40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO zonder overheidsvergoeding | BWBR0045098 | ministeriele-regeling | geldend | 2022-10-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0045098 | Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO zonder overheidsvergoeding |
Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO zonder overheidsvergoeding
Paragraaf 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- Algemene verordening gegevensbescherming: Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (PbEU 2016, L 119);
- buitenschoolse opvang: buitenschoolse opvang als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang;
- derde sluitingsperiode: periode van 21 december 2021 tot en met 9 januari 2022;
- eerste sluitingsperiode: periode van 16 maart 2020 tot en met 10 mei 2020 voor wat betreft de dagopvang en de gastouderopvang en tot en met 7 juni 2020 voor wat betreft de buitenschoolse opvang;
- gastouderbureau: gastouderbureau als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang;
- gastouderopvang: gastouderopvang als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang;
- kindercentrum: kindercentrum als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang;
- kinderopvang: kinderopvang als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang;
- kinderopvangtoeslag: kinderopvangtoeslag als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang;
- minister: Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
- ouder: ouder als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang;
- SVB: Sociale Verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
- tweede sluitingsperiode: periode van 16 december 2020 tot en met 7 februari 2021 voor wat betreft de dagopvang en de gastouderopvang en tot en met 18 april 2021 voor wat betreft de buitenschoolse opvang.
Artikel 2
Het doel van deze regeling is het tegemoetkomen van personen die tijdens de eerste, tweede of derde sluitingsperiode van de kinderopvang in verband met COVID-19 de facturen hebben doorbetaald en hierdoor hebben bijgedragen aan het stabiliseren van het stelsel van kinderopvang gedurende en na deze perioden, maar daarvoor nog geen tegemoetkoming hebben ontvangen omdat zij de kosten voor kinderopvang zelf dragen.
Paragraaf 2. Eerste en tweede sluitingsperiode
Artikel 3
1.
De minister verstrekt aan de persoon die de kosten voor kinderopvang over de eerste of de tweede sluitingsperiode heeft betaald een tegemoetkoming in die kosten indien:
a. a. de betreffende kinderopvang in verband met COVID-19 gedurende deze perioden van overheidswege gesloten was; b. b. het betreffende kindercentrum, gastouderbureau of gastouderopvang is ingeschreven in het landelijk register kinderopvang, bedoeld in artikel 1.47b van de Wet kinderopvang en is gevestigd in Nederland; en c. c. voor de kinderopvang over deze perioden een factuur op naam van de aanvrager is ontvangen en deze door de aanvrager is betaald.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de aanvrager, bedoeld in het eerste lid, of diens partner die tevens ouder is, over de betreffende sluitingsperiode reeds een tegemoetkoming heeft ontvangen op grond van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO.
3.
Er wordt geen tegemoetkoming verstrekt over de uren:
a. a. die zien op noodopvang geboden aan kinderen met ouders werkzaam in een cruciaal beroep of aan kinderen voor wie vanwege bijzondere problematiek of een moeilijke thuissituatie maatwerk nodig is; of b. b. waarin gebruik is gemaakt van een kindvoorziening gesubsidieerd via een gemeentelijke regeling in het kader van voorschoolse educatie als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang, peuteraanbod of vanwege een sociaal-medische indicatie.
Artikel 4
1.
De hoogte van de tegemoetkoming per kind en per opvangsoort wordt bepaald overeenkomstig de volgende rekensom:
maximum uurprijs_opvangsoort * aantal uren_opvangsoort
Hierbij staat maximum uurprijs_opvangsoort voor de maximum uurprijs per soort kinderopvang, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit kinderopvangtoeslag waarbij de maximum uurprijs voor de maanden maart 2020 tot en met juni 2020 en december 2020 wordt bepaald op basis van het Besluit kinderopvangtoeslag zoals dat luidde op 31 december 2020 en voor de maanden januari tot en met april 2021 op basis van het Besluit kinderopvangtoeslag zoals dat luidde op 1 januari 2021; en
Om het aantal uren_opvangsoort te berekenen wordt per maand de hoeveelheid gefactureerde uren vermenigvuldigd met de factor waarmee de betreffende maand meetelt, met een maximum van 230 uur per maand voor alle soorten van kinderopvang, bedoeld in artikel 8a, eerste lid, van het Besluit kinderopvangtoeslag. Het totaalaantal uren_opvangsoort betreft de som van alle maanden.
2.
De factor waarmee de betreffende maand meetelt, bedoeld in het eerste lid, betreft:
a. a. 16/31^e voor de gefactureerde uren in de maanden maart 2020 en december 2020; b. b. 30/30^e voor de gefactureerde uren in de maand april 2020; c. c. 10/31^e voor de gefactureerde uren in de maand mei 2020 wat betreft dagopvang en gastouderopvang; d. d. 31/31^e voor de gefactureerde uren in de maand mei 2020 wat betreft de buitenschoolse opvang; e. e. 7/30^e voor de gefactureerde uren in de maand juni 2020 wat betreft de buitenschoolse opvang; f. f. 31/31^evoor de gefactureerde uren in de maand januari 2021; g. g. 7/28^e voor de gefactureerde uren in de maand februari 2021 wat betreft de dagopvang en gastouderopvang; h. h. 28/28^e voor de gefactureerde uren in de maand februari 2021 wat betreft de buitenschoolse opvang; i. i. 31/31^e voor de gefactureerde uren in de maand maart 2021 voor wat betreft de buitenschoolse opvang; j. j. 18/30^e voor de factureerde uren in de maand april 2021 voor wat betreft de buitenschoolse opvang.
