rijk/wet/invoeringswet-wet-ruimtelijke-ordening/BWBR0023913
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening BWBR0023913 wet geldend 2008-07-01 https://wetten.overheid.nl/BWBR0023913 Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening

Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening

Hoofdstuk I. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Artikel 1.1

Wijzigt de Gemeentewet.

Artikel 1.2

Wijzigt de Provinciewet.

Artikel 1.3

Wijzigt de Wet algemene regels herindeling.

Hoofdstuk II. Economische Zaken

Artikel 2.1

Wijzigt de Elektriciteitswet 1998.

Hoofdstuk III. Financiën

Artikel 3.1

Wijzigt de Wet Financiering Wederopbouw Publiekrechtelijke Lichamen.

Hoofdstuk IV. Justitie

Artikel 4.1

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 4.2

Wijzigt de Onteigeningswet.

Artikel 4.3

Wijzigt de Pachtwet.

Artikel 4.4

Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 7.

Artikel 4.5

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Hoofdstuk V. Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Artikel 5.1

Wijzigt de Boswet.

Artikel 5.2

Wijzigt de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën.

Artikel 5.3

Wijzigt de Natuurbeschermingswet 1998.

Artikel 5.4

Wijzigt de Reconstructiewet concentratiegebieden.

Artikel 5.5

Wijzigt de Wet agrarisch grondverkeer.

Hoofdstuk VI. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Artikel 6.1

Wijzigt de Monumentenwet 1988.

Artikel 6.2

Wijzigt de Monumentenwet 1988.

Artikel 6.3

(vervallen)

Hoofdstuk VII. Verkeer en Waterstaat

Artikel 7.1

Wijzigt de Luchtvaartwet.

Artikel 7.2

Wijzigt de Luchtvaartwet.

Artikel 7.3

Wijzigt de Wet luchtvaart.

Artikel 7.4

Wijzigt de Wet luchtvaart.

Artikel 7.5

Wijzigt de Ontgrondingenwet.

Artikel 7.6

Wijzigt de Ontgrondingenwet.

Artikel 7.7

Wijzigt de Planwet verkeer en vervoer.

Artikel 7.8

Wijzigt de Spoedwet wegverbreding.

Artikel 7.9

Wijzigt de Tracéwet.

Artikel 7.10

Wijzigt de Wet bereikbaarheid en mobiliteit.

Artikel 7.11

Wijzigt de Wet op de waterkering.

Hoofdstuk VIII. Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Artikel 8.1

Wijzigt de Huisvestingswet.

Artikel 8.2

Wijzigt de Interimwet stad-en-milieubenadering.

Artikel 8.2.a

Wijzigt de Reconstructiewet Midden-Delfland.

Artikel 8.3

Wijzigt de Waterleidingwet.

Artikel 8.4

Wijzigt de Wet ammoniak en veehouderij.

Artikel 8.5

Wijzigt de Wet bodembescherming.

Artikel 8.6

Wijzigt de Wet buitenspeelruimte.

Artikel 8.7

Wijzigt de Wet geluidhinder.

Artikel 8.8

Wijzigt de Wet milieubeheer.

Artikel 8.9

Wijzigt deze wet.

Artikel 8.10

Wijzigt de Wet milieubeheer.

Artikel 8.11

Wijzigt de Wet op de Raad voor de Wadden.

Artikel 8.12

Wijzigt de Wet op de VROM-raad.

Artikel 8.13

Wijzigt de Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 8.14

Wijzigt de Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 8.15

Wijzigt de Wijzigingswet Huisvestingswet, enz. (integratie van de woonwagen- en woonschepenregelgeving).

Artikel 8.16

Wijzigt de Wet voorkeursrecht gemeenten.

Artikel 8.17

Wijzigt de Woningwet.

Artikel 8.18

Vervallen.

Artikel 8.19

Wijzigt de Woningwet.

Artikel 8.20

De Woningwet 1962 wordt ingetrokken.

Hoofdstuk IX. Overgangsrecht

Afdeling 9.1. Overgangsrecht

Artikel 9.1.1

De Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt ingetrokken.

Artikel 9.1.2

1. Een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, een streekplan als bedoeld in artikel 4a van die wet, een structuurplan als bedoeld in artikel 7 van die wet of een regionaal structuurplan als bedoeld in artikel 36c van die wet wordt gelijkgesteld met een structuurvisie als bedoeld in de artikelen 2.3, 2.2, 2.1 onderscheidenlijk 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening.

2. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd voor dat tijdstip, totdat de geldingsduur van de planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 2a, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening of anderszins bij wet bepaald, is verstreken. Indien bij de planologische kernbeslissing geen termijn is bepaald en hierin evenmin bij wet is voorzien, blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, nog gedurende twee jaar na dat tijdstip van toepassing.

