrage aan warm tapwater.

3. De subsidie voor een installatie voor micro-warmtekrachtkoppeling bedraagt € 4.000 per stuk.

4. Bij subsidie aan een ondernemer waar een Europees steunkader op van toepassing is, bedraagt de subsidie niet meer dan is toegestaan op basis van dat steunkader.

Artikel 2.4

Vervallen

Artikel 2.5

De Minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 2.6

In aanvulling op artikel 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies beslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie indien:

a. a. hij het onaannemelijk acht dat de aanvrager binnen zes maanden opdracht zal geven tot uitvoering van de duurzame warmtemaatregel; b. b. de aanvrager vóór 1 september 2008 ter zake van de duurzame warmtemaatregel waarop de aanvraag betrekking heeft, verplichtingen is aangegaan.

Artikel 2.7

De subsidie-ontvanger geeft binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening opdracht tot uitvoering van de duurzame warmtemaatregel.

Artikel 2.8

1. Indien de subsidie-ontvanger een eigenaar-bewoner is, voltooit deze de duurzame warmtemaatregel uiterlijk twaalf maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

2. Indien de subsidie-ontvanger een eigenaar-verhuurder is, voltooit deze de duurzame warmtemaatregel uiterlijk achttien maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

3. De subsidie-ontvanger dient zijn aanvraag om subsidievaststelling in uiterlijk dertien weken na het tijdstip waarop de activiteiten zijn voltooid.

Artikel 2.9

Een aanvraag om subsidie en een aanvraag om subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 6.

Hoofdstuk 3. Unieke kansen programma verduurzaming warmte en koude

Artikel 3.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

duurzame warmte of koude: de nettoproductie van warmte of koude uit hernieuwbare primaire energiedragers; restwarmte of -koude: warmte of koude die in de huidige situatie beschikbaar is, maar niet nuttig gebruikt wordt, niet zijnde duurzame warmte of koude; unieke kansen warmte/koudeproject: een voor Nederland nieuw planmatig geheel van activiteiten gericht op het in de praktijk beproeven van een systeem voor benutting van duurzame warmte of duurzame koude of restwarmte of restkoude, dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, waarbij bij tenminste een van de deelnemers technische of beheersmatige voorzieningen worden getroffen.

Artikel 3.2

1.

De Minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor een unieke kansen warmte/koudeproject dat past in een of meer warmte/koudethemas en waarin:

a. a. nieuwe technieken worden toegepast; b. b. nieuwe combinaties van bestaande technieken worden toegepast; c. c. nieuwe organisatievormen van warmte- en koudebenutting worden toegepast; d. d. nieuwe combinaties van aanbieders en afnemers worden gemaakt.

2.

Warmte/koudethemas als bedoeld in het eerste lid zijn:

a. a. duurzame warmte of koude uit bio-energie; b. b. aardwarmte; c. c. grootschalige zonthermische energie; d. d. benutting van duurzame warmte of koude in de gebouwde omgeving op wijkniveau of in bedrijven; e. e. benutting van restwarmte of -koude in de gebouwde omgeving op wijkniveau of in bedrijven.

3. In het samenwerkingsverband dat een unieke kansen warmte/koudeproject uitvoert wordt actief samengewerkt en zijn meerdere disciplines vertegenwoordigd.

Artikel 3.3

Op een subsidie voor een unieke kansen warmte/koudeproject zijn niet van toepassing de artikelen 10, derde lid, 23, onderdeel g, 38, eerste lid, onderdeel b tot en met d en 41 van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

Artikel 3.4

1. De subsidie bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten, maar niet meer dan € 800.000 per aanvraag.

2. Het in het eerste lid genoemde percentage wordt met 10 procentpunten verhoogd voor iedere aanvrager die een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt voor zover de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door die ondernemer.

3. Indien de subsidie-ontvanger een ondernemer in de landbouwsector is en een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt, is de verhoging, bedoeld in het tweede lid, niet van toepassing voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op investeringen waardoor de productiecapaciteit zal toenemen.

4. Het te verlenen subsidiebedrag, tot stand gekomen met toepassing van het eerste en tweede lid, is niet meer dan de maximaal toegestane investeringssteun, berekend op de voet van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (PbEG 2008, C82).

5. Voor de berekening van de subsidiabele kosten is artikel 1.6 van toepassing.

Artikel 3.5

Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op aanvragen om subsidie voor unieke kansen warmte/koudeproject, ontvangen in de periode van de datum van inwerkingtreding van deze regeling tot en met 1 december 2008, 17:00 uur, bedraagt € 10.000.000.

Artikel 3.6

De Minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 3.7

1. De Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten adviseert de Minister over de afwijzingsgronden, bedoeld in het tweede lid en artikel 23, onderdelen e, f en h van het Kaderbesluit EZ-subsidies, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in het derde lid.

2.

In aanvulling op artikel 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies beslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie indien hij van oordeel is dat:

a. a. het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van de regeling; b. b. van de sociaal-wetenschappelijke en economische effecten van het project onvoldoende blijk wordt gegeven.

3.

De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:

a. a. het project technologisch en niet-technologisch innovatiever is ten opzichte van de huidige praktijk in Nederland; b. b. het project meer bijdraagt aan de verduurzaming van de energiehuishouding in CO_2 reductie of PJ per jaar op projectniveau; c. c. het project meer herhalingspotentieel bezit, gebaseerd op kostprijsontwikkeling en marktverwachting; d. d. het samenwerkingsverband van een betere kwaliteit is en de slaagkans van het project groter is.

4. Voor de rangschikking weegt het criterium genoemd in het derde lid, onderdeel a, dubbel ten opzichte van elk van de criteria, genoemd in het derde lid, onderdeel b tot en met d.

Artikel 3.8

1. De subsidie-ontvanger start binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening de uitvoering van het unieke kansen warmte/koudeproject.

2. De subsidie-ontvanger voltooit het project binnen drie jaar na aanvang van het project.

Artikel 3.9

1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 7.

2. Een aanvraag om subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 8.

Hoofdstuk 4. EOS-demonstratieprojecten

Artikel 4.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    *een EOS-demonstratieproject:* een voor Nederland nieuw, planmatig geheel van activiteiten, geheel of nagenoeg geheel bestemd voor het vergroten van inzicht in de geschiktheid voor toepassing in de praktijk van duurzame energiehuishouding, dat een technisch of economisch risico inhoudt en dat bestaat uit:
  
    
      
      energiebesparende maatregelen;
    
    
      
      maatregelen waarbij CO_2-emissies worden afgevangen en permanent in de ondergrond opgeslagen, of
    
    
      
      maatregelen die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen met behulp van:
      
        
          •
          voor Nederland nieuwe apparaten, systemen of technieken, of
        
        
          •
          een voor Nederland nieuwe toepassing van apparaten, systemen of technieken.

energiebesparende maatregelen; maatregelen waarbij CO_2-emissies worden afgevangen en permanent in de ondergrond opgeslagen, of maatregelen die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen met behulp van:

          •
          voor Nederland nieuwe apparaten, systemen of technieken, of
        
        
          •
          een voor Nederland nieuwe toepassing van apparaten, systemen of technieken.

• • voor Nederland nieuwe apparaten, systemen of technieken, of • • een voor Nederland nieuwe toepassing van apparaten, systemen of technieken.

Artikel 4.2

1.

De Minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor een EOS-demonstratieproject dat past in een of meerdere energiethemas en waarin:

a. a. nieuwe technieken worden toegepast; of b. b. nieuwe combinaties van bestaande technieken worden toegepast.

2.

Energiethemas als bedoeld in het eerste lid zijn:

a. a. biomassa; b. b. nieuw gas/schoon fossiel en efficiënt gebruik van gas; c. c. energie-efficiëntie in de industriële en landbouwsector; d. d. gebouwde omgeving; e. e. opwekking en netten.

Artikel 4.3

Op een subsidie voor een EOS-demonstratieproject zijn niet van toepassing de artikelen 10, derde lid, 23, onderdeel g, 38, eerste lid, onderdeel b tot en met d en 41 van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

Artikel 4.4

1. In afwijking van artikel 1.3 bedraagt de subsidie 40 procent van de subsidiabele kosten, maar niet meer dan € 800.000 per aanvraag.

2. Het in het eerste lid genoemde percentage wordt met 10 procentpunten verhoogd voor iedere aanvrager die een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt voor zover de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door die ondernemer.

3. Indien de subsidieontvanger een ondernemer in de landbouwsector is en een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt, is de verhoging, bedoeld in het tweede lid, niet van toepassing voor zover de subsidiabele kosten betrekking hebben op investeringen waardoor de productiecapaciteit zal toenemen.

4. Het te verlenen subsidiebedrag, tot stand gekomen met toepassing van het eerste en tweede lid, is niet meer dan de maximaal toegestane investeringssteun, berekend op de voet van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (PbEG 2008, C82).

5. Voor de berekening van de subsidiabele kosten is artikel 1.6 van toepassing.

Artikel 4.5

De Minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 4.6

1. De Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten adviseert de Minister over de afwijzingsgronden, bedoeld in het tweede lid en artikel 23, onderdeel e, f en h van het Kaderbesluit EZ-subsidies, en de rangschikkingcriteria, bedoeld in het derde lid.

2.

De Minister beslist afwijzend op een aanvraag indien hij van oordeel is dat:

a. a. het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van de regeling; b. b. er onvoldoende van de sociaalwetenschappelijke en economische effecten van het project blijk wordt gegeven; c. c. het een project betreft waarvoor gedurende de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend ook op grond van artikel 3.2 een aanvraag om subsidie kan worden ingediend.

3.

De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:

a. a. het project technologisch innovatiever is ten opzichte van de huidige praktijk in Nederland; b. b. het project meer bijdraagt aan de verduurzaming van de energiehuishouding in absolute en relatieve CO2 reductie of PJ per jaar op projectniveau; c. c. het project meer herhalingspotentieel bezit, gebaseerd op kostprijsontwikkeling en marktverwachting; d. d. het samenwerkingsverband van een betere kwaliteit is, de slaagkans van het project groter is en de kennisoverdracht een structureler onderdeel is van de demonstratie.

4. Voor de rangschikking weegt het criterium, genoemd in het derde lid, onderdeel a, eenmaal, en het gewogen gemiddelde van de criteria, genoemd in het derde lid, onderdeel b tot en met d twee maal.

Artikel 4.7

1. De subsidieontvanger start binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening de uitvoering van het EOS-demonstratieproject.

2. De subsidieontvanger voltooit het project binnen drie jaar na aanvang van het EOS-demonstratieproject.

Artikel 4.8

1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 9.

2. Een aanvraag om subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 10.

Hoofdstuk 5. Unieke kansen programma naar energieneutrale scholen en kantoren

Artikel 5.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. a.

    *haalbaarheidsstudie:* een studie waarin de technische en economische haalbaarheid wordt onderzocht van een of meer pakketten maatregelen die erop gericht zijn om een school of kantoor, die de aanvrager gaat bouwen of renoveren, te laten voldoen aan de vereisten van een unieke kansen project scholen/kantoren, daaronder begrepen de mogelijkheden voor strategische samenwerking;

b. b.

    *onderwijsinstelling:* een publiek bekostigde school voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs, als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs respectievelijk de Wet op het voortgezet onderwijs;

c. c.

    *totale energieverbruik:* de som van het gebouwgebonden energieverbruik, het gebouwafhankelijke gebruikersenergieverbruik en het energieverbruik van gebruikersapparatuur per jaar;

d. d.

    *NEN:* norm als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003;

e. e.

    *unieke kansen project scholen/kantoren:* project voor energiebesparing in de nieuwbouw of renovatie van gebouwen waarin ten minste 70% van de bruto vloeroppervlakte, als bedoeld in NEN 2580, in gebruik is voor een onderwijsfunctie ten behoeve van een onderwijsinstelling of een kantoorfunctie, bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van het Bouwbesluit 2003:
  
    
      1°. 
      dat tenminste 1000 m^2 bruto vloeroppervlakte omvat;
    
    
      2°. 
      dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, waarbij bij ten minste een van de deelnemers technische of beheersmatige voorzieningen worden getroffen;
    
    
      3°.
       waarbij, indien het renovatie van bestaande gebouwen met een kantoorfunctie betreft, de CO_2-emissie ten gevolge van het totale energieverbruik van en binnen het gebouw ten hoogste 53 kg CO_2/m^2 bruto vloeroppervlakte bedraagt;
    
    
      4°.
       waarbij, indien het renovatie van bestaande gebouwen met een onderwijsfunctie betreft, de CO_2-emissie ten gevolge van het totale energieverbruik van en binnen het gebouw ten hoogste 25 kg CO_2/m^2 bruto vloeroppervlakte bedraagt;
    
    
      5°.
       waarbij, indien het nieuwbouw met een kantoorfunctie betreft, de maximale energieprestatiecoëfficiënt 0,75 en de CO_2-emissie ten gevolge van het totale energieverbruik van en binnen het gebouw ten hoogste 37 kg CO_2/m^2 bruto vloeroppervlakte bedraagt;
    
    
      6°.
       waarbij, indien het nieuwbouw met een onderwijsfunctie betreft, de maximale energieprestatiecoëfficiënt 0,90 bedraagt en de CO_2-emissie ten gevolge van het totale energieverbruik van en binnen het gebouw ten hoogste 22 kg CO_2/m^2 bruto vloeroppervlakte bedraagt en
    
    
      7°.
       waarbij, indien het renovatie van bestaande gebouwen betreft, de energieprestatie na renovatie energielabelklasse A bedraagt en de energie-index met ten minste 0,30 verbetert.

1°. 1°. dat tenminste 1000 m^2 bruto vloeroppervlakte omvat; 2°. 2°. dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, waarbij bij ten minste een van de deelnemers technische of beheersmatige voorzieningen worden getroffen; 3°. 3°. waarbij, indien het renovatie van bestaande gebouwen met een kantoorfunctie betreft, de CO_2-emissie ten gevolge van het totale energieverbruik van en binnen het gebouw ten hoogste 53 kg CO_2/m^2 bruto vloeroppervlakte bedraagt; 4°. 4°. waarbij, indien het renovatie van bestaande gebouwen met een onderwijsfunctie betreft, de CO_2-emissie ten gevolge van het totale energieverbruik van en binnen het gebouw ten hoogste 25 kg CO_2/m^2 bruto vloeroppervlakte bedraagt; 5°. 5°. waarbij, indien het nieuwbouw met een kantoorfunctie betreft, de maximale energieprestatiecoëfficiënt 0,75 en de CO_2-emissie ten gevolge van het totale energieverbruik van en binnen het gebouw ten hoogste 37 kg CO_2/m^2 bruto vloeroppervlakte bedraagt; 6°. 6°. waarbij, indien het nieuwbouw met een onderwijsfunctie betreft, de maximale energieprestatiecoëfficiënt 0,90 bedraagt en de CO_2-emissie ten gevolge van het totale energieverbruik van en binnen het gebouw ten hoogste 22 kg CO_2/m^2 bruto vloeroppervlakte bedraagt en 7°. 7°. waarbij, indien het renovatie van bestaande gebouwen betreft, de energieprestatie na renovatie energielabelklasse A bedraagt en de energie-index met ten minste 0,30 verbetert.

