rijk/ministeriele-regeling/tijdelijke-subsidieregeling-innovaties-duurzame-binnenvaart-20182019/BWBR0041347
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Tijdelijke subsidieregeling innovaties duurzame binnenvaart 20182019 BWBR0041347 ministeriele-regeling geldend 2018-09-18 https://wetten.overheid.nl/BWBR0041347 Tijdelijke subsidieregeling innovaties duurzame binnenvaart 20182019

Tijdelijke subsidieregeling innovaties duurzame binnenvaart 20182019

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • Innovatieraad Binnenvaart: door het bedrijfsleven ingesteld college van deskundigen uit de binnenvaartsector ten behoeve van het stimuleren van de innovatie in de binnenvaart;
  • Kaderbesluit: Kaderbesluit subsidies I en M;
  • Minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
  • project: experimenteel ontwikkelingsproject, haalbaarheidsproject gericht op experimentele ontwikkeling, haalbaarheidsproject gericht op industrieel onderzoek, industrieel onderzoeksproject, innovatiecluster- exploitatieproject of innovatiecluster- investeringsproject dat aan artikel 2 voldoet;
  • staatssteun: steunmaatregelen als omschreven in artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Artikel 2

Doel van deze regeling is het verstrekken van financiële bijdragen aan de binnenvaartsector ten behoeve van projecten die bijdragen aan de duurzaamheid van de sector door reductie van CO_2-, NO_X-, PM- emissies of methaanslip.

Artikel 3

1. Projecten zijn subsidiabel indien deze gericht zijn op het gebruik van alternatieve brandstoffen, alternatief motorgebruik, voor- of nabehandelingstechnieken of motormanagement, inrichting en gebruik van het schip ten behoeve van de reductie van CO_2-, NO_X- en PM-emissies of methaanslip bij de voortstuwing van voor de binnenvaart gebruikte schepen.

2.

De volgende typen projecten, die op de in het eerste lid genoemde doelstellingen zijn gericht, kunnen voor subsidie in aanmerking komen:

a. a.

      *experimenteel ontwikkelingsproject:* samenhangend geheel van activiteiten, gericht op het verwerven, combineren, vormgeven of gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technische, zakelijke of andere relevante kennis en vaardigheden voor plannen, schemas of ontwerpen voor nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, procedés of diensten, voor zover deze activiteiten geen routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, procedés of diensten behelzen, zelfs als die wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden;

b. b.

      *haalbaarheidsproject gericht op experimentele ontwikkeling:* een systematisch opgezette en afgeronde analyse van de technische mogelijkheden voor experimentele ontwikkeling;

c. c.

      *haalbaarheidsproject gericht op industrieel onderzoek:*een systematisch opgezette en afgeronde analyse van de technische mogelijkheden voor het uitvoeren van industrieel onderzoek;

d. d.

      *industrieel onderzoeksproject:* samenhangend geheel van onderzoeksactiviteiten gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren;

e. e.

      *innovatiecluster-exploitatieproject:* samenhangend geheel van activiteiten gericht op het aansturen van een innovatiecluster door de rechtspersoon die het innovatiecluster exploiteert en

f. f.

      *innovatiecluster-investeringsproject:* een samenhangend geheel van activiteiten gericht op het opzetten of uitbreiden van een innovatiecluster door de rechtspersoon die het innovatiecluster exploiteert.

Artikel 4

1.

De Minister verleent subsidie voor projecten op basis van een door de Innovatieraad Binnenvaart schriftelijk opgestelde rangschikking conform de volgende criteria:

a. a. de mate waarin de innovatie generiek toepasbaar is voor binnenvaartschepen van een vergelijkbaar scheepstype of vaarprofiel; b. b. de mate waarin de innovatie de uitstoot van CO_2, NO_X, PM of methaanslip reduceert, en; c. c. de mate waarin de innovatie een terugverdieneffect heeft voor degene die haar toepast.

2. Voor elk van de in het eerste lid genoemde criteria is per project een maximum van 10 punten te behalen.

3. Indien twee of meer projecten na de rangschikking op dezelfde plaats in de rangschikking terechtkomen wordt door middel van loting de definitieve plaats in de rangschikking bepaald.

Artikel 5

Voor de subsidie is ten hoogste beschikbaar:

a. a. € 1.250.000, in 2018; b. b. € 1.400.000, in 2019.

Artikel 6

1. De subsidie bedraagt ten hoogste € 250.000, per project.

2.

De volgende kosten komen voor subsidie in aanmerking:

a. a. 50% van de studiekosten voor haalbaarheidsprojecten gericht op industrieel onderzoek en haalbaarheidsprojecten gericht op experimentele ontwikkeling. b. b. 50% van de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen kosten voor industriële onderzoeksprojecten:

        1°.
        loonkosten van direct bij het project betrokken personeel, waarbij het uurloon wordt berekend aan de hand van het brutoloon: loon in geld, volgens de verzamelloonstaat, ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, te delen door 1.650 productieve uren, verhoogd met een forfaitair percentage van 20 voor de werkgeverslasten. In geval van een parttime dienstverband wordt het uurloon op voornoemde wijze berekend na omrekening van het brutoloon naar een fulltime dienstverband;
      
      
        2°.
        een opslag voor algemene kosten van ten hoogste 50 procent van de in het in subonderdeel 1°, bedoelde loonkosten;
      
      
        3°.
        kosten van aanschaf van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
      
      
        4°.
        afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode uitgaande van de historische aanschafwaarde verminderd met de restwaarde, met dien verstande dat in geval van lease wordt uitgegaan van de contante waarde van de gedurende de projectperiode betaalde leasetermijnen naar rato van het gebruik van de machines en apparatuur voor het project onder aftrek van de in de leasetermijnen begrepen vergoedingen voor financiering en afschrijving;
      
      
        5°.
        huurkosten van machines en apparatuur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode;
      
      
        6°.
        aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en onderzoeksactiviteiten en ter zake van de aanschaf van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van bescherming van die rechten.

