rijk/ministeriele-regeling/uitvoeringsregeling-rechtstreekse-betalingen-glb/BWBR0035925
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB BWBR0035925 ministeriele-regeling geldend 2018-01-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0035925 Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB

Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1.1

1.

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

      *minister:* Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

      *RVO.nl:* Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;

      *Verordening (EU) nr. 1306/2013:* Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PbEU L 347);

      *Verordening (EU) nr. 1307/2013:* Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de raad en van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PbEU L 347);

      *Verordening (EU) nr. 639/2014:* Gedelegeerde verordening (EU) nr. 639/2014 van de Europese Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot wijziging van bijlage X bij die verordening (PbEU L 181);

      *Verordening (EU) nr. 640/2014:* Gedelegeerde verordening (EU) nr. 640/2014 van de Europese Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (PbEU L 181);

      *Verordening (EU) nr. 641/2014:* Uitvoeringsverordening (EU) nr. 641/2014 van de Europese Commissie van 16 juni 2014 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PbEU L 181);

      *Verordening (EU) nr. 809/2014:* Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Europese Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (PbEU L 227);

      *Verordening (EG) nr. 1760/2000:* Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (PbEG L 204);

      *Verordening (EG) nr. 21/2004:* Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17 december 2003 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en Richtlijnen 92/102/EEG en 64/432/EEG (PbEU L 5);

      *lichte grondbewerking:* de toepassing van een graslandvernieuwingstechniek waarbij de ondergrond vrijwel onberoerd blijft en waarbij te allen tijde een dekkende vegetatie zichtbaar blijft;

      *verbonden bedrijf:* een rechtspersoon die direct of indirect aan de aanvrager is gekoppeld via een relatie van volledige zeggenschap in de vorm van volledige eigendom of een meerderheidsbelang;

      *niet subsidiabele grond:* areaal dat buiten de begrenzing van percelen landbouwgrond als bedoeld in artikel 2.2, vijfde lid, valt en geschikt is voor extensieve begrazing.

2. De in Verordening (EU) nr. 1306/2013 en Verordening (EU) nr. 1307/2013, alsmede in op deze verordeningen gebaseerde verordeningen vastgestelde definities zijn van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de hoofdstukken 2, 3, en 4.

Artikel 1.2

Deze regeling strekt tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en, voor wat betreft de rechtstreekse betalingen, Verordening (EU) nr. 1306/2013, alsmede van de op deze verordeningen gebaseerde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen.

Hoofdstuk 2. Bepalingen inzake de rechtstreekse betalingen

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 2.1

1. De minister wijst op aanvraag aan de landbouwer betalingsrechten toe overeenkomstig artikel 24 en artikel 30, vierde lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.

2.

De minister verstrekt rechtstreekse betalingen inzake de:

a. a. basisbetalingsregeling overeenkomstig artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1307/2013; b. b. betaling voor klimaat en milieuvriendelijke landbouwpraktijken; c. c. betaling voor jonge landbouwers; d. d. vrijwillige gekoppelde steun inzake graasdierhouderij.

3. De minister stelt in voorkomend geval de lineaire verlaging, bedoeld in artikel 7, eerste lid, tweede alinea, of artikel 51, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vast en past deze toe op de rechtstreekse betalingen.

Artikel 2.2

1. Het criterium waaraan de landbouwer dient te voldoen om een landbouwareaal in een staat te houden die begrazing of teelt mogelijk maakt, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, onder ii, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is het jaarlijks, vóór 1 november, maaien van het areaal, tenzij de landbouwer als gevolg van een contract voor agrarisch natuurbeheer op basis van de subsidieregelingen ANLb, SNL of de Catalogus Groenblauwe diensten niet aan dit criterium kan voldoen, in welk geval het areaal ten minste één keer per twee jaar vóór 1 november wordt gemaaid.

2. Boomsoorten behorende tot het geslacht wilg (Salix) met een maximale omlooptijd van vijf jaar komen in aanmerking als hakhout met korte omlooptijd, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel k, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.

3. Bij de constatering van de oppervlakte van het landbouwareaal worden windhagen die zijn gelegen in een perceel grond gebruikt voor fruitteelt en die niet breder zijn dan 2 meter overeenkomstig de door de Europese Commissie aanvaarde meetmethoden gerekend tot de volledig gebruikte oppervlakte van het desbetreffende perceel.

4. De maximumdichtheid, bedoeld in artikel 9, derde lid, van Verordening (EU) nr. 640/2014 is 50 bomen per hectare.

5. Voor de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden baseert de minister zich voor de grenzen van percelen landbouwgrond op de gegevens van de RVO-referentiepercelen die zijn gebaseerd op de objectgrenzen uit de Basisregistratie Grootschalige Topografie, voor zover deze objectgrenzen in een voorgaand kalenderjaar zijn gecontroleerd en zijn voorgelegd aan de betrokken landbouwer, en geen van de betrokken referentiepercelen tevens deels in gebruik was bij een andere landbouwer aan wie deze objectgrenzen nog niet zijn voorgelegd.

Artikel 2.3

1. Er worden geen rechtstreekse betalingen toegekend aan landbouwers die niet uiterlijk op 15 mei van het jaar van aanvraag zijn ingeschreven of waarvan de onderneming niet uiterlijk op 15 mei van het jaar van aanvraag is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, onder de vermelding van de verkorte omschrijving van de landbouwactiviteit en de daarbij behorende code van de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) beginnend met de cijfers 011, 012, 013, 014, 015, 016 of 1051, voor zover minimaal 50% van de melk die wordt verwerkt op het eigen melkveebedrijf geproduceerd wordt.

2. Onverminderd het eerste lid worden, ter uitvoering van artikel 9, derde lid, aanhef en onderdeel b, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 geen rechtstreekse betalingen toegekend aan een landbouwer indien uit de inschrijving in het handelsregister volgt dat de landbouwactiviteit geen hoofdactiviteit is.

3. Ter uitvoering van artikel 9, derde lid, aanhef en onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is het tweede lid niet van toepassing indien de landbouwer aantoont door middel van een accountantsverklaring dat de landbouwactiviteit niet een onaanzienlijk deel uitmaakt van de totale economische activiteiten.

4. Als accountantsverklaring wordt vastgesteld een accountantsverklaring die overeenkomt met het model dat is opgenomen in bijlage 6.

5. De beoordeling dat de landbouwactiviteit niet een onaanzienlijk deel uitmaakt van de totale economische activiteiten wordt gemaakt met toepassing van artikel 13, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 639/2014.

6. De drempel, bedoeld in artikel 13, tweede lid, onderdeel b, van Verordening (EU) nr. 639/2014 bedraagt een derde van het totale bedrag aan inkomsten in het meest recente belastingjaar, dan wel een derde van een gemiddeld bedrag aan inkomsten over de drie meest recente belastingjaren, waarvoor dergelijk bewijs als bedoeld in dat artikellid beschikbaar is.

