40.566 regelingen geparsed van BWB XML naar Markdown + YAML frontmatter. Bron: repository.officiele-overheidspublicaties.nl via SRU zoekservice. Verdeling per type: - 21.167 ministeriële regelingen - 4.605 ZBO-regelingen - 3.678 verdragen - 3.631 AMvB's - 3.179 wetten - 2.564 PBO-regelingen - 883 KB's - 591 circulaires - 150 beleidsregels - 118 rijkswetten 0 parse failures. 110.531 SRU records verwerkt. |
||
|---|---|---|
| .. | ||
| README.md | ||
| titel | bwb_id | type | status | datum_inwerkingtreding | bron | citeertitel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake het overnemen van strafvervolgingen | BWBV0003465 | verdrag | geldend | null | https://wetten.overheid.nl/BWBV0003465 | Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake het overnemen van strafvervolgingen |
Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden inzake het overnemen van strafvervolgingen
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.
Wanneer iemand een feit heeft begaan waarvoor hem een straf of maatregel kan worden opgelegd volgens de strafwet van een Verdragsluitende Staat, kan die Staat aan een andere Verdragsluitende Staat verzoeken een strafvervolging tegen hem in te stellen:
a) a) indien hij zijn vaste woon- of verblijfplaats in die andere Staat heeft; b) b) indien hij aldaar in hoofdzaak zijn beroep of bedrijf uitoefent; c) c) indien hij aldaar voor een ander feit wordt vervolgd, of er een straf of maatregel ondergaat die hem voor een ander feit is opgelegd.
2. Indien zich reeds een burgerlijke partij heeft gevoegd, kan het instellen van een strafvervolging aan een andere Verdragsluitende Staat alleen worden verzocht met instemming van die partij, of krachtens een beslissing van de rechter waarbij wordt vastgesteld dat het belang van een goede rechtsbedeling de vervolging in die Staat eist.
Artikel 2
1. Hij die een feit heeft begaan als bedoeld in artikel 1, kan deswege slechts dan in een andere Verdragsluitende Staat worden vervolgd, indien hem volgens de strafwet van die Staat een straf of maatregel kan worden opgelegd voor dat feit, of voor het overeenkomstige feit, vermeld op de bij dit Verdrag gevoegde lijst.
2. Aan de in het eerste lid gestelde voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan, wanneer aan de verdachte een straf of maatregel zou kunnen worden opgelegd, indien hij het feit had begaan op het grondgebied van de andere Staat.
3. Is het feit begaan ten aanzien van een tot de openbare dienst van een andere Verdragsluitende Staat behorende persoon, instelling of zaak, dan wordt het in de aangezochte Staat beschouwd als te zijn begaan ten aanzien van een overeenkomstige - tot de openbare dienst van die Staat behorende - persoon, instelling of zaak.
Artikel 3
1. Een overeenkomstig de artikelen 6 en 7 gedaan verzoek tot strafvervolging wordt ingewilligd, behalve in de gevallen voorzien in de volgende leden van dit artikel.
2.
Het verzoek wordt afgewezen:
a) a) indien niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 1 en 2; b) b) indien over het feit onherroepelijk is beslist in een Verdragsluitende Staat; c) c) indien ten aanzien van het feit in een derde Staat een onherroepelijke beslissing is genomen waarbij noch een straf noch een maatregel is opgelegd; d) d) indien ten aanzien van het feit in een derde Staat een onherroepelijke beslissing is genomen waarbij een straf of een maatregel is opgelegd, en de dader die straf, dan wel die maatregel, ondergaat, deze reeds heeft ondergaan of daarvan is vrijgesteld.
3.
Het verzoek kan worden afgewezen:
a) a) indien het feit van politieke aard is; b) b) indien het een militair delict betreft; c) c) indien het feit buiten het grondgebied van de verzoekende Staat is begaan; d) d) indien de verdachte niet de nationaliteit van een van de Verdragsluitende Staten bezit en hij ten tijde van het begaan van het strafbare feit noch zijn vaste woon- of verblijfplaats op het grondgebied van een van die Staten had, noch aldaar in hoofdzaak zijn beroep of bedrijf uitoefende; e) e) indien de vervolging in de aangezochte Staat niet tot een beslissing op tegenspraak kan leiden.
