40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Regeling DBBC’s FZ | BWBR0035420 | zbo | geldend | 2015-01-01 | https://wetten.overheid.nl/BWBR0035420 | Regeling DBBC’s FZ |
Regeling DBBC’s FZ
Ingevolge artikel 36, 62 en 68 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), stelt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de volgende regeling vast:
1. Inleiding
1.1. Reikwijdte
Deze regeling is van toepassing op zorgaanbieders als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van het Interimbesluit forensische zorg1Interimbesluit forensische zorg (Stb. 2010, nr. 875), laatstelijk gewijzigd met Besluit van 27 maart 2012 tot wijziging van het Interimbesluit forensische zorg (Stb. 2012, nr. 134)., die forensische zorg in strafrechtelijk kader, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Interimbesluit forensische zorg, verlenen.
1.2. Doel van de regeling
Het doel van deze regeling is het stellen van voorschriften op het gebied van registratie, validatie, declaratie en informatie, die zorgaanbieders in acht moeten nemen bij én voorafgaand aan het declareren van DBBC’s.
1.3. Afbakening DBBC’s
Per 1 januari 2011 heeft het ministerie van Veiligheid en Justitie (VenJ) naast de DBBC-systematiek ook ZZP’s en extramurale parameters voor de forensische zorg (FZ) ingevoerd. Voor de afbakening tussen de DBBC’s en de ZZP’s/extramurale parameters geldt het volgende:
– – Voor zorg in het kader van de behandeling van de patiënt (zowel met als zonder verblijf) geldt de DBBC-systematiek. Hieronder valt ook de behandeling aan sterk gedragsgestoorde licht verstandelijk gehandicapten (SGLVG). Voorwaarde hiervoor is dat deze zorg met behandeling geïndiceerd is. – – De ZZP’s/extramurale parameters gelden voor alle doelgroepen bij de volgende zorgvormen:
a.
ambulante begeleiding (extramurale parameters);
b.
verblijf met begeleiding zonder behandeling (ZZP’s);
c.
verstandelijk beperkten, met uitzondering van de zorg die is gericht op de behandeling van een gedragsstoornis, verslaving of psychiatrische problematiek (ZZP’s).
a. a. ambulante begeleiding (extramurale parameters); b. b. verblijf met begeleiding zonder behandeling (ZZP’s); c. c. verstandelijk beperkten, met uitzondering van de zorg die is gericht op de behandeling van een gedragsstoornis, verslaving of psychiatrische problematiek (ZZP’s).
1.4. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. a.
*zorgaanbieder:* de rechtspersoon die een zorginstelling FZ in stand houdt of een natuurlijke persoon die FZ verleent, dan wel de natuurlijke personen of rechtspersonen, die gezamenlijk een zorginstelling FZ vormen, en die krachtens een overeenkomst FZ verlenen2Zie artikel 1, eerste lid, onderdeel j, van het Interimbesluit forensische zorg.;
b. b.
*zorgverzekeraar:* waar in deze regeling gesproken wordt over de zorgverzekeraar wordt de Directie Forensische Zorg (DForZo), onderdeel van het ministerie van VenJ, bedoeld. In de FZ is DForZo verantwoordelijk voor het inkopen van FZ. Derhalve wordt op grond van artikel 4 van het Interimbesluit FZ DForZo gelijkgesteld aan een zorgverzekeraar;
c. c.
*patiënt:* iemand die zorg afneemt, respectievelijk krijgt geleverd van een zorgaanbieder als bedoeld onder a;
d. d.
*hoofdbehandelaar:* zorgverlener, al dan niet in dienst van een rechtspersoon als bedoeld onder a, die, in reactie op de zorgvraag van een patiënt, bij die patiënt de diagnose stelt en onder wiens verantwoordelijkheid het DBBC-traject van die patiënt wordt doorlopen. Uitsluitend zorgverleners met een beroep dat is opgenomen in het BIG-register en die bevoegd en bekwaam zijn om patiënten te classificeren volgens de systematiek van de DSM-IV-TR kunnen als hoofdbehandelaar worden aangemerkt;
e. e.
*behandelaar:* zorgaanbieder die op de beroepenlijst voorkomt en activiteiten, verrichtingen en verblijfsprestaties kan registreren. Een behandelaar kan tevens een hoofdbehandelaar zijn;
f. f.
*DBBC:* Diagnose Behandeling Beveiliging Combinatie. Een DBBC omvat het traject dat een patiënt doorloopt als hij zorg nodig heeft voor een specifieke diagnose, vanaf het eerste contact bij een forensische zorgaanbieder tot en met de behandeling die hier uit volgt. De DBBC vormt de basis voor de declaratie van deze geleverde zorg;
g. g.
*zorgtraject:* een initiële DBBC, met eventueel één of meerdere vervolg-DBBC’s, vormt samen het zorgtraject. Dit zorgtraject omvat de totale zorg die wordt geleverd in het kader van de behandeling van één primaire diagnose;
h. h.
*DBBC-traject:* de periode waarin alle activiteiten (openen, typeren, registreren en sluiten) in het kader van de behandeling van de patiënt worden uitgevoerd;
i. i.
*DBBC-dataset:* de gegevens die verzameld en aangeleverd moeten worden conform de Regeling ‘Verplichte informatieverstrekking zorgaanbieders van forensische zorg’;
j. j.
*DBBC-prestatiecode:* de twaalfcijferige code, die het afgesloten en gevalideerde DBBC-traject beschrijft;
k. k.
*DBBC-tarief:* het DBBC-tarief bestaat uit de combinatie van het bedrag dat is gekoppeld aan de productgroep voor behandeling en de bedragen die gekoppeld zijn aan de verblijfssoorten (en het aantal dagen per verblijfssoort) volgens de tariefbeschikking DBBC’s en overige producten FZ. Indien geen sprake is van verblijf, bestaat het DBBC-tarief uitsluitend uit het bedrag dat is gekoppeld aan de productgroep voor behandeling. Het tarief voor verblijf is gebaseerd op de volledige kostprijs van de verleende zorg, inclusief de normatieve huisvestingscomponent (NHC);
l. l.
*declaratiecode:* de zescijferige code waaraan het bedrag van het DBBC-tarief is gekoppeld;
m. m.
*AGB-code:* unieke code die aan een zorgaanbieder is toegekend. Met deze code kan de zorgaanbieder en de praktijk of de instelling worden geïdentificeerd;
n. n.
*overige producten:* overige producten betreffen vormen van zorg die onder de reikwijdte van de Wmg vallen, maar die zich (nog) niet lenen voor onderbrenging in de reguliere DBBC-productstructuur;
o. o.
*initiële DBBC:* een DBBC die wordt geopend voor een eerste of nieuwe primaire zorgvraag van een patiënt. De initiële DBBC is altijd de eerste DBBC binnen een zorgtraject;
p. p.
*vervolg-DBBC:* een DBBC die volgt op een initiële DBBC of een voorgaande vervolg-DBBC. Een vervolg-DBBC heeft altijd dezelfde primaire diagnose als de eerder afgesloten initiële DBBC of vervolg-DBBC;
q. q.
*DBBC-registratie:* de vastlegging van het gehele zorgtraject van handelingen, activiteiten en verrichtingen dat het openen, typeren, registreren en sluiten omvat;
r. r.
*zorgtype:* het zorgtype beschrijft de reden van het (eerste) contact tussen de zorgaanbieder en de patiënt;
s. s.
*hoofdgroepen:* DSM-IV diagnosetyperingen zijn ingedeeld in bepaalde hoofdgroepen. Er zijn voor de fz in totaal 8 diagnosehoofdgroepen;
t. t.
*primaire diagnose:* de hoofdbehandelaar geeft per DBBC aan welke van de geregistreerde stoornissen op as I en/of as II de reden voor behandeling is. Dit wordt de primaire diagnose genoemd;
u. u.
*nevendiagnose:* als overige stoornissen zorgverzwarend werken kunnen deze worden geregistreerd als nevendiagnoses;
v. v.
*parallelle zorgtrajecten:* hier is sprake van als er verschillende diagnoses zijn met een gelijkwaardig belang waarbij een hoofdbehandelaar substantieel verschillende behandelingen in moet zetten. De behandelaar dient te kunnen verantwoorden dat er substantieel verschillende behandelingen ingezet moeten worden;
w. w.
*opeenvolgende zorgtrajecten:* er is sprake van verschillende diagnoses waarvan één diagnose het meest dringend is. Er is dan sprake van één primaire diagnose en meerdere nevendiagnoses. De hoofdbehandelaar opent eerst een initiële DBBC en een zorgtraject voor de primaire diagnose. Als de patiënt voor de primaire diagnose is uitbehandeld, sluit de hoofdbehandelaar het zorgtraject en opent een nieuwe initiële DBBC en een nieuw zorgtraject, waarbij de eerdere nevendiagnose de nieuwe primaire diagnose wordt;
x. x.