Artikel 5.2

1. De Minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor een haalbaarheidsstudie.

2. De Minister verstrekt op aanvraag aan een samenwerkingsverband een subsidie verlenen voor een unieke kansen project scholen/kantoren.

Artikel 5.3

Op een subsidie voor een unieke kansen project scholen/kantoren zijn niet van toepassing de artikelen 10, derde lid, 38, eerste lid, onderdeel b tot en met d, en 41 van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

Artikel 5.4

1. In afwijking van artikel 1.3 bedraagt de subsidie, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, 50% van de projectkosten indien deze betrekking hebben op een haalbaarheidsstudie, maar niet meer dan € 15.000.

2.

In afwijking van artikel 1.3 bedraagt de subsidie, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid:

a. a. voor een unieke kansen project scholen/kantoren met een onderwijsfunctie: € 0,25 per jaarlijkse MJ besparing op het gebouwgebonden primaire energieverbruik, maar niet meer dan € 500.000; b. b. voor een unieke kansen project scholen/kantoren met een kantoorfunctie: € 0,15 per jaarlijkse MJ besparing op het gebouwgebonden primaire energieverbruik, maar niet meer dan € 500.000.

3. De subsidie valt onder de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 5.5

1. De Minister beslist op de aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, in de volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

2. De Minister beslist op de aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 5.6

1. De adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten adviseert de Minister over de afwijzingsgronden, bedoeld in artikel 23, onderdelen e tot en met h van het Kaderbesluit EZ-subsidies, en de rangschikking, bedoeld in het tweede lid.

2.

De Minister rangschikt de aanvragen voor een subsidie als bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:

a. a. het project meer bijdraagt aan de CO_2-reductie per m^2 bruto vloeroppervlakte berekend over het totale energieverbruik en meer gebruik maakt van duurzame energiebronnen; b. b. het project voor een gebouw met een onderwijsfunctie meer bijdraagt aan de verbetering van het binnenklimaat; c. c. het project een hoger innovatief vermogen heeft, meer duurzaamheidskwaliteiten heeft en een betere kwaliteitsborging heeft; d. d. het samenwerkingsverband van een betere kwaliteit is en de slaagkans van het project groter is; e. e. het project meer herhalings- en opschalingspotentieel bezit.

3. Voor de rangschikking wegen de criteria genoemd in het tweede lid even zwaar.

Artikel 5.7

1. De subsidieontvanger voltooit de haalbaarheidsstudie binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

2. De subsidieontvanger start het unieke kansen project scholen/kantoren binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening en voltooit deze uiterlijk 36 maanden na de start van het project.

Artikel 5.8

1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 11.

2. Een aanvraag om subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 12.

Hoofdstuk 6. Duurzame biomassa-import

Artikel 6.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder

    *keten voor biomassa:* de productie, de verwerking en de import van in het buitenland geproduceerde biomassa die leidt tot de toepassing van biomassa voor energie-, transport- of chemiedoeleinden in Nederland;

    *primaire landbouwproducent:* onderneming van de landbouwproductiesector in de zin van artikel 2, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector;

    *Toetsingskader voor duurzame biomassa:* het toetsingskader opgesteld door de projectgroep Duurzame productie van biomassa, opgenomen in bijlage 13.

Artikel 6.2

1. De Minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor activiteiten die op innovatieve wijze bijdragen aan het verduurzamen van ketens voor biomassa.

2.

Onder het verduurzamen van ketens voor biomassa bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

a) a) het verduurzamen van de biomassaketen aan de hand van het Toetsingskader voor duurzame biomassa; b) b) de certificering van duurzame biomassaketens; of c) c) het tegengaan van ongewenste indirecte effecten van biomassaproductie.

3. In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies verstrekt de Minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, tevens aan een niet in Nederland gevestigde deelnemer in een samenwerkingsverband waarvan de penvoerder in Nederland is gevestigd.

Artikel 6.3

1.

De subsidie bedraagt maximaal:

a. a. € 500.000 per ondernemer, niet zijnde een binnen de Europese Unie gevestigde primaire landbouwproducent; b. b. € 7.500 per binnen de Europese Unie gevestigde primaire landbouwproducent; c. c. € 1.000.000 per aanvraag.

2.

De subsidie bedraagt:

a. a. 50% van de subsidiabele kosten indien de subsidie-ontvanger een ondernemer is; b. b. 75% van de subsidiabele kosten indien de subsidie-ontvanger geen ondernemer is.

3. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten die noodzakelijk zijn voor de verduurzaming van ketens voor biomassa.

4.

In afwijking van artikel 11, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies kiest een buiten Nederland gevestigde aanvrager voor de berekening van de subsidiabele kosten uit:

a. a. de integrale kostensystematiek, opgenomen in artikel 12 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, of b. b. de loonkosten plus vaste-opslag-systematiek, opgenomen in artikel 13 van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

Artikel 6.4

1. De subsidie voor een binnen de Europese Unie gevestigde subsidie-ontvanger, niet zijnde een primaire landbouwproducent, valt onder de Tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering in de huidige financiële en economische crisis van 17 december 2008. Het bedrag van de subsidie wordt verlaagd voor zover dit nodig is op basis van deze kaderregeling.

2. De subsidie voor een binnen de Europese Unie gevestigde primaire landbouwproducent valt onder verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector. Het bedrag van de subsidie wordt verlaagd voor zover dit nodig is op basis van deze verordening.

Artikel 6.5

De Minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 6.6

1. Indien de activiteiten betrekking hebben op vloeibare biomassa of biobrandstoffen beslist de Minister, in aanvulling op artikel 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, afwijzend op een aanvraag indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de vloeibare biomassa of biobrandstoffen voldoen, of na uitvoering van de activiteiten zullen voldoen, aan de duurzaamheidscriteria genoemd in artikel 17 van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijnen 2001/77/EG en 2003/30/EG.

2.

De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, zodanig dat een project hoger gerangschikt wordt naarmate het meer bijdraagt aan de doelstellingen bedoeld in artikel 6.2. Bij de rangschikking worden de volgende criteria gehanteerd:

a. a. de mate waarin het project bijdraagt aan de doelstellingen bedoeld in artikel 6.2, in relatie tot de totale subsidiabele kosten van het project; b. b. de mate waarin het project bijdraagt aan verduurzaming van ketens voor biomassa in de zin van artikel 6.2, tweede lid, in relatie tot de resultaten van de beoordeling van de betreffende biomassaketen aan de hand van het Toetsingskader voor duurzame biomassa; c. c. de mate waarin het project in de praktijk navolging kan vinden en kan worden opgeschaald, waarbij ook de navolging en opschaling leiden tot toepassing van duurzame biomassa in Nederland.

