40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Tijdelijke regeling aanvullende dienstverlening | BWBR0044968 | ministeriele-regeling | geldend | 2021-03-26 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0044968 | Tijdelijke regeling aanvullende dienstverlening |
Tijdelijke regeling aanvullende dienstverlening
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- aanvullende dienstverlening: dienstverlening, niet zijnde reguliere dienstverlening, die aanvullend door een partij of een college van burgemeester en wethouders kan worden aangeboden zoals opgenomen in bijlage 1;
- dienstverlening werkfitbehoud: dienstverlening die door een partij of een college van burgemeester en wethouders kan worden aangeboden voor het behoud van werkfitheid zoals opgenomen in bijlage 3 voor het deel waarvoor de reguliere dienstverlening onvoldoende beschikbaar is;
- onderwijsinstellingen in het mbo en hoger onderwijs: instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, of een andere instelling voor beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel g, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- onderwijsovereenkomst: schriftelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 8.1.3. van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- partij(en): partij(en) als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen a tot en met d;
- praktijkovereenkomst: schriftelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8. van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- praktijkplaats: praktijkplaats als bedoeld in artikel 7.2.9. van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- SBB: Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven als rechtspersoon, bedoeld in artikel 1.5.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- scholing via praktijkleren in het mbo: een beroepsopleiding in de derde leerweg als bedoeld in artikel 1.4.1, lid 1.a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, waarbij sprake is van beroepspraktijkvorming waarvoor een erkend leerbedrijf een praktijkplaats realiseert, gericht op het behalen van een diploma, bedoeld in artikel 7.4.6. van de Wet educatie en beroepsonderwijs, een certificaat, bedoeld in artikel 7.2.3. van de Wet educatie en beroepsonderwijs, of een mbo-verklaring, bedoeld in artikel 7.4.6.a van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- reguliere dienstverlening: dienstverlening die door een partij of een college van burgemeester en wethouders kan worden aangeboden op grond van een regeling, niet zijnde deze regeling, of gemeentelijke verordening ongeacht of reguliere middelen beschikbaar zijn;
- werkgeversorganisatie: een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers, die krachtens haar statuten de belangenbehartiging van werkgevers beoogt;
- werknemer: werknemer in de zin van de werknemersverzekeringen of een werknemer, artiest, beroepssporter, lid van een buitenlands gezelschap of een aangewezen andere natuurlijke persoon als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de loonbelasting 1964;
- werknemersorganisatie: een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers, die krachtens haar statuten de belangenbehartiging van werknemers beoogt.
Artikel 2
1.
Partijen en colleges van burgemeester en wethouders ondersteunen in de regionale mobiliteitsteams de volgende groepen bij het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt:
a. a. werknemers die werkloos dreigen te raken maar niet in aanmerking komen voor dienstverlening op grond van artikel 30a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet SUWI; b. b. personen die in aanmerking komen voor ondersteuning bij arbeidsinschakeling op grond van artikel 30a van de Wet SUWI en artikel 73 van de Werkloosheidswet; c. c. personen die in aanmerking komen voor ondersteuning bij arbeidsinschakeling op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet, in samenhang met de artikelen 7, derde lid, en 10f, van de Participatiewet.
2. Aan werknemers en personen als bedoeld in het eerste lid kan in 2023 en 2024 aanvullende dienstverlening en scholing via praktijkleren uitsluitend worden aangeboden als uit de advisering, bedoeld in artikel 8, blijkt dat dit noodzakelijk is voor het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt en het verkrijgen van arbeid en de inzet van reguliere dienstverlening onvoldoende wordt geacht.
Artikel 3
Aan personen als bedoeld in artikel 38b, eerste en tweede lid, en artikel 38f, vijfde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, die werkloos zijn geworden of dreigen te worden, kunnen dienstverlening werkfitbehoud, aanvullende dienstverlening en scholing via praktijkleren in het mbo in 2023 en 2024 worden aangeboden.
Artikel 4
1. Partijen en colleges van burgemeester en wethouders werken samen in een regionaal mobiliteitsteam en worden gefinancierd om personen als bedoeld in artikel 2, indien nodig na advisering overeenkomstig artikel 8, en personen als bedoeld in artikel 3, te ondersteunen bij het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt en voor het samenbrengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.