3.
Indien tijdens de maanden van de eerste of tweede sluitingsperiode het contract ten behoeve van de kinderopvang is gewijzigd, wordt het aantal uren_opvangsoort, bedoeld in het eerste lid, per maand bepaald overeenkomstig de volgende rekensom:
opvangperiode binnen de eerste of tweede sluitingsperiode en binnen de maand
_____________________________________________________________ * uren maandfactuur
opvangperiode binnen de maand
Hierbij staat:
‘Opvangperiode binnen de eerste of tweede sluitingsperiode en binnen de maand’ voor het aantal contractuele opvangdagen in de eerste of tweede sluitingsperiode; en
‘Opvangperiode binnen de maand’ voor het aantal dagen binnen de betreffende maand dat het kind naar de betreffende soort opvang zou gaan.
4. De totale hoogte van de tegemoetkoming per aanvraag is de som van alle bedragen per opvangsoort en wordt naar boven afgerond op hele euro’s.
Artikel 5
1. Aanvragen tot tegemoetkoming kunnen worden ingediend vanaf 15 mei 2021 tot en met 15 juli 2021.
2. De tegemoetkoming wordt aangevraagd door middel van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld aanvraagformulier en Verklaring Kinderopvang.
3.
De aanvraag bestaat uit de volgende documenten:
a. a. een volledig ingevuld en door de aanvrager, bedoeld in artikel 3, eerste lid, ondertekend aanvraagformulier; b. b. een volledig ingevuld en door het kindercentrum of het gastouderbureau ondertekende Verklaring Kinderopvang; en c. c. de facturen van de kinderopvang over de eerste of tweede sluitingsperiode.
4. Aanvragen die buiten het aanvraagtijdvak, bedoeld in het eerste lid, zijn ingediend worden afgewezen.
5. De aanvrager verstrekt de minister op verzoek of uit eigen beweging overige inlichtingen en bewijsstukken die nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag.
Paragraaf 3. Derde sluitingsperiode
Artikel 5a
1.
De Minister verstrekt aan de persoon die de kosten voor de buitenschoolse opvang over de derde sluitingsperiode heeft betaald een tegemoetkoming in die kosten indien:
a. a. de betreffende buitenschoolse opvang in verband met COVID-19 gedurende de derde sluitingsperiode van overheidswege gesloten was; b. b. het betreffende kindercentrum is ingeschreven in het landelijk register kinderopvang, bedoeld in artikel 1.47b, van de Wet kinderopvang en is gevestigd in Nederland; en c. c. voor de buitenschoolse opvang over de derde sluitingsperiode een factuur op naam van de aanvrager is ontvangen en deze door de aanvrager is betaald.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de aanvrager, bedoeld in het eerste lid, of diens partner die tevens ouder is, over de derde sluitingsperiode reeds een tegemoetkoming heeft ontvangen op grond van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO.
3.
Er wordt geen tegemoetkoming verstrekt over de uren:
a. a. die zien op noodopvang geboden aan kinderen met ouders werkzaam in een cruciaal beroep of aan kinderen voor wie vanwege bijzondere problematiek of een moeilijke thuissituatie maatwerk nodig is; of b. b. waarin gebruik is gemaakt van de buitenschoolse opvang vanwege een sociaal-medische indicatie.
Artikel 5b
1.
De hoogte van de tegemoetkoming per kind wordt bepaald overeenkomstig de volgende rekensom:
maximum uurprijs _buitenschoolse opvang* aantal uren _buitenschoolse opvang
Hierbij staat maximum uurprijs _buitenschoolse opvang voor de maximum uurprijs, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit kinderopvangtoeslag waarbij de maximum uurprijs voor december 2021 wordt bepaald op basis van het Besluit kinderopvangtoeslag zoals dat luidde op 31 december 2021 en voor de maand januari 2022 op basis van het Besluit kinderopvangtoeslag zoals dat luidde op 1 januari 2022; en
Om het aantal uren _buitenschoolse opvang te berekenen wordt per maand de hoeveelheid gefactureerde uren vermenigvuldigd met de factor waarmee de betreffende maand meetelt, met een maximum van 230 uur per maand, bedoeld in artikel 8a, eerste lid, van het Besluit kinderopvangtoeslag. Het totaalaantal uren _buitenschoolse opvang betreft de som van de twee maanden.
2.
De factor waarmee de betreffende maand meetelt, bedoeld in het eerste lid, betreft:
a. a. 11/31^e voor de gefactureerde uren in de maand december 2021; en b. b. 9/31^e voor de gefactureerde uren in de maand januari 2022.
3.