4. Indien na inwilliging van het verzoek blijkt dat een grond voor afwijzing bestaat, kan deze inwilliging worden ingetrokken indien het gaat om een der gronden vermeld in het derde lid. Betreft het een der in het tweede lid vermelde gronden, dan moet de inwilliging alsnog worden ingetrokken.
5.
De inwilliging kan niet meer worden ingetrokken wanneer ten gevolge daarvan:
a) a) in de aangezochte Staat onherroepelijk over het feit is beslist; b) b) de zaak aldaar ter terechtzitting aanhangig is gemaakt of tot een gerechtelijk vooronderzoek heeft geleid, tenzij blijkt van het bestaan van een grond tot afwijzing als vermeld in lid 2 of in lid 3, sub e).
Artikel 4
De verzoekende Staat kan zijn verzoek intrekken tot het tijdstip waarop de aangezochte Staat hem kennis heeft gegeven van zijn beslissing op het verzoek.
Artikel 5
Behoudens het bepaalde in artikel 15, beperkt dit Verdrag niet de bevoegdheid van de Verdragsluitende Staten op het gebied van de strafvordering tot het instellen van strafvervolgingen overeenkomstig hun nationale wet.
Hoofdstuk II. Verzoek tot strafvervolging
Artikel 6
1. Het verzoek tot strafvervolging en alle voor de toepassing van dit Verdrag benodigde mededelingen worden hetzij door de Minister van Justitie van de verzoekende Staat toegezonden aan diens ambtgenoot van de aangezochte Staat, hetzij, indien de Regeringen van die Staten aldus hebben besloten, door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Staat rechtstreeks gericht tot die van de aangezochte Staat. Het hier bepaalde is van overeenkomstige toepassing op mededelingen van de aangezochte Staat aan de verzoekende Staat.
2. De mededeling en het verzoek tot aanhouding, voorzien in artikel 13, tweede lid, kunnen worden gedaan door tussenkomst van het centrale nationale bureau van de «Organisation Internationale de Police Criminelle (Interpol) ».
Artikel 7
Het verzoek tot strafvervolging wordt schriftelijk gedaan en vermeldt de datum waarop het tot de aangezochte Staat wordt gericht. Het gaat vergezeld van het oorspronkelijke strafdossier of van een stel gewaarmerkte afschriften van de daartoe behorende stukken.
Artikel 8
De bevoegde autoriteiten van de aangezochte Staat kunnen, desgeraden, aan de verzoekende Staat om aanvullende inlichtingen vragen en voor de toezending daarvan een termijn stellen.
Artikel 9
De autoriteiten van de aangezochte Staat geven aan die van de verzoekende Staat onverwijld schriftelijk kennis van hun beslissing op het verzoek. Zij lichten hen tevens in omtrent het aan de zaak gegeven gevolg.
Artikel 10
1. Elk der Verdragsluitende Staten kan op het tijdstip van ondertekening of neerlegging van zijn akte van bekrachtiging in een tot de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie gerichte verklaring eisen dat de met het oog op de toepassing van dit Verdrag toegezonden stukken vergezeld gaan van een vertaling in een der door hem genoemde officiële talen van de Benelux Economische Unie, danwel zich de mogelijkheid voorbehouden een zodanige vertaling te eisen.
2. Het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie bepaalt bij beschikking in welke gevallen en op welke voorwaarden deze vertaling door het Secretariaat-Generaal kosteloos kan worden verzorgd.
Artikel 11
De, met het oog op de toepassing van dit Verdrag overgelegde stukken zijn vrijgesteld van elke legalisatie of soortgelijke formaliteit.
Artikel 12
De Staten zien wederzijds af van terugvordering van de uit de toepassing van dit Verdrag voortvloeiende kosten.
Hoofdstuk III. Voorlopige maatregelen
Artikel 13
1. Wanneer een Verdragsluitende Staat overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag een verzoek tot strafvervolging heeft gericht tot een andere Verdragsluitende Staat, kan de aangezochte Staat, zodra het verzoek en het strafdossier zijn ontvangen en totdat aan de verzoekende Staat kennis is gegeven van de beslissing op dat verzoek, overgaan tot de onmiddellijke aanhouding van de verdachte, indien een bevel tot aanhouding of enige andere titel tot vrijheidsbeneming in de verzoekende Staat van kracht is en de wetgeving van de aangezochte Staat de voorlopige hechtenis toelaat in een geval als dat waarin het verzoek tot strafvervolging is gedaan.
