rijk/amvb/besluit-suppletieregeling-gedeeltelijk-arbeidsongeschikten-sector-politie/BWBR0008099
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Besluit suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie BWBR0008099 AMvB geldend 1996-07-10 https://wetten.overheid.nl/BWBR0008099 Besluit suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie

Besluit suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. a. arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 18, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; b. b. arbeidsongeschiktheidsuitkering: een periodieke uitkering, toegekend op grond van arbeidsongeschiktheid, die voortvloeit uit enig dienstverband van betrokkene; c. c. WAO-uitkering: de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; d. d. betrokkene: de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de Wet privatisering ABP, aan wie uit een dienstbetrekking bij de sector politie ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte en wegens het vanuit ziekte verrichten van passende arbeid bij een andere werkgever als bedoeld in respectievelijk artikel 94, eerste lid, onderdeel e, en artikel 94, eerste lid, onderdeel f, van het Besluit algemene rechtspositie politie, en die ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt is, met uitzondering van degene die zijn resterende verdienvermogen volledig benut in een of meer aangehouden betrekkingen; e. e. bevoegd gezag: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder l, van het Besluit algemene rechtspositie politie; f. f. suppletie: de suppletie, bedoeld in artikel 6; g. g. dagloon: het dagloon in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder toepassing van het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen met betrekking tot een loontijdvak van een dag, vermeerderd met het bedrag aan pensioenbijdrageverhaal, bedoeld in artikel 10 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP; h. h. berekeningsgrondslag van de suppletie: het dagloon van betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem recht op suppletie wordt toegekend, voor zover dat betrekking heeft op het inkomen uit de betrekking waaraan het recht op suppletie wordt ontleend; i. i. werkloosheidsuitkering: een periodieke uitkering ter zake van ontslag of werkloosheid, die voortvloeit uit enig dienstverband van betrokkene; j. j. ZW-uitkering: ziekengeld als bedoeld in artikel 19 van de Ziektewet.

Paragraaf 2. Het recht op suppletie

Artikel 2

1. Betrokkene heeft recht op suppletie vanaf het tijdstip dat aan hem ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of op grond van het vanuit ziekte verrichten van passende arbeid bij een andere werkgever.

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het in dat lid bedoelde ontslag wordt verleend na het moment dat de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte 90 maanden onafgebroken heeft geduurd. Voor het bepalen van genoemde periode van 90 maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

Artikel 3

1. Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op het recht op suppletie.

2. Onverminderd het eerste lid, omvat passende arbeid in de zin van de Werkloosheidswet voor de toepassing op de suppletie mede gangbare arbeid. Hierbij wordt onder gangbare arbeid verstaan: alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

Artikel 4

Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang:

a. a. betrokkene een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer; b. b. betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht kan ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld in paragraaf 9 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 5

Het recht op suppletie eindigt:

a. a. na ommekomst van de duur van de suppletie; b. b. met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is overleden; c. c. met ingang van de dag waarop de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt.

Paragraaf 3. Suppletie

Artikel 6

1. De suppletie bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag van de suppletie.

2. De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt telkens aangepast aan de voor de sector politie geldende algemene bezoldigingswijziging.

3.

Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt:

a. a. gedurende de eerste drieëndertig maanden 80%; en b. b. gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden 70%.

Artikel 7

1. In afwijking van artikel 6, derde lid, wordt, indien het in artikel 2 bedoelde ontslag is verleend op een latere datum dan het moment waarop de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte 24 maanden onafgebroken heeft geduurd, de in artikel 6, derde lid, genoemde periode verminderd met de periode die gelegen is tussen de ontslagdatum en het moment waarop genoemde ongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft geduurd. Deze vermindering vindt plaats, te beginnen met de periode gedurende welke de betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie.

2. Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van 24 maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

Artikel 8

1. Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie, ter zake van de dienstbetrekking waaruit dat recht op suppletie is ontstaan, een werkloosheidsuitkering of een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een ZW-uitkering ontvangt, wordt het bedrag van genoemde uitkering of uitkeringen in mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van de eerste volzin, toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.

2. Indien de betrokkene recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering die kan worden toegerekend aan een dienstbetrekking, waaruit hij is ontslagen op een datum, gelegen vóór de datum van ontslag uit de dienstbetrekking ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, welk recht voortduurt na laatstgenoemde datum, wordt, ingeval van een verhoging van de mate van de arbeidsongeschiktheid waardoor het bedrag van die arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd wordt, uitsluitend het bedrag van die verhoging van die arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van de vorige volzin toegerekend aan de in die volzin eerstgenoemde dienstbetrekking, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.

3. Indien de toerekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, in een individueel geval naar het oordeel van het bevoegd gezag leidt tot een kennelijk onredelijke uitkomst voor de betrokkene, kan het bevoegd gezag ten gunste van die betrokkene tot een wijze van toerekenen besluiten die met de strekking van dit artikel overeenkomt.