7. Het bedrag aan rechtstreekse betalingen, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is € 1.

Artikel 2.3a

Vervallen

Artikel 2.4

Geen rechtstreekse betalingen worden toegekend aan de landbouwer indien het totaalbedrag van de voor een kalenderjaar aangevraagde of toe te kennen rechtstreekse betalingen, voordat de sancties of verlagingen, bedoeld in artikel 63, eerste en tweede lid, en artikel 91, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 zijn toegepast, lager is dan € 500.

Artikel 2.5

De verlaging, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedraagt 5% en vindt plaats zonder de toepassing van het tweede en vijfde lid van dat artikel.

Paragraaf 2. Betalingsrechten

Artikel 2.6

1.

Onverminderd artikel 24, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 worden op aanvraag tevens betalingsrechten toegekend aan landbouwers die:

a. a. overeenkomstig artikel 24, eerste lid, derde alinea, aanhef en onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en blijkens de landbouwtelling, bedoeld in artikel 24 van de Landbouwwet, van het jaar 2013 op ten minste 0,3 hectare landbouwareaal de gewassen, bedoeld in artikel 24, eerste lid, derde alinea, onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 hebben geteeld, en b. b. overeenkomstig artikel 24, eerste lid, derde alinea, aanhef en onderdeel c, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 nooit hebben beschikt over betalingsrechten en in het jaar 2013 aantoonbaar ten genoegen van de minister landbouwproducten hebben geproduceerd, gefokt, of geteeld, inclusief door het oogsten, het melken en het houden van dieren voor landbouwdoeleinden.

2. De datum, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, is 15 mei 2015.

3. Overeenkomstig artikel 24, zevende lid, Verordening (EU) nr. 1307/2013 worden voor bouwland dat zich bevindt onder een permanente kas geen betalingsrechten toegewezen.

4. De minimumgrootte van het bedrijf waarvoor een landbouwer een aanvraag tot toewijzing van betalingsrechten kan indienen, bedoeld in artikel 24, negende lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is 0,3 subsidiabele hectare.

Artikel 2.7

1. Landbouwers kunnen met inachtneming van het tweede lid bij verkoop of verhuur van een landbouwbedrijf of een deel ervan bepalen dat de toe te wijzen betalingsrechten, overeenkomstig artikel 20, respectievelijk artikel 21 van Verordening (EU) nr. 639/2014 worden overgedragen aan de koper respectievelijk de huurder van het desbetreffende landbouwbedrijf of het desbetreffende deel ervan.

2. De grootte van het landbouwbedrijf of het deel ervan, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten minste 0,3 subsidiabele hectare.

Artikel 2.8

De minister stelt de waarde van de betalingsrechten die aan een landbouwer worden toegewezen vast op basis van de berekening overeenkomstig artikel 25, tweede lid, en artikel 26, derde lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en met toepassing van een verhoging van 3% als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.

Artikel 2.9

1. Het percentage, bedoeld in artikel 30, eerste en derde lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedraagt 6%.

2.

Onverminderd artikel 30, zesde en negende lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wijst de minister op aanvraag tevens betalingsrechten toe uit de nationale reserve aan de landbouwer:

a. a. ten aanzien van aanvragen gedaan vanaf 2016, voor wat betreft het areaal dat in 2015 in verband met openbare werken of de aanleg van nutsvoorzieningen niet als subsidiabele hectare als bedoeld in artikel 32, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 kan worden aangemerkt, b. b. aan wie geen betalingsrechten konden worden toegewezen ten gevolge van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, c. c. ten aanzien van aanvragen gedaan vanaf 2016 voor wat betreft areaal dat tijdelijk uit productie is genomen in het kader van een overeenkomst als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 1272/1988 en waarvoor niet eerder betalingsrechten zijn toegewezen, of d. d. ten aanzien van aanvragen gedaan in 2018 voor wat betreft areaal waarvoor in 2015, 2016 of 2017 geen betalingsrechten zijn toegekend omdat het areaal was uitgesloten op grond van artikel 2.10, tweede lid, onderdeel a, zoals dat artikel luidde tot 1 januari 2018, en dat alsnog als subsidiabele hectare, bedoeld in artikel 32, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, kan worden aangemerkt, mits de landbouwer aantoont dat dit areaal in werkelijkheid als landbouwgrond wordt gebruikt.

3. Bij de toepassing van artikel 30, zesde en negende lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en het tweede lid worden nieuwe betalingsrechten toegewezen.

4. De overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is na 31 december 2012 beëindigd.

5. Geen betalingsrechten uit de nationale reserve worden toegekend aan de landbouwer indien de aanspraak op betalingsrechten uit de nationale reserve gebaseerd is op minder dan 0,3 subsidiabele hectare landbouwareaal.

6. De waarde van de aan de landbouwer toe te wijzen betalingsrechten wordt voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel d, vastgesteld op de nationale gemiddelde waarde van de betalingsrechten in het jaar van toewijzing.

Artikel 2.9a

Voor het vaststellen van de betalingsrechten van een landbouwer die aan de nationale reserve vervallen overeenkomstig artikel 31, eerste lid, onderdeel b, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

a. a. de waarde van een decimaal recht met dezelfde eenheidswaarde is gelijk aan de waarde van een heel recht met dezelfde eenheidswaarde; b. b. de niet verhuurde betalingsrechten in eigendom krijgen prioriteit boven de gehuurde betalingsrechten; c. c. de betalingsrechten die het kortst gehuurd zijn krijgen prioriteit boven de andere gehuurde betalingsrechten; d. d. voor het vaststellen van de volgorde van de te vervallen betalingsrechten, wordt uitgegaan van de situatie zoals die was op 15 mei van het aanvraagjaar.

Artikel 2.10

1. Voor de toepassing van artikel 32, derde lid, onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is geen sprake van noemenswaardige hinder voor de uitoefening van landbouwactiviteiten, indien de duur van de niet-landbouwactiviteiten op een landbouwareaal 90 dagen in het jaar van aanvraag niet overschrijdt; evenmin is er sprake van noemenswaardige hinder indien op een landbouwareaal voor meer dan 90 dagen niet-landbouwactiviteiten plaatsvinden in het kader van contracten op basis van subsidieregelingen ANLb, SNL of de Catalogus Groenblauwe diensten, mits de landbouwgrond na afloop van deze activiteiten weer in een staat verkeert waarin begrazing of teelt mogelijk is als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid.

2.