2. Wanneer een Verdragsluitende Staat aan een andere Verdragsluitende Staat heeft aangekondigd een verzoek tot strafvervolging tot hem te zullen richten, kan die andere Staat, in dringende gevallen, op verzoek van de eerstbedoelde Staat overgaan tot de aanhouding van de verdachte, indien voor het overige is voldaan aan de in het vorige lid gestelde voorwaarden. Dit laatste verzoek dient melding te maken van het bestaan van een bevel tot aanhouding of enig ander stuk met dezelfde rechtskracht, afgegeven volgens de in de verzoekende Staat wettelijk voorgeschreven vormen, gegevens te behelzen aangaande aard, tijd en plaats van het feit waarvoor strafvervolging zal worden verzocht, alsmede een zo nauwkeurig mogelijk signalement van de verdachte. Voorts dient een beknopte beschrijving te worden gegeven van de verdere omstandigheden van de zaak.
3. Aanhouding ingevolge de voorgaande leden van dit artikel geschiedt overeenkomstig de wet van de aangezochte Staat; die wet bepaalt in welke gevallen de verdachte in vrijheid kan worden gesteld.
4.
Een vrijheidsbeneming, uitsluitend gegrond op het eerste en tweede lid, eindigt:
a) a) wanneer de titel tot vrijheidsbeneming in de verzoekende Staat niet meer ten uitvoer kan worden gelegd; b) b) indien, in het geval bedoeld in het tweede lid, de aangezochte Staat binnen 18 dagen na de aanhouding niet in het bezit is gekomen van het verzoek tot strafvervolging en van de stukken bedoeld in artikel 7.
Artikel 14
1. Wanneer een Verdragsluitende Staat overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag een verzoek tot strafvervolging heeft gericht tot een andere Verdragsluitende Staat, kan de aangezochte Staat, zodra het verzoek en het strafdossier zijn ontvangen en totdat aan de verzoekende Staat kennis is gegeven van de beslissing op dat verzoek, overgaan tot onmiddellijke inbeslagneming van bepaalde voorwerpen, mits de wetgeving van de aangezochte Staat de inbeslagneming toelaat in een geval als dat waarin het verzoek tot strafvervolging is gedaan.
2. Wanneer een Verdragsluitende Staat aan een andere Verdragsluitende Staat heeft aangekondigd een verzoek tot strafvervolging tot hem te zullen richten, kan die andere Staat in dringende gevallen op verzoek van de eerstbedoelde Staat overgaan tot inbeslagneming van bepaalde voorwerpen op de in het vorige lid bedoelde voorwaarden. Laatstbedoeld verzoek dient gegevens te behelzen aangaande aard, tijd en plaats van het feit waarvoor strafvervolging zal worden verzocht, alsmede een beknopte beschrijving van de verdere omstandigheden van de zaak.
3. De inbeslagneming ingevolge de voorgaande leden geschiedt overeenkomstig de wet van de aangezochte Staat en die wet bepaalt in welke gevallen het beslag kan worden opgeheven.
4. Een beslag, uitsluitend gegrond op het tweede lid, eindigt, indien de aangezochte Staat binnen 18 dagen na het beslag niet in het bezit is gekomen van het verzoek tot strafvervolging en van de stukken bedoeld in artikel 7.
Hoofdstuk IV. Gevolgen van het verzoek tot strafvervolging en van de inwilliging daarvan, in de verzoekende Staat
Artikel 15
1. Tot de ontvangst van de kennisgeving van de beslissing van de aangezochte Staat op het verzoek tot strafvervolging kan de strafzaak door de verzoekende Staat noch worden afgedaan noch ter terechtzitting aanhangig worden gemaakt, behalve in geval van intrekking van het verzoek overeenkomstig artikel 4.
2. De verzoekende Staat kan geen enkele daad van vervolging ten aanzien van de verdachte meer verrichten zodra de aangezochte Staat kennis heeft gegeven van de inwilliging van het verzoek tot strafvervolging. Indien de aangezochte Staat de inwilliging alsnog intrekt overeenkomstig artikel 3, vierde en vijfde lid, herkrijgt de verzoekende Staat het recht tot strafvervolging met ingang van de dag van kennisgeving van het intrekken van de inwilliging.
3. Wordt het verzoek overeenkomstig het tweede lid van artikel 1 gedaan, dan kan de burgerlijke partij zich zonder kosten uit de strafzaak terugtrekken. De voeging eindigt van rechtswege op het ogenblik waarop kennis wordt gegeven van de inwilliging van het verzoek.