Artikel 9

1. Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie inkomsten verwerft uit of in verband met arbeid of bedrijf, anders dan bedoeld in artikel 8, wordt de berekeningsgrondslag van de suppletie verminderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.

2. Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie recht krijgt op een ZW-uitkering, wordt de berekeningsgrondslag van de suppletie verminderd met de ZW-uitkering.

3.

Onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, bedoeld in het eerste lid, worden begrepen inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die zijn ontstaan:

a. a. met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, hem is aangezegd; b. b. gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie is toegekend; c. c. vóór de dag van het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, anders dan bedoeld in onderdeel a en b, en artikel 8, tweede lid, en onderdeel a en b, voor zover uit deze arbeid of dit bedrijf na die dag inkomsten of meer inkomsten worden genoten door de betrokkene, terwijl die inkomsten of die meerdere inkomsten of een gedeelte daarvan, het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid danwel verband houden met het ontslag.

4. In bijzondere gevallen kan het bevoegd gezag ten gunste van betrokkene afwijken van het derde lid.

Artikel 10

Voor de toepassing van de artikelen 8 en 9 worden uitkeringen steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten indien, als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, één of meer werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de Ziektewet danwel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht heeft:

a. a. vermindering ondergaan; b. b. blijvend geheel geweigerd worden; c. c. tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; danwel d. d. in uitkeringsduur beperkt worden.

Artikel 11

1. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan wie een suppletie is toegekend, keert het bevoegd gezag een bedrag uit, gelijk aan de berekeningsgrondslag van de suppletie van betrokkene over een tijdvak van drie maanden.

2.

Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:

a. a. aan de langstlevende der echtgenoten indien de overledene niet duurzaam van de andere echtgenoot gescheiden leefde; b. b. bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen; c. c. bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.

3. Voor de toepassing van het tweede lid kan tegelijkertijd slechts één persoon als echtgenoot worden aangemerkt en worden mede als echtgenoot aangemerkt niet gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat, alsmede de geregistreerde partner.

4. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding danwel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

5. Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de Ziektewet danwel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht had.

Paragraaf 4. De betaling van de suppletie

Artikel 12

1. Het bevoegd gezag stelt op aanvraag vast of er recht op suppletie bestaat.

2. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het bevoegd gezag beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

3. Het bevoegd gezag betaalt de suppletie zo spoedig mogelijk uit, doch uiterlijk binnen een maand nadat het het recht op die suppletie heeft vastgesteld. Het bevoegd gezag betaalt de suppletie in de regel per maand achteraf.

4. De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen drie maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald. Het bevoegd gezag kan in bijzondere gevallen ten gunste van betrokkene afwijken van de eerste volzin.

Artikel 13

1. Het bevoegd gezag betaalt ambtshalve een naar redelijkheid vast te stellen voorschot op een suppletie indien uitsluitend onzekerheid bestaat omtrent de hoogte van de suppletie, omtrent het van de suppletie aan de betrokkene te betalen bedrag of omtrent het nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 3.

2. Het bevoegd gezag kan op aanvraag van de betrokkene een naar redelijkheid vast te stellen voorschot op een suppletie betalen indien onzekerheid bestaat omtrent het recht op suppletie.

3. Een voorschot, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd als een suppletie.

Paragraaf 5. Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten

Artikel 14

1. Het bevoegd gezag kan regels stellen op grond waarvan in bij die regels aan te geven gevallen en met inachtneming van bij die regels te stellen beperkingen de betrokkene bevoegd is deel te nemen aan een opleiding of scholing in dagonderwijs.

2. Indien de betrokkene die recht heeft op suppletie gaat deelnemen aan een voor hem noodzakelijke opleiding of scholing, blijft volgens door het bevoegd gezag te stellen regels het recht op suppletie bestaan totdat die opleiding of scholing is geëindigd.

3. In de door het bevoegd gezag te stellen regels, bedoeld in het tweede lid, worden in ieder geval voorschriften en beperkingen gegeven met betrekking tot de aard, de omvang en de duur van de in het tweede lid bedoelde opleiding of scholing.

Artikel 15

1. De betrokkene die onbeloonde activiteiten verricht, is verplicht daarvan mededeling te doen aan het bevoegd gezag.

2. De betrokkene heeft voor het verrichten van bijzondere vormen van onbeloonde activiteiten voorafgaande toestemming van het bevoegd gezag nodig.

3. Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde toestemming.

Paragraaf 6. Uitvoeringsvoorschriften

Artikel 16

Het bevoegd gezag stelt nadere regels vast met betrekking tot:

a. a. een doelmatige controle ten aanzien van de betrokkenen; b. b. het genieten van vakantie tijdens de duur van de suppletie.

Paragraaf 7. Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering wegens ziekte

Artikel 17

1. Degene die op 31 december 1995 recht heeft op een herplaatsingswachtgeld als bedoeld in artikel K 4, tweede lid, juncto artikel K 6 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die wet luidde op die datum, waarvan de duur op 1 januari 1996 nog niet is verstreken, heeft recht op suppletie.

2.

Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een op 31 december 1995 genoten recht op herplaatsingswachtgeld van:

1 maand: gedurende de eerste 27 maanden 80%, vervolgens 33 maanden 70%;
2 maanden: " " " 26 " 80%, " 33 " 70%;
3 maanden: " " " 25 " 80%, " 33 " 70%;
4 maanden: " " " 24 " 80%, " 33 " 70%;
5 maanden: " " " 22 " 80%, " 33 " 70%;
6 maanden: " " " 21 " 80%, " 33 " 70%;
7 maanden: " " " 20 " 80%, " 33 " 70%;
8 maanden: " " " 19 " 80%, " 33 " 70%;
9 maanden: " " " 18 " 80%, " 33 " 70%;
10 maanden: " " " 17 " 80%, " 33 " 70%;
11 maanden: " " " 16 " 80%, " 33 " 70%;
12 maanden: " " " 15 " 80%, " 33 " 70%;
13 maanden: " " " 14 " 80%, " 33 " 70%;
14 maanden: " " " 13 " 80%, " 33 " 70%;
15 maanden: " " " 12 " 80%, " 33 " 70%;
16 maanden: " " " 11 " 80%, " 33 " 70%;
17 maanden: " " " 10 " 80%, " 33 " 70%;
18 maanden: " " " 9 " 80%, " 33 " 70%;
19 maanden: " " " 9 " 80%, " 33 " 70%;
20 maanden: " " " 8 " 80%, " 33 " 70%;
21 maanden: " " " 7 " 80%, " 33 " 70%;
22 maanden: " " " 6 " 80%, " 33 " 70%;
23 maanden: " " " 5 " 80%, " 33 " 70%;
24 maanden: " " " 4 " 80%, " 33 " 70%;
25 maanden: " " " 3 " 80%, " 33 " 70%;
26 maanden: " " " 2 " 80%, " 33 " 70%;
27 maanden: " " " 1 maand 80%, " 33 " 70%;
28 maanden: gedurende 33 maanden 70%;
29 maanden: " 32 " 70%;
30 maanden: " 31 " 70%;
31 maanden: " 30 " 70%;
32 maanden: " 29 " 70%;
33 maanden: " 28 " 70%;
34 maanden: " 27 " 70%;
35 maanden: " 26 " 70%;
36 maanden: " 25 " 70%;
37 maanden: " 24 " 70%;
38 maanden: " 23 " 70%;
39 maanden: " 22 " 70%;
40 maanden: " 2l " 70%;
41 maanden: " 20 " 70%;
42 maanden: " 19 " 70%;
43 maanden: " 18 " 70%;
44 maanden: " 17 " 70%;
45 maanden: " 16 " 70%;
46 maanden: " 15 " 70%;
47 maanden: " 14 " 70%;
48 maanden: " 13 " 70%;
49 maanden: " 11 " 70%;
50 maanden: " 10 " 70%;
51 maanden: " 9 " 70%;
52 maanden: " 8 " 70%;
53 maanden: " 7 " 70%;
54 maanden: " 6 " 70%;
55 maanden: " 5 " 70%;
56 maanden: " 4 " 70%;
57 maanden: " 3 " 70%;
58 maanden: " 2 " 70%;
59 maanden: gedurende 1 maand 70%.

3. De artikelen 3 tot en met 5, 6, tweede lid, 7 tot en met 11, alsmede artikel 12, derde lid tot en met 16 zijn van overeenkomstige toepassing.

4. Het bevoegd gezag stelt ambtshalve van iedere overheidswerknemer als bedoeld in het eerste lid, het recht op suppletie vast met inachtneming van het in dit artikel bepaalde.

5. Artikel 6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag voor de betrokkene als dagloon zoals bepaald in artikel 42, derde en vierde lid, van de Wet privatisering ABP, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

6. Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze periode naar beneden afgerond op een hele maand.

Artikel 18

Indien de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de Wet privatisering ABP, op 1 januari 1996 onafgebroken gedurende een periode van 52 weken of langer onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest in de zin van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de mate van zijn algemene invaliditeit op grond van de Algemene burgerlijke pensioenwet is vastgesteld op ten minste 15 procent danwel de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de ministeriële regeling op grond van artikel 8, derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, zoals dit artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen is vastgesteld op ten minste 25 procent, binnen een periode van zes maanden is aan te merken als betrokkene, geldt voor hem als dagloon het dagloon zoals bepaald in artikel 39, vierde en vijfde lid, van de Wet privatisering ABP, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

Paragraaf 8. Overige en slotbepalingen

Artikel 19

Indien het niveau van de WAO-uitkering als bedoeld in paragraaf 9 van de Wet privatisering ABP een algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, behoudens indien sociale partners anders overeenkomen binnen zes maanden na de datum van het Staatsblad waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de suppletie doorgevoerd, vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het Staatsblad.

Artikel 19a

Dit besluit berust op artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012 en artikel 10, vijfde lid, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs.

Artikel 20

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1996.

Artikel 21

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector politie.