Als areaal dat overwegend voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt als bedoeld in artikel 32, derde lid, onderdeel b, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, wordt aangemerkt:

a. a.

      vervallen;

b. b. moes- en siertuinen; c. c. bermen tot een breedte van drie meter van de weg of breder voor zover de verkeersbestemming de landbouw hindert; d. d. speelweides; e. e. stroken grasland langs verharde landingsbanen voor vliegverkeer; f. f. onverharde landingsbanen voor luchtsport en luchtvaart; g. g. stroken langs gebouwen of kassen, smaller dan 1 meter; h. h. schouwpaden; i. i. geluidswallen; j. j. springweides; k. k. kinderboerderijen; l. l. areaal waarop installaties voor de benutting van zonne-energie aanwezig zijn.

Artikel 2.11

1. De datum, bedoeld in artikel 33, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, is 15 mei van het jaar waarin de betaling wordt aangevraagd.

2. Het is de landbouwer toegestaan de aangifte, bedoeld in artikel 33, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 uiterlijk 31 mei van het jaar waarin de betaling wordt aangevraagd te wijzigen met inachtneming van de eisen, bedoeld in artikel 33, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.

Artikel 2.12

1. De aanspraak op betaling in enig jaar van aanvraag op basis van een overdracht van betalingsrechten als bedoeld in artikel 34 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, kan slechts worden gemaakt indien de landbouwer die de betalingsrechten heeft overgedragen de minister uiterlijk op de uiterste datum van indiening van de verzamelaanvraag, bedoeld in artikel 4.2, derde lid, in het desbetreffende jaar van aanvraag met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld in kennis heeft gesteld van de overdracht.

2. De kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig en naar waarheid door de landbouwer ingevuld, ondertekend en gedagtekend.

Paragraaf 3. Klimaat en milieuvriendelijke landbouwpraktijken

Artikel 2.13

De betaling voor de klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken geschiedt overeenkomstig artikel 43, negende lid, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.

Artikel 2.14

1. De voor de gewasdiversificatie in aanmerking te nemen teeltperiode, bedoeld in artikel 40, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 639/2014 is 15 mei tot en met 15 juli.

2. In afwijking van het eerste lid is voor wat betreft aardappelen geteeld met het oog op de bestrijding van aaltjes (nematoden) dan wel vroeg te oogsten consumptieaardappelen de desbetreffende teeltperiode 15 mei tot en met 15 juni.

3. Alle mengsels van zaden worden overeenkomstig artikel 40, derde lid, van Verordening (EU) nr. 639/2014 beschouwd als één gewas.

Artikel 2.15

1.

Als blijvend grasland dat ecologisch kwetsbaar is als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt aangemerkt:

a. a. blijvend grasland gelegen in gebieden die op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming zijn aangewezen; b. b. door de minister aangewezen hectares blijvend grasland gelegen buiten gebieden die op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming zijn aangewezen, met inachtneming van de criteria, genoemd in artikel 41 van Verordening (EU) nr. 639/2014.

2. Op blijvend grasland als bedoeld in het eerste lid wordt uitsluitend een lichte grondbewerking toegestaan.

3.

De minister kan op schriftelijk verzoek van Gedeputeerde Staten van een provincie de aanwijzing als ecologisch kwetsbaar blijvend grasland als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, opheffen op voorwaarde dat het verzoek vergezeld gaat van:

a. a. hetzij een ecologische beoordeling waaruit blijkt dat op voorhand is verzekerd dat het opheffen niet zal leiden tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken Natura 2000-gebied, hetzij een passende beoordeling als bedoeld in artikel 6, derde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L 206) waaruit blijkt dat opheffing de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten, en b. b. een uitgewerkt en onderbouwd voorstel voor het aanwijzen van evenveel hectares ecologisch kwetsbaar blijvend grasland op grond van het eerste lid, onderdeel b.

4. De berekening van het aandeel blijvend grasland vindt plaats met toepassing van artikel 43, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 639/2014.

Artikel 2.16

1. De minister verplicht in de situatie, bedoeld in artikel 45, derde lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, de landbouwer die beschikt over land dat van blijvend grasland is omgezet in land voor andere vormen van grondgebruik overeenkomstig artikel 44, tweede en derde lid, van Verordening (EU) nr. 639/2014 tot het omzetten van land in blijvend grasland.

2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, wordt opgelegd aan de landbouwer die het perceel in gebruik heeft dat blijkens een verzamelaanvraag is omgezet van blijvend grasland in land voor andere vormen van grondgebruik in het jaar waarin de situatie, bedoeld in artikel 45, derde lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 zich voordoet.

3. De minister stelt de betrokken landbouwer in kennis van de oppervlakte waarop deze verplichting betrekking heeft.

4. De landbouwer die de verplichting uit het eerste lid krijgt opgelegd, zet de vereiste oppervlakte om in blijvend grasland voor het moment van indienen van de eerstvolgende verzamelaanvraag en overeenkomstig de voorwaarden die in de kennisgeving, bedoeld in het derde lid, zijn geformuleerd.

Artikel 2.17

1.

Als ecologisch aandachtsgebied als bedoeld in artikel 46, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt beschouwd:

a. a. bufferstroken en akkerranden als bedoeld in artikel 45, vijfde lid, van Verordening (EU) nr. 639/2014, van minimaal 1 meter breed die zijn gelegen op of direct grenzend aan bouwland en waarop geen landbouwproductie plaatsvindt als bedoeld in artikel 45, lid 10bis, van Verordening (EU) nr. 639/2014; b. b. areaal bebouwd met hakhout met korte omlooptijd van boomsoorten behorende tot het geslacht wilg (Salix) met een maximale omlooptijd van vijf jaar, waarop, overeenkomstig artikel 45, achtste lid, van Verordening (EU) nr. 639/2014, geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen worden toegepast; c. c. areaal waarop in de teeltperiode van 15 mei tot 15 juli een gewas van de soorten esparcette (Onobrychis viciifolia), lupine (Lupinus species), luzerne (Medicago sativa), rode klaver (Trifolium pratense), rolklaver (Lotus corniculatus), soja (Glycine Willd), veldboon (Vicia faba) of voederwikke (Vicia sativa subspecies sativa) wordt geteeld, uitgezonderd het areaal waarop artikel 45, tiende lid, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 639/2014 van toepassing is; d. d. areaal, anders dan het areaal waarop artikel 45, negende lid, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 639/2014 van toepassing is, waarop combinaties van vanggewassen worden geteeld als bedoeld in bijlage 2, onder de voorwaarden die per categorie voor de desbetreffende soorten in deze bijlage zijn vermeld; e. e. heggen, houtwallen of bomen in rij als bedoeld in artikel 45, vierde lid, onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 639/2014; f. f. geïsoleerde bomen als bedoeld in artikel 45, vierde lid, onderdeel b, van Verordening (EU) nr. 639/2014; g. g. stroken subsidiabele hectaren langs bosranden als bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel f, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, van minimaal 1 meter breed waarop geen landbouwproductie plaatsvindt als bedoeld in artikel 45, lid 10bis, van Verordening (EU) nr. 639/2014; h. h. boomgroepen in het veld als bedoeld in artikel 45, vierde lid, onderdeel c, van Verordening (EU) nr. 639/2014; i. i. vijvers als bedoeld in artikel 45, vierde lid, onderdeel d, van Verordening (EU) nr. 639/2014; j. j. areaal waarop Olifantsgras (Miscanthus) wordt geteeld zonder de toepassing van minerale meststoffen en waarop na het eerste jaar waarin wordt aangeplant geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast; k. k. areaal waarop Zonnekroon (Silphium perfoliatum) wordt geteeld zonder de toepassing van minerale meststoffen en waarop na het eerste jaar waarin wordt aangeplant geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast; l. l. braakliggend land waarop, in de periode van 15 maart tot en met 15 november, gedurende 6 maanden, een mengsel van tenminste 3 drachtplanten van de soorten Karwij (Carum carvi), Koriander (Coriandrum sativum) Wilde Peen (, Daucus carota), Duizendblad (Achiella millefolium), Goudsbloem (Calendula officinalis), Korenbloem (Centaurea cyanus), Cichorei (Cichorium), Zonnebloem (Helianthus Annus), Komkommerkruid (Borago officinalis), Slangenkruid (Echium Vulgare), Phacelia (Phacelia tanacetifolia), Gele Mosterd (Sinapis alba), Gewone Rolklaver (Lotus corniculatus),Luzerne (Medicago sativa), Witte honingklaver (melilotus albus), Esparcette (Onobrychis viccifolia), Rode klaver (Trifolium pratense), Voederwikke (Vicia sativa), Lijnzaad/vlas (Linum usitatissimum), Malva (Malva), Klaproos (Papaver), Boekweit (Fagopyrum esculentum), Juffertje in t groen (Nigella damascena), Smalle Weegbree (Plantago lanceolata) of Incarnaatklaver (Trifolium incarnatum) wordt geteeld zonder de toepassing van meststoffen.

2. Ten aanzien van het ecologische aandachtsgebied, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c, d, e, f, h, i, j, k en l, worden de wegingsfactoren van bijlage X van Verordening (EU) nr. 1307/2013 gebruikt bij de berekening van het aantal hectares.

3.

Ten aanzien van het ecologische aandachtsgebied, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c:

a. a. bewaart de landbouwer aankoopbewijzen en etiketten van het gebruikte zaaizaadmengsel gedurende 5 jaar in zijn administratie; b. b. kan de landbouwer aantonen dat ten minste één van de voorgeschreven stikstofbindende gewassen in het mengsel overheerst; c. c. is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan; d. d. vindt nateelt plaats van de vanggewassen, bedoeld in bijlage 2, categorie 1, onder de voorwaarde dat de nateelt ten minste in de periode van 1 november in het jaar van aanvraag tot 1 maart in het jaar na de aanvraag op het perceel aanwezig is indien:

        1.
        de teelt van de stikstofbindende gewassen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt beëindigd voor 1 oktober van het jaar van aanvraag, en
      
      
        2.
        de teelt plaatsvindt op zand- of lössgronden, als vastgesteld in bijlage 1 bij het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.
    1.   de teelt van de stikstofbindende gewassen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt beëindigd voor 1 oktober van het jaar van aanvraag, en
      
    1.   de teelt plaatsvindt op zand- of lössgronden, als vastgesteld in bijlage 1 bij het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.
      

4. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel d, wordt areaal waarop na de teelt van maïs de verplichting, bedoeld in artikel 8a van het Besluit gebruik meststoffen, van toepassing is niet aangemerkt als ecologisch aandachtsgebied.

5. Ten aanzien van het ecologische aandachtsgebied, bedoeld in het eerste lid, onderdelen e en f worden de omzettingsfactoren van bijlage X van Verordening (EU) nr. 1307/2013 gebruikt bij de berekening van het aantal hectares.

6.

Het in het eerste lid, onderdelen a, e, f, h en i bedoelde areaal of element wordt beschouwd als grenzend aan bouwland indien de grensbuffer:

a. a. tussen het bouwland en het areaal of element ten hoogste 5 meter breed is; b. b. ter beschikking staat van de landbouwer, en c. c. bestaat uit natuurlijke vegetaties, een kavelpad of een watergang.

7. In afwijking van artikel 45, vijfde lid, van Verordening (EU) nr. 639/2014 wordt een akkerrand in stand gehouden van 1 januari tot ten minste 1 september indien er sprake is van de teelt van een opvolgend wintergewas.

8. In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en g, kunnen bufferstroken, akkerranden en stroken subsidiabele hectaren langs bosranden worden gemaaid, onder de voorwaarde dat het maaisel blijft liggen.

9. Op areaal waarop in de teeltperiode van 15 mei tot 15 juli het gewas soja, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt geteeld, is het gebruik van stikstof, als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de Meststoffenwet niet toegestaan.

10. De grensbuffer, bedoeld in het zesde lid, is van toepassing op arealen en elementen die grenzen aan een ecologisch aandachtsgebied dat rechtstreeks grenst aan het bouwland van het bedrijf als bedoeld in artikel 45, lid 5 bis, van Verordening (EU) nr. 639/2014.

11.

Ten aanzien van het ecologische aandachtsgebied, bedoeld in het eerste lid, onderdeel l:

a. a. is het toegestaan een mengsel van drachtplanten te mengen met roodzwenkgras (Festuca rubra), rietzwenkgras (Festuca arundinacea), veldbeemgras (Poa pratensis), Japanse haver (Avena strigosa), Dille (Anethum graveolens), Pastinaak (Pastinaca sativa), Gele ganzenbloem (Glebionis segetum), Kleine zonnebloem (Helianthus Decapetalus), Margriet (Leucanthemum vulgare), Echte kamille (Matricaria chamomilla), Barbarakruid (Barbarea vulgaris), Bladrammenas (Raphanus sativus), Bolderik (Agrostemma githago), Lupine (Lupinus angusttifolius), Serradella (Ornithopus sativus), Kleine klaver (Trifolium dubium), Alexandrijnse klaver (Trifolium resupinatum), Erwt (Pisum sativum), Hennepnetel (Galeopsis tetrahit), Veldzuring (Rumex acetosa), Wilde ridderspoor (Consolida regalis) of Timothee (Phleum pratense), onder de voorwaarde dat de drachtplanten aantoonbaar in het mengsel overheersen; b. b. draagt de landbouwer zorg voor een bloeiperiode van mei tot en met augustus; c. c. draagt de landbouwer zorg voor een zichtbare bedekking waarbij de drachtplanten overheersen; d. d. meldt de landbouwer de datum van inzaai uiterlijk op de dag van inzaai bij de minister door middel van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld middel; e. e. meldt de landbouwer, indien sprake is van een meerjarige inzet, de startdatum van de instandhoudingsperiode van 6 maanden uiterlijk op de eerste dag van deze periode bij de minister door middel van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld middel; f. f. bewaart de landbouwer aankoopbewijzen en etiketten van het gebruikte zaaizaad(mengsel) gedurende 5 jaar in zijn administratie.