Hoofdstuk V. Verjaring van het recht tot strafvordering
Artikel 16
1. In de verzoekende Staat wordt de verjaring van het recht tot strafvordering geschorst met ingang van de datum van het overeenkomstig de artikelen 6 en 7 ingediende verzoek tot strafvervolging tot de dag waarop de verzoekende Staat in de gevallen bedoeld in artikel 15 het recht tot strafvervolging herkrijgt. Deze schorsing kan echter niet langer duren dan zes maanden.
2. In de aangezochte Staat begint de termijn van verjaring te lopen met ingang van de dag waarop het feit is begaan. De verjaring van het recht tot strafvordering wordt geschorst met ingang van de datum van het verzoek tot strafvervolging tot aan de datum van de beslissing op dat verzoek. Wanneer in de verzoekende Staat de verjaring vóór de datum van het verzoek tot strafvervolging gestuit of geschorst is ingevolge een omstandigheid die volgens de wetgeving van de aangezochte Staat hetzelfde rechtsgevolg zou hebben, wordt deze omstandigheid geacht de verjaring in de aangezochte Staat eveneens te hebben gestuit of geschorst.
Hoofdstuk VI. Strafvervolging in de aangezochte Staat
Artikel 17
1. Door de inwilliging van het verzoek tot strafvervolging wordt de strafwet van de aangezochte Staat toepasselijk op het feit waarop het verzoek betrekking heeft en worden de rechterlijke autoriteiten van die Staat bevoegd volgens hun nationale wet over dat feit te oordelen. Niettemin mag de in die Staat opgelegde straf of maatregel niet zwaarder zijn dan het wettelijk maximum in de verzoekende Staat.
2. Voor de toepassing van de strafwet van de aangezochte Staat wordt een feit, begaan ten aanzien van een tot de openbare dienst van de verzoekende Staat behorende persoon, instelling of zaak, beschouwd als te zijn begaan ten aanzien van een overeenkomstige - tot de openbare dienst van de aangezochte Staat behorende - persoon, instelling of zaak.
3. Indien het feit, ook bij toepassing van het voorgaande lid, niet strafbaar is naar de wet van de aangezochte Staat, maar wel valt onder de omschrijving van een strafbaar feit vermeld op de bij dit Verdrag gevoegde lijst, wordt het gekwalificeerd overeenkomstig de wet van de verzoekende Staat en voor de toepassing van de strafwet van de aangezochte Staat gelijkgesteld met het overeenkomstige, op de lijst vermelde feit dat in die wet is voorzien en strafbaar gesteld.
4. De voorgaande leden van dit artikel zijn niet van toepassing wanneer de inwilliging van het verzoek is ingetrokken overeenkomstig artikel 3, vierde en vijfde lid.
Artikel 18
1. Indien het feit in beide Staten slechts op klachte vervolgbaar is, geldt een klacht, ingediend in de verzoekende Staat, ook als zodanig in de aangezochte Staat. Op intrekking van de klacht is het recht van de verzoekende Staat toepasselijk.
2. Indien het feit alleen in de aangezochte Staat slechts op klachte vervolgbaar is, kan deze Staat bij het ontbreken van een klacht de strafvervolging niettemin instellen, wanneer de tot klacht gerechtigde zich daartegen niet verzet binnen een maand na het ter post bezorgen van de aangetekende brief waarin het openbaar ministerie hem in kennis stelt van het voornemen tot strafvervolging.
Artikel 19
De stukken, betrekking hebbende op door de autoriteiten van de verzoekende Staat verrichte ambtshandelingen terzake van de vervolging en het bijeenbrengen van bewijsmiddelen, worden, voor wat hun bewijskracht betreft, gelijkgesteld met stukken betreffende soortgelijke, door de autoriteiten van de aangezochte Staat verrichte handelingen. In geen geval kan die gelijkstelling echter tot gevolg hebben dat aan deze stukken meer bewijskracht wordt toegekend dan zij in de verzoekende Staat hebben.
Hoofdstuk VII. Territoriale bevoegdheid
Artikel 20
Behalve de krachtens de nationale wetten territoriaal bevoegde rechters, zijn bevoegd om kennis te nemen van feiten terzake waarvan uit hoofde van dit Verdrag vervolging wordt verzocht, de gerechten van de plaats waar de verdachte
a) a) zijn vaste woon- of verblijfplaats heeft, b) b) in hoofdzaak zijn beroep of bedrijf uitoefent, c) c) voor een ander feit wordt vervolgd of een straf of maatregel ondergaat die hem voor een ander feit is opgelegd.