Indien tijdens de maanden van de derde sluitingsperiode het contract ten behoeve van de buitenschoolse opvang is gewijzigd, wordt het aantal uren _buitenschoolse opvang, bedoeld in het eerste lid, per maand bepaald overeenkomstig de volgende rekensom:
opvangperiode binnen de derde sluitingsperiode en binnen de maand
_____________________________________________________________ * uren maandfactuur
opvangperiode binnen de maand
Hierbij staat:
‘Opvangperiode binnen de derde sluitingsperiode en binnen de maand’ voor het aantal contractuele dagen buitenschoolse opvang in de derde sluitingsperiode; en
‘Opvangperiode binnen de maand’ voor het aantal dagen binnen de betreffende maand dat het kind naar de buitenschoolse opvang zou gaan.
4. De totale hoogte van de tegemoetkoming per aanvraag is de som van alle bedragen en wordt naar boven afgerond op hele euro’s.
Artikel 5c
1. Aanvragen tot tegemoetkoming kunnen worden ingediend vanaf 1 oktober 2022 tot en met 1 december 2022.
2. De tegemoetkoming wordt aangevraagd door middel van een daartoe door de Minister beschikbaar gesteld aanvraagformulier en Verklaring Kinderopvang.
3.
De aanvraag bestaat uit de volgende documenten:
a. a. een volledig ingevuld en door de aanvrager, bedoeld in artikel 5a, eerste lid, ondertekend aanvraagformulier; b. b. een volledig ingevuld en door het kindercentrum ondertekende Verklaring Kinderopvang; en c. c. de facturen van de buitenschoolse opvang over de derde sluitingsperiode.
4. Aanvragen die buiten het aanvraagtijdvak, bedoeld in het eerste lid, zijn ingediend worden afgewezen.
5. De aanvrager verstrekt de Minister op verzoek of uit eigen beweging overige inlichtingen en bewijsstukken die nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag.
Paragraaf 4. Overige bepalingen
Artikel 6
De minister beslist binnen 8 weken na ontvangst van de volledige aanvraag op die aanvraag.
Artikel 7
1.
De minister herziet een besluit tot tegemoetkoming of trekt dat in, indien:
a. a. de aanvrager van een tegemoetkoming in de aanvraag onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft, waardoor de tegemoetkoming ten onrechte is toegekend of voor een te hoog bedrag is toegekend; of b. b. uit de gegevens verstrekt door de Belastingdienst/Toeslagen alsnog blijkt dat recht op een tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO bestaat.
2. Als gevolg van een besluit als bedoeld in het eerste lid vordert de minister de tegemoetkoming geheel of gedeeltelijk terug van degene aan wie de tegemoetkoming is toegekend.
3. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan de minister besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening, intrekking of terugvordering af te zien.
Artikel 8
1.
De Minister verleent aan de SVB mandaat om in het kader van de uitvoering van deze regeling:
a. a. besluiten te nemen; b. b. te beslissen op bezwaarschriften; en c. c. in rechte op te treden en tegen rechterlijke uitspraken hoger beroep of cassatie in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep of cassatie.
2. Hoofdstuk 4 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009 is van toepassing op de uitoefening van bevoegdheden op grond van deze regeling.
Artikel 9
1. De minister is de verwerkingsverantwoordelijke, bedoeld in artikel 4 van de Algemene verordening gegevensbescherming, voor de verwerking van persoonsgegevens op basis van deze regeling.
2. De SVB is verwerker als bedoeld in artikel 28 van de Algemene verordening gegevensbescherming voor de verwerking van persoonsgegevens ter uitvoering van de aan haar gemandateerde taken.
3. De persoonsgegevens die verwerkt worden ter uitvoering van deze regeling worden niet verder verwerkt voor andere doeleinden.
Artikel 10
1. Het Rijk voorziet in de middelen tot dekking van de uitgaven verbonden aan deze regeling.
2. De SVB beheert afzonderlijk de middelen, bedoeld in het eerste lid.
3.
De minister stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onderdeel a, van de Regeling Wfsv voorschotten op de rijksbijdrage op basis van de door de SVB geraamde kosten van:
a. a. de tegemoetkomingen, met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van de maand; en b. b. de uitvoering, met als valutadatum de vijftiende dag van de maand.
4. De minister kan, na overleg met de SVB, van de in het derde lid bedoelde bedragen afwijken.
5. Separaat van de aanbieding van het jaarverslag als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen brengt de SVB uiterlijk 1 juni 2023 aan de Minister inhoudelijk en financieel verslag uit over de uitvoering van deze regeling, inclusief een controleverklaring opgesteld door de Auditdienst van de SVB.
6. Na beoordeling van het verslag rekent de Minister de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten met betrekking tot deze regeling, af met als valutadatum 1 september 2023.
Artikel 11
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 december 2023, met dien verstande dat de regeling zoals die luidde op 30 november 2023 van toepassing blijft op de dan lopende afwikkeling van besluiten en ingestelde gerechtelijke procedures op grond van deze regeling.
Artikel 12
Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO zonder overheidsvergoeding.