2. Partijen geven de samenwerking met SBB en onderwijsinstellingen in het mbo en hoger onderwijs vorm ten behoeve van het doel, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 5
1.
De partijen, SBB en onderwijsinstellingen in het mbo en hoger onderwijs maken per arbeidsmarktregio schriftelijk afspraken over de samenwerking met betrekking tot de inzet en uitvoering van aanvullende dienstverlening, scholing via praktijkleren in het mbo en dienstverlening werkfitbehoud binnen het regionale mobiliteitsteam en melden dit aan de Minister. De afspraken zien in ieder geval op:
a. a. de wijze van organisatie van een regionaal overleg; b. b. het aanwijzen van een kwartiermaker bij het opzetten van een regionaal mobiliteitsteam; c. c. het aanwijzen van een operationeel coördinator; d. d. welke werknemers- en werkgeversorganisaties deelnemen aan het regionaal mobiliteitsteam; e. e. het waarborgen van toetreding van werknemers- en werkgeversorganisatie; f. f. de samenwerking rondom aanvullende dienstverlening, scholing via praktijkleren in het mbo en dienstverlening werkfitbehoud; g. g. de wijze waarop samengewerkt wordt met SBB en onderwijsinstellingen in het mbo en hoger onderwijs; h. h. het aanwijzen van een contactpunt voor betrokkenen voor de uitoefening van de rechten op grond van hoofdstuk III van de Algemene verordening gegevensbescherming; en i. i. het aanwijzen van een coördinerend functionaris voor gegevensbescherming.
2.
In aanvulling op het eerste lid, maken de partijen afspraken over:
a. a. de wijze van de uitvoering en toepassing conform de voor het plaatsen van opdrachten voor sociale en andere specifieke diensten geldende artikelen 2.38 en 2.39 van de Aanbestedingswet 2012; b. b. een andere wijze van contracteren, waarbij op basis van een vooraf bekendgemaakte toelatingsprocedure overeenkomsten worden gesloten en waarbij slechts geschiktheidseisen of minimumeisen worden gesteld en de betrokken persoon zelf kiest uit de toegelaten aanbieders; en c. c. de wijze van de uitvoering en toepassing van marktconforme tarieven bij het uitvoeren van deze regeling door eigen personeel van de partijen of, voor zover het de colleges van burgemeester en wethouders betreft, door het overheidspersoneel.
3. Het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, maakt afspraken met de colleges van burgemeester en wethouders binnen de arbeidsmarktregio over het proces en de inzet van aanvullende dienstverlening, scholing via praktijkleren in het mbo en dienstverlening werkfitbehoud in een regionaal mobiliteitsteam.
Artikel 6
1.
Per arbeidsmarktregio als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, van het Besluit SUWI, werken in een regionaal mobiliteitsteam de volgende partijen samen:
a. a. college van burgemeester en wethouders van de centrumgemeente, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van het Besluit SUWI, tenzij de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten binnen de arbeidsmarktregio een andere gemeente aanwijzen als partij; b. b. UWV; c. c. werknemersorganisaties; en d. d. werkgeversorganisaties.
2. De partij, bedoeld in artikel 6, eerste, lid, onderdeel a, meldt aan de kassier, bedoeld in artikel 15, welke partijen per arbeidsmarktregio samenwerken in een regionaal mobiliteitsteam.
Artikel 7
Vervallen
Artikel 8
Een partij of een college van burgemeester en wethouders adviseert binnen het regionaal mobiliteitsteam de personen als bedoeld in artikel 2 over de inzet van aanvullende dienstverlening. De adviserende partijen zijn, voor zover partijen hierover geen andere afspraken maken:
a. a. de partijen, genoemd in artikel 6, eerste lid, onderdelen c en d, voor personen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, en personen als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet SUWI; b. b. de partij, genoemd in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, voor personen als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, behoudens personen als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet SUWI; c. c. een college van burgemeester en wethouders voor personen als bedoeld in artikel 2, onderdeel c.
Artikel 9
De partij of een college van burgemeester en wethouders zendt geschriften tot behandeling waarvan kennelijk een andere partij of college van burgemeester en wethouders bevoegd is, onverwijld door aan die partij of college van burgemeester en wethouders onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.
