rijk/verdrag/verdrag-tussen-de-regering-van-het-koninkrijk-der-nederlanden-en-de-regering-van/BWBV0001318
Coornhert feee871c31 feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown
40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter.
Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice.

Verdeling per type:
- 21.167 ministeriële regelingen
-  4.605 ZBO-regelingen
-  3.678 verdragen
-  3.631 AMvB's
-  3.179 wetten
-  2.564 PBO-regelingen
-    883 KB's
-    591 circulaires
-    150 beleidsregels
-    118 rijkswetten

0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt.
2026-03-30 06:27:40 +02:00
..
README.md feat: volledige Nederlandse rijksregelgeving als Markdown 2026-03-30 06:27:40 +02:00

titel bwb_id type status datum_inwerkingtreding bron citeertitel
Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de algemene voorwaarden voor het 1 (Duits/Nederlandse) legerkorps en de aan het korps verbonden eenheden en instellingen BWBV0001318 verdrag geldend 2000-09-01 https://wetten.overheid.nl/BWBV0001318 Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de algemene voorwaarden voor het 1 (Duits/Nederlandse) legerkorps en de aan het korps verbonden eenheden en instellingen

Verdrag tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake de algemene voorwaarden voor het 1 (Duits/Nederlandse) legerkorps en de aan het korps verbonden eenheden en instellingen

Artikel 1

Dit Verdrag heeft tot doel de verantwoordelijkheden van de Verdragsluitende Partijen en de uitgangspunten voor samenwerking en verhoogde integratie in het 1 (Duits/Nederlandse) Legerkorps hierna te noemen „het Korps" en de aan het Korps verbonden eenheden en instellingen vast te stellen.

Artikel 2

1. Het oppergezag en het toezicht over het personeel, het materieel, de eenheden, de installaties en de kantoren die aan het Korps zijn bijgedragen blijven een nationale verantwoordelijkheid.

2. Het Ministerie van Defensie van de Bondsrepubliek Duitsland en het Ministerie van Defensie van het Koninkrijk der Nederlanden bepalen in onderling overleg de structuur van de organisatie van het Korps.

3. De Verdragsluitende Partijen stellen aan het Korps het personeel, het materieel en de financiële middelen ter beschikking zoals wordt bepaald tussen het Ministerie van Defensie van de Bondsrepubliek Duitsland en het Ministerie van Defensie van het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel 3

1.

Binnen de grenzen van de nationale grondwetten en overeenkomstig de bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties, en ingevolge de besluiten genomen door de bevoegde organen van de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden, vervult het Korps taken in het kader van:

de gemeenschappelijke verdediging krachtens artikel 5 van het Noord-Atlantisch Verdrag of artikel V van het gewijzigde Verdrag van Brussel; multinationaal crisismanagement met inbegrip van vredesafdwingende en vredeshandhavende operaties in het kader van de Verenigde Naties, de Westeuropese Unie, de Noordatlantische Verdrags-organisatie of regionale overeenkomsten krachtens hoofdstuk VIII van het Handvest van de Verenigde Naties waartoe de twee Staten behoren, uit te voeren met strijdkrachten die voor deze doeleinden aan het Korps zijn ondergeschikt of toegevoegd; humanitaire en reddingsoperaties.

2. Nationale bijdragen aan het Korps zijn tevens beschikbaar voor nationale doeleinden.

Artikel 4

1. De stationering van Nederlandse strijdkrachten van het Korps op Duits grondgebied is gebaseerd op het Verdrag inzake de aanwezigheid van buitenlandse strijdkrachten in de Bondsrepubliek Duitsland van 23 oktober 1954.

2. De stationering van Duitse strijdkrachten van het Korps op Nederlands grondgebied is gebaseerd op het Verdrag inzake de stationering van strijdkrachten van de Bondsrepubliek Duitsland in het Koninkrijk der Nederlanden van 6 oktober 1997.

3. De locatie van de binationale onderdelen van de strijdkrachten van het Korps wordt in onderling overleg bepaald door het Ministerie van Defensie van de Bondsrepubliek Duitsland en het Ministerie van Defensie van het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel 5

De bepalingen van

het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten (NAVO-Status Verdrag) van 19 juni 1951, de Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, met betrekking tot de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten (Aanvullende Overeenkomst Duitsland), als gewijzigd op 18 maart 1993, de Briefwisseling van 25 september 1990, als gewijzigd op 12 september 1994, bij het NAVO-Status Verdrag, de Aanvullende Overeenkomst Duitsland en de daarbij behorende akkoorden, de Aanvullende Overeenkomst bij het NAVO-Status Verdrag met betrekking tot Duitse strijdkrachten gestationeerd in het Koninkrijk der Nederlanden (Aanvullende Overeenkomst Nederland) van 6 oktober 1997, en het daarbij behorende Protocol, en dit Verdrag

zijn van toepassing op de strijdkrachten, de civiele component, de leden daarvan en hun gezinsleden.

Artikel 6

1. De Commandant van het Korps krijgt de geïntegreerde leidinggevende en toezichthoudende bevoegdheid met betrekking tot de uitvoering van de aan het Korps opgedragen taken. Deze bevoegdheid omvat het recht instructies te geven aan de soldaten en burgerpersoneelsleden van het Korps onder zijn geïntegreerd bevel, alsmede de planning, de voorbereiding en de uitvoering van de taken en missies van het Korps, met inbegrip van de opleiding, oefeningen en logistieke competenties.