3. Voor de rangschikking wegen de criteria genoemd in het tweede lid even zwaar.

Artikel 6.7

1. De subsidie-ontvanger voltooit de activiteiten uiterlijk op 30 juni 2013.

2. Op verzoek van de Minister verstrekt de subsidie-ontvanger de verkregen gegevens over de duurzaamheid van biomassaproductie, certificering en indirecte effecten.

Artikel 6.8

1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 14.

2. Een aanvraag om subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 15.

Hoofdstuk 7. Investeringen voor verlaging elektriciteitsaansluiting van warmtepomphouders

Artikel 7.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    *elektrisch aangedreven warmtepomp, niet zijnde een elektrisch aangedreven lucht/waterwarmtepomp:* een warmtepomp met een elektrisch vermogen groter dan zes kW die bestemd is als hoofd- of basisverwarming van een woning en die niet primair gericht is op actieve koeling of verwarming van tapwater, waarbij warmte wordt onttrokken aan de bodem, het grondwater of het oppervlaktewater;

    *elektrisch aangedreven lucht/waterwarmtepomp:* een warmtepomp met een elektrisch vermogen groter dan zes kW die bestemd is als hoofd- of basisverwarming van een woning is en niet primair gericht is op actieve koeling of verwarming van tapwater, waarbij de warmtepomp warmte onttrekt aan de buitenlucht of aan de ventilatielucht van de woning en warmte afgeeft met behulp van een warmte-afgiftesysteem met water als distributiemedium;

    warmtepomp:
  
  
    
      1°.
      een elektrisch aangedreven warmtepomp, niet zijnde een elektrisch aangedreven lucht/waterwarmtepomp of
    
    
      2°.
      een elektrisch aangedreven lucht/waterwarmtepomp.

1°. 1°. een elektrisch aangedreven warmtepomp, niet zijnde een elektrisch aangedreven lucht/waterwarmtepomp of 2°. 2°. een elektrisch aangedreven lucht/waterwarmtepomp.

Artikel 7.2

1.

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor het treffen van technische maatregelen aan een eigenaar van een woning die:

a. a. voor 1 september 2009 een warmtepomp bezit, b. b. technische maatregelen met betrekking tot de warmtepomp of de elektriciteitsinstallatie van de woning heeft getroffen die een verlaging van de capaciteit van de elektriciteitsaansluiting mogelijk maakt en die noodzakelijk zijn in verband met het gebruik van de warmtepomp, en c. c. een verzoek om verlaging van de capaciteit van de elektriciteitsaansluiting heeft ingediend bij de regionale netbeheerder.

2.

Op een subsidie als bedoeld in het eerste lid zijn niet van toepassing:

a. a.

      artikel 1.7, onderdeel b, van deze regeling;

b. b. de artikelen 10, tweede, derde, vijfde en zesde lid, 11 tot en met 14, 23, a, b, c, d, f en h, en 36 tot en met 42 van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

3. De subsidie wordt vastgesteld zonder voorafgaande beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 7.3

Voor subsidie komen in aanmerking de rechtstreeks aan de technische maatregelen, bedoeld in artikel 7.2, onderdeel b, toe te rekenen gemaakte en betaalde kosten.

Artikel 7.4

De subsidie voor het treffen van technische maatregelen als bedoeld in artikel 7.2, onderdeel b, bedraagt:

a. a. € 100 indien de subsidiabele kosten € 100 of minder bedragen dan wel indien de aanvrager hiervoor heeft gekozen; b. b. € 200 indien de subsidiabele kosten € 101 tot en met € 300 bedragen; c. c. € 400 indien de subsidiabele kosten meer dan € 300 bedragen.

Artikel 7.5

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 7.6

Het formulier voor het indienen van een aanvraag om een subsidie is opgenomen in bijlage 16.

Hoofdstuk 8. Risico's dekken voor aardwarmte

Artikel 8.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    *aardwarmte:* aardwarmte in de zin van artikel 1, onderdeel b, van de Mijnbouwwet;

    *aardwarmteproject:* het mogelijk maken van de winning en toepassing van aardwarmte van ten minste 500 meter diepte door het boren van een productieput en een injectieput en het plaatsen van een pompinstallatie;

    *geologisch onderzoek:* geologisch onderzoek, inclusief het rapport opgesteld overeenkomstig het model in bijlage D bij bijlage 8.1;

    *gerealiseerde subsidiabele kosten:* de rechtstreeks aan het aardwarmteproject toe te rekenen, door de subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde subsidiabele kosten;

    *gerealiseerd vermogen:* het uit de puttest gebleken werkelijke vermogen in MW, met een correctie op skin = 0;

    *maximale subsidiebedrag:* het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag, bestaande uit 85% van de verwachte subsidiabele kosten met een maximum van € 5.950.000;

    *niet-geologische parameters:* de niet-geologische parameters, genoemd in de tabel in hoofdstuk 1, paragraaf 1.1, van het geologisch onderzoek;

    *puttest:* test van het vermogen van de putten, uitgevoerd en geïnterpreteerd overeenkomstig bijlage B bij bijlage 8.2;

    *restwaarde:* de opbrengst van het project bij de economisch meest rendabele alternatieve toepassing gedurende twaalf jaar;

    *verwachte subsidiabele kosten:* de in de beschikking tot subsidieverlening vermelde subsidiabele kosten;

    *verwacht vermogen:* het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde verwacht vermogen in MW.

Artikel 8.2

1. De minister, in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verstrekt op aanvraag een subsidie aan degene die in Nederland een aardwarmteproject uitvoert.

2. De subsidie wordt verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat op het beoogde stratigrafische niveau op de beoogde locatie en bij de in de beschikking tot subsidieverlening vermelde niet-geologische parameters, het gerealiseerd vermogen lager is dan het verwacht vermogen.

Artikel 8.3

1. De subsidie bedraagt maximaal € 5.950.000 per project.

2. Indien de bij de aanvraag om subsidie opgegeven subsidiabele kosten per MW vermogen lager zijn dan € 1.200.000 wordt het vermogen in de beschikking tot subsidieverlening zodanig verlaagd dat de verwachte subsidiabele kosten per MW verwacht vermogen € 1.200.000 bedragen.

3.

Het subsidiebedrag wordt zodanig verminderd, dat de som van de volgende bedragen niet meer dan 95% van de gerealiseerde subsidiabele kosten bedraagt:

het subsidiebedrag, het bedrag aan overige voor het betreffende project aan de subsidie-ontvanger verleende dan wel vastgestelde subsidies, en het bedrag waarop de subsidie-ontvanger voor het betreffende project op grond van een private verzekering aanspraak kan doen.

Artikel 8.4

1. Indien het gerealiseerde vermogen van de eerste boring gelijk aan of meer dan de helft van het verwacht vermogen is, vervalt de subsidie indien de subsidie-ontvanger het aardwarmteproject staakt na de eerste boring.

2. Indien het gerealiseerd vermogen van de eerste boring meer dan een derde van het verwacht vermogen is en de subsidie-ontvanger het aardwarmteproject voltooit, is artikel 8.6 van toepassing of, bij een verwacht vermogen groter dan 5 5/6 MW en verwachte subsidiabele kosten van meer dan € 7.000.000, artikel 8.7.

3. Indien het gerealiseerd vermogen van de eerste boring meer dan een derde, maar minder dan de helft van het verwacht vermogen is en de subsidie-ontvanger het aardwarmteproject na de eerste boring staakt, is artikel 8.5 van toepassing.

