rijk/ministeriele-regeling/tijdelijke-regeling-uitkering-aan-voormalig-wwik-gerechtigden/BWBR0031137
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Tijdelijke regeling uitkering aan voormalig WWIK-gerechtigden BWBR0031137 ministeriele-regeling geldend 2012-03-15 https://wetten.overheid.nl/BWBR0031137 Tijdelijke regeling uitkering aan voormalig WWIK-gerechtigden

Tijdelijke regeling uitkering aan voormalig WWIK-gerechtigden

Artikel 1

1.

De persoon:

a. a. die op 31 december 2011 recht had op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen kunstenaars; b. b. die voor 1 januari 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen kunstenaars heeft aangevraagd waarop na die datum begunstigend is beslist; of c. c. die met ingang van een datum gelegen voor 1 januari 2012 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen kunstenaars toegekend heeft gekregen en nog niet gedurende vier jaar recht op uitkering op grond van die wet heeft gehad, heeft recht op een uitkering overeenkomstig die wet en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden op 31 december 2011, tot het tijdstip waarop het recht op die uitkering op grond van die bepalingen zou eindigen, doch niet langer dan tot 1 juli 2012.

2. In afwijking van het eerste lid is artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen kunstenaars niet van overeenkomstige toepassing.

3. In afwijking van het eerste lid is artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van de Wet werk en inkomen kunstenaars niet van overeenkomstige toepassing op de persoon, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

4.

Bij de toepassing van deze regeling wordt ten aanzien van de persoon, bedoeld in het eerste lid, artikel 16, eerste, tweede en derde lid, van de Wet werk en inkomen kunstenaars als volgt gelezen:

    1. De uitkering, bedoeld in artikel 15, wordt binnen acht weken nadat de kunstenaar de benodigde gegevens na de beëindiging heeft verstrekt, en uiterlijk vóór 31 december 2012, definitief vastgesteld.
    1. Bij de definitieve vaststelling van de hoogte van de uitkering wordt van het volgende uitgegaan:

        a.
        over de periode gedurende de looptijd van de Tijdelijke regeling uitkering aan voormalig WWIK-gerechtigden waarin geen uitkering is ontvangen wordt niet in aanmerking genomen het bruto-inkomen tot een maximum per maand van het in artikel 8, onderdeel a, genoemde van toepassing zijnde bedrag, vermeerderd met de door de kunstenaar of zijn gezin verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet, voor zover deze hem niet op grond van artikel 46 van de Zorgverzekeringswet is vergoed;
      
      
        b.
        het na toepassing van onderdeel a overblijvende meerinkomen wordt in aanmerking genomen over de periode waarin gedurende de looptijd van de Tijdelijke regeling uitkering aan voormalig WWIK-gerechtigden uitkering is verleend, voor zover dat tezamen met het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid, over deze periode per maand meer bedraagt dan het van toepassing zijnde bedrag:
      
      
            1°.
            € 1.560,44 voor een alleenstaande;
      
      
            2°.
            € 2.023,29 voor een alleenstaande ouder;
      
      
            3°.
            € 2.170,19 voor gehuwden.
      

a. a. over de periode gedurende de looptijd van de Tijdelijke regeling uitkering aan voormalig WWIK-gerechtigden waarin geen uitkering is ontvangen wordt niet in aanmerking genomen het bruto-inkomen tot een maximum per maand van het in artikel 8, onderdeel a, genoemde van toepassing zijnde bedrag, vermeerderd met de door de kunstenaar of zijn gezin verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet, voor zover deze hem niet op grond van artikel 46 van de Zorgverzekeringswet is vergoed; b. b. het na toepassing van onderdeel a overblijvende meerinkomen wordt in aanmerking genomen over de periode waarin gedurende de looptijd van de Tijdelijke regeling uitkering aan voormalig WWIK-gerechtigden uitkering is verleend, voor zover dat tezamen met het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid, over deze periode per maand meer bedraagt dan het van toepassing zijnde bedrag:

            1°.
            € 1.560,44 voor een alleenstaande;
          
          
            2°.
            € 2.023,29 voor een alleenstaande ouder;
          
          
            3°.
            € 2.170,19 voor gehuwden.

1°. 1°. € 1.560,44 voor een alleenstaande; 2°. 2°. € 2.023,29 voor een alleenstaande ouder; 3°. 3°. € 2.170,19 voor gehuwden. 3. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid en artikel 5, eerste lid, onderdeel b, wordt bij een kunstenaar wiens uitkering vóór 1 juli 2012 is beëindigd in verband met het bereiken van de maximale uitkeringsduur op grond van artikel 19, het inkomen van die kunstenaar of zijn gezin slechts in aanmerking genomen over de periode van de looptijd van deze regeling voorafgaand aan het tijdstip met ingang waarop de uitkering is beëindigd, voor zover dat inkomen tezamen met het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in artikel 15, eerste lid, over deze periode per kalendermaand meer bedraagt dan het van toepassing zijnde bedrag, genoemd in het tweede lid, onderdeel b.

5. In afwijking van het eerste lid is artikel 22, derde lid, van de Wet werk en inkomen kunstenaars niet van overeenkomstige toepassing. De verordeningen zoals die luidden op 31 december 2011, opgesteld door de gemeenteraad op grond van artikel 22, derde lid, onderdelen a en b, van de Wet werk en inkomen kunstenaars zoals dat artikel luidde op 31 december 2011, zijn van overeenkomstige toepassing.

6. De artikelen 13, tweede lid, onderdeel b, 15, tweede lid, 48, vijfde lid, 60, derde lid, 60a, eerste lid, 67, eerste lid, onderdeel c, en 69, eerste lid, onderdeel c, van de Wet werk en bijstand, 1.6, eerste lid, onderdeel d, tweede lid en derde lid, onderdeel b, 1.22, eerste lid, onderdelen a en c, 1.24, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, en 1.35, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, 30, vijfde lid, onderdeel b, 34, tweede lid, onderdeel b, en 37, onderdeel b, onder 3°, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, 28, tweede lid, en 48, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, 28, tweede lid, en 48, eerste lid, onderdeel c, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, 17g, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet, 45, tweede lid, van de Algemene nabestaandenwet, 17i, tweede lid, van de Algemene Ouderdomswet, 14g, tweede lid, van de Toeslagenwet, 27g, tweede lid, van de Werkloosheidswet, 54, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 47, eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen, 24, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 29g, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, 3:43, tweede lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, 96, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 23, derde lid, onderdeel b, onder 1°, van de Wet op de loonbelasting 1964 en 45g, tweede lid, van de Ziektewet en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op 31 december 2011, zijn van overeenkomstige toepassing op de persoon, bedoeld in het eerste lid, tot het tijdstip, bedoeld in het eerste lid.

7.

Bij de toepassing van het eerste lid wordt in de Wet werk en inkomen kunstenaars in artikel:

a. a.

      7, tweede lid, onderdeel e, voor ‘€ 46.900,00 gelezen: € 48.000,00;

b. b.

      7, derde lid, onderdeel a, voor ‘€ 5.555,00 gelezen: € 5.685,00;

c. c.

      7, derde lid, onderdeel b, voor ‘€ 11.110,00 gelezen: € 11.370,00;

d. d.

      7, derde lid, onderdeel c, voor ‘€ 11.110,00 gelezen: € 11.370,00;

e. e.

      8, onderdeel a, onder 1°, voor ‘€ 1.175,56 gelezen: € 1.186,07;

f. f.

      8, onderdeel a, onder 2°, voor ‘€ 1.468,28 gelezen: € 1.477,18;

g. g.

      8, onderdeel a, onder 3°, voor ‘€ 1.550,01 gelezen: € 1.562,33;

h. h.

      15, eerste lid, onderdeel a, voor ‘€ 745,39 gelezen: € 750,50;

i. i.

      15, eerste lid, onderdeel b, voor ‘€ 1.034,28 gelezen: € 1.043,12;

j. j.

      15, eerste lid, onderdeel c, voor ‘€ 1.103,51 gelezen: € 1.115,85.

Artikel 2

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente jegens wie het recht op uitkering van de persoon, bedoeld in artikel 1, eerste lid, zou bestaan op grond van artikel 16 van het Uitvoeringsbesluit WWIK, zoals dat luidde op 31 december 2011, is bevoegd om namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met betrekking tot die persoon besluiten te nemen en handelingen te verrichten ter uitvoering van deze regeling. Het college kan deze bevoegdheden in een door hem te bepalen omvang mandateren of doorverlenen met inbegrip van de mogelijkheid van ondermandaat en verdere doorverlening.