*patiëntgebonden activiteiten:* activiteiten die een behandelaar uitvoert in het kader van de diagnostiek en behandeling van een patiënt;
y. y.
*niet-patiëntgebonden activiteiten:* activiteiten zoals scholing, algemene vergaderingen, intervisies over het functioneren van collega’s, productontwikkeling en het lezen van vakliteratuur;
z. z.
*direct patiëntgebonden tijd:* de tijd waarin een behandelaar, in het kader van de diagnostiek of behandeling, contact heeft met de patiënt of met familieleden, gezinsleden, ouders, partner of andere naasten (het systeem) van de patiënt. Hieronder valt face-to-face, telefonisch en elektronisch contact via e-mail of internet (chatten, Skype etc.);
aa. aa.
*indirect patiëntgebonden tijd:* de tijd die de behandelaar besteedt aan zaken rondom een contactmoment (de direct patiëntgebonden tijd), maar waarbij de patiënt (of het systeem van de patiënt) zelf niet aanwezig is. Onder indirect patiëntgebonden tijd valt bijvoorbeeld: het voorbereiden van een activiteit, verslaglegging in het kader van een activiteit of hersteltijd na een intensieve behandelsessie;
bb. bb.
*indirect patiëntgebonden reistijd:* de tijd die de behandelaar besteedt aan het reizen van en naar de patiënt die buiten de instelling behandeling, begeleiding of verpleging ontvangt;
cc. cc.
*algemeen indirecte tijd:* patiëntgebonden tijd, maar de tijd heeft geen betrekking op de uitvoering van een directe behandelactiviteit. Algemeen indirecte tijd wordt geregistreerd bij een multidisciplinair overleg of bij de eindverslaglegging van een behandeltraject;
dd. dd.
*dagbesteding:* het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid van de patiënt. Dagbesteding vindt altijd plaats in het kader van de (psychiatrische) behandeling en is terug te vinden in het behandelplan van de patiënt;
ee. ee.
*verblijf:* hierbij gaat het om een ‘kale verblijfsdag’. In het tarief van de verblijfprestatie is wel de verpleging en verzorging meegenomen, maar niet de behandeling;
ff. ff.
*onderlinge dienstverlening:* de zorg als bedoeld in artikel 1 van de Wmg, die door een zorgaanbieder wordt verleend als onderdeel van een door een andere zorgaanbieder uit te voeren prestatie op het gebied van de FZ. De eerstgenoemde zorgaanbieder wordt in dit kader aangeduid als ‘uitvoerende zorgaanbieder’. De laatstgenoemde zorgaanbieder wordt in dit kader aangeduid als de ‘opdrachtgevende zorgaanbieder’;
gg. gg.
*forensisch psychiatrisch toezicht (fpt):* een instrument om TBS-patiënten op een verantwoorde manier terug te laten keren in de samenleving. Tijdens de fasen transmuraal verlof, proefverlof of voorwaardelijke beëindiging verblijft de patiënt buiten het forensisch psychiatrisch centrum (fpc) en wordt op afstand begeleid voor een goede terugkeer in de samenleving. Het toezicht tijdens deze fasen geschiedt in de vorm van de fpt, uitgevoerd door de reclassering;
hh. hh.
*deze regeling:* de voorliggende regeling DBBC’s FZ.
2. Registratieproces
Dit hoofdstuk is gericht op het ‘registreren’ van een DBBC. Hierbinnen maken we onderscheid in (1) algemene registratiebepalingen; (2) openen van een DBBC; (3) het typeren van een DBBC; (4) het registreren van patiëntgebonden activiteiten, verblijfsdagen, dagbesteding en verrichtingen en (5) het sluiten van een DBBC. Om goed en volledig te registreren, moet de zorgaanbieder de stappen van het registratieproces als volgorde aanhouden.
2.1. Algemene registratiebepalingen
-
- De registratie van het zorgtraject start op het moment dat een patiënt wordt geplaatst bij een zorgaanbieder. Bij één zorgaanbieder kunnen maximaal drie zorgtrajecten per patiënt open staan.
-
- De hoofdbehandelaar is verantwoordelijk voor de vastlegging van de daadwerkelijk verleende zorg in door de NZa vastgestelde activiteiten. Daarnaast is de hoofdbehandelaar verantwoordelijk voor de juistheid van het gehele DBBC-traject.
-
- DBBC’s met alleen indirecte tijd zijn niet toegestaan, met uitzondering van de DBBC forensisch psychiatrisch toezicht (fpt).
-
- Zorgaanbieders mogen op hun eigen manier invulling geven aan het registreren van de werkelijk bestede tijd. Het is ook toegestaan om standaardtijden of normtijden3De zorgaanbieder is verantwoordelijk voor de normtijden en het herijken/updaten hiervan. per activiteit vast te stellen.
2.2. Openen DBBC’s
-
- Iedereen kan onder verantwoordelijkheid van de hoofdbehandelaar een initiële DBBC en een vervolg-DBBC openen.4Het openen van een DBBC is een administratieve handeling waarvoor de hoofdbehandelaar verantwoordelijk is.
-
- De openingsdatum van een DBBC is gelijk aan de datum waarop de eerst(volgend)e directe of indirecte patiëntgebonden activiteit plaatsvindt.
-
-
In de volgende gevallen moet een initiële DBBC geopend worden:
a. indien een nieuwe patiënt wordt aangemeld bij de zorgaanbieder. – indien een zorgaanbieder over meerdere locaties beschikt en een patiënt alleen van locatie verandert, maar niet van primaire diagnose, dan is er in dat geval géén sprake van een nieuwe patiënt. De hoofdbehandelaar op de andere locatie mag dan geen initiële DBBC openen. Alle geboden zorg op de andere locatie voor dezelfde primaire diagnose moet op de reeds geopende DBBC worden geregistreerd; – bij overplaatsing van een patiënt gedurende het fpt is er te allen tijde sprake van een nieuwe patiënt. De zorgaanbieder waar de patiënt naar toe overgeplaatst wordt, opent in deze situatie dus een initiële DBBC met het zorgtype fpt proefverlof (144) of fpt voorwaardelijke beëindiging (145); b. indien een bekende patiënt voor een andere primaire diagnose in zorg komt dan de diagnose waarvoor de patiënt reeds in behandeling is;5Dit geldt ook als de strafrechtelijke titel gelijk blijft. c. indien van een bekende patiënt de strafrechtelijke titel verandert; d. indien een bekende patiënt in zorg is in het kader van een voorgenomen indicatiestelling en een strafrechtelijke titel krijgt opgelegd. De DBBC wordt gesloten met het zorgtype ’voorgenomen indicatiestelling’. Vervolgens wordt een nieuwe initiële DBBC met één van de 21 strafrechtelijke titels geopend.
-
a. a. indien een nieuwe patiënt wordt aangemeld bij de zorgaanbieder.
–
indien een zorgaanbieder over meerdere locaties beschikt en een patiënt alleen van locatie verandert, maar niet van primaire diagnose, dan is er in dat geval géén sprake van een nieuwe patiënt. De hoofdbehandelaar op de andere locatie mag dan geen initiële DBBC openen. Alle geboden zorg op de andere locatie voor dezelfde primaire diagnose moet op de reeds geopende DBBC worden geregistreerd;
–
bij overplaatsing van een patiënt gedurende het fpt is er te allen tijde sprake van een nieuwe patiënt. De zorgaanbieder waar de patiënt naar toe overgeplaatst wordt, opent in deze situatie dus een initiële DBBC met het zorgtype fpt proefverlof (144) of fpt voorwaardelijke beëindiging (145);
– – indien een zorgaanbieder over meerdere locaties beschikt en een patiënt alleen van locatie verandert, maar niet van primaire diagnose, dan is er in dat geval géén sprake van een nieuwe patiënt. De hoofdbehandelaar op de andere locatie mag dan geen initiële DBBC openen. Alle geboden zorg op de andere locatie voor dezelfde primaire diagnose moet op de reeds geopende DBBC worden geregistreerd; – – bij overplaatsing van een patiënt gedurende het fpt is er te allen tijde sprake van een nieuwe patiënt. De zorgaanbieder waar de patiënt naar toe overgeplaatst wordt, opent in deze situatie dus een initiële DBBC met het zorgtype fpt proefverlof (144) of fpt voorwaardelijke beëindiging (145); b. b. indien een bekende patiënt voor een andere primaire diagnose in zorg komt dan de diagnose waarvoor de patiënt reeds in behandeling is;5Dit geldt ook als de strafrechtelijke titel gelijk blijft. c. c. indien van een bekende patiënt de strafrechtelijke titel verandert; d. d. indien een bekende patiënt in zorg is in het kader van een voorgenomen indicatiestelling en een strafrechtelijke titel krijgt opgelegd. De DBBC wordt gesloten met het zorgtype ’voorgenomen indicatiestelling’. Vervolgens wordt een nieuwe initiële DBBC met één van de 21 strafrechtelijke titels geopend.