Artikel 10
De persoon aan wie op basis van deze regeling aanvullende dienstverlening, dienstverlening werkfitbehoud of scholing via praktijkleren in het mbo wordt aangeboden spant zich in om hiervan gebruik te maken.
Artikel 11
Bij de gegevensverwerking in verband met de samenwerking in een regionaal mobiliteitsteam zijn de samenwerkende partijen of colleges van burgemeester en wethouders gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken als bedoeld in artikel 26 van de Algemene verordening gegevensbescherming.
Artikel 12
1. Ten behoeve van het doel, bedoeld in artikel 4, eerste lid, kunnen partijen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen c en d, gegevens verwerken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken in het kader de samenwerking grond van deze regeling.
2. De partijen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen c en d, zijn bevoegd om ten behoeve van het doel, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aan andere partijen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen a tot en met d, of colleges van burgemeester en wethouders, gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken in het kader de samenwerking grond van deze regeling.
3.
De gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn:
a. a. gegevens over de persoon: namen, geboortedatum, adresgegevens, contactgegevens; b. b. opleidingsgegevens; c. c. gegevens over het arbeidsverleden; d. d. gegevens over de huidige arbeidssituatie; e. e. arbeidsmarktbemiddelingsgegevens; en f. f. gegevens omtrent de inzet van de dienstverlening werkfitbehoud, aanvullende dienstverlening of scholing via praktijkleren in het mbo.
4. Indien aanvullende dienstverlening uit bijlage 1, scholing via praktijkleren in het mbo uit bijlage 2 of dienstverlening werkfitbehoud uit bijlage 3 door een partij als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen c en d, wordt ingekocht bij een derde, verstrekt die partij de gegevens, bedoeld in het derde lid, aan deze derde, mits de betrokkene toestemming heeft gegeven voor het verstrekken van deze gegevens.
5. Het is partijen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen c en d, verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van deze regeling over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijk is dan wel op grond van deze regeling is voorgeschreven of toegestaan.
Artikel 13
1. Ten behoeve van het doel, bedoeld in artikel 4, eerste lid, kunnen partijen als bedoeld in artikel 6, eerste, lid, onderdelen a en b, en colleges van burgemeester en wethouders, gegevens verwerken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken in het kader de samenwerking die bij of krachtens enige wet aan die partij of dat college van burgemeester en wethouders is opgedragen.
2. De partijen, bedoeld in artikel 6, eerste, lid, onderdelen a en b, en het college van burgemeester en wethouders, zijn bevoegd om ten behoeve van het doel, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aan partijen als bedoeld in artikel 6, eerste, lid, onderdelen c en d, gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken in het kader de samenwerking die bij of krachtens enige wet aan die partij of dat college van burgemeester en wethouders is opgedragen, mits de betrokkene schriftelijk heeft verklaard tegen de verstrekking van deze gegevens geen bezwaar te hebben.
3.
De gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn:
a. a. gegevens over de persoon: namen, geboortedatum, adresgegevens, contactgegevens; b. b. opleidingsgegevens; c. c. gegevens over het arbeidsverleden; d. d. gegevens over de huidige arbeidssituatie; e. e. arbeidsmarktbemiddelingsgegevens; f. f. gegevens omtrent de inzet van de dienstverlening werkfitbehoud, aanvullende dienstverlening of scholing via praktijkleren in het mbo; en g. g. of er sprake is van een persoon als bedoeld in artikel 3.
4. Indien aanvullende dienstverlening uit bijlage 1, scholing via praktijkleren in mbo als uit bijlage 2 of dienstverlening werkfitbehoud uit bijlage 3 door een partij als bedoeld in artikel 6, eerste, lid, onderdelen a en b, of een college van burgemeester en wethouders, wordt ingekocht bij een derde, verstrekt die partij of dat college van burgemeester en wethouders de gegevens, bedoeld in het derde lid, aan deze derde, mits betrokkene schriftelijk heeft verklaard tegen de verstrekking van deze gegevens geen bezwaar te hebben.