1°. 1°. loonkosten van direct bij het project betrokken personeel, waarbij het uurloon wordt berekend aan de hand van het brutoloon: loon in geld, volgens de verzamelloonstaat, ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, te delen door 1.650 productieve uren, verhoogd met een forfaitair percentage van 20 voor de werkgeverslasten. In geval van een parttime dienstverband wordt het uurloon op voornoemde wijze berekend na omrekening van het brutoloon naar een fulltime dienstverband; 2°. 2°. een opslag voor algemene kosten van ten hoogste 50 procent van de in het in subonderdeel 1°, bedoelde loonkosten; 3°. 3°. kosten van aanschaf van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen; 4°. 4°. afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode uitgaande van de historische aanschafwaarde verminderd met de restwaarde, met dien verstande dat in geval van lease wordt uitgegaan van de contante waarde van de gedurende de projectperiode betaalde leasetermijnen naar rato van het gebruik van de machines en apparatuur voor het project onder aftrek van de in de leasetermijnen begrepen vergoedingen voor financiering en afschrijving; 5°. 5°. huurkosten van machines en apparatuur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode; 6°. 6°. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en onderzoeksactiviteiten en ter zake van de aanschaf van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van bescherming van die rechten. c. c. 25% van rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen kosten als bedoeld in onderdeel b, onder 1° tot en met 6°, voor experimentele ontwikkelingsprojecten. d. d. 15% van de kosten voor investering in grond, gebouwen, machines en uitrusting en die betrekking hebben op opleidingsfaciliteiten en onderzoekcentra en open acces-onderzoeksinfrastructuur voor innovatiecluster-investeringsprojecten, en e. e. 50% van de loon en administratiekosten voor innovatiecluster-exploitatieproject in verband met:

        1°.
        marketing van het cluster om nieuwe ondernemingen aan te trekken die in het cluster deelnemen;
      
      
        2°.
        beheer van de open acces-faciliteiten van het cluster;
      
      
        3°.
        organisatie van opleidingsprogrammas, workshops en conferenties om kennisdeling en netwerking tussen de clusterleden te bevorderen.

1°. 1°. marketing van het cluster om nieuwe ondernemingen aan te trekken die in het cluster deelnemen; 2°. 2°. beheer van de open acces-faciliteiten van het cluster; 3°. 3°. organisatie van opleidingsprogrammas, workshops en conferenties om kennisdeling en netwerking tussen de clusterleden te bevorderen.

3. De steunintensiteiten voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling, respectievelijk voor haalbaarheidsstudies, kunnen worden verhoogd overeenkomstig de bepalingen van artikel 25, zesde lid, respectievelijk zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

4.

Onder studiekosten vallen de volgende posten:

1°. 1°. loonkosten van direct bij het onderzoek betrokken personeel; 2°. 2°. kosten van aanschaf van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen; 3°. 3°. afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode, uitgaande van de historische aanschafwaarde verminderd met de restwaarde; 4°. 4°. huurkosten van machines en apparatuur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode; 5°. 5°. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en onderzoeksactiviteiten en ter zake van de aanschaf van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van bescherming van die rechten. Indien geen loonkosten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 1°, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het project wordt verricht, geldt daarvoor een uurtarief van € 35,.

5. Indien geen loonkosten als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, subonderdeel 1°, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het project wordt verricht, geldt daarvoor een uurtarief van € 35,. Het bepaalde in subonderdeel 2°, is op dit tarief niet van toepassing.

Artikel 7

Voor een project waarvoor eerder door een bestuursorgaan of de Europese Commissie aan de aanvrager staatssteun is verstrekt kan alleen subsidie worden verleend met inachtneming van de criteria uit artikel 8 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 8

De subsidie wordt afgewezen indien de subsidie wordt aangevraagd door een ondernemer in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 9

Als uitvoeringsinstantie wordt aangewezen het Expertise- en InnovatieCentrum Binnenvaart van de Stichting Projecten Binnenvaart te Rotterdam. De uitvoeringsinstantie heeft tevens een adviserende rol in de rangschikking van de aanvragen.

Artikel 10

1. Een aanvraag wordt gericht aan de Minister.

2. De aanvraag voor 2018 wordt uiterlijk 1 november 2018 ingediend bij de uitvoeringsinstantie.

3. De aanvraag voor 2019 wordt uiterlijk 1 augustus 2019 ingediend bij de uitvoeringsinstantie.

4. De aanvraag bevat de in artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit genoemde gegevens en wordt ingediend met gebruikmaking van een volledig ingevuld aanvraagformulier als bedoeld in bijlage 1 van deze subsidieregeling.

Artikel 11

1. De hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van gegevens die worden ingediend bij de aanvraag.

2. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt de datum waarop de activiteiten uiterlijk zijn verricht alsmede de datum waarop de subsidie uiterlijk ambtshalve wordt vastgesteld.

3.

De subsidieontvanger is verplicht om:

a. a. onverwijld de uitvoeringsinstantie een schriftelijke melding te doen zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan; en b. b. desgevraagd, op door de uitvoeringsinstantie van tevoren aangegeven wijze, aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Artikel 12

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2020, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de voor die datum verleende subsidies.

Artikel 13

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke subsidieregeling innovaties duurzame binnenvaart 20182019.

Bijlage 1. als bedoeld in