Artikel 2.18

1. Landbouwers op wie de verplichting, bedoeld in artikel 46, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 rust, kunnen deelnemen aan een collectieve tenuitvoerlegging van deze verplichting, onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 46, zesde lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, en in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, en vierde lid, van Verordening (EU) nr. 639/2014.

2. Het aantal kilometers, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, van Verordening (EU) nr. 639/2014, bedraagt 15.

3. Eén van de landbouwers die deelnemen aan een collectieve tenuitvoerlegging van de verplichting van het beheer van ecologisch aandachtsgebied, bedoeld in het eerste lid, meldt de collectieve tenuitvoerlegging uiterlijk 31 maart van het jaar van de aanvraag aan de minister onder vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 18, tweede alinea, aanhef en onderdelen a tot en met d, en vierde alinea, van Verordening (EU) nr. 809/2014, met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 2.19

1. De gelijkwaardige praktijken, bedoeld in artikel 43, derde lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, waaraan landbouwers kunnen deelnemen, zijn de certificeringsregelingen, bedoeld in het tweede lid.

2. De minister maakt de certificeringsregelingen die in overeenstemming zijn met artikel 43, derde lid, aanhef en onderdeel b, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 alsmede beantwoorden aan artikel 43, zevende lid, tweede volzin, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bekend.

3. RVO.nl is de openbare certificeringsinstantie, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 639/2014.

4. De minister wijst op aanvraag een particuliere certificeringsinstantie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 639/2014, aan indien die instantie voldoet aan artikel 38, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 639/2014.

5. De particuliere certificeringsinstanties verstrekken de gegevens, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 639/2014, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag tot aanwijzing.

Artikel 2.20

1. De certificeringsinstantie verstrekt een certificaat aan landbouwers die deelnemen aan de certificeringsregeling, bedoeld in artikel 2.19, eerste lid.

2. De certificeringsinstantie controleert jaarlijks of de landbouwer voldoet aan de certificeringsregeling.

3.

Indien blijkt dat de landbouwer niet of niet volledig voldoet aan de certificeringsregeling:

a. a. stelt de certificeringsinstantie de desbetreffende landbouwer en de minister hiervan binnen vier weken na de constatering van de niet-naleving in kennis, en b. b. kan de certificeringsinstantie besluiten geen certificaat af te geven aan de landbouwer voor het jaar waarop de niet-naleving betrekking heeft.

4. De minister kan de aanwijzing van een certificeringsinstantie als bedoeld in artikel 2.19, vierde lid, intrekken indien de certificeringsinstantie niet voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid. De intrekking, alsmede de gevolgen van de intrekking voor de aan de certificeringsregeling deelnemende landbouwers, worden bekendgemaakt.

Paragraaf 4. Andere rechtstreekse betalingen

Artikel 2.21

1. De minister stelt elk jaar het bedrag van de betaling voor jonge landbouwers vast volgens de berekening van artikel 50, achtste lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.

2. Het maximum aantal betalingsrechten dat de landbouwer kan activeren voor de betaling, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 90.

Artikel 2.22

1. Een landbouwer ontvangt op aanvraag vrijwillige gekoppelde steun inzake graasdierhouderij voor runderen.

2. De steun, bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt voor elk vrouwelijk rund waarvoor steun is aangevraagd dat op 15 mei van het jaar van aanvraag aanwezig is op het bedrijf van de aanvrager.

3. De steun wordt alleen verstrekt indien het rund vanaf 15 mei tot en met 15 oktober van het jaar van aanvraag of, als het dier eerder van het bedrijf van de aanvrager wordt afgevoerd tot de datum van afvoer van het bedrijf van de aanvrager, ononderbroken aanwezig is op niet subsidiabele grond ten behoeve van extensieve begrazing.

4.

Een rund wordt voor steun in aanmerking genomen voor elke dag dat het in de periode van 15 mei tot en met 15 oktober van het jaar van aanvraag aanwezig is op het bedrijf van de aanvrager, maar niet eerder dan vanaf het moment dat het:

a. a. 12 maanden onafgebroken in Nederland is, en b. b. ouder is dan 24 maanden.

5. De eisen inzake identificatie en registratie van runderen waarin Verordening (EG) nr. 1760/2000 voorziet, worden door de landbouwer in acht genomen.

6. Het voldoen aan de voorwaarden in het tweede en vierde lid, wordt beoordeeld op basis van het I&R-systeem rund, bedoeld in artikel 14, onderdeel a, van de Regeling identificatie en registratie van dieren.

7. De datum, bedoeld in artikel 53, vierde lid, onderdeel b, van Verordening (EU) nr. 639/2014, is 15 mei van het jaar van aanvraag.

8. De aanwezigheid van een rund op niet subsidiabele grond, bedoeld in het derde lid, wordt ten genoegen van de minister aangetoond door middel van voldoende schriftelijk bewijs, waaruit blijkt welke percelen worden begraasd.

Artikel 2.23

1. Een landbouwer ontvangt op aanvraag vrijwillige gekoppelde steun inzake graasdierhouderij voor schapen.

2.

De steun, bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt voor elk schaap:

a. a. waarvoor steun is aangevraagd; b. b. dat is geboren voorafgaand aan het jaar van aanvraag, en c. c. dat op 15 mei van het jaar van aanvraag aanwezig is op het bedrijf van de aanvrager.

3. Het schaap, bedoeld in het eerste lid, wordt voor steun in aanmerking genomen voor elke dag dat het in de periode van 15 mei tot en met 15 oktober van het jaar van aanvraag aanwezig is op het bedrijf van de aanvrager.

4. De eisen inzake identificatie en registratie van schapen waarin Verordening (EG) nr. 21/2004 voorziet, worden door de landbouwer in acht genomen.

5. Het voldoen aan de voorwaarden in het tweede en derde lid wordt beoordeeld op basis van het I&R-systeem schapen en geiten, bedoeld in artikel 34, onderdeel a, van de Regeling identificatie en registratie van dieren.