-
- Indien een (initiële of vervolg-)DBBC 365 dagen openstaat en de behandeling nog niet afgerond is, dient de hoofdbehandelaar een vervolg-DBBC te openen met als openingsdatum de eerstvolgende patiëntgebonden activiteit.
-
-
Specifieke activiteiten en verrichtingen worden tijdens de fasen proefverlof en voorwaardelijke beëindiging door een forensisch psychiatrisch centrum (fpc) uitgevoerd. Deze activiteiten en verrichtingen moeten worden geregistreerd op een vervolg-DBBC met het zorgtype ‘forensisch psychiatrisch toezicht’ (fpt). Wanneer de patiënt tijdelijk wordt teruggeplaatst in een fpc, wordt er gesproken over een time-out. Voor (vervolg-)DBBC’s in verband met fpt geldt het volgende:
a. op het moment dat een patiënt overgaat naar de fase proefverlof, wordt de voorgaande (vervolg)-DBBC gesloten (ook als nog niet de 365 dagen grens bereikt is). Als afsluitreden dient te worden gekozen voor ‘afsluiten DBBC vanwege openen vervolg-DBBC’.6Zie paragraaf 2.5 ‘Sluiten’ voor de overige afsluitredenen. Een vervolg-DBBC met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ wordt geopend. De opening van deze DBBC is een dag na de sluiting van voorgaande DBBC; b. wanneer er tijdens de fase proefverlof een patiënt in een time-out vervalt, moet de DBBC met zorgtype ‘fpt proefverlof’ gesloten worden met ‘afsluiting time-out’. Er wordt aansluitend in hetzelfde zorgtraject een nieuwe vervolg-DBBC met het zorgtype ‘TBS met proefverlof’ geopend; c. op het moment dat een patiënt overgaat naar de fase voorwaardelijke beëindiging, wordt de voorgaande (vervolg)-DBBC gesloten (ook als nog niet de 365 dagen grens bereikt is). Als afsluitreden dient te worden gekozen voor ‘afsluiten DBBC vanwege openen vervolg-DBBC’.7Zie paragraaf 2.5 ‘Sluiten’ voor de overige afsluitredenen. Een vervolg-DBBC met het zorgtype ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ wordt geopend. De opening van deze DBBC is een dag na de sluiting van voorgaande DBBC; d. wanneer de patiënt tijdens de fase voorwaardelijke beëindiging in een time-out terugvalt, moet de DBBC met zorgtype ‘voorwaardelijke beëindiging’ gesloten worden met ‘afsluiting time-out’. Er wordt aansluitend in hetzelfde zorgtraject een nieuwe vervolg-DBBC met het zorgtype ‘fpt voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege (art. 38 g Sr)’ geopend.
-
a. a. op het moment dat een patiënt overgaat naar de fase proefverlof, wordt de voorgaande (vervolg)-DBBC gesloten (ook als nog niet de 365 dagen grens bereikt is). Als afsluitreden dient te worden gekozen voor ‘afsluiten DBBC vanwege openen vervolg-DBBC’.6Zie paragraaf 2.5 ‘Sluiten’ voor de overige afsluitredenen. Een vervolg-DBBC met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ wordt geopend. De opening van deze DBBC is een dag na de sluiting van voorgaande DBBC; b. b. wanneer er tijdens de fase proefverlof een patiënt in een time-out vervalt, moet de DBBC met zorgtype ‘fpt proefverlof’ gesloten worden met ‘afsluiting time-out’. Er wordt aansluitend in hetzelfde zorgtraject een nieuwe vervolg-DBBC met het zorgtype ‘TBS met proefverlof’ geopend; c. c. op het moment dat een patiënt overgaat naar de fase voorwaardelijke beëindiging, wordt de voorgaande (vervolg)-DBBC gesloten (ook als nog niet de 365 dagen grens bereikt is). Als afsluitreden dient te worden gekozen voor ‘afsluiten DBBC vanwege openen vervolg-DBBC’.7Zie paragraaf 2.5 ‘Sluiten’ voor de overige afsluitredenen. Een vervolg-DBBC met het zorgtype ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ wordt geopend. De opening van deze DBBC is een dag na de sluiting van voorgaande DBBC; d. d. wanneer de patiënt tijdens de fase voorwaardelijke beëindiging in een time-out terugvalt, moet de DBBC met zorgtype ‘voorwaardelijke beëindiging’ gesloten worden met ‘afsluiting time-out’. Er wordt aansluitend in hetzelfde zorgtraject een nieuwe vervolg-DBBC met het zorgtype ‘fpt voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege (art. 38 g Sr)’ geopend.
2.3. Typeren
Het typeren van een DBBC bestaat uit verschillende onderdelen: het vastleggen van de identificatiegegevens van de patiënt, het vastleggen van het zorgtype, het vastleggen van de aard en mate van gevaar, het vastleggen van de aard van het delict en het vastleggen van de (primaire) diagnose van de patiënt.
-
- Uitsluitend de hoofdbehandelaar mag typeren. De DBBC moet bij het sluiten volledig en juist getypeerd zijn.
-
-
De volgende gegevens moeten in ieder geval vastgelegd worden:8De identificatiegegevens zijn gebaseerd op de Regeling ‘Verplichte informatieverstrekking zorgaanbieders van forensische zorg’.
a. naam patiënt; b. geboortedatum; c. geslacht; d. patiëntnummer; e. strafrechtsketennummer (SKN); f. circuit; g. startdatum DBBC; h. einddatum DBBC; i. startdatum strafrechtelijke titel; j. einddatum strafrechtelijke titel.
-
a. a. naam patiënt; b. b. geboortedatum; c. c. geslacht; d. d. patiëntnummer; e. e. strafrechtsketennummer (SKN); f. f. circuit; g. g. startdatum DBBC; h. h. einddatum DBBC; i. i. startdatum strafrechtelijke titel; j. j. einddatum strafrechtelijke titel.
-
- De hoofdbehandelaar noteert slechts één zorgtype dat het beste de aanleiding tot zorg beschrijft.9Zie bijlage III voor de verschillende zorgtypen. De aanleiding van zorg kan zijn dat een patiënt een strafrechtelijke titel heeft of dat er sprake is van een patiënt die in de forensische zorg zit in verband met een voorgenomen indicatiestelling, fpt of verdiepingsdiagnostiek.
-
- Indien er sprake is van een maatregel volgens de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) en deze wordt toegevoegd aan de strafrechtelijke titel, wijzigt hiermee niet het zorgtype. Als de strafrechtelijke titel afloopt terwijl de Bopz-maatregel blijft gelden, dan wordt de DBBC afgesloten en wordt een DBC volgens de GGZ-systematiek geopend.
-
-
Het gevaar dat de patiënt vormt kan in drie categorieën getypeerd worden:
a. *acuut fysiek gevaar*: hierbij geeft de hoofdbehandelaar aan in welke mate de patiënt een fysiek gevaar vormt voor zijn omgeving en/of voor zichzelf. Het gaat hier om het gevaar van de patiënt in de behandelsetting gedurende het afgelopen jaar. Als de patiënt korter dan een jaar in de instelling verblijft, gaat het om het gevaar van de patiënt in de behandelsetting sinds opname. De hoofdbehandelaar baseert de mate van gevaar op de eventuele incidenten die zich in het afgelopen jaar/sinds opname hebben voorgedaan. De mate van acuut fysiek gevaar is onderverdeeld in de volgende categorieën: i. geen risico: geen dreiging aanwezig; ii. laag risico: verbale dreiging; iii. matig risico: één incident en verbale dreiging; iv. hoog risico: meerdere incidenten dan wel één ernstig incident waarbij schade aan het slachtoffer of de patiënt zelf is berokkend. b. *vluchtgevaar*: hier geeft de hoofdbehandelaar aan in welke mate de patiënt, die klinisch is opgenomen, ontsnappingspogingen heeft voorbereid en/of heeft ondernomen. De hoofdbehandelaar gebruikt hiervoor alle hem bekende informatie die hij relevant acht, ook als die ver in het verleden ligt. De mate van vluchtgevaar dient alleen te worden beoordeeld indien de patiënt klinisch wordt behandeld. De mate van vluchtgevaar is onderverdeeld in de volgende categorieën: i. geen risico: patiënt heeft geen poging tot ontvluchting ondernomen; ii. laag risico: patiënt heeft in het verleden voorbereidingen getroffen voor een vluchtpoging, zonder een daadwerkelijke poging te doen; iii. matig risico: patiënt heeft in het verleden daadwerkelijk een vluchtpoging ondernomen; iv. hoog risico: patiënt is er in het verleden in geslaagd te ontsnappen v. niet van toepassing: patiënt wordt ambulant behandeld. c. *recidivegevaar*: het gaat hierbij om het gevaar wanneer de patiënt zich op dit moment in de maatschappij zou begeven. Hiervoor dient de hoofdbehandelaar gebruik te maken van één van de volgende risicotaxatie-instrumenten: HKT-30, HCR-20 of SVR-20. Wanneer voor de patiënt risicotaxatie(s) gedaan zijn in het kader van verlofbewegingen, kan informatie uit die risicotaxatie(s) gebruikt worden voor het classificeren van het recidivegevaar. De categorieën voor recidivegevaar zijn: i. geen/laag risico; ii. matig risico; iii. hoog risico; iv. onbekend: deze categorie wordt gebruikt wanneer de hoofdbehandelaar geen uitspraak kan doen over de mate van het recidivegevaar omdat de patiënt nog niet veroordeeld is (preventieve fase).