4. Indien het gerealiseerd vermogen van de eerste boring een derde of minder van het verwacht vermogen is, of lager dan 0,75 MW, is artikel 8.5 van toepassing.

5. De subsidie-ontvanger staakt het aardwarmteproject op eigen aangifte dan wel door niet binnen een jaar na voltooiing van de eerste boring de tweede boring te voltooien.

Artikel 8.5

1.

De hoogte van de subsidie wordt berekend overeenkomstig de formule:

subsidiebedrag = 0,85 * (a b)

In deze formule betekent:

a: a: de gerealiseerde subsidiabele kosten, b: b: de restwaarde.

De eventuele kosten voor een tweede boring komen niet voor subsidie in aanmerking. Indien de put wordt afgedicht is de restwaarde nul. Indien de restwaarde negatief is wordt de restwaarde op nul gesteld.

2. De subsidie bedraagt ten hoogste 70% van het maximale subsidiebedrag.

3. Indien de formule in het eerste lid een negatieve uitkomst oplevert wordt de subsidie op nul gesteld.

4. De betaalde premie minus 5,95% van de tot en met de eerste boring gerealiseerde subsidiabele kosten wordt gerestitueerd.

Artikel 8.6

1.

De hoogte van de subsidie wordt berekend overeenkomstig de formule:

subsidiebedrag = 0,85 * a ((b/c) * d)

In deze formule betekent:

a: a: de gerealiseerde subsidiabele kosten, tot een maximum van de verwachte subsidiabele kosten, en in ieder geval niet meer dan € 7.000.000, b: b: het gerealiseerd vermogen in MW, c: c: het verwacht vermogen, d: d: het maximale subsidiebedrag.

2. De subsidie bedraagt ten hoogste het maximale subsidiebedrag.

3. Indien de formule in het eerste lid een negatieve uitkomst oplevert wordt de subsidie op nul gesteld.

4.

Indien het gerealiseerd vermogen na de tweede boring lager is dan 0,75 MW wordt de hoogte van de subsidie berekend overeenkomstig de formule:

subsidiebedrag = 0,85 * (a b)

In deze formule betekent:

a. a. de gerealiseerde subsidiabele kosten, b. b. de restwaarde.

Indien de putten worden afgedicht is de restwaarde nul. Indien de restwaarde negatief is wordt de restwaarde op nul gesteld.

Artikel 8.7

1.

De hoogte van de subsidie wordt berekend overeenkomstig de formule:

subsidiebedrag = ((a/b) * c) ((d/e) * a)

In deze formule betekent:

a: a: het maximale subsidiebedrag, b: b: de verwachte subsidiabele kosten, c: c: de gerealiseerde subsidiabele kosten, tot een maximum van de verwachte subsidiabele kosten, d: d: het gerealiseerde vermogen in MW, e: e: het verwachte vermogen zoals vermeld in de beschikking.

2. De subsidie bedraagt ten hoogste het maximale subsidiebedrag.

3. Indien de formule in het eerste lid een negatieve uitkomst oplevert wordt de subsidie op nul gesteld.

4.

Indien het gerealiseerde vermogen na de tweede boring lager is dan 0,75 MW wordt de hoogte van de subsidie berekend overeenkomstig de formule:

subsidiebedrag = (a/b) * (c d).

In deze formule betekent:

a: a: het maximale subsidiebedrag zoals vermeld in de beschikking, b: b: de verwachte subsidiabele kosten, c: c: de gemaakte subsidiabele kosten, d: d: de restwaarde.

Indien de putten worden afgedicht is de restwaarde nul. Indien de restwaarde negatief is wordt de restwaarde op nul gesteld.

Artikel 8.8

1. De artikelen 10 tot en met 14a van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing.

2.

Voor subsidie komen in aanmerking de ondergrondse investeringskosten, bestaande uit:

kosten boring productie- en injectieput; kosten op- en afbouwen boorinstallatie; kosten boormanagement en -toezicht; kosten locatie boorgereed maken; cuttings/spoeling afvoeren; kosten puttest en rapportage; kosten onvoorzien.

3. Voor subsidie komt in aanmerking een vast bedrag van € 500.000 voor het plaatsen van een pompinstallatie of het dichten van de put of putten.

4. Indien het verwacht vermogen 5 5/6 MW of kleiner is bedraagt het totaal van de in het tweede en derde lid genoemde subsidiabele kosten maximaal € 7.000.000.

5. Voor zover kosten uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd of gefinancierd van overheidswege komen zij niet in aanmerking voor subsidie.

6. Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies blijven de subsidies op grond van de bepalingen hoofdstuk 2 van bijlage 2 bij de artikelen 2:37, eerste lid, 2:38 en 2:40, vierde lid van de Regeling LNV-subsidies, de Unieke kansen regeling en hoofdstuk 3 van deze regeling en bijdragen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen buiten beschouwing.

7. Bijdragen van gemeenten en provincies worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies buiten beschouwing.

Artikel 8.9

1. De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van binnenkomst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.

2. Bij de beoordeling van de aanvragen wint de minister advies in van TNO.

Artikel 8.10

1. De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is twee jaar.

2.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

a. a. uit het geologisch onderzoek blijkt dat de geschatte kans op het realiseren van het verwachte vermogen kleiner is dan 90%; b. b. op het moment van indiening van de aanvraag om subsidie geen vergunning als bedoeld in artikel 6 van de Mijnbouwwet is afgegeven voor het betreffende gebied; c. c. in het projectplan niet aannemelijk is gemaakt dat het aardwarmteproject binnen twee jaar na voltooiing van de boringen zal leiden tot de start van toepassing van aardwarmte in Nederland; d. d. het verwacht vermogen lager is dan 2 MW.

Artikel 8.11

1. De subsidie-ontvanger betaalt voorafgaand aan de start van het aardwarmteproject een premie van 7% van het maximale subsidiebedrag.

2. Bij een verwacht vermogen groter dan 5 5/6 MW en verwachte subsidiabele kosten van meer dan € 7.000.000 bedraagt de premie, bedoeld in het eerste lid, € 416.500.

Artikel 8.12

1. De subsidie-ontvanger verstrekt de resultaten van de puttest binnen vier weken na de boring van een put.

2. Het geologisch onderzoek en de puttest worden uitgevoerd door een ISO 9001 gecertificeerde instelling.

3. De subsidie-ontvanger maakt de resultaten van het geologisch onderzoek en de puttest binnen vier weken na voltooiing van het aardwarmteproject openbaar.

Artikel 8.13

1. De subsidie-ontvanger start binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening de uitvoering van het aardwarmteproject en meldt de datum van aanvang binnen twee dagen na aanvang aan de minister. De minister kan op voorafgaand verzoek van de subsidie-ontvanger uitstel verlenen.

2. Het boorgereed maken van de locatie wordt aangemerkt als start van het aardwarmteproject.

Artikel 8.14

1. De subsidie-ontvanger voltooit de aardwarmteboringen uiterlijk twaalf maanden na de datum van aanvang van het aardwarmteproject, bedoeld in artikel 8.13, eerste lid.

2. De aardwarmteboringen zijn voltooid op het moment dat de productieput en de injectieput zijn geboord en de puttesten zijn uitgevoerd.

3. Indien de subsidie-ontvanger het aardwarmteproject staakt na de eerste boring wordt de aardwarmteboring geacht te zijn voltooid op het moment dat de puttest na de eerste boring is uitgevoerd.

4. De minister kan voor het vertragen, essentieel wijzigen of het stopzetten van activiteiten op voorafgaand verzoek van de subsidie-ontvanger ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 8.15

De artikelen 45 tot en met 47 van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing.

Artikel 8.16

1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 8.1.

2. Een aanvraag om subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 8.2.

3.

Geen accountantsverklaring wordt bijgevoegd indien:

a. a. bij de aanvraag om een subsidievaststelling geen aanspraak op de subsidie wordt gemaakt; of b. b. het subsidiebedrag waarop bij de aanvraag om een subsidievaststelling aanspraak wordt gemaakt minder dan € 125.000 bedraagt.

Hoofdstuk 9. Bioraffinage

Artikel 9.1

1.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

      *biomassa:* landbouwgewassen, organische reststromen zijnde dierlijk en plantaardig, landbouwreststromen, bosbouw reststromen, hout en aquatische biomassa;

      *bioraffinage:* technologie of combinatie van technologieën waarbij biomassa op duurzame wijze wordt omgezet in een cascade van vermarktbare producten: voedsel, veevoer, chemicaliën, brandstof en energie op een economisch gezonde basis met een minimale afvalproductie;

      *demonstratieproject bioraffinage:* een project waarbij installaties voor een bioraffinaderij aangeschaft, voortgebracht, geïnstalleerd, en doorontwikkeld worden tot continue bedrijfsvoering;

      *duurzaam:* economisch bestendige reductie van het gebruik van fossiele grond- en brandstoffen met minimale gevolgen voor het milieu en rekening houdend met socio-economische aspecten;

      *geavanceerde biobrandstoffen:* biobrandstoffen die door de keuze voor nieuwe grondstof-omzettingsproces-combinaties een hoge CO_2eq-ketenprestatie halen met minimale inzet van biomassa en als gevolg minimale concurrentie met de voedingsketen. Aspecten van geavanceerde biobrandstoffen zijn:
    
      
        a.
        beter milieurendement c.q. duurzamer, niet ten koste van andere milieudoelen (zie duurzaamheidscriteria in het Toetsingskader duurzame biomassa);
      
      
        b.
        op termijn van 510 jaar concurrerend op kosten met huidige grondstof-proces-combinaties;
      
      
        c.
        brede toepasbaarheid in huidig en toekomstig wagenpark;

a. a. beter milieurendement c.q. duurzamer, niet ten koste van andere milieudoelen (zie duurzaamheidscriteria in het Toetsingskader duurzame biomassa); b. b. op termijn van 510 jaar concurrerend op kosten met huidige grondstof-proces-combinaties; c. c. brede toepasbaarheid in huidig en toekomstig wagenpark;

      *Minister van LNV:* Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

      *pilotproject bioraffinage:* verwerven, combineren, vormgeven of gebruiken van bestaande of niet bestaande kennis en vaardigheden op het gebied van bioraffinage ten behoeve van het ontwikkelen en bouwen van een prototype en het experimenteren hiermee;

      *referentiekosten:* Kosten voor een investering ten behoeve van een in Nederland gangbaar systeem, apparaat of techniek die in technisch opzicht vergelijkbaar is met het uit te voeren pilotproject bioraffinage of demonstratieproject bioraffinage maar waarmee niet hetzelfde niveau van milieubescherming kan worden bereikt als met het uit te voeren project, bij vergelijkbare productiecapaciteit;

2. Op dit hoofdstuk is hoofdstuk 1 van deze regeling van overeenkomstige toepassing.

3. Dit hoofdstuk berust op artikel 2 van de Kaderwet LNV-subsidies.

Artikel 9.2

1.

De Minister van LNV verstrekt op aanvraag een subsidie aan:

a. a. een ondernemer voor een demonstratieproject bioraffinage dat past in een of meerdere bioraffinage thema's waarin:

        1°.
        nieuwe kennis of technologie wordt ontwikkeld en/of toegepast, of
      
      
        2°.
        nieuwe combinaties van bestaande kennis en technologieën worden toegepast;

1°. 1°. nieuwe kennis of technologie wordt ontwikkeld en/of toegepast, of 2°. 2°. nieuwe combinaties van bestaande kennis en technologieën worden toegepast; b. b. een ondernemer voor een pilotproject bioraffinage dat past in een of meerdere bioraffinage thema's waarin:

        1°.
        nieuwe kennis of technologie wordt ontwikkeld en/of toegepast, of
      
      
        2°.
        nieuwe combinaties van bestaande kennis en technologieën worden toegepast;

1°. 1°. nieuwe kennis of technologie wordt ontwikkeld en/of toegepast, of 2°. 2°. nieuwe combinaties van bestaande kennis en technologieën worden toegepast; c. c. een deelnemer in een samenwerkingsverband die een in sub a of b genoemd project bioraffinage uitvoert.

2.

Bioraffinage thema's als bedoeld in het eerste lid zijn:

a. a. bioraffinage van Nederlandse gewassen; b. b. bioraffinage van geïmporteerde biomassa rond Nederlandse havens; c. c. bioraffinage van afval- en reststromen; d. d. bioraffinage van aquatische biomassa.

3.

Geen subsidie wordt verstrekt aan:

a. a. projecten die betrekking hebben op de productie van biomassa en teelt van aquatische biomassa; b. b. projecten die uitsluitend betrekking hebben op de productie van biobrandstoffen of energie; c. c. projecten die betrekking hebben op ontwikkeling en demonstratie van zogenaamde eerste generatie biobrandstoftechnologie.

4.

De productie van biobrandstoffen kan slechts onderdeel uitmaken van een demonstratieproject bioraffinage of een pilotproject bioraffinage, indien:

a. a. het project betrekking heeft op de geïntegreerde co-productie van biobrandstoffen met andere vermarktbare producten, zoals voedsel, veevoer, chemicaliën en energie; b. b. het biobrandstoffendeel betrekking heeft op de productie van geavanceerde biobrandstoffen.

Artikel 9.3

1. Een samenwerkingsverband dat een demonstratieproject bioraffinage uitvoert, bestaat alleen uit ondernemers.

2. Een samenwerkingsverband dat een pilotproject bioraffinage uitvoert, bestaat uit ten minste een ondernemer.

3. De penvoerder in een samenwerkingsverband dat een pilotproject bioraffinage uitvoert is een ondernemer.

Artikel 9.4

1. In aanvulling op artikel 1.3, eerste lid, bedraagt de subsidie voor een pilotproject bioraffinage niet meer dan € 1000.000.

2. In afwijking van artikel 1.3 bedraagt de subsidie voor een demonstratieproject bioraffinage 35% van de subsidiabele kosten gemaakt door de ondernemer, maar niet meer dan € 4.000.000.

3. Het in het tweede lid genoemde percentage wordt met 10 procentpunten verhoogd voor iedere aanvrager die een middelgrote onderneming in stand houdt voor zover de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door die ondernemer.

4. Het in het tweede lid genoemde percentage wordt met 20 procentpunten verhoogd voor iedere aanvrager die een kleine onderneming in stand houdt voor zover de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door die ondernemer.

5. Voor de berekening van de in het tweede lid genoemde subsidiabele kosten is artikel 1.6 van toepassing met dien verstande dat onder sub c en d van het vijfde lid van artikel 1.6 de woorden duurzame energiehuishouding worden gelezen als: toename van het niveau van milieubescherming.

Artikel 9.5

De Minister van LNV verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 9.6

1. Op een subsidie voor een pilotproject bioraffinage is niet van toepassing artikel 23, onderdelen a en g, van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

2. Op een subsidie voor een demonstratieproject bioraffinage zijn niet van toepassing de artikelen 10 derde lid, 23 onderdelen a en g, 38, eerste lid, onderdelen b tot en met d, en 41 van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

Artikel 9.7

1. Er is een Adviescommissie bioraffinage, die tot taak heeft de Minister van LNV op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie op grond van artikel 9.2, eerste lid.

2. De commissie bestaat uit een voorzitter en twee andere leden.

3. De voorzitter en de leden worden benoemd voor een termijn van één jaar.

Artikel 9.8

1. De Adviescommissie bioraffinage adviseert de Minister van LNV over de afwijzingsgronden, bedoeld in het tweede lid en artikel 23 b, c, d, e, f, en h van het Kaderbesluit EZ-subsidies en de rangschikkingscriteria, bedoeld in het derde lid.

2.

De Minister van LNV beslist afwijzend op een aanvraag voor zover hij van oordeel is dat:

a. a. het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van de regeling; b. b. het een subsidie-ontvanger betreft die een ondernemer is tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, zesde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

3.

De Minister van LNV rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:

a. a. het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage meer bijdraagt aan de ontwikkeling en demonstratie van bioraffinagefaciliteiten, die leiden tot meerdere vermarktbare producten; b. b. het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage meer bijdraagt aan een verduurzaming van de grondstofvoorziening voor de industrie (bijv. chemische) en de energiesector; c. c. het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage meer herhalings- en opschalingspotentieel bezit, gebaseerd op kostprijsontwikkeling en marktverwachting; d. d. het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage technologisch innovatiever is ten opzichte van de huidige nationale en internationale praktijk.

4. Voor de rangschikking weegt het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde criterium mee voor 35/100, het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde criterium voor 30/100, het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde criterium voor 20/100 en het in het eerste lid, onderdeel d, genoemde criterium voor 15/100. Er geldt een drempel van 60 van de 100 punten.

Artikel 9.9

1. Een aanvraag wordt niet ingediend dan nadat daarover door de Adviescommissie bioraffinage aan de aanvrager advies is uitgebracht op basis van een vooraanmelding.

2. De Adviescommissie baseert zich op de afwijzingsgronden en rangschikkingcriteria, bedoeld in artikel 9.8, leden 1, 2 en 3.

Artikel 9.10

1. De subsidieontvanger start binnen zes maanden na datum van de beschikking tot subsidieverlening met de uitvoering van het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage.

2. De subsidieontvanger voltooit het demonstratieproject bioraffinage binnen drie jaar na aanvang van het demonstratieproject bioraffinage.

3. De subsidieontvanger voltooit het pilotproject bioraffinage binnen drie jaar na aanvang van het pilotproject bioraffinage.

Artikel 9.11

1. De subsidieontvanger voert het demonstratieproject bioraffinage of het pilotproject bioraffinage hoofdzakelijk in Nederland uit, behoudens voorafgaande schriftelijke ontheffing van de Minister van LNV voor (gedeeltelijke) uitvoering buiten Nederland.

2. Aan een ontheffing als bedoeld in het eerste lid kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 9.12

In aanvulling op de artikelen 37 en 39, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies staan aan de hand van het Toetsingskader voor duurzame biomassa in het projectplan en de eindrapportage ook gegevens over de duurzaamheid van de gebruikte biomassa in het demonstratieproject bioraffinage of in het pilotproject bioraffinage.

Artikel 9.13

1. Dit hoofdstuk valt onder de verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (de algemene groepsvrijstellingsverordening) (PbEU L214).

2. Aan de aanvrager wordt geen subsidie verstrekt indien daardoor zou worden gehandeld in strijd met de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 9.14

1. Een vooraanmelding wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 9.1.

2. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 9.2.

3. Een aanvraag om subsidievaststelling voor een demonstratieproject bioraffinage wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 9.3.

4. Een aanvraag om subsidievaststelling voor een pilotproject bioraffinage wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 9.4.

Hoofdstuk 10. Voorbereidingsstudies en demonstratieprojecten vergassing

Artikel 10.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    *demonstratieproject vergassing:* een project waarin vergassingstechniek wordt gedemonstreerd en doorontwikkeld tot een continue bedrijfsvoering, waarvan de schaalgrootte minimaal 10 MW en maximaal 50 MW (input thermisch) bedraagt, waarvoor zuivere biomassa, biomassa mengstromen of afvalfracties als brandstof dienen en waarvan het synthesegas wordt gebruikt voor warmtekracht/koppeling, toepassing in de industrie, opwerking tot vervangend aardgas of andere hoogwaardige energiedragers alsmede de verspreiding van de verkregen kennis en de vermarkting van de ontwikkelde technologie;

    *vergassing:* een thermisch proces dat plaatsvindt bij temperaturen boven 800 °C, waarbij de brandstof met een hoog rendement wordt omgezet in een synthesegas dat flexibel inzetbaar is;

    *voorbereidingsstudie:* een studie ter voorbereiding van een aanvraag voor een demonstratieproject vergassing waarbij de aanvrager onderzoekt of en aantoont dat de door hem ontwikkelde technologie voldoet aan de eisen die zijn gesteld aan een demonstratieproject vergassing.

Artikel 10.2

1. De Minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor een voorbereidingsstudie.

2. De Minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor een demonstratieproject vergassing.

3. In aanvulling op artikel 3, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn het eerste en tweede lid ook van toepassing op niet in Nederland gevestigde deelnemers in een samenwerkingsverband waarvan de penvoerder in Nederland is gevestigd.

4. Geen subsidie wordt verstrekt aan natuurlijke personen.

Artikel 10.3

Op een subsidie voor een demonstratieproject vergassing zijn niet van toepassing de artikelen 10, derde lid, en 41 van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

Artikel 10.4

1. De subsidie, bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten, maar niet meer dan € 25 000 per project.

2. De subsidie, bedoeld in artikel 10.2, derde lid, bedraagt 40 procent van de subsidiabele kosten, maar niet meer dan € 4 000 000 per project.

3. Het in het tweede lid genoemde percentage wordt met 10 procentpunten verhoogd voor iedere aanvrager die een kleine of middelgrote onderneming in stand houdt, voor zover de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door die ondernemer.

4. Voor de berekening van de subsidiabele kosten van een demonstratieproject vergassing is artikel 1.6 van toepassing.

Artikel 10.5

1. De Minister beslist op de aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, in de volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

2. De Minister beslist op de aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 10.2, tweede lid, op de volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 10.6

In aanvulling op artikel 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies beslist de Minister afwijzend op een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, indien de aanvrager geen aantoonbare ervaring heeft in innovatieve vergassingstechnologie.

Artikel 10.7

1. Er is een Adviescommissie demonstratieprojecten vergassing, die tot taak heeft de Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie op grond van artikel 10.2, tweede lid.

2. De commissie bestaat uit een voorzitter en vier andere leden.

3. De voorzitter en de leden worden benoemd voor een termijn van vier jaar.

Artikel 10.8

1. De Adviescommissie demonstratieprojecten vergassing adviseert de Minister over de afwijzingsgronden bedoeld in artikel 23, onderdelen e, f en h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies en de rangschikking, bedoeld in het derde lid.

2. In aanvulling op artikel 23 van het Kaderbesluit EZ-subsidies beslist de Minister afwijzend op een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 10, tweede lid, indien hij van oordeel is dat het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van de regeling.

3.

De Minister rangschikt de aanvragen voor een subsidie als bedoeld in artikel 10, tweede lid, waarop niet afwijzend is beslist, hoger naarmate:

a. a. het project technologisch en niet-technologisch innovatiever is ten opzichte van de huidige praktijk in Nederland; b. b. het project meer bijdraagt aan de verduurzaming van de energiehuishouding in CO_2 reductie of PJ per jaar op projectniveau; c. c. het project meer herhalingspotentieel bezit, gebaseerd op kostprijsontwikkeling en marktverwachting; d. d. het samenwerkingsverband van een betere kwaliteit is, de slaagkans van het project groter is en de kennisoverdracht een meer structureel onderdeel is van de demonstratie; e. e. een beter plan voorligt voor de opstartfase van de vergasser teneinde de vergassingstechnologie door te ontwikkelen tot een continue bedrijfsvoering van ten minste 5000 uur/jaar; f. f. een beter marketingplan voorligt om de vergassingstechnologie uit te rollen in Nederland.

4. Voor de rangschikking wegen de criteria genoemd in het derde lid even zwaar.

Artikel 10.9

1. De subsidieontvanger voltooit de voorbereidingsstudie binnen zes maanden na datum van de beschikking tot subsidieverlening.

2. De subsidieontvanger start het demonstratieproject vergassing binnen zes maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening en voltooit het uiterlijk binnen 4 jaar na de start van het project.

3. De subsidieontvanger voert het demonstratieproject vergassing in Nederland uit.

4. De subsidieontvanger verleent medewerking aan evaluatie van de effecten van het door hem uitgevoerde demonstratieproject vergassing, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden.

5. De verplichting, bedoeld in het vierde lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 10.10

1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 10.1.

2. Een aanvraag om subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 10.2.

Hoofdstuk 11. Experimenteerregeling Wind op Zee

Artikel 11.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    *demonstratie van nieuwe technieken:* op bescherming van het milieu gerichte activiteiten die een technisch en economisch risico inhouden, waarbij de activiteiten bestaan uit het bij de aanvrager treffen van energiebesparende maatregelen of maatregelen die het gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen met behulp van:
  
    
      1°.
      voor Nederland nieuwe apparaten, systemen of technieken;
    
    
      2°.
      een voor Nederland nieuwe toepassing van apparaten, systemen of technieken;

1°. 1°. voor Nederland nieuwe apparaten, systemen of technieken; 2°. 2°. een voor Nederland nieuwe toepassing van apparaten, systemen of technieken;

    *wind-op-zeeproject:* project voor industrieel onderzoek, experimentele ontwikkeling of demonstratie van nieuwe technieken op het gebied van ondersteuningsconstructies of op het gebied elektriciteitsopwekking op zee door middel van windturbines met een vermogen van ten minste 4 MW, of een combinatie van beiden.

Artikel 11.2

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan degene die in Nederland een wind-op-zeeproject uitvoert dat:

geschikt is voor gebruik in windparken op zee, en bijdraagt aan kostenreductie van windenergie op zee.

Artikel 11.3

1. De subsidie bedraagt maximaal € 4.500.000 per aanvraag.

2. De subsidie voor demonstratie van nieuwe technieken bedraagt 50% van de subsidiabele kosten. Het percentage wordt verhoogd met 10 procentpunten voor iedere aanvrager die een middelgrote onderneming in stand houdt en met 20 procentpunten voor iedere aanvrager die een kleine onderneming in stand houdt voor zover de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door die ondernemer.

3. Voor de berekening van de subsidiabele kosten met betrekking tot demonstratie van nieuwe technieken is artikel 1.6 van toepassing. In afwijking van artikel 1.6, zevende lid, maken de aan derden verschuldigde kosten, bedoeld in artikel 1.6, derde lid, onderdeel h, ten hoogste 70 procent uit van de som van de per kostensoort berekende investeringskosten van het project verminderd met de referentiekosten.

Artikel 11.4

De minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 11.5

1. De Adviescommissie lange termijn energieonderzoek en nieuw energieonderzoek, bedoeld in artikel 5 van het Besluit EOS: lange termijn, heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in artikel 23, onderdeel e, g en h van het Kaderbesluit EZ-subsidies en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 11.6.

2. De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is vier jaar.

Artikel 11.6

1.

De minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist, zodanig dat een project hoger gerangschikt wordt naarmate het meer bijdraagt aan de criteria omtrent:

a. a. technologische innovatie; b. b. duurzaamheid; c. c. technologische samenwerking; d. d. economisch perspectief.

2.

Als criteria voor technologische innovatie, duurzaamheid, technologische samenwerking en economisch perspectief als bedoeld in het eerste lid worden respectievelijk vastgesteld:

a. a. de mate waarin wordt bijgedragen aan technologische vernieuwing of aan wezenlijk nieuwe toepassingen van bestaande technologieën, met name gericht op offshore windturbine ontwikkelingen en daarbij behorende ondersteuningsconstructies; b. b. de mate waarin wordt bijgedragen aan verduurzaming van de energiehuishouding, met name in Nederland, in vermeden PJs of vermeden CO_2-emissies in 2020 en in 2025; c. c. de mate van doelmatigheid en doeltreffendheid van een eventueel samenwerkingsverband en de expertise van de partijen die het project uitvoeren, waaronder mede verstaan de leveranciers; d. d. de mate waarin de projectresultaten bijdragen aan de kostprijsdaling van windenergie op zee en economische meerwaarde creëren in Nederland.

3. Voor de rangschikking wegen de criteria genoemd in het eerste lid even zwaar.

Artikel 11.7

De subsidie-ontvanger voltooit de activiteiten uiterlijk vier jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 11.8

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

a. a. een subsidie is opgenomen in bijlage 11.1; b. b. een subsidievaststelling is opgenomen in bijlage 11.2.

Hoofdstuk 12. Slotbepalingen

Artikel 12.1

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 12.2

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke energieregeling markt en innovatie.

Bijlage 1. , behorende bij

Bijlage 2

Ligt ter inzage bij SenterNovem te Den Haag en te Utrecht.

Bijlage 3. bij

De technische voorzieningen, bedoeld in artikel 2.1, definitie duurzame warmtemaatregel, zijn:

Bijlage 4. bij

Bijlage 5

Bijlage 6

Ligt ter inzage bij SenterNovem te Den Haag en te Utrecht.

Bijlage 7

Ligt ter inzage bij SenterNovem te Den Haag en te Utrecht.

Bijlage 8

Ligt ter inzage bij SenterNovem te Den Haag en Utrecht.

Bijlage 8.1

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 8.2

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 9

Ligt ter inzage bij SenterNovem te Den Haag en Utrecht.

Bijlage 9.1. , behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 9.2. , behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 9.3. , behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 9.4. , behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 10

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 10.1

Bijlage 10.2

Bijlage 11

Ligt ter inzage bij SenterNovem te Den Haag en Utrecht.

Bijlage 11.1. behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 11.2. behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 12

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 13. , behorende bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 14. bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 15. bij

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

[afbeelding]

Bijlage 16. , aanvraagformulier als bedoeld in artikel 7.7 van de Tijdelijke energieregeling markt en innovatie