6. De datum, bedoeld in artikel 53, vierde lid, onderdeel b, van Verordening (EU) nr. 639/2014, is 15 mei van het jaar van aanvraag.

7. De steun wordt alleen verstrekt indien het schaap vanaf 15 mei tot en met 15 oktober van het jaar van aanvraag of, als het dier eerder van het bedrijf van de aanvrager wordt afgevoerd tot de datum van afvoer van het bedrijf van de aanvrager, ononderbroken aanwezig is op niet subsidiabele grond ten behoeve van extensieve begrazing.

8. De aanwezigheid van een schaap op niet subsidiabele grond, bedoeld in het zevende lid, wordt ten genoegen van de minister aangetoond door middel van voldoende schriftelijk bewijs, waaruit blijkt welke percelen worden begraasd.

Artikel 2.24

1. De steun bedraagt € 153 per rund, respectievelijk € 23 per schaap, dat op het bedrijf is gehouden in de periode van 15 mei tot en met 15 oktober van het jaar van de steunaanvraag, en dat voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.22, respectievelijk artikel 2.23.

2. Het aantal op het bedrijf gehouden dieren, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend als A gedeeld door B waarbij A staat voor de som van het aantal dagen dat de runderen, respectievelijk de schapen, voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2.22 respectievelijk 2.23, en B het getal 154 is.

Artikel 2.25

1. Het maximumbedrag dat is bestemd voor de gekoppelde steun, bedoeld in artikel 52, zesde lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedraagt voor runderen € 2.297.143 en voor schapen € 1.052.857.

2. Indien het maximumbedrag voor runderen, respectievelijk schapen, bedoeld in het eerste lid, dreigt te worden overschreden, wordt overeenkomstig artikel 53, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 639/2014, per landbouwer het aantal gehouden runderen, respectievelijk schapen, verminderd met een door de minister vast te stellen percentage.

3. De minister maakt het percentage, bedoeld in het tweede lid, bekend.

Artikel 2.26

Vervallen

Artikel 2.27

1. Voor de toepassing van artikel 30 van Verordening (EU) nr. 640/2014 wordt een rund, respectievelijk een schaap, waarvoor steun is aangevraagd voor de hele periode, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, als niet geconstateerd aangemerkt indien het rund of het schaap niet juist is geregistreerd in het I&R-systeem, overeenkomstig artikel 102, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2016/429 van het Europees parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (diergezondheidswetgeving) (Pb EU 2016, L 84).

2. Voor de toepassing van artikel 30, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 640/2014 wordt een rund, respectievelijk een schaap, waarvoor steun is aangevraagd als geconstateerd aangemerkt als het voldoet aan alle voorwaarden in artikel 2.22, respectievelijk artikel 2.23.

3. Voor niet geconstateerde dieren worden, in geval bij een controle ter plaatse bij een of meer dieren een afwijking is geconstateerd terwijl het betrokken dier of de betrokken dieren nog op het bedrijf aanwezig zijn, voor de berekening van het aantal dagen dat een dier als niet geconstateerd moet worden beschouwd, het betrokken dier of de betrokken dieren geacht tot en met 15 oktober van het aanvraagjaar op het bedrijf aanwezig te zijn.

Hoofdstuk 3. Bepalingen in verband met de randvoorwaarden en het bedrijfsadviseringssysteem

Artikel 3.1

1.

Een landbouwer die een aanvraag heeft ingediend voor rechtstreekse betalingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, neemt de volgende bepalingen in acht:

a. a. de beheerseisen, bedoeld in artikel 93, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, opgenomen in bijlage 3, en b. b. de normen voor het in goede landbouw- en milieuconditie houden van landbouwareaal, bedoeld in artikel 93, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, opgenomen in bijlage 4.

2. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit is de coördinerende autoriteit, bedoeld in artikel 65, van Verordening (EU) nr. 809/2014.

3. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit is een specifieke dienst als bedoeld in artikel 85 van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

Artikel 3.2

1. De minister past het vroegtijdig waarschuwingssysteem, bedoeld in artikel 99, tweede lid, tweede en derde alinea van Verordening (EU) nr. 1306/2013 toe op gevallen van niet-naleving van de bepalingen, bedoeld in artikel 3.1.

2. Als vastgestelde termijn, bedoeld in artikel 39, derde lid, eerste alinea, van Verordening (EU) 640/2014, geldt voor een niet-naleving die betrekking heeft op oormerkverlies bij runderen, schapen of geiten een termijn van 10 werkdagen na de controle ter plaatse waarbij betrokkene mededeling is gedaan van de desbetreffende niet-naleving.

Artikel 3.3

1. Er is een bedrijfsadviseringssysteem als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

2. De adviseur in het kader van het bedrijfsadviseringssysteem adviseert, met inachtneming van artikel 13, tweede lid, en artikel 14, laatste alinea, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 ten minste over de onderwerpen, bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdelen a tot en met e, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

Artikel 3.4

1. De minister wijst op aanvraag een beroepsorganisatie voor adviseurs in het kader van het bedrijfsadviseringssysteem aan die ten minste 50 leden heeft en die blijkens de bij de aanvraag overgelegde gegevens voldoet aan het tweede tot en met vierde lid.

2.

De beroepsorganisatie erkent de adviseur in het kader van het bedrijfsadviseringssysteem die aantoonbaar:

a. a. ten minste een HBO-opleidingsniveau of HBO-denkniveau heeft; b. b. ten minste 3 jaar werkervaring heeft als adviseur, en c. c. kennis heeft over de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid.

3.

De beroepsorganisatie verplicht de adviseur in het kader van het bedrijfsadviseringssysteem die een erkenning als bedoeld in het tweede lid houdt tot:

a. a. het jaarlijks geven van ten minste vijf adviezen in het kader van het bedrijfsadviseringssysteem, en b. b. de periodieke opleiding met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, en met betrekking tot adviesvaardigheden.

4.

De beroepsorganisatie trekt een erkenning als bedoeld in het tweede lid in indien de adviseur:

a. a. in enig jaar minder dan vijf adviezen in het kader van het bedrijfsadviseringssysteem heeft gegeven, of b. b. niet kan aantonen dat hij jaarlijks ten minste 20 uur opleiding heeft gevolgd als bedoeld in het derde lid, onderdeel b.

5. De aangewezen beroepsorganisaties worden overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bekendgemaakt.

Hoofdstuk 4. Procedurele bepalingen en sancties

Artikel 4.1

1. De minister erkent het betaalorgaan, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

2. De minister wijst de certificerende instantie, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, aan.

Artikel 4.2

1. De landbouwer die aanspraak maakt op rechtstreekse betalingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, maakt voor de aanvraag van betalingsrechten alsmede de activering van betalingsrechten en de aanvraag van betalingen gebruik van de verzamelaanvraag.

2. De verzamelaanvraag wordt volledig en naar waarheid door de landbouwer ingevuld, ondertekend en gedagtekend met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

3. Behoudens de toepassing van artikel 12, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 640/2014 wordt de verzamelaanvraag in de periode van 1 maart tot en met 15 mei ingediend bij de minister.

4. Bij de verzamelaanvraag legt de landbouwer alle bewijsstukken over die de minister nodig acht voor de beoordeling van de aanvraag.

5. De landbouwer die aanspraak maakt op de steun, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, onderdeel d, verleent de minister toestemming om de gegevens die over zijn bedrijf zijn opgenomen in de I&R-systemen, bedoeld in artikel 14, onderdeel a, en artikel 34, onderdeel a, van de Regeling identificatie en registratie van dieren, te verwerken ten behoeve van de controle op de naleving van deze regeling.

6. In afwijking van het derde lid wordt de verzamelaanvraag in het kalenderjaar 2015 bij de minister ingediend in de periode van 1 april tot en met 15 juni.

7. De landbouwer die vanggewassen inzet als ecologisch aandachtsgebied kan de inhoud van de verzamelaanvraag, onderdeel Regelingen grondgebonden, ingevolge artikel 14, vierde lid, van Verordening (EU) nr. 809/2014 tot 16 oktober wijzigen wat het gebruik van landbouwpercelen betreft met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

8. De minister beslist op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk op 30 juni van het jaar volgend op het jaar waarin de aanvraag is ingediend.

9. De landbouwer die hennep als vanggewas teelt stuurt de minister de etiketten van het gebruikte zaaizaad uiterlijk op 1 september van het jaar van aanvraag toe met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

10. De uiterste datum, bedoeld in artikel 15, lid 2 ter, van Verordening (EU) nr. 809/2014, waarop de landbouwer wijzigingen kan aanbrengen in het gebruik van zijn landbouwpercelen met gebruikmaking van een middel dat door de minister ter beschikking is gesteld, is 15 oktober.

Artikel 4.2.a

1. De minister kan in 2022 op aanvraag een voorschot verlenen op de rechtstreekse betalingen van € 270 per in de verzamelaanvraag voor uitbetaling opgegeven subsidiabele hectare tot maximaal het aantal betalingsrechten waarover de landbouwer volgens de registratie bij RVO op 15 mei 2022 beschikt.

2. Betalingsrechten die in 2022 zijn aangevraagd uit de nationale reserve worden bij de bepaling van het voorschotbedrag niet in aanmerking genomen.

3. Het voorschot wordt slechts verleend voor zover de landbouwer bij de aanvraag op het voorschot een ingevulde verkorte de-minimisverklaring of een de-minimisverklaring als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector (PbEU 2013, L 352) overlegt waaruit blijkt dat het totale bedrag van de-minimissteun dat wordt verleend niet hoger is dan € 20.000, over een periode van drie belastingjaren.

4. Geen voorschot wordt verleend indien het op het eerste lid gebaseerde voorschotbedrag lager is dan € 400.

5. Op het voorschotbedrag worden openstaande vorderingen die met de rechtstreekse betalingen in 2022 moeten worden verrekend, in mindering gebracht.

6. Indien het uitbetaalde voorschot hoger is dan het bedrag waarop de landbouwer na toetsing aan alle subsidiabiliteitscriteria recht heeft, wordt het teveel betaalde bedrag teruggevorderd.

7. De aanvraag kan slechts worden ingediend na indiening van de verzamelaanvraag, in de periode van 7 tot en met 28 juni 2022 dan wel in de periode van 5 tot en met 26 september 2022, met een daartoe door de minister ter beschikking gesteld middel.

Artikel 4.2.b

De Minister verstrekt in 2022 een steunbedrag van € 2.700 aan een landbouwer, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a. a. er is in 2022 tijdig een aanvraag ingediend voor rechtstreekse betalingen en er is aanspraak op uitbetaling van rechtstreekse betalingen van minimaal € 500 voor subsidiabele hectaren; b. b. er is aanspraak op betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken als bedoeld in artikel 2.13.; en c. c. er zijn op grond van artikel 4, eerste lid, onderdeel a van de Regeling landbouwtelling en gecombineerde opgave 2022 minimaal 50 varkens of 250 stuks pluimvee opgegeven.

Artikel 4.3

1. De minimumoppervlakte van de landbouwpercelen, bedoeld in artikel 72, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedraagt afgerond 0,01 hectare.

2.

In afwijking van het eerste lid, komt een perceel met een afgeronde oppervlakte kleiner dan 0,01 hectare voor steun in aanmerking, voor zover is voldaan aan de volgende criteria:

a. a. het perceel grenst direct aan een ander perceel landbouwgrond van dezelfde landbouwer waarbij de totale oppervlakte afgerond minimaal 0,01 hectare bedraagt, en b. b. tussen de percelen bevindt zich geen afrastering of enige andere vorm van fysieke begrenzing.

Artikel 4.4

1. De aanvraag voor toepassing van artikel 24, achtste lid, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 gebeurt met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

2. De verkoper of verhuurder van het landbouwbedrijf of een deel ervan doet de aanvraag tot toewijzing van betalingsrechten bij een overdracht als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, aan de minister met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld overeenkomstig artikel 4, eerste lid, respectievelijk artikel 5, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 641/2014.

3. De koper of huurder van het landbouwbedrijf of een deel ervan, bedoeld in het tweede lid, identificeert de verkochte respectievelijk verhuurde percelen waarop de koop respectievelijk huur betrekking heeft.

4. De aanvragen, bedoeld in het eerste of het tweede lid, worden volledig en naar waarheid door de landbouwer ingevuld, ondertekend en gedagtekend.

5. Artikel 4.2, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de aanvragen, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 4.5

De landbouwer die aanspraak maakt op de betaling voor jonge landbouwers, bedoeld in artikel 2.21,

a. a. verklaart in de verzamelaanvraag, bedoeld in artikel 4.2, dat hij voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel 50, tweede lid, onderdelen a en b, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 respectievelijk artikel 49, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 639/2014, en b. b. verleent toestemming aan de minister om persoonsgegevens te verwerken ten behoeve van de controle op de naleving van deze regeling.