Hoofdstuk VIII. Slotbepalingen
Artikel 21
Ter uitvoering van artikel 1, lid 2, van het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux-Gerechtshof worden voor de toepassing van hoofdstuk IV van dat Verdrag als gemeenschappelijke rechtsregels de bepalingen van het onderhavige Verdrag en van de Bijlage aangewezen.
Artikel 22
1. Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, geldt dit Verdrag alleen voor het Rijk in Europa.
2. De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden kan de toepasselijkheid van dit Verdrag uitbreiden tot Suriname en de Nederlandse Antillen door middel van een verklaring, gericht aan de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie, die daarvan onmiddellijk kennis geeft aan de beide andere Regeringen. Deze verklaring wordt van kracht op de eerste dag van de tweede maand, volgende op de datum waarop de Secretaris-Generaal haar heeft ontvangen.
Artikel 23
1. Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging zullen worden neergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie, die de Regeringen kennis geeft van de neerlegging van die akte.
2. Het Verdrag zal in werking treden op de eerste dag van de tweede maand, volgende op de datum van neerlegging van de tweede akte van bekrachtiging.
3. Ten aanzien van de derde Staat die overgaat tot neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, zal het Verdrag in werking treden op de eerste dag van de tweede maand, volgende op de datum van neerlegging van die akte.
Artikel 24
In geval van wijziging van de wettelijke voorschriften van een der Verdragsluitende Staten betreffende feiten vermeld in de eerste kolom van de bij dit Verdrag gevoegde lijst, wordt de verwijzing, welke in de lijst is opgenomen met het oog op de vaststelling van het overeenkomstige feit, voor zover nodig aangepast bij beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie. De beschikking wordt ten minste tien dagen voor de dag waarop zij in werking treedt door de Verdragsluitende Staten bekendgemaakt op dezelfde wijze als het Verdrag.
Artikel 25
1. Dit Verdrag kan, na overleg tussen de drie Regeringen, te allen tijde door elk van de Verdragsluitende Staten worden opgezegd na het einde van een termijn van twee jaar te rekenen van de datum van zijn inwerkingtreding af.
2. Opzegging geschiedt door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Benelux Economische Unie, die daarvan onmiddellijk mededeling doet aan de Regering van de beide andere Staten. De opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de zesde maand volgende op de datum waarop de Secretaris-Generaal de kennisgeving van opzegging heeft ontvangen.
3. De opzegging geldt slechts ten aanzien van de Verdragsluitende Staat die haar heeft gedaan.
4. Opzegging door het Koninkrijk der Nederlanden kan beperkt worden tot de gebieden of tot een van de gebieden, bedoeld in artikel 22, lid 2.
Artikel 26
1. Ieder der drie Regeringen kan, na het einde van de in artikel 25, lid 1, genoemde termijn een nauwkeurig geformuleerd voorstel tot wijziging van een of meer artikelen van het Verdrag of van de Bijlage doen; dit voorstel zal op dezelfde wijze als een opzegging ter kennis van de beide andere Regeringen worden gebracht. In dat geval zullen de drie Regeringen trachten tot overeenstemming te komen.
2.
Indien een jaar na de datum van kennisgeving aan de beide andere Regeringen geen overeenstemming is bereikt, kan de Regering die het voorstel heeft gedaan haar wetgeving in de voorgestelde zin wijzigen. De wijziging wordt op dezelfde wijze als het voorstel ter kennis van de beide andere Regeringen gebracht.
In dat geval is geen der beide andere Staten langer gebonden door de bepaling die het voorwerp was van het voorstel tot wijziging. Zelfs kan elk van de Verdragsluitende Staten het Verdrag opzeggen overeenkomstig artikel 25, lid 2. De opzegging zal van kracht worden op de eerste dag van de derde maand volgende op de datum waarop de Secretaris-Generaal de kennisgeving van opzegging heeft ontvangen. Artikel 25, lid 3, is op deze opzegging van toepassing.
Artikel 27
Indien een der drie Staten na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag partij wenst te worden bij een Overeenkomst waarin bepalingen voorkomen welke afwijken van het onderhavige Verdrag, is artikel 26 van overeenkomstige toepassing.