-
a. a.
*acuut fysiek gevaar*: hierbij geeft de hoofdbehandelaar aan in welke mate de patiënt een fysiek gevaar vormt voor zijn omgeving en/of voor zichzelf. Het gaat hier om het gevaar van de patiënt in de behandelsetting gedurende het afgelopen jaar. Als de patiënt korter dan een jaar in de instelling verblijft, gaat het om het gevaar van de patiënt in de behandelsetting sinds opname. De hoofdbehandelaar baseert de mate van gevaar op de eventuele incidenten die zich in het afgelopen jaar/sinds opname hebben voorgedaan. De mate van acuut fysiek gevaar is onderverdeeld in de volgende categorieën:
i.
geen risico: geen dreiging aanwezig;
ii.
laag risico: verbale dreiging;
iii.
matig risico: één incident en verbale dreiging;
iv.
hoog risico: meerdere incidenten dan wel één ernstig incident waarbij schade aan het slachtoffer of de patiënt zelf is berokkend.
i. i. geen risico: geen dreiging aanwezig; ii. ii. laag risico: verbale dreiging; iii. iii. matig risico: één incident en verbale dreiging; iv. iv. hoog risico: meerdere incidenten dan wel één ernstig incident waarbij schade aan het slachtoffer of de patiënt zelf is berokkend. b. b.
*vluchtgevaar*: hier geeft de hoofdbehandelaar aan in welke mate de patiënt, die klinisch is opgenomen, ontsnappingspogingen heeft voorbereid en/of heeft ondernomen. De hoofdbehandelaar gebruikt hiervoor alle hem bekende informatie die hij relevant acht, ook als die ver in het verleden ligt. De mate van vluchtgevaar dient alleen te worden beoordeeld indien de patiënt klinisch wordt behandeld. De mate van vluchtgevaar is onderverdeeld in de volgende categorieën:
i.
geen risico: patiënt heeft geen poging tot ontvluchting ondernomen;
ii.
laag risico: patiënt heeft in het verleden voorbereidingen getroffen voor een vluchtpoging, zonder een daadwerkelijke poging te doen;
iii.
matig risico: patiënt heeft in het verleden daadwerkelijk een vluchtpoging ondernomen;
iv.
hoog risico: patiënt is er in het verleden in geslaagd te ontsnappen
v.
niet van toepassing: patiënt wordt ambulant behandeld.
i. i. geen risico: patiënt heeft geen poging tot ontvluchting ondernomen; ii. ii. laag risico: patiënt heeft in het verleden voorbereidingen getroffen voor een vluchtpoging, zonder een daadwerkelijke poging te doen; iii. iii. matig risico: patiënt heeft in het verleden daadwerkelijk een vluchtpoging ondernomen; iv. iv. hoog risico: patiënt is er in het verleden in geslaagd te ontsnappen v. v. niet van toepassing: patiënt wordt ambulant behandeld. c. c.
*recidivegevaar*: het gaat hierbij om het gevaar wanneer de patiënt zich op dit moment in de maatschappij zou begeven. Hiervoor dient de hoofdbehandelaar gebruik te maken van één van de volgende risicotaxatie-instrumenten: HKT-30, HCR-20 of SVR-20. Wanneer voor de patiënt risicotaxatie(s) gedaan zijn in het kader van verlofbewegingen, kan informatie uit die risicotaxatie(s) gebruikt worden voor het classificeren van het recidivegevaar. De categorieën voor recidivegevaar zijn:
i.
geen/laag risico;
ii.
matig risico;
iii.
hoog risico;
iv.
onbekend: deze categorie wordt gebruikt wanneer de hoofdbehandelaar geen uitspraak kan doen over de mate van het recidivegevaar omdat de patiënt nog niet veroordeeld is (preventieve fase).
i. i. geen/laag risico; ii. ii. matig risico; iii. iii. hoog risico; iv. iv. onbekend: deze categorie wordt gebruikt wanneer de hoofdbehandelaar geen uitspraak kan doen over de mate van het recidivegevaar omdat de patiënt nog niet veroordeeld is (preventieve fase).
-
- De classificatie van de aard van het delict gebeurt aan de hand van tien clusters die zijn benoemd in het BooG10Beleidsondersteuning onderzoek Geestvermogens ten behoeve van Forensisch Psychiatrisch Consulent, ministerie van Veiligheid en Justitie.-instrument.11Deze tien clusters staan weergegeven in bijlage IV Vastleggen aard van het delict. Het is mogelijk meer dan één aard delict te registreren.
-
-
De hoofdbehandelaar registreert de feitelijke diagnose van de patiënt conform de integrale DSM-IV-TR12Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders.. De registratie van de diagnose gebeurt met behulp van de diagnosetabel van DBC-Onderhoud die is gebaseerd op de DSM-IV-TR. Hierbij moet de diagnose geregistreerd worden op vijf assen13zie bijlage V Feitelijke classificatie van DSM-IV-TR voor de uitgebreide omschrijving van de assen.:
a. As 1 Klinische stoornissen: op deze as kunnen één of meerdere stoornissen worden geselecteerd; b. As 2 Persoonlijkheidsstoornissen: op deze as kunnen één of meerdere stoornissen worden geselecteerd. Per stoornis dient er aangegeven te worden of dat deze stoornis aanwezig óf dat er trekken van deze stoornis aanwezig zijn; c. As 3 Somatische aandoeningen: op deze as dienen alleen somatische diagnoses geregistreerd te worden die een directe relatie hebben met de As 1- of As 2-stoornis en die van invloed zijn op de behandeling; d. As 4 Psychosociale factoren en omgevingsfactoren: op deze as dienen psychosociale en omgevingsfactoren geregistreerd te worden die een duidelijke zorgverzwarende factor vormen bij de behandeling van de primaire diagnose. e. As 5 GAF-score: op deze as registreert de hoofdbehandelaar de Global Assessment of Functioning-score (GAF-score) driemaal: i. bij openen → de hoogste GAF-score van de voorgaande 365 dagen. Indien deze er niet is, dient de GAF-score genoteerd te worden van het begin van de behandeling of een inschatting gemaakt te worden van de hoogste GAF-score van het afgelopen jaar; ii. bij openen → de GAF-score op het moment van openen van de DBBC; iii. bij sluiten → de GAF-score op de einddatum van de DBBC.
-
a. a. As 1 Klinische stoornissen: op deze as kunnen één of meerdere stoornissen worden geselecteerd; b. b. As 2 Persoonlijkheidsstoornissen: op deze as kunnen één of meerdere stoornissen worden geselecteerd. Per stoornis dient er aangegeven te worden of dat deze stoornis aanwezig óf dat er trekken van deze stoornis aanwezig zijn; c. c. As 3 Somatische aandoeningen: op deze as dienen alleen somatische diagnoses geregistreerd te worden die een directe relatie hebben met de As 1- of As 2-stoornis en die van invloed zijn op de behandeling; d. d. As 4 Psychosociale factoren en omgevingsfactoren: op deze as dienen psychosociale en omgevingsfactoren geregistreerd te worden die een duidelijke zorgverzwarende factor vormen bij de behandeling van de primaire diagnose. e. e. As 5 GAF-score: op deze as registreert de hoofdbehandelaar de Global Assessment of Functioning-score (GAF-score) driemaal:
i.
bij openen → de hoogste GAF-score van de voorgaande 365 dagen. Indien deze er niet is, dient de GAF-score genoteerd te worden van het begin van de behandeling of een inschatting gemaakt te worden van de hoogste GAF-score van het afgelopen jaar;
ii.
bij openen → de GAF-score op het moment van openen van de DBBC;
iii.
bij sluiten → de GAF-score op de einddatum van de DBBC.
i. i. bij openen → de hoogste GAF-score van de voorgaande 365 dagen. Indien deze er niet is, dient de GAF-score genoteerd te worden van het begin van de behandeling of een inschatting gemaakt te worden van de hoogste GAF-score van het afgelopen jaar; ii. ii. bij openen → de GAF-score op het moment van openen van de DBBC; iii. iii. bij sluiten → de GAF-score op de einddatum van de DBBC.