2. Nationale rechten en verplichtingen van het personeel, in het bijzonder met betrekking tot disciplinaire kwesties en klachten, vallen niet binnen de reikwijdte van de geïntegreerde leidinggevende en toezichthoudende bevoegdheid.

3. Bijzonderheden worden overeengekomen tussen de Verdragsluitende Partijen.

4. De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de terzake bevoegde NAVO/WEU-bevelhebber blijven ongewijzigd.

Artikel 7

1. Het Korps krijgt een binationaal budget. De omvang en de financiering van het binationale budget worden bepaald door het Ministerie van Defensie van de Bondsrepubliek Duitsland en het Ministerie van Defensie van het Koninkrijk der Nederlanden met inachtneming van de toepasselijke wettelijke bepalingen.

2. Een binationale Commissie van Accountants draagt zorg voor het toezicht op en de controle van het binationale budget in beginsel op basis van de controleprocedures van de NAVO.

3. Onafhankelijk van de controle door de binationale Commissie van Accountants hebben nationale accountants het recht alle inlichtingen te vragen en alle dossiers in te zien van de binationale onderdelen van het Korps die zij nodig achten voor de controle van de nationale onderdelen en voor het verstrekken van informatie aan hun respectieve regeringen en parlementen. Deze verzoeken worden gedaan via de Commandant van het Korps.

Artikel 8

1. Contracten voor binationale doeleinden ten laste van het binationale budget van het Korps zijn bindend voor de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden. De bevoegde Duitse en Nederlandse diensten werken samen op basis van de door de Commandant van het Korps gestelde behoeften.

2. Alle uit het binationale budget bekostigde activa zijn gezamenlijk eigendom van de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden. Regelingen en procedures voor de overdracht van gezamenlijke eigendommen worden uitgewerkt in nadere overeenkomsten.

3. In gerechtelijke procedures die voortvloeien uit de contracten als genoemd in het eerste lid draagt de ontvangende Staat zorg voor de vertegenwoordiging in rechte. In derde landen wordt deze verantwoordelijkheid gedragen door de Staat waarvan de functionaris die het contract heeft gesloten de nationaliteit bezit. De kosten van de gerechtelijke procedures komen hierbij ten laste van het binationale budget van het Korps.

4. Alle vorderingen voortvloeiend uit of in samenhang met de contracten als genoemd in het eerste lid komen ten laste van het binationale budget.

Artikel 9

1. Artikel VIII van het NAVO-Status Verdrag is van toepassing.

2. Vorderingen van derden, anders dan contractuele, die voortvloeien uit het handelen of nalaten van leden van de binationale onderdelen van het Korps gedaan tijdens de uitoefening van hun officiële binationale functie of voortvloeiend uit het gebruik uit hoofde van hun functie van materieel dat bij deze onderdelen voor binationale doeleinden in gebruik is en waarbij schade wordt aangericht, worden behandeld overeenkomstig Artikel VIII, vijfde lid, onder e (ii), van het NAVO-Status Verdrag; deze vorderingen worden volledig voldaan uit het binationale budget.

Artikel 10

1. De voor binationale doeleinden gebruikte faciliteiten of gebouwen kunnen worden bewaakt door een binationale wacht, indien het bewakingspersoneel van de zendstaat dezelfde bevoegdheden heeft als het bewakingspersoneel van de ontvangende Staat.

2. Voor de uitvoering van hun bewakingstaken valt de binationale wacht uitsluitend onder het gezag van de bevoegde wachtsuperieur van de ontvangende Staat.

3. Voor binationale bewakingstaken buiten het grondgebied van de Verdragsluitende Partijen zullen bijzondere overeenkomsten van toepassing zijn.

Artikel 11

Gerubriceerde gegevens die ontstaan of worden uitgewisseld als gevolg van de uitvoering van dit Verdrag worden behandeld overeenkomstig multilaterale of bilaterale overeenkomsten, regelingen en procedures inzake de bescherming van gerubriceerde gegevens.

Artikel 12

Andere Staten partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag of het Verdrag van Brussel kunnen, op uitnodiging van de Partijen bij dit Verdrag, tot dit Verdrag toetreden onder nader overeen te komen voorwaarden.

Artikel 13

Bij dit Verdrag worden uitvoeringsovereenkomsten gesloten.

Artikel 14

Alle geschillen met betrekking tot de interpretatie of de toepassing van dit Verdrag worden beslecht door middel van onderhandelingen tussen de Verdragsluitende Partijen zonder beroep op derden.

Artikel 15

1. Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgend op de datum van ontvangst van de laatste kennisgeving dat aan de nationale vereisten voor de inwerkingtreding is voldaan.

2. Dit Verdrag wordt met ingang van 1 december 1997 voorlopig toegepast overeenkomstig het nationale recht van de Verdragsluitende Partijen.

3. Dit Verdrag kan worden aangevuld of gewijzigd met wederzijdse instemming van de Verdragsluitende Partijen. Aanvullingen of wijzigingen worden op schrift gesteld.

4. Dit Verdrag kan door één van beide Verdragsluitende Partijen worden beëindigd door schriftelijke kennisgeving aan de andere Verdragsluitende Partij met een opzegtermijn van twaalf maanden. De Verdragsluitende Partijen voeren overleg om overeenstemming te bereiken over de wederzijds aanvaardbare voorwaarden van beëindiging.

5. Dit Verdrag wordt iedere vijf jaar na de inwerkingtreding opnieuw in ogenschouw genomen.

6. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, geldt dit Verdrag uitsluitend voor het grondgebied van het Koninkrijk in Europa.