Artikel 3

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verstrekt ten laste van s Rijks kas aan het college, bedoeld in artikel 2, een eenmalige specifieke uitkering voor de lasten voortvloeiend uit deze regeling. Artikel 47, tweede lid, van de Wet werk en inkomen kunstenaars en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luidden op 31 december 2011, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3a

1. De Stichting Cultuur Ondernemen heeft tot taak het college, bedoeld in artikel 2, van advies te dienen overeenkomstig artikel 23, vijfde lid, juncto artikel 35 van de Wet werk en inkomen kunstenaars, zoals die artikelen op 31 december 2011 luidden.

2. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vergoedt ten laste van s Rijks kas de door de Stichting Cultuur Ondernemen gemaakte uitvoeringskosten, voor de uitgebrachte adviezen, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig de in artikel 3b gestelde regels.

3. De Stichting Cultuur Ondernemen declareert de gedurende de looptijd van deze regeling gemaakte uitvoeringskosten bij het Rijk door middel van een kostenopgave over die periode. Deze opgave is voorzien van een verklaring van een registeraccountant of een Accountant-Administratieconsulent ten aanzien van wie bij de inschrijving in het in artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten bedoelde register een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 36, derde lid, van die wet.

Artikel 3b

1. Ter zake van de uitvoeringskosten voor de taak, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, vergoedt het Rijk aan de Stichting Cultuur Ondernemen € 680,00 per uitgebracht advies ten aanzien van wie gedurende de looptijd van deze regeling op verzoek van het college advies is uitgebracht.

2. In afwijking van het eerste lid wordt, indien blijkens de kostenopgave, bedoeld in artikel 3a, derde lid, het aantal gerealiseerde adviezen gedurende de looptijd van deze regeling lager is dan het verwachte aantal uit te brengen adviezen, bedoeld in artikel 3d, eerste lid, de vergoeding ter zake van de uitvoeringskosten vastgesteld op de som van de helft van het gerealiseerde aantal adviezen maal het vergoedingsbedrag, bedoeld in het eerste lid, en het budget, bedoeld in artikel 3d, tweede lid.

Artikel 3c

1. De kostenopgave en de verklaring van de accountant, bedoeld in artikel 3a, derde lid, worden uiterlijk op 1 november 2012 door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ontvangen.

2. De kostenopgave wordt ingericht overeenkomstig het model van bijlage 1 bij deze regeling.

3. De verklaring van de accountant wordt ingericht overeenkomstig het model van bijlage 2 bij deze regeling. Het onderzoek dat resulteert in de verklaring wordt uitgevoerd overeenkomstig het als bijlage 3 bij deze regeling opgenomen controle- en rapportageprotocol.

Artikel 3d

1. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt gedurende de looptijd van de regeling eenmalig een voorschot vast ten behoeve van de uitvoeringskosten van de Stichting Cultuur Ondernemen op basis van het te verwachten aantal uit te brengen adviezen en de kosten daarvan.

2. Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de helft als budget toegekend.

3. Het vastgestelde budget wordt gedurende de looptijd van deze regeling betaalbaar gesteld.

Artikel 3e

1. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt de vergoeding vast binnen een half jaar na ontvangst van de kostenopgave, bedoeld in artikel 3a, derde lid.

2. Indien de kostenopgave niet is ontvangen binnen de in artikel 3a, eerste lid, gestelde termijn dan wel niet is voorzien van de verklaring, bedoeld in artikel 3a, derde lid, kan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de vergoeding over de looptijd van de regeling ambtshalve vaststellen.

Artikel 4

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, werkt terug tot en met 1 januari 2012 en vervalt met ingang van 1 juli 2012.

2. In afwijking van het eerste lid blijft deze regeling, zoals deze luidde op 30 juni 2012 van toepassing op de financiële afwikkeling van deze regeling.

Artikel 5

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling uitkering aan voormalig WWIK-gerechtigden.

Bijlage 1. als bedoeld in

[afbeelding]

Bijlage 2. als bedoeld in

[afbeelding]

Bijlage 3. als bedoeld in

De krachtens artikel 3a, derde lid, van de Tijdelijke regeling uitkering aan voormalig WWIK-gerechtigden te stellen regels inzake de accountantsverklaring bij de kostenopgave van de Stichting Cultuur Ondernemen, bedoeld in artikel 3a, eerste lid, van de Tijdelijke regeling uitkering aan voormalig WWIK-gerechtigden en het onderzoek dat resulteert in de accountantsverklaring