3. Het tweede lid is niet van toepassing op een herziening of intrekking van de planologische kernbeslissing binnen de in dat lid bedoelde geldingsduur.

4. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een streekplan als bedoeld in artikel 4a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, een structuurplan als bedoeld in artikel 7 van die wet of een regionaal structuurplan als bedoeld in artikel 36c van die wet, waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd voor dat tijdstip, totdat de termijn ingevolge artikel 5, onderscheidenlijk artikel 33 of 36g van die wet is verstreken.

5. Regionale belangen, opgenomen in een regionaal structuurplan, worden voor de toepassing van artikel 4.2 van de Wet ruimtelijke ordening aangemerkt als provinciale belangen.

Artikel 9.1.3

Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een opdracht en aanwijzingen als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, die binnen dertien weken na dat tijdstip zijn bekendgemaakt.

Artikel 9.1.4

1. Een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt gelijkgesteld met een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

2. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een bestemmingsplan, waarvan het ontwerp vóór dat tijdstip ter inzage is gelegd, met dien verstande dat na dat tijdstip niet meer een verzoek als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke ordening kan worden ingediend.

3. Vervallen.

4. Vervallen.

5. Dit lid is nog niet in werking getreden.

Artikel 9.1.5

1. Een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt gelijkgesteld met een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening.

2. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een wijzigings- of uitwerkingsplan, waarvan het ontwerp binnen een jaar na dat tijdstip ter inzage is gelegd.

Artikel 9.1.6

1. Een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt gelijkgesteld met een aanlegvergunning als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.

2. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een aanlegvergunning waarvan de aanvraag is ingediend voor dat tijdstip.

Artikel 9.1.7

1. Een vrijstelling of nadere eisen als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening worden gelijkgesteld met een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c, onderscheidenlijk nadere eisen als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening.

2. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

3. Indien bij een bestemmingsplan toepassing is gegeven aan artikel 15, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vervalt dat voorschrift, in afwijking van artikel 9.1.4, tweede lid, een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 9.1.8

Indien bij een bestemmingsplan toepassing is gegeven aan artikel 16 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vervalt dat voorschrift, in afwijking van artikel 9.1.4, tweede lid, een jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 9.1.9

1. Een vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt gelijkgesteld met een ontheffing als bedoeld in artikel 3.22 van de Wet ruimtelijke ordening.

2. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

Artikel 9.1.10

1. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

2. Een besluit tot vrijstelling, waartoe het verzoek is ingediend voor 1 juli 2008, wordt voor de toepassing van afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 3.10 van die wet.

3. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verlening daarvan in overeenstemming met een verleende vrijstelling als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 9.1.11

1. Een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt gelijkgesteld met een ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening.

2. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

Artikel 9.1.12

1. Een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt gelijkgesteld met een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening.

2. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, dat binnen dertien weken na dat tijdstip is bekendgemaakt.

Artikel 9.1.13

1. Een opdracht en aanwijzingen als bedoeld in artikel 37, eerste en tweede dan wel vierde en vijfde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, worden gelijkgesteld met een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, onder a, onderscheidenlijk 4.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

2. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een opdracht en aanwijzingen als bedoeld in artikel 37 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, die binnen dertien weken na dat tijdstip zijn bekendgemaakt.

Artikel 9.1.14

1. Een besluit als bedoeld in artikel 39a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, wordt gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef, van de Wet ruimtelijke ordening.

2. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een rijksprojectbesluit als bedoeld in artikel 39b van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarvan het ontwerp vóór dat tijdstip ter inzage is gelegd.

3. Indien toepassing is gegeven aan artikel 39a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en voor zover nog geen uitvoering is gegeven aan de procedure die beschreven is in paragraaf 2 of 3, genoemd in dat artikel, dan wel in artikel 39n van die wet, zijn op die uitvoering de artikelen 3.35 en 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing.

4. Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op de voorbereiding van een rijksprojectbesluit als bedoeld in artikel 39b van de Wet op de Ruimtelijke Ordeningartikel 39c van die wet in samenhang met hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer van toepassing is, geldt na dat tijdstip een milieueffectrapport als bedoeld in laatstgenoemd artikel als een milieueffectrapport als bedoeld in artikel 3.35, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. Handelingen of beslissingen, vóór bedoeld tijdstip ter uitvoering van genoemd artikel 39c genomen, worden na dat tijdstip aangemerkt te zijn genomen door het bestuursorgaan dat toepassing geeft aan artikel 3.35, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 9.1.15

Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een vrijstelling of een andere beschikking inzake toestemming als bedoeld in artikel 40 of 41 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarvan het verzoek is ingediend vóór dat tijdstip.