-
-
Nadat de diagnose op alle assen is geregistreerd kan worden aangegeven wat de primaire diagnose is. De primaire diagnose is de belangrijkste reden voor behandeling. De primaire diagnose kan alleen uit een diagnose van As 1 of As 2 worden geselecteerd. Uitzonderingen:
a. code ‘799.9 Diagnose/aandoening uitgesteld’ kan niet de primaire diagnose zijn; b. code ‘V71.09 Geen diagnose of aandoening op As 2 aanwezig’ kan niet de primaire diagnose zijn. Tenzij er bij de diagnose op As 2 ‘Trekken van..’ wordt gescoord, kan deze wel de primaire diagnose zijn; c. de code op As 2 voor zwakzinnigheid of zwakbegaafdheid kan niet als primaire diagnose geregistreerd worden (hieronder vallen ook de codes voor stoornissen in de kindertijd op As 2).
-
a. a. code ‘799.9 Diagnose/aandoening uitgesteld’ kan niet de primaire diagnose zijn; b. b. code ‘V71.09 Geen diagnose of aandoening op As 2 aanwezig’ kan niet de primaire diagnose zijn. Tenzij er bij de diagnose op As 2 ‘Trekken van..’ wordt gescoord, kan deze wel de primaire diagnose zijn; c. c. de code op As 2 voor zwakzinnigheid of zwakbegaafdheid kan niet als primaire diagnose geregistreerd worden (hieronder vallen ook de codes voor stoornissen in de kindertijd op As 2). 9. 9. Indien de primaire diagnose van een openstaande initiële DBBC wijzigt en de nieuwe primaire diagnose valt in een andere hoofdgroep, dan wordt het zorgtraject en de bijbehorende DBBC gesloten en opnieuw een initiële DBBC geopend.
-
Bij initiële parallelle DBBC’s moeten de primaire diagnoses in verschillende hoofdgroepen van de diagnosetabel vallen. Er kunnen dan meerdere initiële DBBC’s en bijbehorende zorgtrajecten geopend worden. De hoofdbehandelaar moet het openen van parallelle DBBC’s kunnen verantwoorden.
-
Bij ambulante behandeling tijdens de fasen proefverlof en voorwaardelijke beëindiging, gelijktijdig met het fpt of een time-out, geldt dat een apart zorgtraject geopend moet worden waarop de ambulante behandeling moet worden geregistreerd. De ambulante behandeling moet worden geregistreerd op een DBBC met het zorgtype ’TBS met proefverlof’ of zorgtype ’Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege’. In het geval van een fpt en een gelijktijdig openstaand regulier zorgtraject is het niet noodzakelijk dat de primaire diagnose van beide zorgtrajecten verschilt.
-
Indien er sprake is van meerdere diagnoses waarvan één diagnose het meest dringend is, opent de hoofdbehandelaar eerst een initiële DBBC en een zorgtraject voor de primaire diagnose. Zodra de patiënt voor de primaire diagnose is uitbehandeld, sluit de hoofdbehandelaar het zorgtraject en wordt er een nieuwe initiële DBBC geopend met de nevendiagnose als primaire diagnose.
2.4. Registreren
Zodra een DBBC geopend is kunnen activiteiten op verschillende categorieën geregistreerd worden: diagnostiek en behandeling, dagbesteding, verblijf en verrichtingen. Activiteiten en verrichtingen worden bijgehouden volgens de lijst van ‘activiteiten en verrichtingen’.14Zie bijlage I.
-
- Een behandelaar mag alleen de patiëntgebonden tijd registreren die hij daadwerkelijk heeft besteed aan die activiteit. Niet-patiëntgebonden activiteiten mag de (hoofd)behandelaar niet op een DBBC registreren.
-
- Behandelaren moeten bij het registreren gebruik maken van de codes die op de registratiedatum geldig zijn, zoals vermeld in de activiteiten- en verrichtingenlijst. Daarnaast moeten behandelaren aangeven of het om direct of indirect patiëntgebonden (reis)tijd gaat. In de activiteiten-en verrichtingenlijst staat per activiteit aangegeven welke vormen van tijd geregistreerd mogen worden.
-
- De behandelaar mag alleen reistijd registreren als de reistijd in het teken staat van direct patiëntgebonden activiteiten. Als de patiënt niet verschijnt (no-show), dan mag de behandelaar de reistijd alsnog registreren. Er mag géén reistijd geregistreerd worden indien er gereisd moet worden naar een andere locatie binnen de eigen organisatie (AGB-code).
-
- De behandelaar verdeelt, ingeval van meerdere behandelvormen tijdens één sessie, de bestede tijd naar verhouding over deze behandelvormen.
-
- Indien een patiënt groepstherapie krijgt waarbij meerdere patiënten tegelijkertijd behandeld worden, deelt de behandelaar zijn bestede tijd door het aantal deelnemende patiënten.
-
- Indien er behandeltijd aan het ‘systeem van de patiënt’15Met ‘het systeem’ van de patiënt wordt de tijd bedoeld die de behandelaar, in het kader van de diagnostiek of behandeling, contact heeft met de familieleden, gezinsleden, ouders, partner of andere naasten van de patiënt. wordt besteed, dient de behandelaar deze bestede tijd, in het kader van de behandeling van diagnose/aandoening van de patiënt, op de DBBC van de betreffende patiënt te registreren.
-
- Alle bestede zorg voor de behandeling van een diagnose moet binnen een DBBC gedeclareerd worden. Daarom registreert de opdrachtgevende zorgaanbieder in het geval van onderlinge dienstverlening de activiteiten die de uitvoerende zorgaanbieder heeft uitgevoerd op de bestaande DBBC. De opdrachtgever betaalt de opdrachtnemer vervolgens buiten de DBBC-systematiek om.
-
-
Alle behandelaren waarvan het beroep op de openingsdatum van de DBBC is opgenomen in de DBBC-beroepentabel kunnen op de DBBC diagnostiek en behandeling registreren.16De beroepentabel is te vinden in bijlage VI.
a. in het kader van een behandeling moeten beroepen die onder het beroepencluster ‘somatische beroepen’ vallen, hun tijd registreren onder de activiteit die het beste past bij de behandeling; b. indien behandelaren nog in een vervolgopleiding zijn registreren zij onder het beroep van de opleiding die zij op het moment van behandelen hebben afgerond. Indien stagiairs en behandelaren de opleiding nog niet hebben afgerond, mag er niet geregistreerd worden op het beroep waarvoor ze nog in opleiding zijn; c. Beroepen die 24-uurscontinuïteitszorg leveren, registreren hun bestede tijd tijdens het verblijf van een patiënt niet, omdat deze tijd versleuteld zit in het tarief voor verblijf. i. wanneer medische, psychotherapeutische, agogische, psychologische, vaktherapeutische en somatische beroepen worden ingezet als (mede)behandelaar, moet hun bestede tijd geregistreerd worden aan de hand van de activiteiten- en verrichtingenlijst; ii. de uitgevoerde activiteiten en verrichtingen van aanwezigheid- en beschikbaarheiddiensten van medische of andere beroepen moeten ook met behulp van de registratielijst geregistreerd worden.
-
a. a. in het kader van een behandeling moeten beroepen die onder het beroepencluster ‘somatische beroepen’ vallen, hun tijd registreren onder de activiteit die het beste past bij de behandeling; b. b. indien behandelaren nog in een vervolgopleiding zijn registreren zij onder het beroep van de opleiding die zij op het moment van behandelen hebben afgerond. Indien stagiairs en behandelaren de opleiding nog niet hebben afgerond, mag er niet geregistreerd worden op het beroep waarvoor ze nog in opleiding zijn; c. c. Beroepen die 24-uurscontinuïteitszorg leveren, registreren hun bestede tijd tijdens het verblijf van een patiënt niet, omdat deze tijd versleuteld zit in het tarief voor verblijf.
i.
wanneer medische, psychotherapeutische, agogische, psychologische, vaktherapeutische en somatische beroepen worden ingezet als (mede)behandelaar, moet hun bestede tijd geregistreerd worden aan de hand van de activiteiten- en verrichtingenlijst;
ii.
de uitgevoerde activiteiten en verrichtingen van aanwezigheid- en beschikbaarheiddiensten van medische of andere beroepen moeten ook met behulp van de registratielijst geregistreerd worden.
i. i. wanneer medische, psychotherapeutische, agogische, psychologische, vaktherapeutische en somatische beroepen worden ingezet als (mede)behandelaar, moet hun bestede tijd geregistreerd worden aan de hand van de activiteiten- en verrichtingenlijst; ii. ii. de uitgevoerde activiteiten en verrichtingen van aanwezigheid- en beschikbaarheiddiensten van medische of andere beroepen moeten ook met behulp van de registratielijst geregistreerd worden.
-
- Iedereen kan, onder verantwoordelijkheid van de hoofdbehandelaar, binnen de DBBC dagbesteding registreren.
-
Dagbesteding is een aparte deelprestatie. Er wordt alleen dagbesteding geregistreerd als:
a. de patiënt daadwerkelijk aanwezig is. Hierbij registreert de behandelaar het aantal uren dat de patiënt dagbesteding krijgt;17Bij dagbesteding wordt er geregistreerd in uren. Bij diagnostiek en behandeling in minuten. b. dagbesteding in het kader van de (psychiatrische) behandeling is; c. dagbesteding terug te vinden is in het behandelplan dat opgesteld is door de behandelaar.
a. a. de patiënt daadwerkelijk aanwezig is. Hierbij registreert de behandelaar het aantal uren dat de patiënt dagbesteding krijgt;17Bij dagbesteding wordt er geregistreerd in uren. Bij diagnostiek en behandeling in minuten. b. b. dagbesteding in het kader van de (psychiatrische) behandeling is; c. c. dagbesteding terug te vinden is in het behandelplan dat opgesteld is door de behandelaar. 11. 11. De volgende vormen van dagbesteding zijn te onderscheiden:
a.
dagbesteding sociaal;
b.
dagbesteding activering;
c.
dagbesteding educatie;
d.
dagbesteding arbeidsmatig;
e.
dagbesteding overig.
a. a. dagbesteding sociaal; b. b. dagbesteding activering; c. c. dagbesteding educatie; d. d. dagbesteding arbeidsmatig; e. e. dagbesteding overig. 12. 12. Tijdens dagbesteding mogen er géén directe patiëntgebonden behandelactiviteiten geregistreerd worden. 13. 13. Dagbesteding mag tegelijkertijd geregistreerd worden met verblijfsdagen.
Er wordt binnen de DBBC-systematiek een duidelijk onderscheid gemaakt tussen het registreren van behandelactiviteiten en van verblijf. Bij de registratie van een verblijfsprestatie gaat het om een ’kale verblijfsdag’. Verblijf wordt altijd geregistreerd op basis van dagen aanwezigheid aan de hand van verblijfsprestaties.
-
Alleen behandelaren waarvan het beroep op de openingsdatum van de DBBC is opgenomen in de DBBC-beroepentabel mogen verblijfsdagen registreren.
-
Voor de keuze van de deelprestatie van verblijf is de zorgvraag van de patiënt leidend. Op basis van de zorgvraag van de patiënt is één van de 28 prestaties van verblijf van toepassing welke het meest overeenkomt met de beschreven verblijfszorg.18Zie bijlage VIII Deelprestaties verblijf. Declaratie vindt plaats overeenkomstig de verblijfsdagen die telkens, volgens de zorgvraag van de patiënt, van toepassing zijn.
-
Een verblijfsdag kan alleen geregistreerd worden wanneer een patiënt de dag en de daaropvolgende nacht aanwezig is geweest in de instelling. De dag van opname en de daarop volgende nacht gelden als één verblijfsdag. Alleen als de patiënt voor 20:00 uur is opgenomen (dit geldt zowel bij eerste opname als bij heropname) en ’s nachts in de instelling verblijft, kan voor die dag nog een verblijfsdag worden geregistreerd.
-
In de volgende gevallen mogen de dagen dat de patiënt niet aanwezig is, geregistreerd worden als een verblijfsprestatie:
a. ziekenhuisopname; b. onbegeleid, transmuraal of begeleid verlof; c. time-out TBS-gestelde; d. kortdurende terugplaatsing gedetineerden vanuit GGZ naar penitentiaire inrichting (PI); e. no-show klinisch; f. onttrekking.
a. a. ziekenhuisopname; b. b. onbegeleid, transmuraal of begeleid verlof; c. c. time-out TBS-gestelde; d. d. kortdurende terugplaatsing gedetineerden vanuit GGZ naar penitentiaire inrichting (PI); e. e. no-show klinisch; f. f. onttrekking. 18. 18. Verblijfsdagen dienen vóór de sluiting van de DBBC geregistreerd te worden. Elke verblijfsdag moet een unieke registratiedatum kennen. Het is dus niet toegestaan om aan het einde van de looptijd van de DBBC het totale aantal verblijfsdagen van meerdere opnameperiodes onder één code te registreren. 19. 19. Op basis van het voor de patiënt benodigde beveiligingsniveau wordt een keuze gemaakt uit de beveiligingsniveaus.19Zie bijlage IX DBBC-beveiligingsniveau’s.
Binnen de zorgcategorie verrichtingen wordt een onderscheid gemaakt tussen electroconvulsietherapie (ECT), ambulante Methadon verstrekking (AMV) en Forensisch Psychiatrisch Toezicht (fpt).
-
Verrichtingen mogen alleen geregistreerd worden door behandelaren van wie het beroep op de openingsdatum van de DBBC is opgenomen in de DBBC-beroepentabel.
-
Bij ECT moet de behandelaar de tijd én het aantal behandelingen ECT registreren. Dit betekent dat de DBBC twee zaken bevat:
a. verrichting ECT: het aantal behandelingen ECT wordt geregistreerd volgens de activiteiten- en verrichtingenlijst; b. activiteit ECT: beroepen die voorkomen op de beroepentabel registreren de bestede tijd met behulp van de activiteitcode voor ECT.
a. a. verrichting ECT: het aantal behandelingen ECT wordt geregistreerd volgens de activiteiten- en verrichtingenlijst; b. b. activiteit ECT: beroepen die voorkomen op de beroepentabel registreren de bestede tijd met behulp van de activiteitcode voor ECT. 22. 22. Bij de verstrekking van methadon aan ambulante patiënten moet de behandelaar de tijd én het aantal verstrekkingen van Methadon per kalendermaand registreren. Dit betekent dat de DBBC twee zaken bevat:
a.
verrichting AMV: de behandelaar moet het aantal verstrekkingen AMV registreren. Dit is één verrichting per maand ongeacht de hoeveelheid Methadon en frequentie van de verstrekkingen;
b.
activiteit Farmacotherapie: bij de ambulante verstrekking van Methadon moet de behandelaar de bestede tijd registreren op de activiteit ‘farmacotherapie’.
a. a. verrichting AMV: de behandelaar moet het aantal verstrekkingen AMV registreren. Dit is één verrichting per maand ongeacht de hoeveelheid Methadon en frequentie van de verstrekkingen; b. b. activiteit Farmacotherapie: bij de ambulante verstrekking van Methadon moet de behandelaar de bestede tijd registreren op de activiteit ‘farmacotherapie’. 23. 23. Op een vervolg-DBBC met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ en ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ mogen activiteiten geregistreerd worden die in verband staan met de begeleiding tijdens het fpt. De behandelaar moet steeds twee zaken registreren:
a.
verrichting fpt: de verrichting kan per dag dat een vervolg-DBBC met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ of ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ geopend is, geregistreerd worden. Indien er tijdens de fase proefverlof een time-out optreedt, dan dient de DBBC met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ of ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ gesloten te worden en mag er dus géén verrichting fpt per dag geregistreerd worden.
b.
activiteiten en verrichtingen in het kader van fpt: een behandelaar dient de activiteiten die uitgevoerd worden, in het kader van de fpt van een specifieke patiënt, te registreren.
i.
Als er geen sprake is van een time-out en de patiënt dus buiten het fpc verblijft, kunnen er geen verblijfsdagen geregistreerd worden.
ii.
Wanneer de patiënt wordt teruggeplaatst binnen het fpc vanwege een time-out, mogen er wel verblijfsdagen geregistreerd worden. Tijdens de fase proefverlof gebeurt dat op een nieuw te openen DBBC ’TBS met proefverlof’ en tijdens de fase voorwaardelijke beëindiging op een nieuw te openen DBBC met het zorgtype ’Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege’.
iii.
Tijdens de fasen proefverlof en voorwaardelijke beëindiging mogen er, met het optreden van een time-out, geen verrichtingen fpt geregistreerd worden.
a. a. verrichting fpt: de verrichting kan per dag dat een vervolg-DBBC met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ of ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ geopend is, geregistreerd worden. Indien er tijdens de fase proefverlof een time-out optreedt, dan dient de DBBC met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ of ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ gesloten te worden en mag er dus géén verrichting fpt per dag geregistreerd worden. b. b. activiteiten en verrichtingen in het kader van fpt: een behandelaar dient de activiteiten die uitgevoerd worden, in het kader van de fpt van een specifieke patiënt, te registreren.
i.
Als er geen sprake is van een time-out en de patiënt dus buiten het fpc verblijft, kunnen er geen verblijfsdagen geregistreerd worden.
ii.
Wanneer de patiënt wordt teruggeplaatst binnen het fpc vanwege een time-out, mogen er wel verblijfsdagen geregistreerd worden. Tijdens de fase proefverlof gebeurt dat op een nieuw te openen DBBC ’TBS met proefverlof’ en tijdens de fase voorwaardelijke beëindiging op een nieuw te openen DBBC met het zorgtype ’Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege’.
iii.