5. Partijen, bedoeld in artikel 6, onderdelen a en b, en colleges van burgemeesters en wethouders zijn bevoegd om gedurende de dienstverlening werkfitbehoud, aanvullende dienstverlening of scholing via praktijkleren in het mbo of binnen uiterlijk drie maanden na het afronden daarvan gegevens die ten behoeve van deze regeling zijn verwerkt, te verwerken ten behoeve van reguliere dienstverlening.
Artikel 14
Persoonsgegevens die door de partijen en colleges van burgemeester en wethouders worden verwerkt in het kader van de samenwerking worden ten hoogste drie maanden na de datum van afronding van de dienstverlening werkfitbehoud, aanvullende dienstverlening en scholing via praktijkleren in het mbo bewaard, of ten hoogste drie maanden na de datum van verwerking, bedoeld in artikel 13, vijfde lid, tenzij krachtens een ander wettelijk voorschrift een andere bewaartermijn geldt.
Artikel 15
1. Het UWV is belast met de taken van de kassier.
2. De kassier administreert en beheert feitelijk de budgetten, bedoeld in artikel 25, derde lid, en zorgt voor de uitbetaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 17 tot en met 21, aan de partijen.
3. De Minister verleent aan de directeur van de divisie Werkbedrijf van het UWV mandaat om in het kader van de uitvoering van de artikelen 19 tot en met 21, beschikkingen te nemen ter vaststelling van de hoogte van de vergoeding.
4. De directeur van de divisie Werkbedrijf van het UWV kan ondermandaat verlenen aan een of meer rechtstreeks onder hem ressorterende functionarissen.
Artikel 16
1. De Minister verleent aan de Raad van Bestuur van het UWV mandaat, volmacht en machtiging om, in het kader van de uitvoering van de artikelen 19 tot en met 21, te beslissen op bezwaarschriften, het instellen en het in rechte optreden in beroep of hoger beroep, dan wel het afzien van hoger beroep, met uitzondering van besluiten waarbij het UWV het bezwaarschrift of beroepsschrift heeft ingediend.
2. De Raad van Bestuur van het UWV kan ondermandaat verlenen of zijn andere vertegenwoordigingsbevoegdheden doorverlenen aan een of meer onder hem ressorterende functionarissen, met dien verstande dat de persoon die betrokken is bij het besluitvormingsproces van bezwaarschriften en het in rechte optreden in beroep of hoger beroep, niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg.
Artikel 17
1. De Minister vergoedt partijen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen a en b, per kalenderjaar per regionaal mobiliteitsteam overeenkomstig deze regeling de kosten van die partijen voor de samenwerking in een regionaal mobiliteitsteam.
2.
Onder kosten als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval verstaan:
a. a. de lasten ten behoeve van het verrichten van arbeid; b. b. de lasten ten behoeve van de bedrijfsvoering.
3. De Minister ontvangt uiterlijk op 31 januari 2023 voor het kalenderjaar 2023, en uiterlijk op 31 januari 2024 voor het kalenderjaar 2024 van de partij, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, per regionaal mobiliteitsteam een gezamenlijke begroting ten aanzien van de kosten van partijen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen a en b, waaruit de kosten per partij blijken en het rekeningnummer per partij waarop de kassier de vergoeding kan voldoen. De begroting van het betreffende kalenderjaar overschrijdt niet het bedrag per kalenderjaar uit bijlage 4 van de betreffende arbeidsmarktregio.
4. Indien de begroting aan het derde lid voldoet, besluit de Minister tot verlening van de vergoeding van de kosten van elke partij overeenkomstig de begroting en informeert hierover de kassier.
5. De Minister verstrekt bij het besluit, bedoeld in het vierde lid, een voorschot ter hoogte van 80% van het bedrag van de verlening aan elke partij. De vergoeding wordt in maandelijkse termijnen uitbetaald.
6. De Minister schort de betaling van een voorschot op als een melding van een partij daartoe aanleiding geeft.
7. De Minister ontvangt van de partij, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, uiterlijk op 15 juli een gezamenlijke opgave van de gemaakte kosten over het voorafgaande kalenderjaar. De opgave van de gemaakte kosten overschrijdt niet het bedrag per kalenderjaar uit bijlage 4 van de betreffende arbeidsmarktregio. Indien de opgave van de gemaakte kosten voldoet aan de vorige zinnen besluit de Minister tot vaststelling van de vergoeding van de kosten van elke partij overeenkomstig de opgave van de gemaakte kosten en informeert hierover de kassier.
8. Als de opgave van de totaal gemaakte kosten niet in kosten afwijkt van de begroting wordt de hoogte van de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de verlening.
Artikel 18
1. De Minister vergoedt partijen als bedoeld in artikel 6, eerste, lid, onderdelen c en d, per kalenderjaar overeenkomstig deze regeling de kosten van die partijen voor de samenwerking in een regionaal mobiliteitsteam.
2.
Onder kosten als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval verstaan:
a. a. de lasten ten behoeve van het verrichten van arbeid; b. b. de lasten ten behoeve van de bedrijfsvoering.
3. De Minister ontvangt uiterlijk 31 januari 2023 voor het kalenderjaar 2023, en uiterlijk op 31 januari 2024 voor het kalenderjaar 2024 van partijen als bedoeld in artikel 6, eerste, lid, onderdelen c en d, een gezamenlijke begroting ten aanzien van de kosten van partijen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen c en d, waaruit de kosten per partij blijken en het rekeningnummer per partij waarop de kassier de vergoeding kan voldoen. De begroting van het betreffende kalenderjaar overschrijdt niet het bedrag genoemd in artikel 22, tweede lid, onderdeel b.
4. Indien de begroting aan het derde lid voldoet, besluit de Minister tot verlening van de vergoeding van de kosten van elke partij overeenkomstig de begroting en informeert hierover de kassier.
5. De Minister verstrekt bij het besluit, bedoeld in het vierde lid, een voorschot ter hoogte van 80% van het bedrag van de verlening aan elke partij. De vergoeding wordt in maandelijkse termijnen uitbetaald.
6. De Minister schort de betaling van een voorschot op als een melding van een partij daartoe aanleiding geeft.
7. De Minister ontvangt van partijen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdelen c en d, uiterlijk op 15 juli een gezamenlijke opgave van de gemaakte kosten over het voorafgaande kalenderjaar. De opgave van de gemaakte kosten van het kalenderjaar 2021 overschrijdt niet het bedrag genoemd in artikel 22, tweede lid, onderdeel b. Indien de opgave van de gemaakte kosten voldoet aan de vorige zinnen besluit de Minister tot vaststelling van de vergoeding van de kosten van elke partij overeenkomstig de opgave van de gemaakte kosten en informeert hierover de kassier.
8. Als de opgave van de gemaakte kosten niet in kosten afwijkt van de begroting wordt de hoogte van de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de verlening.
Artikel 19
1.
De Minister vergoedt de kosten van aanvullende dienstverlening, bedoeld in bijlage 1, aan de partijen en colleges van burgemeester en wethouders overeenkomstig deze regeling. De procedure ter vergoeding van de kosten van de colleges van burgemeester en wethouders verloopt uitsluitend via de partij, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, die daartoe door de colleges gemachtigd is. Behandeling van volledige aanvragen geschiedt op volgorde van binnenkomst en overeenkomstig deze regeling indien:
a. a. voor personen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 het budget, bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdeel c, toereikend is; b. b. een verklaring van de partij is overlegd dat de aanvullende dienstverlening is betaald; c. c. een verklaring van de partij is overlegd dat marktconforme tarieven zijn gehanteerd; en d. d. een verklaring van de partij, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, is overlegd dat die partij gemachtigd is om te handelen overeenkomstig deze regeling.
2. Onder kosten als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstaan de kosten, bedoeld in de artikelen 17 en 18.
3.
De partijen overleggen eenmaal per maand een uitgavenoverzicht van de gemaakte kosten over de voorafgaande maand aan de kassier, waarin in ieder geval wordt vermeld:
a. a.
vervallen;
b. b. dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid; en c. c. een verklaring van een partij dat de kosten overeenkomstig deze regeling zijn besteed.
4. De partijen overleggen eenmaal per maand een overzicht van de hoogte van de te verwachten kosten aan de kassier.
5. Voor het overzicht, bedoeld in het derde en vierde lid, wordt een door de Minister beschikbaar gesteld formulier gebruikt.
6. De Minister besluit indien is voldaan aan het eerste tot en met derde lid, en het vijfde lid, op basis van het uitgavenoverzicht tot de vergoeding van de kosten van elke partij.
7. De vergoeding wordt maandelijks uitbetaald en komt ten laste van het budget, bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdeel c, van het kalenderjaar waarin de partij de kosten heeft voldaan, met uitzondering van kosten die worden voldaan na de looptijd van de regeling, deze komen ten laste van het budget van het jaar dat de dienstverlening waar de vergoeding betrekking op heeft van start is gegaan.
Artikel 20
1.
De Minister vergoedt de kosten van scholing via praktijkleren in het mbo, bedoeld in bijlage 2, aan de partijen en colleges van burgemeester en wethouders overeenkomstig deze regeling. De procedure ter vergoeding van de kosten van de colleges van burgemeester en wethouders verloopt uitsluitend via de partij, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, die daartoe door de colleges gemachtigd is. Behandeling van volledige aanvragen geschiedt op volgorde van binnenkomst en overeenkomstig deze regeling indien:
a. a. voor personen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 het budget, bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdeel c, toereikend is; b. b. er sprake is van een praktijkovereenkomst en een onderwijsovereenkomst, met een gelijke startdatum van de overeenkomsten; c. c.
vervallen;
d. d. een verklaring van de partij is overlegd dat marktconforme tarieven zijn gehanteerd; en e. e. een verklaring van de partij, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, is overlegd dat die partij gemachtigd is om te handelen overeenkomstig deze regeling.
2. Onder kosten als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de kosten van de mbo instelling die betrekking hebben op een maximum van 40 scholingsweken die gedurende een periode van maximaal 52 weken hebben plaatsgevonden vanaf de startdatum van de praktijkovereenkomst.
3.
De partijen overleggen eenmaal per maand een uitgavenoverzicht van de gemaakte kosten over de voorafgaande maand aan de kassier, waarin in ieder geval wordt vermeld:
a. a.
vervallen;
b. b. dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid; en c. c. een verklaring van een partij dat de kosten overeenkomstig deze regeling zijn besteed.
4. De partijen overleggen eenmaal per maand een overzicht van de hoogte van de te verwachten kosten aan de kassier.
5. Voor het overzicht, bedoeld in het derde en vierde lid, wordt een door de Minister beschikbaar gesteld formulier gebruikt.
6. De Minister besluit indien is voldaan aan het eerste tot en met derde lid, en het vijfde lid, op basis van het uitgavenoverzicht tot de vergoeding van de kosten van elke partij.
7. De vergoeding wordt maandelijks uitbetaald en komt ten laste van het budget, bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdeel c, van het kalenderjaar waarin de partij de kosten heeft voldaan, met uitzondering van kosten die worden voldaan na de looptijd van de regeling, deze komen ten laste van het budget van het jaar dat de dienstverlening waar de vergoeding betrekking op heeft van start is gegaan.
Artikel 21
1.
De Minister vergoedt de kosten van dienstverlening werkfitbehoud, bedoeld in bijlage 3, aan de partijen en colleges van burgemeester en wethouders overeenkomstig deze regeling. De procedure ter vergoeding van de kosten van de colleges van burgemeester en wethouders verloopt uitsluitend via de partij, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, die daartoe door de colleges gemachtigd is. Behandeling van volledige aanvragen geschiedt op volgorde van binnenkomst en overeenkomstig deze regeling indien:
a. a. voor personen als bedoeld in artikel 3 het budget, bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdeel c, toereikend is; b. b. een verklaring van de partij is overlegd dat marktconforme tarieven worden gehanteerd; en c. c. een verklaring van de partij, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, is overlegd dat die partij gemachtigd is om te handelen overeenkomstig deze regeling.
2.
De partijen overleggen eenmaal per maand een uitgavenoverzicht van de gemaakte kosten over de voorafgaande maand aan de kassier, waarin in ieder geval wordt vermeld:
a. a.
vervallen;
b. b. dat is voldaan aan de vereisten, bedoeld in het eerste lid; en c. c. een verklaring van een partij dat de kosten overeenkomstig deze regeling zijn besteed.
3. De partijen overleggen eenmaal per maand een overzicht van de hoogte van de te verwachten kosten aan de kassier.
4. Voor het overzicht, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt gebruik gemaakt van een door de Minister beschikbaar gesteld formulier.
5. De Minister besluit indien is voldaan aan het eerste, tweede en vierde lid, op basis van het uitgavenoverzicht tot de vergoeding van de kosten van elke partij.
6. De vergoeding wordt maandelijks uitbetaald en komt ten laste van het budget, bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdeel c, van het kalenderjaar waarin de partij de kosten heeft voldaan, met uitzondering van kosten die worden voldaan na de looptijd van de regeling, deze komen ten laste van het budget van het jaar dat de dienstverlening waar de vergoeding betrekking op heeft van start is gegaan.
Artikel 22
1. De budgetten, genoemd in het tweede lid, worden voor het kalenderjaar verdeeld door de Minister.
2.
De verdeling van het budget voor de kosten:
a. a. van UWV en colleges van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 17, per regionaal mobiliteitsteam is opgenomen in bijlage 4, waarbij het plafond in 2023 € 23.516.926, en in 2024 € 19.757.000 bedraagt; b. b. van werknemers- en werkgeversorganisaties, bedoeld in artikel 18, waarbij het plafond in 2023 en in 2024 € 13.700.000 bedraagt; c. c. voor aanvullende dienstverlening, bedoeld in artikel 19, voor scholing via praktijkleren in het mbo, bedoeld in artikel 20, en voor dienstverlening werkfitbehoud, bedoeld in artikel 21, per regionaal mobiliteitsteam is opgenomen in bijlage 5, waarbij het plafond in 2023 € 25.555.000, en in 2024 € 21.000.000 bedraagt.
3. De bedragen per kalenderjaar in bijlage 4 en 5 kunnen tussentijds bij ministeriële regeling worden gewijzigd. De ministeriële regeling wordt ten minste twee maanden voorafgaand aan de wijziging gepubliceerd in de Staatscourant. Van deze termijn kan worden afgeweken voor zover de bedragen niet naar beneden worden bijgesteld.
Artikel 23
1. De partijen en colleges van burgemeester en wethouders voeren een zodanig inzichtelijke en controleerbare administratie dat alle voor de vergoeding, bedoeld in artikelen 17 tot en met 21, van belang zijnde gegevens kunnen worden nagegaan en verlenen desgevraagd tot vijf jaar na de datum van de door de partij ontvangen vergoeding inzage in deze administratie.
2. De administratie geeft inzicht in de gemaakte kosten, de wijze waarop de kosten zijn verwerkt in het uitgavenoverzicht en de ontvangen vergoeding.
3. De partijen en colleges van burgemeester en wethouders werken tot vijf jaar na de datum van de door de partij ontvangen vergoeding als bedoeld in artikelen 17 tot en met 21, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, mee aan door of namens de Minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de Minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor het beoordelen van de rechtmatigheid van de vergoeding, of de ontwikkeling van het beleid van de Minister.
Artikel 24
De Minister verleent volmacht en machtiging aan UWV om de vergoeding, bedoeld in de artikelen 17 tot en met 21, geheel of gedeeltelijk terug te vorderen van de partij of het college van burgemeester en wethouders indien ten onrechte of voor een te hoog bedrag is verstrekt.
Artikel 25
1. Het Rijk voorziet in de middelen tot dekking van de uitgaven verbonden aan deze regeling. De uitgaven betreffen de budgetten, bedoeld in artikel 22, tweede lid, en de uitvoeringskosten van de taken, bedoeld in artikel 15.
2. Het UWV administreert en beheert afzonderlijk de middelen, bedoeld in het eerste lid.
3.
De Minister stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel b, van de Regeling Wfsv voorschotten op de rijksbijdrage van de volgende budgetten ten aanzien van:
a. a. de kosten van UWV en colleges van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 17, met als valutadatum de 22^ste dag van de maand; b. b. de kosten van werknemers- en werkgeversorganisaties, bedoeld in artikel 18, met als valutadatum de 22^ste dag van de maand; c. c. de kosten voor aanvullende dienstverlening uit bijlage 1, bedoeld in artikel 19, met als valutadatum de 22^ste dag van de maand; d. d. de kosten van scholing via praktijkleren in het mbo uit bijlage 2, bedoeld in artikel 20, met als valutadatum de 22^ste dag van de maand; en e. e. de kosten voor dienstverlening werkfitbehoud uit bijlage 3, bedoeld in artikel 21, met als valutadatum de 22^ste dag van de maand.