Artikel 9.1.16

1. Een besluit tot toepassing van artikel 41c van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening.

2. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een besluit als bedoeld in artikel 41c, waarvan het ontwerp vóór dat tijdstip ter inzage is gelegd.

Artikel 9.1.17

Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een overeenkomst krachtens artikel 42 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, die

a. a. voor dat tijdstip is gesloten, of b. b. strekt ter uitvoering van een bestemmingsplan, waarvan het ontwerp vóór dat tijdstip ter inzage is gelegd.

Artikel 9.1.18

1. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet of die ingevolge artikel II, tweede en derde lid, van de wet van 8 juni 2005, Stb. 305, tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verjaring van en heffing bij planschadevergoedingsaanspraken, alsmede planschadevergoedingsovereenkomsten), nog tot 1 september 2010 kunnen worden ingediend.

2. Artikel 6.2, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening geldt tot 1 september 2010 niet voor aanvragen ingevolge artikel 6.1 van die wet om tegemoetkoming in schade die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is ontstaan.

Artikel 9.1.19

1. Overeenkomsten als bedoeld in artikel 49a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening worden gelijkgesteld met overeenkomsten als bedoeld in artikel 6.4a van de Wet ruimtelijke ordening.

2. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft tot 1 september 2010 op die overeenkomsten van toepassing.

Artikel 9.1.20

Voor zover op grond van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 of 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening bouwvergunning had kunnen worden verleend voor een bouwplan dat na 1 juli 2008 is aangewezen krachtens artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, en bij de herziening van dat bestemmingsplan na dat tijdstip geen andere bestemmingsregeling is vastgesteld, blijven de artikelen 6.12 tot en met 6.22 ten aanzien van een dergelijk bouwplan buiten toepassing.

Afdeling 9.2. Overgangsrecht

Artikel 9.2.1

De Wet op de stads- en dorpsvernieuwing wordt ingetrokken.

Artikel 9.2.2

1. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een leefmilieuverordening waarvan het ontwerp vóór dat tijdstip ter inzage is gelegd.

2. De termijn waarvoor een leefmilieuverordening geldt, kan niet worden verlengd.

Artikel 9.2.3

1. Een sloopvergunning als bedoeld in artikel 20 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing wordt gelijkgesteld met een sloopvergunning als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.

2. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een besluit tot verlening van een sloopvergunning, waarvan de aanvraag vóór dat tijdstip is ingediend.

Artikel 9.2.4

Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een besluit tot verlening van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 26 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, waarvan de aanvraag vóór dat tijdstip is ingediend.

Artikel 9.2.5

1. Een stadsvernieuwingsplan als bedoeld in artikel 31 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing wordt gelijkgesteld met een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

2. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een stadsvernieuwingsplan, waarvan het ontwerp vóór dat tijdstip ter inzage is gelegd, met dien verstande dat na dat tijdstip niet meer een verzoek als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan worden ingediend.

Artikel 9.2.6

Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een vóór dat tijdstip genomen besluit als bedoeld in artikel 29 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing.

Afdeling 9.3

Artikel 9.3.1

De Overgangswet ruimtelijke ordening en volkshuisvesting wordt ingetrokken.

Artikel 9.3.2

1. Plannen, regelingen en voorschriften die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ingevolge artikel 10 van de Overgangswet ruimtelijke ordening en volkshuisvesting of ingevolge enige andere wettelijke bepaling geacht werden bestemmingsplannen in de zin van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te zijn worden gelijkgesteld met plannen als bedoeld in artikel 9.1.4, vierde lid.

2. De plannen, regelingen en voorschriften, bedoeld in het eerste lid, vervallen vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Afdeling 9.4. Overgangsrecht

Artikel 9.4.1

1. Een besluit tot aanwijzing van gronden, begrepen in een structuurplan als bedoeld in artikel 2, eerste lid, in voorkomend geval na verlenging als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dit luidt na de inwerkingtreding van deze wet. De termijn, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dit luidt na de inwerkingtreding van deze wet, bedraagt voor een aanwijzingsbesluit als bedoeld in de eerste volzin, dat is genomen vóór inwerkingtreding van deze wet, twee jaar en vijf maanden waarbij de gemeenteraad deze termijn met ten hoogste een jaar kan verlengen en voor een reeds verlengd besluit in zijn totaliteit drie jaar en vijf maanden.