Artikel 4.6

De minister geeft uitvoering aan artikel 54, eerste en derde lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

Artikel 4.7

1. De minister beheert het geïntegreerde beheers- en controlesysteem, bedoeld in titel V, hoofdstuk II, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

2. De minister verricht de controles, bedoeld in artikel 74, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

Artikel 4.8

1. De minister besluit tot het niet betalen, dan wel de gehele of gedeeltelijke intrekking van rechtstreekse betalingen en betalingsrechten overeenkomstig artikel 63, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

2. De minister stelt de sancties, bedoeld in artikel 63, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vast overeenkomstig artikel 77 van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

3. De minister stelt de sancties, bedoeld in artikel 91, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vast overeenkomstig de artikelen 97 en 99 van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

4. De minister besluit tot terugvordering overeenkomstig artikel 63, derde lid, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

5. De minister kan besluiten ten onrechte toegewezen betalingsrechten niet in te trekken, overeenkomstig artikel 23, vijfde lid, van Verordening (EU) nr. 809/2014.

Artikel 4.9

Het rentetarief dat overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 809/2014 wordt toegepast betreft de wettelijke rente, bedoeld in artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 4.10

1. De kennisgeving, bedoeld in artikel 8, derde lid, van Verordening (EU) nr. 809/2014, geschiedt in de periode van 1 maart tot en met 15 mei, dan wel in de daarop volgende periode van 25 kalenderdagen na de overdracht van een bedrijf, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 809/2014 met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld.

2. In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, is uiterlijk op 1 december van het jaar van de bedrijfsoverdracht de overnemer ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van de Handelsregisterwet 2007, onder vermelding van de verkorte omschrijving van de landbouwactiviteit en de daarbij behorende code van de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) beginnend met de cijfers 011, 012, 013, 014, 015 of 016 en blijkt uit de inschrijving dat het bedrijf van de overnemer is opgericht op uiterlijk de datum van bedrijfsoverdracht.

3. Indien uit de inschrijving in het handelsregister blijkt dat de hoofdactiviteit van de overnemer geen landbouwactiviteit is, wordt de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 2.3, derde lid, uiterlijk op 1 december van het jaar van de bedrijfsoverdracht overgelegd.

4.

Onverminderd het tweede en derde lid wordt voor de toepassing van artikel 8, vijfde lid, van Verordening (EU) nr. 809/2014 als passend aangemerkt de situatie waarin:

a. a. de kennisgeving, bedoeld in artikel 8, derde lid, van Verordening (EU) nr. 809/2014 niet of na de periode, bedoeld in het eerste lid, is ontvangen; b. b. de persoon wiens bedrijf is overgedragen, voldoet aan alle voorwaarden voor de verstrekking van rechtstreekse betalingen, en c. c. de persoon wiens bedrijf is overgedragen alle bewijsstukken heeft overgelegd die de minister nodig acht om de betalingen aan hem toe te kennen.

5. Onverminderd het tweede en derde lid wordt voor de toepassing van artikel 8, vijfde lid, van Verordening (EU) nr. 809/2014 ook als passend aangemerkt de situatie waarin naast het vierde lid, onderdelen b en c, in het jaar van de bedrijfsoverdracht na die bedrijfsoverdracht de verzamelaanvraag nog is ingediend door de persoon wiens bedrijf is overgedragen en de overnemer voor het overgenomen bedrijf dat jaar geen aanvraag heeft ingediend.

Artikel 4.11

Ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om rechtstreekse betalingen kan worden verzocht om binnen maximaal vier weken extra gegevens en inlichtingen te verschaffen.

Hoofdstuk 5. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 5.1

1. De Regeling GLB-inkomenssteun 2006 wordt ingetrokken.

2. De Regeling GLB-inkomenssteun 2006 blijft van toepassing ten aanzien van aanvragen die op grond van die regeling zijn ingediend vóór 1 januari 2015.

3. Ten aanzien van aanvragen gedaan in 2017 is artikel 2.17 van toepassing zoals dit artikel luidde op 31 december 2017.

Artikel 5.2

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.

Artikel 5.3

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB.

Bijlage 1. bij

Vervallen

Bijlage 2. bij

Bijlage 3. bij

Bijlage 4. bij

Bijlage 5. Bij

Bijlage 6. bij

Samenstellingsverklaring van de accountant

Aan:

De Opgave Actieve landbouwer van is door ons samengesteld op basis van de informatie die we van u hebben gekregen. Uw bedrijf is met de volgende gegevens geregistreerd bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl):

Werkwijze samenstellingsopdracht

Deze samenstellingsopdracht is door ons uitgevoerd volgens Nederlands recht, waaronder de voor accountants geldende Standaard 4410 Samenstellingsopdrachten. Op grond van deze standaard wordt van ons verwacht dat wij u ondersteunen bij het opstellen en presenteren van de Opgave Actieve landbouwer in overeenstemming met de (wijziging van de) Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (van 14 december 2015, nr. WJZ/15153578). Wij hebben daarbij onze deskundigheid op het gebied van administratieve verwerking en financiële verslaggeving toegepast.

Bij een samenstellingsopdracht bent u ervoor verantwoordelijk dat de informatie klopt en dat u ons alle relevante informatie aanlevert. Wij hebben onze werkzaamheden, in overeenstemming met de daarvoor geldende regelgeving, dan ook uitgevoerd vanuit de veronderstelling dat u aan deze verantwoordelijkheid heeft voldaan. Als slotstuk van onze werkzaamheden zijn wij door het lezen van de Opgave Actieve landbouwer globaal nagegaan dat het beeld van de opgave overeenkomt met onze kennis van

Opgave actieve landbouwer

De Opgave Actieve landbouwer is gebaseerd op de door u ingediende aangifte <inkomstenbelasting 201x / omzetbelasting 201x> of op het gemiddelde bedrag aan inkomsten over de drie meest recente belastingjaren. Dit jaar is het meest recente beschikbare belastingjaar. Volgens de door ons samengestelde Opgave Actieve landbouwer:

Bij het uitvoeren van deze opdracht hebben wij ons gehouden aan de voor ons geldende relevante ethische voorschriften in de Verordening Gedrags- en Beroepsregels Accountants (VGBA) en de Handleiding Actieve Landbouwer. U en andere gebruikers van deze Opgave Actieve landbouwer mogen er dan ook vanuit gaan dat wij de opdracht professioneel, vakbekwaam en zorgvuldig, integer en objectief hebben uitgevoerd en dat wij vertrouwelijk omgaan met de door u verstrekte gegevens.

Beperking in gebruik en verspreidingskring

De Opgave Actieve landbouwer is opgesteld voor RVO.nl met als doel in staat te stellen te voldoen aan voorwaarden uit de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB van 14 december 2015, nr. WJZ/15153578. Hierdoor is Opgave Actieve landbouwer mogelijk niet geschikt voor andere doeleinden. Onze samenstellingsverklaring is daarom uitsluitend bestemd voor en voor RVO.nl voor de bepaling van het toekennen van directe betalingen vanuit het GLB aan en mag niet worden verspreid aan of worden gebruikt door anderen.