4. De Minister stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel b, van de Regeling Wfsv voorschotten op de rijksbijdrage voor de uitvoeringskosten van de taken, bedoeld in artikel 15, en uitvoeringskosten van het aanspreekpunt tijdelijke impuls banenafspraak, bedoeld in artikel 7, met als valutadatum de 15e dag van de maand.
Artikel 26
1. Het UWV brengt aan de Minister inhoudelijk en financieel verslag uit over de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 15, overeenkomstig artikel 49, eerste en derde tot en met vijfde lid, van de Wet SUWI en de krachtens die bepaling geldende regels.
2. In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet SUWI, worden de baten en lasten opgenomen, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 25, vierde lid, met betrekking tot de taken, bedoeld in artikel 15.
3. Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten op grond van artikel 25, vierde lid, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar.
Artikel 27
1. Het UWV brengt jaarlijks over het voorgaande jaar, uiterlijk op 15 maart, aan de Minister financieel verslag uit over beheer van de budgetten, bedoeld in artikel 25, derde lid, overeenkomstig artikel 49, van de Wet SUWI en de krachtens die bepaling geldende regels.
2. In het verslag, bedoeld in artikel 5.10a, zevende lid, van de Regeling SUWI, worden de uitbetalingen van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 17 tot en met 21, opgenomen, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 25, derde lid.
3. De uitbetalingen alsmede de ontvangen voorschotten worden gespecificeerd naar de budgetten zoals genoemd in artikel 25, derde lid.
4. Na beoordeling van het verslag rekent de Minister de uitbetalingen alsmede de ontvangen voorschotten met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 april van het hierop volgende kalenderjaar.
Artikel 28
1. Partijen rapporteren eenmaal per twee maanden aan de Minister over het deel van de uitvoering van deze regeling waar zij ingevolge artikel 8 verantwoordelijk voor zijn, ten behoeve van de landelijke monitor regionale mobiliteitsteams.
2. Tussentijdse wijzigingen in de afspraken, bedoeld in artikel 5, en de samenstelling van de partijen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, worden door de operationeel coördinator doorgegeven aan de Minister en de kassier.
3. De Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze regeling een verslag aan de Staten-Generaal over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.
Artikel 29
Wijzigt de Regeling SUWI.
Artikel 30
Wijzigt de Regeling Wfsv.
Artikel 31
Indien artikel I, onderdeel H, van de Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en een aantal andere wetten in verband met diverse maatregelen gericht op het versterken van de positie van mbo-studenten (Wet versterken positie mbo-studenten; Stb. 2020, 234) in werking treedt, wordt in artikel 20, derde lid, onderdeel a, ‘instellingsverklaring’ vervangen door ‘mbo-verklaring’.
Artikel 32
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
2. Deze regeling vervalt op 1 januari 2025 met dien verstande dat deze regeling zoals die luidde op 31 december 2024 en daaraan voorafgaand van toepassing blijft op de financiële afwikkeling van de regeling over de voorgaande kalenderjaren, op ingestelde bezwaar- en beroepsprocedures op grond van deze regeling en op lopende besluitvorming van de aanvullende dienstverlening, dienstverlening werkfitbehoud en scholing via praktijkleren in het mbo.
Artikel 33
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling aanvullende dienstverlening.
Bijlage 1. Aanvullende dienstverlening
- (bijlage als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Tijdelijke regeling aanvullende dienstverlening) *
Bijlage 2. Scholing via praktijkleren in het mbo
(bijlage als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Tijdelijke regeling aanvullende dienstverlening)
Bijlage 3. Dienstverlening werkfitbehoud
(bijlage als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Tijdelijke regeling aanvullende dienstverlening)
Bijlage 4
(bijlage als bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdeel a)
Bijlage 5
(bijlage als bedoeld in artikel 22, tweede lid, onderdeel c)
Bijlage 6
Vervallen
Bijlage 7
Vervallen