Tijdens de fasen proefverlof en voorwaardelijke beëindiging mogen er, met het optreden van een time-out, geen verrichtingen fpt geregistreerd worden.
i. i. Als er geen sprake is van een time-out en de patiënt dus buiten het fpc verblijft, kunnen er geen verblijfsdagen geregistreerd worden. ii. ii. Wanneer de patiënt wordt teruggeplaatst binnen het fpc vanwege een time-out, mogen er wel verblijfsdagen geregistreerd worden. Tijdens de fase proefverlof gebeurt dat op een nieuw te openen DBBC ’TBS met proefverlof’ en tijdens de fase voorwaardelijke beëindiging op een nieuw te openen DBBC met het zorgtype ’Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege’. iii. iii. Tijdens de fasen proefverlof en voorwaardelijke beëindiging mogen er, met het optreden van een time-out, geen verrichtingen fpt geregistreerd worden.
2.5. Sluiten
-
-
De hoofdbehandelaar is verantwoordelijk voor het sluiten van de DBBC, waarbij de hoofdbehandelaar (of diegene die onder zijn of haar verantwoordelijkheid valt) de volgende punten controleert:
a. de DBBC is ingevuld conform deze regeling; b. de DBBC bevat de juiste informatie; c. de typering is juist en volledig ingevuld; d. de diagnose is juist ingevuld; e. de GAF-score is ingevuld.
-
a. a. de DBBC is ingevuld conform deze regeling; b. b. de DBBC bevat de juiste informatie; c. c. de typering is juist en volledig ingevuld; d. d. de diagnose is juist ingevuld; e. e. de GAF-score is ingevuld. 2. 2. Indien één of meer van bovenstaande punten niet of niet correct is ingevoerd, mag de DBBC niet worden afgesloten. 3. 3. In de volgende gevallen moet de DBBC gesloten worden:
a.
als de maximale looptijd van 365 dagen is bereikt en de behandeling nog niet afgerond is (ongeacht of de patiënt gedurende die looptijd wel of niet zorg heeft ontvangen);
b.
als de patiënt:
i.
is verhuisd naar een andere regio;
ii.
langdurig niet meer is op komen dagen;
iii.
365 dagen geen zorg meer heeft ontvangen.
c.
als de patiënt voor de behandeling van de primaire diagnose wordt doorverwezen naar een andere instelling/praktijk.
d.
als de patiënt is uitbehandeld;
e.
als een patiënt overgaat naar de fase proefverlof of fase voorwaardelijke beëindiging en er ook geen sprake is van een time-out. Er dient een vervolg-DBBC te worden geopend met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ of het zorgtype ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’;
f.
als de patiënt na de pré-intake, intake of diagnostiek niet in zorg komt. Dit is bijvoorbeeld bij een DBBC met het zorgtype ‘verdiepingsdiagnostiek’;
g.
als de strafrechtelijke titel van de patiënt afloopt;
h.
als de strafrechtelijke titel van de patiënt onvoorzien wordt beëindigd en de zorgaanbieder kon dit zes weken voor de beëindigingdatum niet weten.
I.
in dit geval mogen maximaal twee weken na de einddatum van de strafrechtelijke titel nog uitgevoerde activiteiten geregistreerd worden. Hiervoor geldt een maximum van tien uur indirecte tijd en twee uur directe tijd. Het registreren van verblijf, dagbesteding en verrichtingen is niet meer mogelijk.
II.
indien het gaat om het zorgtype ‘voorgenomen indicatiestelling’ en er een CIZ-indicatie is aangevraagd, mogen er nog maximaal zes weken activiteiten geregistreerd worden na de einddatum van de strafrechtelijke titel.
i.
als een time-out optreedt tijdens de fase proefverlof of fase voorwaardelijke beëindiging, moet de DBBC met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ of ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ worden gesloten. Vervolgens wordt tijdens proefverlof een vervolg-DBBC met het zorgtype ‘TBS met proefverlof’ geopend en tijdens voorwaardelijke beëindiging een vervolg-DBBC met het zorgtype ‘Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege’.
a. a. als de maximale looptijd van 365 dagen is bereikt en de behandeling nog niet afgerond is (ongeacht of de patiënt gedurende die looptijd wel of niet zorg heeft ontvangen); b. b. als de patiënt:
i.
is verhuisd naar een andere regio;
ii.
langdurig niet meer is op komen dagen;
iii.
365 dagen geen zorg meer heeft ontvangen.
i. i. is verhuisd naar een andere regio; ii. ii. langdurig niet meer is op komen dagen; iii. iii. 365 dagen geen zorg meer heeft ontvangen. c. c. als de patiënt voor de behandeling van de primaire diagnose wordt doorverwezen naar een andere instelling/praktijk. d. d. als de patiënt is uitbehandeld; e. e. als een patiënt overgaat naar de fase proefverlof of fase voorwaardelijke beëindiging en er ook geen sprake is van een time-out. Er dient een vervolg-DBBC te worden geopend met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ of het zorgtype ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’; f. f. als de patiënt na de pré-intake, intake of diagnostiek niet in zorg komt. Dit is bijvoorbeeld bij een DBBC met het zorgtype ‘verdiepingsdiagnostiek’; g. g. als de strafrechtelijke titel van de patiënt afloopt; h. h. als de strafrechtelijke titel van de patiënt onvoorzien wordt beëindigd en de zorgaanbieder kon dit zes weken voor de beëindigingdatum niet weten.
I.
in dit geval mogen maximaal twee weken na de einddatum van de strafrechtelijke titel nog uitgevoerde activiteiten geregistreerd worden. Hiervoor geldt een maximum van tien uur indirecte tijd en twee uur directe tijd. Het registreren van verblijf, dagbesteding en verrichtingen is niet meer mogelijk.
II.
indien het gaat om het zorgtype ‘voorgenomen indicatiestelling’ en er een CIZ-indicatie is aangevraagd, mogen er nog maximaal zes weken activiteiten geregistreerd worden na de einddatum van de strafrechtelijke titel.
I. I. in dit geval mogen maximaal twee weken na de einddatum van de strafrechtelijke titel nog uitgevoerde activiteiten geregistreerd worden. Hiervoor geldt een maximum van tien uur indirecte tijd en twee uur directe tijd. Het registreren van verblijf, dagbesteding en verrichtingen is niet meer mogelijk. II. II. indien het gaat om het zorgtype ‘voorgenomen indicatiestelling’ en er een CIZ-indicatie is aangevraagd, mogen er nog maximaal zes weken activiteiten geregistreerd worden na de einddatum van de strafrechtelijke titel. i. i. als een time-out optreedt tijdens de fase proefverlof of fase voorwaardelijke beëindiging, moet de DBBC met het zorgtype ‘fpt proefverlof’ of ‘fpt voorwaardelijke beëindiging’ worden gesloten. Vervolgens wordt tijdens proefverlof een vervolg-DBBC met het zorgtype ‘TBS met proefverlof’ geopend en tijdens voorwaardelijke beëindiging een vervolg-DBBC met het zorgtype ‘Voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege’. 4. 4. Bij het sluiten van een DBBC moet één van de volgende redenen van afsluiting worden gegeven:
a.
reden voor afsluiting bij patiënt/niet bij behandelaar;
b.
reden voor afsluiten bij behandelaar/om inhoudelijke redenen;
c.
in onderling overleg beëindigd zorgtraject/patiënt uitbehandeld;
d.
afsluiten DBBC vanwege openen vervolg-DBBC;
e.
afsluiting na alleen pre-intake/intake/diagnostiek/ crisisopvang;
f.
reden voor afsluiten door beëindigen strafrechtelijke titel;
g.
reden voor afsluiten door onvoorziene beëindiging strafrechtelijke titel;
h.
time-out.
a. a. reden voor afsluiting bij patiënt/niet bij behandelaar; b. b. reden voor afsluiten bij behandelaar/om inhoudelijke redenen; c. c. in onderling overleg beëindigd zorgtraject/patiënt uitbehandeld; d. d. afsluiten DBBC vanwege openen vervolg-DBBC; e. e. afsluiting na alleen pre-intake/intake/diagnostiek/ crisisopvang; f. f. reden voor afsluiten door beëindigen strafrechtelijke titel; g. g. reden voor afsluiten door onvoorziene beëindiging strafrechtelijke titel; h. h. time-out.
3. Bepalingen validatie DBBC’s
-
- De administratieve organisatie is zodanig ingericht dat een audit-trail mogelijk is. De NZa en de zorgverzekeraar moeten te allen tijde de mogelijkheid hebben om DBC-registratie op juistheid te controleren.
-
- Zorgaanbieders zijn ten behoeve van de registratie en declaratie van DBBC’s gehouden om in hun registratie en declaratiesoftware een validatiemodule op te nemen. Het document ‘Validatieregels FZ ’ bevat de specificaties waaraan de validatiemodule moet voldoen. Dit document maakt integraal deel uit van deze regeling en is te downloaden van de website van de NZa (www.nza.nl). De validatiemodule dient zodanig te zijn ingericht dat uitsluitend DBBC’s in rekening kunnen worden gebracht die niet strijdig zijn met de inhoud van deze regeling
-
- De zorgaanbieder hanteert de validatiemodule als instrument om de betrouwbaarheid van DBBC’s te toetsen en de juistheid van de registratie te verifiëren. Verificatie geschiedt op basis van gegevens in bronbestanden.
4. Declaratiebepalingen
Deze paragraaf stelt voorschriften, voorwaarden of beperkingen met betrekking tot het declaratieproces in de FZ.
-
-
Voor het leveren van zorg aan een patiënt kan de zorgaanbieder een bij deze zorg behorend DBBC-tarief declareren indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
a. het gehele DBBC-traject is afgesloten overeenkomstig deze regeling; b. de stappen die het DBBC-traject omvatten, te weten: openen, typeren, registreren, sluiten en valideren zijn volledig doorlopen; c. de onder b genoemde stappen, met uitzondering van valideren, vinden plaats door of onder verantwoordelijkheid van de hoofdbehandelaar.
-
a. a. het gehele DBBC-traject is afgesloten overeenkomstig deze regeling; b. b. de stappen die het DBBC-traject omvatten, te weten: openen, typeren, registreren, sluiten en valideren zijn volledig doorlopen; c. c. de onder b genoemde stappen, met uitzondering van valideren, vinden plaats door of onder verantwoordelijkheid van de hoofdbehandelaar. 2. 2. Het DBBC-tarief kan in rekening worden gebracht voor alle DBBC’s die zijn afgesloten en zijn gevalideerd door de zorgaanbieder door middel van een validatiemodule. Het DBBC-tarief dat wordt gedeclareerd is het tarief dat van toepassing was op het moment van openen van de DBBC. 3. 3. Het DBBC-tarief wordt gedeclareerd bij de zorgverzekeraar. Om voor bekostiging in aanmerking te komen dient sprake te zijn van een forensische zorgtitel en een plaatsingsbesluit welke ten grondslag ligt aan de toekenning van zorg. In geval van misdrijven tegen de veiligheid van de Staat, conform artikel 96 van het Wetboek van Strafrecht, is geen sprake van een indicatiestelling FZ. Dan volstaat een Bevel Observatie getekend door de Rechter-commissaris als bekostigingsgrondslag.
-
- Indien sprake is van onderlinge dienstverlening mag de uitvoerende zorgaanbieder de vergoeding daarvoor uitsluitend in rekening brengen aan de zorgaanbieder die de prestatie bij de uitvoerder heeft aangevraagd. Er mag door de uitvoerende zorgaanbieder geen DBBC gedeclareerd worden. Het is niet toegestaan om voor onderlinge dienstverlening in het kader van een DBBC, prestaties en tarieven ten aanzien van een ZZP of extramurale parameters in rekening te brengen. Voor meer informatie over onderlinge dienstverlening wordt verwezen naar de beleidsregel ‘prestaties en tarieven DBBC’s forensische zorg’.
-
- De overige producten (OVP’s) hebben geen relatie met het DBBC-traject van een patiënt. De integrale tarieven voor de overige producten kunnen daarom afzonderlijk gedeclareerd worden bij de zorgverzekeraar. Voor meer informatie over OVP’s wordt verwezen naar de beleidsregel ‘prestaties en tarieven DBBC’s forensische zorg’.
5. Informatiebepalingen
Elke factuur dient in ieder geval de volgende gegevens te bevatten als onderdeel van de prestatiebeschrijving:
*DBBC-traject startdatum*
Bij initiële DBBC’s is dit de datum waarop het eerste (direct of indirect) patiëntgebonden contact plaatsvindt. Bij vervolg DBBC’s is dit de startdatum van de vervolg DBBC. De openingsdatum van de vervolg DBBC volgt op de sluitingsdatum van de voorgaande DBBC. Deze mag niet op dezelfde dag zijn als de sluitdatum van de eerdere DBBC.
*DBBC-traject einddatum*
Het DBBC-traject eindigt zodra de laatste activiteit (direct of indirect patiëntgebonden) voor een patiënt is geleverd of wanneer de forensische zorgtitel is afgelopen.
*Strafrechtelijke titel*
De forensische zorgtitel (strafrechtelijke titel, voorgenomen indicatiestelling, fpt of verdiepingsdiagnostiek).
*Startdatum strafrechtelijke titel*
De datum waarop de strafrechtelijke titel, voorgenomen indicatiestelling, fpt of verdiepingsdiagnostiek start, die ten grondslag ligt aan de geleverde FZ.
*Einddatum strafrechtelijke titel*
De werkelijke datum waarop de strafrechtelijke titel, voorgenomen indicatiestelling, fpt of verdiepingsdiagnostiek, die ten grondslag ligt aan de geleverde FZ, is/wordt beëindigd. Deze datum dient verplicht te worden opgenomen als de datum bekend is. De datum kan in de toekomst liggen.
*DBBC-Declaratiecode*
De declaratiecode is de 6 cijferige code die gekoppeld is aan de productgroepen voor behandeling en de verblijfssoorten. De declaratiecode kan ook gekoppeld zijn aan een overig product. Aan de declaratiecode is het tarief gekoppeld. Het betreffende tarief staat in een tariefbeschikking.
*Gedeclareerde tarief*
Op de factuur wordt het afgesproken DBBC-tarief vermeld.
*AGB-code*
Voor instellingen: de AGB-instellingscode en – indien van toepassing – de AGB zorgverlenerscode.
*DBBC-prestatiecode*
De specificatie van het geleverde zorgproduct. De DBBC-prestatiecode wordt afgeleid van de gevalideerde DBBC-dataset. Deze code bestaat uit 12 alfanumerieke posities, gevuld volgens vier 3-cijferige DBBC-componenten en in onderstaande volgorde:
a.
zorgtype;
b.
diagnoseclassificatie;
c.
verblijf (altijd 000 omdat de deelprestaties verblijf apart vermeld worden);
d.
productgroep voor behandeling van de DBBC-dataset.
a. a. zorgtype; b. b. diagnoseclassificatie; c. c. verblijf (altijd 000 omdat de deelprestaties verblijf apart vermeld worden); d. d. productgroep voor behandeling van de DBBC-dataset. 10. 10.
*Strafrechtketennummer (SKN*)
Het strafrechtketennummer is van belang bij de betrouwbare vaststelling van de identiteit van verdachten en veroordeelden in de strafrechtketen. Het SKN wordt bij de facturatie van FZ gemeld door zorgaanbieders bij de zorgverzekeraar. Op deze wijze kan de zorgverzekeraar controleren in hoeverre de zorg rechtmatig verleend is. De zorgaanbieder ontvangt het SKN van de indicerende/verwijzende organisatie.
*Plaatsingsbesluitnummer*
Het plaatsingsbesluitnummer is een uniek nummer dat aan het plaatsingsbesluit gekoppeld is. Dit nummer krijgt de zorgaanbieder van de plaatsende instantie. Het nummer is van belang om voor het ministerie van VenJ de keten tussen indicatie, plaatsing en geleverde zorg inzichtelijk te krijgen. Met het plaatsingsbesluitnummer kan het ministerie nagaan of de zorgaanbieder een verzoek tot zorg heeft ontvangen/gekregen.
*Verblijfssoorten*
De verblijfssoorten zijn opgebouwd uit een combinatie van de intensiteit van het verblijf en het niveau van beveiliging. De verblijfssoorten worden per dag afgerekend en in combinatie met de productgroep voor behandeling afgerekend. Op de factuur wordt per type verblijfssoort het aantal dagen voor de betreffende verblijfssoort vermeld.
*Deelprestaties*
De volgende deelprestaties worden onderscheiden:
a.
electroconvulsietherapie (ECT);
b.
forensisch psychiatrisch toezicht (FPT)
c.
ambulante methadon verstrekking (AMV);
d.
dagbesteding
a. a. electroconvulsietherapie (ECT); b. b. forensisch psychiatrisch toezicht (FPT) c. c. ambulante methadon verstrekking (AMV); d. d. dagbesteding
6. Intrekking oude regels
Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze regeling wordt de regeling ‘DBBC’s FZ’, met kenmerk NR/FZ-007 ingetrokken.
7. Overgangsbepaling
De regeling ‘DBBC’s FZ’, met kenmerk NR/FZ-007 blijft van toepassing op gedragingen (handelen en nalaten) van zorgaanbieders die onder de werkingssfeer van die regeling vielen en die zijn aangevangen – en al dan niet beëindigd – in de periode dat die regeling gold.
8. Inwerkingtreding en citeerregel
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2015. Ingevolge artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wmg zal deze regeling in de Staatscourant worden geplaatst.
Bijlage I. Activiteiten- en verrichtingenlijst
Bijlage II. Definities activiteiten en verrichtingen
In deze bijlage zijn de definities opgenomen van de activiteiten en verrichtingen. In bijlage I is een lijst met activiteiten en verrichtingen opgenomen.
Bijlage III. Zorgtypen
Bijlage IV. Vastleggen aard van het delict
¹ Dit cluster komt niet voor in BooG, maar is toegevoegd aangezien de aard van het delict voor de DBBC registratie nog niet altijd bekend is.