2. Een besluit tot aanwijzing van gronden, begrepen in een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet wordt gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dit luidt na inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat de termijn, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dit luidt na inwerkingtreding van deze wet voor een aanwijzingsbesluit dat meer dan vijf jaar voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is genomen vijf jaren vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bedraagt.

Artikel 9.4.2

1. Een besluit tot aanwijzing van gronden begrepen in een structuurplan waarbij die gronden zijn aangewezen voor stads- en dorpsvernieuwing, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, in voorkomend geval na verlenging als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet wordt gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dit luidt na inwerkingtreding van deze wet. De termijn, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dit luidt na de inwerkingtreding van deze wet, bedraagt voor een aanwijzingsbesluit als bedoeld in de eerste volzin, dat is genomen vóór inwerkingtreding van deze wet, twee jaar en vijf maanden waarbij de gemeenteraad deze termijn met ten hoogste een jaar kan verlengen en voor een reeds verlengd besluit in zijn totaliteit drie jaar en vijf maanden.

2. Een besluit tot aanwijzing van gronden, begrepen in een stadsvernieuwingsplan als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet wordt gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dit luidt na inwerkingtreding van deze wet, ongeacht of het gebruik van die gronden al dan niet afwijkt van het plan. De termijn, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dit luidt na inwerkingtreding van deze wet, bedraagt voor een aanwijzingsbesluit dat meer dan vijf jaar voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is genomen vijf jaren vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 9.4.3

Een voorstel van burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 6 van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet wordt gelijkgesteld met een besluit tot voorlopige aanwijzing als bedoeld in artikel 6 van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dit luidt na inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat de in dat artikel bedoelde termijn vijf maanden bedraagt.

Artikel 9.4.4

Een besluit tot aanwijzing van gronden als bedoeld in artikel 8 van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet wordt gelijk gesteld met een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 5, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dit luidt na inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat de termijn, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dit luidt na inwerkingtreding van deze wet, twee jaar en zes maanden bedraagt.

Artikel 9.4.5

Een voorstel van burgemeester en wethouders als bedoeld in artikel 8a van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dat luidde vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet wordt gelijkgesteld met een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van de Wet voorkeursrecht gemeenten zoals dit luidt na inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat de in laatstgenoemd artikel genoemde termijn acht weken bedraagt.

Afdeling 9.5. Overgangsrecht

Artikel 9.5.1

De Woningwet zoals die gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een besluit omtrent een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet waarvan de aanvraag is ingekomen voor dat tijdstip.

Afdeling 9.6. Overgangsrecht uitvoeringsregelingen

Artikel 9.6.1

1. Na inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit externe veiligheid inrichtingen mede op de artikelen 3.37 en 4.3 van de Wet ruimtelijke ordening.

2. Artikel 4.3, tweede lid, is niet van toepassing ingeval het Besluit externe veiligheid inrichtingen van toepassing is en het ontwerp van het bestemmingsplan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet ter inzage is gelegd.

Artikel 9.6.2

Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit subsidiëring stichting bestuursrechtspraak milieu en ruimtelijke ordening op artikel 8.8 van de Wet ruimtelijke ordening.

Afdeling 9.7. Overgangsrecht bouwplanonteigening

Artikel 9.7.1

1. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op een besluit als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder 2°, van de onteigeningswet indien voor dat tijdstip overeenkomstig het vierde lid van dat artikel toepassing is gegeven aan artikel 3.11 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op een besluit als bedoeld in artikel 77, eerste lid, onder 3°, van de onteigeningswet waarvan een ontwerp met de bijbehorende stukken ingevolge artikel 80 van die wet voor dat tijdstip ter inzage is gelegd.

Hoofdstuk X. Slotbepalingen

Artikel 10.1

1.

Indien ingevolge enig wettelijk voorschrift:

a. a. over het ontwerp van een regeling of het voornemen tot het treffen van een regeling advies moet worden gevraagd of extern overleg moet worden gevoerd, b. b. van het ontwerp van een regeling kennis moet worden gegeven, c. c. een regeling niet eerder in werking kan treden dan nadat sedert haar vaststelling of bekendmaking een bepaalde termijn is verstreken, d. d. een regeling bij de wet moet worden goedgekeurd, e. e. door of namens een van de Kamers van de Staten-Generaal of een aantal leden daarvan kan worden verlangd dat het onderwerp of de inwerkingtreding van de regeling bij de wet wordt geregeld, of f. f. de voordracht voor een algemene maatregel van bestuur moet worden gedaan door een andere minister dan Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, geldt dat voorschrift niet ten aanzien van het Invoeringsbesluit Wet ruimtelijke ordening of de Invoeringsregeling Wet ruimtelijke ordening.

2. Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op het horen van de Raad van State.

Artikel 10.2

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 10.3

Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening.